| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3968 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
97/2937 |
| Datum
uitspraak: |
11
februari 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14,
65, 66 en
106
Abw (= 18,
17, 53a
en 55
Wwb) / 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; weigering machtiging aan GGD; informatie bij huisarts;
advies; verplichte medische behandeling; verplichting |
| Essentie: |
Onterechte
oplegging maatregel wegens weigering de GGD-arts te machtigen om
informatie bij de huisarts in te winnen, omdat de GGD-arts
zelfstandig de arbeids(on)geschiktheid kan beoordelen. Terecht
is de verplichting opgelegd, op grond van het GGD-advies, dat
belanghebbende zich onderwerpt aan een noodzakelijke behandeling
van medische aard. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem 97/2937
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Geldermalsen, verweerder.
1.
Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 20 september 1997.
2. Feiten
en procesverloop
Bij besluit van 19 september 1996 is de uitkering van eiseres op
grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) door
verweerder per 1 september 1996 omgezet in een uitkering op grond
van de Algemene bijstandswet (Abw). Verweerder heeft eiseres
daarbij voorlopig tot het resultaat van het in te stellen medisch
onderzoek bekend is, vrijgesteld van de verplichtingen gericht op
inschakeling in de arbeid.
Op 12 september 1996 is aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst
Rivierenland (GGD) advies gevraagd met betrekking tot de
arbeidsmogelijkheden voor eiseres.
Op 4 november 1996 heeft mevrouw J.W.M. Agricola, arts AGZ bij de
GGD, aan verweerder advies uitgebracht. Deze arts heeft daarbij
geconcludeerd dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor grote
lichamelijke problemen en dat de gepresenteerde klachten niet
geobjectiveerd kunnen worden, dat met betrekking tot de klachten
een goed gefundeerd advies over de arbeidsgeschiktheid niet
mogelijk is, maar dat mede gezien de onveranderde situatie ten
opzichte van voorgaande jaren eiseres als arbeidsongeschikt is te
beschouwen.
Bij besluit van 31 december 1996 heeft verweerder besloten de
uitkering van eiseres gedurende één maand te verlagen met 10%, omdat
eiseres ondanks herhaald verzoek weigert mede te werken aan het
onderzoek van de GGD. Voorts is daarbij aan eiseres de
verplichting opgelegd om vóór 1 april 1997 adequate
hulpverlening in te schakelen, zodat er gewerkt kan worden aan
verbetering van de medische situatie.
Door eiseres is op 11 februari 1997 tegen dat besluit bezwaar
gemaakt. Het bezwaar is behandeld op 5 augustus 1997 door de
commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften.
Eiseres is zonder bericht niet bij de behandeling verschenen.
Vervolgens heeft deze commissie op 17 september 1997 advies aan
verweerder uitgebracht.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 20 september 1997,
verzonden op 7 oktober 1997, heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit heeft
verweerder verwezen naar het advies van voormelde commissie.
Namens eiseres heeft mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden,
op 17 november 1997 tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna de
gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend
beroepschrift van 22 december 1997.
Verweerder heeft op 6 maart 1998 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29
januari 1999, waar eiseres is vertegenwoordigd door mr. T.J. Roest
Crollius, en waar verweerder zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
3.
Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,
waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 31 december
1996 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan
doorstaan.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres al
gedurende een zeer lange periode niet meewerkt aan een onderzoek
dat kan resulteren in een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid
en dat derhalve terecht een sanctie is opgelegd. Voorts is
verweerder van mening dat de verplichting aan eiseres om zich te
onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard,
gezien het advies van de GGD, ingevolge artikel 106 van de
Abw terecht is opgelegd.
Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op
het standpunt dat - kort samengevat - het geen zin heeft
informatie bij haar huisarts in te winnen, nu van de onderzoekende
arts mag worden verwacht dat deze na een onderzoek zelf een
oordeel kan geven over de medische klachten en het objectiveren
van die klachten. Voorts heeft eiseres verweerder steeds op de
hoogte gehouden van haar klachten en heeft zij altijd haar volle
medewerking verleend aan administratieve controles. Eiseres zoekt
alle medische hulp waarvan zij verwacht dat zij baat zal hebben,
maar weigert behandelingen waarvan - gelet op voorgaande
ervaringen - vaststaat dat zij daarbij geen baat zal hebben.
De rechtbank overweegt als volgt.
Aan de Abw
en de daarop gebaseerde regelgeving ligt het beginsel
ten grondslag dat een ieder in de eerste plaats zelf
verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Als
uitvloeisel van dit beginsel wordt van degene ten behoeve van wie
bijstand wordt verleend dan wel gevraagd aan te tonen of
aannemelijk te maken dat hij of zij buiten eigen
verantwoordelijkheid niet kan beschikken over voldoende middelen
om in het bestaan te voorzien.
In artikel 14 van de Abw
is bepaald dat indien de belanghebbende onder meer blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel
een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste, derde of
vierde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en
wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw
doet de
belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of
onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of
de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan
hem wordt betaald. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een
belanghebbende verplicht is aan burgemeester en wethouders
desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
voor de uitvoering van de wet.
Ingevolge artikel 66, derde, vierde en vijfde lid, van de
Abw
-
kort samengevat - stellen burgemeester en wethouders zo nodig een
onderzoek in naar gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening
dan wel voortzetting van bijstand en verrichten dezen regelmatig
een heronderzoek naar de voor het recht op bijstand van belang
zijnde gegevens, welk (her)onderzoek mede omvat een onderzoek naar
de mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid zelfstandig
in het bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze
mogelijkheden kunnen worden vergroot.
Artikel 106 van de Abw
bepaalt dat burgemeester en wethouders aan
de bijstand verplichtingen kunnen verbinden die strekken tot
inschakeling in de arbeid (...) of die strekken tot vermindering of
beëindiging van de bijstand. Een zodanige verplichting kan, op
advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een
noodzakelijke behandeling van medische aard.
Uit de stukken blijkt dat eiseres sinds de aanvang van de bijstand
in 1982 heeft aangegeven niet te kunnen werken in verband met
lichamelijke klachten. Eveneens vanaf die datum zijn met eiseres
regelmatig hercontrolegesprekken gevoerd waarbij haar
arbeidsgeschiktheid ter sprake is gekomen. Op 15 oktober 1991
wordt eiseres voor de duur van zes maanden arbeidsongeschikt
geacht door de GGD Rivierenland. Daarbij wordt gesteld dat eiseres
in overleg met haar huisarts zal werken aan haar problemen. In
november 1993 en december 1994 wordt eiseres weer medisch
onderzocht en wordt geconstateerd dat zij een aantal klachten
heeft die haar arbeidsgeschiktheid mogelijk beïnvloeden. Eiseres
geeft geen toestemming tot het inwinnen van informatie bij haar
huisarts.
Bij de onder rubriek 2 genoemde brief van 19 september 1996 wordt
eiseres erop gewezen dat voor haar ingaande 1 september 1996 de
verplichtingen op basis van de nieuwe Abw
gelden. Tot die
verplichtingen wordt onder andere gerekend dat eiseres meewerkt
aan periodieke heronderzoeken. Van de daarbij eveneens genoemde
verplichtingen, gericht op het zo spoedig mogelijk weer zelf in de
kosten van het bestaan kunnen voorzien, is voorlopig vrijstelling
verleend tot het resultaat van het medische onderzoek van de GGD
bekend is.
In haar rapport van 4 november 1996 heeft mevrouw J.W.M. Agricola,
arts AGZ bij de GGD, geconcludeerd dat er geen duidelijke
aanwijzingen zijn voor grote lichamelijke problemen en dat een
goed gefundeerd advies niet mogelijk is, omdat eiseres geen
toestemming geeft voor het inwinnen van informatie bij haar
huisarts. Mede gezien de onveranderde situatie ten opzichte van
voorgaande jaren is eiseres, volgens genoemde arts, als
arbeidsongeschikt te beschouwen. Voorts zal het, blijkens dat
rapport, door houding en gedrag van eiseres moeilijk zijn passende
arbeid te vinden.
De rechtbank is vooreerst van oordeel dat het door verweerder aan
het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat een
sanctie is opgelegd omdat eiseres ondanks meerdere verzoeken
weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek van de GGD naar
de mate van de arbeidsongeschiktheid van eiseres, op een
onvoldoende feitelijke grondslag berust. De rechtbank is aan de
hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet
gebleken dat eiseres geweigerd heeft aan het feitelijke onderzoek
door de GGD medewerking te verlenen. Gezien het vorenstaande is de
rechtbank van oordeel dat het beroep op dit punt gegrond is en dat
het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met het bepaalde in
artikel 7:12 van de Awb
niet in stand kan blijven. Voor zover
verweerder overigens van mening mocht zijn dat het weigeren door
eiseres om toestemming te geven tot het inwinnen van informatie
bij haar huisarts een reden kan zijn voor een "sanctie"
merkt de rechtbank op dat uitsluitend het gebruik maken door
eiseres van haar in de Grondwet verankerde recht om aan een
onderzoekende arts toestemming te weigeren om informatie bij haar
huisarts op te vragen niet tot een dergelijke "sanctie"
kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een
onderzoekende arts worden verwacht dat hij in staat is op basis
van eigen medisch onderzoek en nader verkregen informatie, voor
zover voorhanden, zich een oordeel te vormen over de medische
klachten en de objectivering daarvan. Weigert een onderzochte om
toestemming te verlenen om informatie bij derden in te winnen, dan
kan de onderzoekende arts zijn oordeel uitsluitend baseren op
eigen medisch onderzoek en zijn deskundigheid op medisch terrein.
Indien op grond daarvan geconcludeerd mocht worden dat de klachten
medisch objectief bezien niet te verklaren zijn, dan kan dat leiden
tot de conclusie dat een onderzochte medisch objectief bezien niet
als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd.
De onderzochte kan in zo'n situatie in redelijkheid dan niet
staande houden dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat
bij de behandelend sector geen informatie is ingewonnen.
Voorts acht de rechtbank een toestemming, als hier aan de orde,
niet noodzakelijk voor het kunnen vaststellen van het recht op
bijstand.
Voor wat betreft het opleggen aan eiseres van de verplichting om
zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische
aard overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals hiervoor is aangegeven, kan de bijstandsbehoevende op grond
van artikel 106 van de Abw, op advies van een arts, worden
verplicht zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling
van medische aard.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank
af dat genoemde arts van de GGD van oordeel is dat
eiseres elke vorm van hulpverlening weigert en dat adequate
medische hulp mogelijk is. Op basis daarvan heeft verweerder
besloten tot oplegging van de in dit geding van belang zijnde
verplichting.
De rechtbank is van oordeel dat - mede gezien de voorgeschiedenis
zoals die uit de stukken blijkt - dit onderdeel van de bestreden
beslissing in stand kan blijven. Het GGD-advies van 4 november
1996 kan als het in artikel 106 van de Abw
geëiste advies van een
arts worden beschouwd. Niet gebleken is van feiten of
omstandigheden die tot de conclusie leiden dat verweerder in
redelijkheid op basis van dat medisch advies niet tot oplegging
van een zodanige verplichting had kunnen komen, zodat het beroep
op dit punt faalt. De rechtbank gaat er hierbij overigens van uit
dat omtrent de uitvoering van die verplichting nog nader overleg
zal kunnen plaatshebben tussen eiseres en verweerder met name wat
betreft de concretisering met betrekking tot de vraag bij wie
eiseres welke hulpverlening dient te vragen.
De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb
en verweerder te veroordelen in de door
eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op ƒ1420,-.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gezien het
bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen het verlagen
van de uitkering gedurende één maand met 10% en vernietigt het
bestreden besluit in zoverre;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage
van ƒ1420,-;
wijst de gemeente Geldermalsen
aan als de rechtspersoon die deze
kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de gemeente Geldermalsen aan eiseres het door haar
betaalde griffierecht ad ƒ55,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het
openbaar uitgesproken op 11 februari 1999, in tegenwoordigheid van
B.M.M. Kerkhoven als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24
juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending
hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3977 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
98/1320
NABW |
| Datum
uitspraak: |
22
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78 Abw (= 58
Wwb) / 1:3
en 8:72 Awb
|
| Trefwoorden: |
vermogen;
erfenis; terugvordering; mededeling; feitelijke handeling; rechtshandeling;
rechtsgevolg; bezwaar; niet-ontvankelijk |
| Essentie: |
Onterechte
ongerondverklaring bezwaar, omdat de mededeling van toekomstige
terugvordering van bijstand geen besluit maar een feitelijke
handeling is, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk is. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 98/1320 NABW
PROCES-VERBAAL VAN MONDELINGE UITSPRAAK
in het geschil tussen:
[eiseres], wonende te
[woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Harderwijk, verweerder.
1. Bestreden besluit
Besluit van verweerder van 17 november 1998 tot
ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit
van 17 juli 1998, waarbij verweerder:
heeft beslist tot ongewijzigde voortzetting van de aan eiseres
verstrekte bijstandsuitkering zolang zij niet daadwerkelijk over
de nalatenschap van haar ouders kan beschikken;
heeft medegedeeld dat de verstrekte bijstand zal worden
teruggevorderd vanaf de ingangsdatum van de uitkering, voor zover
het bedrag dat uit de erfenis beschikbaar komt toereikend is.
2. Gronden
Ingevolge artikel 7:1 in verbinding met
artikel 8:1 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) kan bezwaar worden gemaakt tegen
een besluit. Ingevolge artikel 1:3 Awb
wordt onder een besluit
verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Het bezwaarschrift van eiseres was uitsluitend gericht tegen de
mededeling van verweerder dat de verstrekte bijstand zal worden
teruggevorderd vanaf de ingangsdatum van de uitkering, voor zover
het bedrag dat uit de erfenis beschikbaar komt toereikend is.
Deze mededeling bevat niet een besluit tot terugvordering van
bijstand, doch slechts de aankondiging van het voornemen tot
terugvordering op enig moment in de toekomst, wanneer het bedrag
uit de erfenis beschikbaar zal zijn gekomen. Uit deze aankondiging
vloeien geen rechten of verplichtingen voort.
De mededeling is derhalve van feitelijke aard en niet gericht op
enig rechtsgevolg, zodat geen sprake is van een rechtshandeling.
Het bezwaarschrift was dus niet gericht tegen een besluit in de
zin van artikel 1:3 van de Awb.
Dit betekent dat verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk
had moeten verklaren. Het bestreden besluit kan niet in stand
blijven.
De rechtbank ziet aanleiding
zelf in de zaak te voorzien door het bezwaarschrift alsnog
niet-ontvankelijk te verklaren.
Er zijn termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de
proceskosten van eiseres. Ter zake van rechtsbijstand wordt 1 punt
toegekend met een gewichtsfactor 1.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk
en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van
het vernietigde besluit;
gelast verweerders gemeente
het betaalde griffierecht van
ƒ55,-
aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een
bedrag van
ƒ710,-,
te betalen door verweerders gemeente.
Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 1999.
Waarvan proces-verbaal,
H. de Groot,
griffier,
Mr. K. van Duyvendijk, rechter,
Afschrift verzonden:
Binnen zes weken na deze datum staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA4021 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
98/999 ABW V12 |
| Datum
uitspraak: |
13
augustus 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
–, 30 en 58 ABW (= 43, 65
en 78 Abw)
(= 31, 17
en 58 Wwb)
/ 8:31,
8:42 en 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten; vermogen;
schadevergoeding;
terugvordering; lijfrente-uitkering;
immateriële schade; inlichtingenverplichting; inzending stukken |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand wegens ontvangen en verzwegen
lijfrente-uitkering. Deze schadevergoeding behoort niet tot de
in aanmerking te nemen middelen en behoeft derhalve niet te
worden gemeld aan B&W. Het
niet inzenden van alle stukken door B&W leidt reeds tot
vernietiging van het bestreden besluit. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
98/999 ABW V12
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te
[woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders,
gemachtigde: H. Blokzijl, juridisch medewerker bij de gemeente
Groningen.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 22 september 1998, nr.
SPO140270V01/SZ98.66134/VTIR/KvL/JF, het bezwaar van eiseres van
16 juli 1998 tegen hun besluit van 30 maart 1998, waarbij van haar
in verband met over de in dat besluit genoemde perioden ten
onrechte ontvangen uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet
(ABW) een bedrag van
ƒ51.216,94 is teruggevorderd, ongegrond
verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 23 oktober
1998 beroep ingesteld en bij brief van 13 november 1998 de gronden
van het beroep aangevuld.
Verweerders hebben op 14 december 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 2 februari 1999 heeft eiseres van repliek gediend.
Verweerders hebben van dupliek gediend bij brief van 25 februari
1999.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 10 augustus 1999. Voor eiseres is aldaar
verschenen mr. J.W. Brouwer, kantoorgenoot van mr. Van Asperen
voornoemd. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H.
Blokzijl, ambtenaar der gemeente.
2. Rechtsoverwegingen
De feiten
Verweerders hebben bij besluit van 30 maart 1998 aan eiseres
meegedeeld dat zij over de perioden van 1 april 1993 tot 1
september 1993 en van 1 september 1994 tot 1 september 1996 niet
volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 30 ABW
neergelegde inlichtingenverplichting, nu zij niet heeft aangegeven
in die perioden een uitkering uit lijfrente te hebben ontvangen.
Voorts hebben verweerders het uitkeringsrecht van eiseres over
genoemde perioden herzien en van haar een bedrag van
ƒ51.216,94
teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 16 juli 1998 een bezwaarschrift
ingediend, waarbij zij heeft aangevoerd dat verweerders ten
onrechte ervan zijn uitgegaan dat zij de inlichtingenverplichting
heeft geschonden nu de door haar ontvangen uitkering niet relevant
is voor de vaststelling van het recht op bijstand.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit deze bezwaren
ongegrond verklaard. Naar het oordeel van verweerders is er sprake
van voor de bepaling van het recht op bijstand relevante inkomsten
en heeft eiseres daarvan ten onrechte geen opgave gedaan aan de
Dienst SOZAWE.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren
gebracht dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en
dat het door eiseres ontvangen smartengeld buiten beschouwing
blijft voor de vaststelling van het recht op bijstand. Subsidiair
is aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op
grond waarvan van terugvordering had moeten worden afgezien.
Ten aanzien van het geschil.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, ABW wordt door burgemeester en
wethouders aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien bijstand verleend.
Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van artikel 1 wordt de
bijstand afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van
persoon en gezin, alsmede op het betoonde besef van
verantwoordelijkheid van voor de voorziening van het bestaan.
Eventuele inkomsten, ongeacht door wie van de in de bijstand
begrepen gezinsleden deze worden genoten, dienen overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk II, paragraaf 3, Bijstandsbesluit
landelijke normering (Bln) op de uitkering in mindering te worden
gebracht.
Artikel 30, tweede lid, ABW, bepaalt dat de persoon te wiens
behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend verplicht is van
al datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of de
voortzetting daarvan mededeling te doen, zo mogelijk onder
overlegging van bewijsstukken.
Blijkens de beschikbare stukken is door de sociale recherche in
februari 1998 een onderzoek ingesteld, naar aanleiding van het
gerezen vermoeden dat aan eiseres ten onrechte of tot een te hoog
bedrag uitkering was verstrekt.
De rechtbank moet allereerst vaststellen dat door verweerders niet
alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingezonden. Zo is
onder de door verweerders ingezonden stukken bijvoorbeeld geen
rapport van de afdeling sociale recherche van de Dienst
aangetroffen, doch slechts twee door eiseres bij de sociale
recherche afgelegde verklaringen. Evenmin is een specificatie van
het teruggevorderde bedrag aangetroffen. De rechtbank kan zo
onvoldoende controleren wat de inhoud is geweest van het namens
verweerders uitgevoerde voorbereidend onderzoek en in hoeverre het
zorgvuldig is verlopen. Voor eiseres betekent het niet beschikken
over stukken, waarover verweerders kennelijk wel beschikken, naar
moet worden vermoed dat zij in haar processuele belangen is
geschaad. In elk geval heeft zij onvoldoende inzicht gehad in de
hoogte van het teruggevorderde bedrag.
Het niet inzenden van alle stukken moet daarom, gelet op artikel
8:42 juncto artikel 8:31 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb), naar het oordeel van de rechtbank
reeds leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De rechtbank acht het echter -
om proceseconomische redenen - aangewezen thans nog het volgende
te overwegen.
Eiseres wordt door verweerders verweten de in artikel 30, tweede
lid, van de ABW neergelegde inlichtingenverplichting te hebben
geschonden.
Uit de beschikbare stukken en uit hetgeen door eiseres onbetwist
is gesteld, leidt de rechtbank
het volgende af.
Eiseres is op 10-jarige leeftijd een zeer ernstig ongeval
overkomen. In verband met de door haar ook thans nog ondervonden
gevolgen van dat ongeval, zowel in materiële als in immateriële
zin, ontvangt zij op grond van een akte van dading d.d. 16
september 1992 een schadevergoeding van de
verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer. Deze schadevergoeding
wordt, zo zijn partijen bij bedoelde dading overeengekomen, aan
eiseres uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens en in de vorm
van twee lijfrentes.
De lijfrente-uitkeringen zijn naar het oordeel van de rechtbank
gelet op de vorenbedoelde dading en de titel op grond waarvan de
lijfrentes zijn gevestigd bezwaarlijk anders te begrijpen dan als
uitgestelde betalingen van de eiseres toekomende schadevergoeding
en niet - zoals verweerders kennelijk menen - als inkomsten uit
voor bijstandverstrekking relevant vermogen. Reeds meermalen is in
de rechtspraak uitgemaakt dat smartengelduitkeringen en
schadevergoedingen niet zijn aan te merken als vermogen c.q.
inkomsten. Het wezen van smartengeld is immers een geldelijke
tegemoetkoming, bedoeld als pleister op de niet te helen wond van
geleden smart.
Met eiseres is de rechtbank
dan ook van oordeel dat zij er terecht van uitgegaan is dat de
door haar ontvangen schadevergoeding niet relevant is voor haar
recht op uitkering ingevolge de Abw.
Van een schending van de inlichtingenplicht is derhalve geen
sprake geweest, zodat verweerders ten onrechte het recht van
eiseres op bijstand hebben herzien over de perioden van 1 april
1993 tot 1 september 1993 en van 1 september 1994 tot 1 september
1996 en over die perioden de door eiseres ontvangen ABW-uitkering
hebben teruggevorderd.
Vorenstaande overwegingen leiden eveneens tot het oordeel dat het
bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is
gegrond.
Nu verweerders gelet op het vorenoverwogene niet tot een ander
besluit op bezwaar zullen kunnen komen dan het navolgende ziet de rechtbank
aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
De rechtbank verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit
van verweerders d.d. 30 maart 1998 alsnog gegrond en vernietigt
dat besluit.
Griffierecht en proceskosten
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel
8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden
bepaald dat het door
eiseres betaalde griffierecht ad ƒ55,- door de gemeente
Groningen
aan eiseres wordt vergoed. De
rechtbank acht verder
termen aanwezig verweerders op de voet van
artikel 8:75, eerste
lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de
behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs door
eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Groningen aan als de
rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden. Met
inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht bepaalt
de rechtbank deze kosten op ƒ1775,-, zoals aangegeven in een
bij de uitspraak gevoegde bijlage.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond.
vernietigt verweerders besluit van 22 september 1998;
verklaart het bezwaarschrift van eiseres d.d. 16 juli 1998 alsnog
gegrond en vernietigt het besluit van verweerders van 30 maart
1998;
bepaalt dat de gemeente
Groningen
eiseres het betaalde
griffierecht ad
ƒ55,- vergoedt;
veroordeelt verweerders in de door eiseres gemaakte proceskosten,
welke zijn vastgesteld op
ƒ1775,-,
en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient
te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar
door haar uitgesproken op 13 augustus 1999, in tegenwoordigheid
van H.H. Janssens als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 13 augustus 1999.
Bijlage: Staat van kosten.
De rechtbank wijst erop dat
partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van
verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen
instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Ioaz |
x
LJN: |
x
AA4022 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
98/762 NABW V12 |
| Datum
uitspraak: |
13
augustus 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
39
Abw (= 35
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; woonkostentoeslag; verhuisplicht; woonlasten boven
maximumhuurgrens; eigen woning |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag
na eindiging van de (redelijke) overbruggingsperiode om te
voldoen aan de verhuisplicht wegens woonlasten boven de
maximumhuurgrens. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
98/762 NABW V12
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiser
A] en [eiseres B], wonende te [woonplaats], eisers,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 1 juli 1998, nr. 543 BB/NG, het
bezwaar van eisers van 17 februari 1998 tegen hun besluit van 15
januari 1998 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit hebben
verweerders aan eisers een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz) toegekend en voorts de door eisers
aangevraagde bijzondere bijstand op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend
per 1 augustus 1997, doch deze beëindigd per 1 maart 1998.
Eisers hebben tegen dit besluit bij beroepschrift van 1 augustus
1998, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep
ingesteld tegen de beëindiging van de woonkostentoeslag.
Verweerders hebben op 15 september 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank
toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 10 augustus 1999. Voor eisers is aldaar A
verschenen. Verweerders hebben zich ter zitting niet doen
vertegenwoordigen.
2. Rechtsoverwegingen
2.1. Feiten
Eisers waren tot augustus 1998 eigenaren van de woning aan de
[...]straat 66 te C.
Zij hebben in januari 1997 bij verweerders een aanvraag om
bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag
ingediend. Bij besluit van 3 februari 1997 is per 22 augustus 1996
tot 1 maart 1997 een woonkostentoeslag toegekend. Tevens is bij
dat besluit gesteld: "Doordat de woonlasten de maximale huurgrens
overschrijden wordt aan u de zgn. verhuisplicht opgelegd. Dit
houdt in dat u woonruimte dient te zoeken die is afgestemd op uw
inkomen". Eisers hebben tegen dat besluit geen rechtsmiddelen
aangewend.
Per 1 augustus 1997 hebben eisers bij verweerders een aanvraag
ingediend om een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz), tevens is een woonkostentoeslag aangevraagd.
Bij besluit van 15 januari 1998 wordt aan eisers met ingang van 1
augustus 1997 een uitkering ingevolge de Ioaz toegekend,
voorts is een woonkostentoeslag toegekend per 1 augustus 1997,
doch deze beëindigd per 1 maart 1998. Ten aanzien van die beëindiging
is in het besluit overwogen: "Vanaf 1 maart 1998 wordt aan u geen
woonkostentoeslag meer verstrekt op grond van het feit dat de
kosten van de woning boven de maximale huurgrens liggen en aan u
reeds bij beschikking van 3 februari 1997 de verhuisplicht is
opgelegd".
Tegen dit besluit hebben eisers op 17 februari 1998 een
bezwaarschrift ingediend, voor zover daarbij de woonkostentoeslag
niet ook na 1 maart 1998 wordt toegekend.
Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van
eisers ongegrond verklaard. Eisers kunnen zich met dat besluit
niet verenigen en hebben in beroep aangevoerd dat de in het
besluit van 3 februari 1997 gestelde verhuisplicht onvoldoende is
gemotiveerd, dat er geen termijn is genoemd en dat verweerders er
ten onrechte van uitgegaan zijn dat die verhuisplicht nog gold
voor eisers. Voorts hebben zij aangevoerd dat hun woonlasten ten
tijde van het bestreden besluit de huurgrens niet overstijgen.
2.2. Ten aanzien van het geschil
2.2.1. de omvang van het geschil
De rechtbank stelt vast dat eisers in beroep slechts grieven
hebben aangevoerd tegen de in het bestreden besluit neergelegde beëindiging
van de woonkostentoeslag per 1 maart 1998. Het tussen partijen
bestaande geschil beperkt zich derhalve tot dat aspect.
2.2.2. beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over voldoende middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand
van overheidswege. Ingevolge artikel 39, eerste lid,
Abw heeft de
alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover
deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld
in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht. Het
is voor de verlening van bijzondere bijstand geen vereiste dat men
algemene bijstand ontvangt. Ook degene die, uit andere bron dan de
Abw, beschikt over een inkomen dat naar het oordeel van
burgemeester en wethouders niet toereikend is ter voorziening in
bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten kan een beroep op
bijstand doen.
De rechtbank overweegt allereerst het volgende.
Aan eisers is bij besluit van 3 februari 1997 een verhuisplicht
opgelegd. Tegen dit besluit hebben eisers geen rechtsmiddelen
aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
De grieven van eisers treffen derhalve geen doel voor zover zij
zich richten tegen de bij dat besluit opgelegde verhuisplicht (of
de motivering daarvan).
Naar het oordeel van de rechtbank
moet het eisers sedert de
ontvangst van het besluit van 3 februari 1997 genoegzaam duidelijk
geweest zijn dat de toegekende woonkostentoeslag diende ter
overbrugging en voor een bepaalde periode gedurende welke eisers
op een goedkopere wijze dienden te voorzien in woonruimte. Reeds
uit het opleggen van de verhuisplicht hebben eisers kunnen
afleiden dat verweerders niet opnieuw een woonkostentoeslag zouden
toekennen. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling
dat verweerders niet hebben mogen verwijzen naar de bij besluit
van 3 februari 1997 opgelegde verhuisplicht. Evenmin valt in te
zien waarom - zoals eisers hebben gesteld - de verhuisplicht sinds 1
maart 1997 niet meer gold omdat zij vanaf dat moment niet meer
bijstandsbehoeftig waren.
De rechtbank overweegt voorts dat de termijn die eisers is gegeven
om goedkopere woonruimte te vinden haar niet onredelijk voorkomt.
Door aan eisers, ondanks de reeds in februari 1997 opgelegde
verhuisplicht, een woonkostentoeslag toe te kennen voor de periode
van 1 augustus 1997 tot 1 maart 1998 hebben verweerders eisers
geenszins tekort gedaan.
Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de woning van eisers niet
op korte termijn kon worden verkocht, nu eisers hun woning pas
geruime tijd na het opleggen van de verhuisplicht te koop hebben
aangeboden.
Eisers stelling met betrekking tot de hoogte van de woonlasten ten
tijde van het bestreden besluit laat de rechtbank
onbesproken nu
reeds op grond van de eerder opgelegde verhuisplicht per 1 maart
1998 kon worden beëindigd.
Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het bestreden
besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep is
derhalve ongegrond.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar
door haar uitgesproken op 13 augustus 1999, in tegenwoordigheid
van H.H. Janssens als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 13 augustus 1999.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Wet BMT |
x
LJN: |
x
AA4072 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Amsterdam |
| Zaaknummers: |
AWB
99/9152 NABW en AWB 99/9153 NABW |
| Datum
uitspraak: |
13
oktober 1999 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5a, 30 en 57 ABW (= 3, 65
en 81 Abw)
(= 3, 17
en 58 Wwb) /
XVI
Wet BMT
|
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; terugvordering;
herstel gebreken; mandaat; fraude |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoeken voorlopige voorziening, omdat terecht
bijstand is teruggevorderd wegens (verzwegen) gezamenlijke
huishouding met een onderhoudsplichtige. In de bezwaarprocedure
zullen de aan de primaire besluiten klevende gebreken worden
hersteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Amsterdam AWB
99/9152 NABW en AWB 99/9153 NABW
U I T S P R
A A K
als bedoeld in artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht
inzake:
[verzoekster], wonende te
[woonplaats], verzoekster,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluiten
a. besluit van verweerder van 15 april 1999;
b. besluit van verweerder van 20 april 1999.
2.
Ontstaan en loop van het geding
Bij het bestreden besluit sub a heeft verweerder aan verzoekster
meegedeeld dat de aan haar in afwachting van de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
(CRvB) in de door haar aangespannen
beroepsprocedure verstrekte voorschotten ten bedrage van
ƒ22.407,90 op grond van artikel 78, eerste lid, en
artikel 80 van de Algemene bijstandswet
(Abw) zullen worden teruggevorderd, omdat
vast is komen te staan dat zij geen recht op bijstand heeft gehad.
Bij het bestreden besluit sub b heeft verweerder aan verzoekster
meegedeeld dat: het recht op bijstand over de periode van 1
januari 1987 tot en met 31 oktober 1996 wordt herzien, omdat vast
is komen te staan dat zij over deze periode te veel of ten onrechte
bijstand heeft ontvangen aangezien zij onjuiste of onvolledige
inlichtingen heeft verstrekt, dan wel op een andere manier niet
aan de wettelijke mededelingsplicht heeft voldaan. Verweerder
heeft daarbij aangegeven dat verzoekster heeft nagelaten mee te
delen dat zij gedurende deze periode met Z samenwoonde onder
omstandigheden die in financieel-economisch opzicht niet wezenlijk
verschilden van de situatie van een gezin als bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (hierna: de
ABW-oud) c.q. artikel 3, tweede lid, Abw
(nieuw) en Z in die periode over inkomsten beschikte
die de voor een gezin geldende bijstandsnorm te boven gingen; de
over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 aan
verzoekster betaalde (bruto)bijstandsuitkering van in totaal
ƒ54.183,54 van haar wordt teruggevorderd.
Hierbij is verder aangegeven dat, teneinde een passende
aflossingsregeling te treffen met betrekking tot dit
benadelingsbedrag en het in het bestreden besluit sub a genoemde
benadelingsbedrag, verzoekster binnen twee weken diverse met name
genoemde stukken dient over te leggen. Verzoekster is er in dat
verband op gewezen dat indien zij niet binnen deze termijn
reageert, zij de vordering met ingang van 1 juni 1999 in 60
maandelijkse termijnen van
ƒ1276,52 dient af te lossen. Ten
slotte heeft verweerder aangegeven dat het besluit een
executoriale titel oplevert.
Tegen deze besluiten heeft mr. M.M.A. van Hoof, advocaat te
Amsterdam, namens verzoekster op respectievelijk 27 en 29 april
1999 bezwaarschriften ingediend.
Bij brief van 17 september 1999 heeft mr. Van Hoof voornoemd zich
namens verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met
het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende
stukken ter griffie ingezonden.
Het verzoek is op 7 oktober 1999 ter zitting behandeld.
Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.M.A.
van Hoof voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. C.L. Brinks, werkzaam bij de gemeentelijke sociale
dienst.
3. Motivering
Ingevolge artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening
vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging
van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde
voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de
onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor
zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven
over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een
voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de
bodemprocedure.
Feiten en omstandigheden
Verzoekster, geboren [...] 1947, ontving ter voorziening in de
noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering naar
de voor haar geldende bijstandsnorm.
Bij besluit van 15 oktober 1996 heeft verweerder de
bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 1 november 1996
beëindigd, omdat verzoekster naar het oordeel van verweerder met Z
een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel
3, tweede lid, Abw c.q. artikel 5a ABW-oud voert en Z inkomsten uit arbeid heeft
die de voor hen beiden geldende bijstandsnorm
te boven gaan. Een
ten aanzien van dit besluit namens verzoekster bij de president
van de rechtbank ingediend verzoek tot het treffen van een
voorlopige voorziening is bij uitspraak van 5 december 1996, reg.nr.
AWB 96/10641 ABW, afgewezen. Het tegen dit besluit namens
verzoekster ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij
besluit van 17 januari 1997 ongegrond verklaard.
Op 25 februari 1997 is namens verzoekster beroep bij de rechtbank
ingesteld. Daaropvolgend is op 6 maart 1997 bij de president van
de rechtbank een verzoek ingediend tot het treffen van een
voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 1 mei 1997, reg.nrs. AWB
97/1295 RWW en 97/1304 RWW, heeft de president onder toepassing
van artikel 8:86 Awb
het beroep ongegrond verklaard en het verzoek
tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij brief van 2 juni 1997 heeft verzoeksters gemachtigde tegen
deze uitspraak hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep
(CRvB)
ingesteld. Bij afzonderlijke brief van diezelfde datum heeft
verzoeksters gemachtigde de President van de CRvB verzocht een
voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 augustus
1997, nr. 97-4538 ABW-VV, heeft de President van de CRvB dit
verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder aan verzoekster met
ingang van die datum voorschotten ingevolge de Abw
dient te
verstrekken naar de voor haar geldende bijstandsnorm, totdat door
de CRvB in de bodemprocedure zal zijn beslist.
De CRvB heeft vervolgens bij uitspraak van 19 januari 1999, nr.
97/4522 ABW, de bovenaangehaalde uitspraak van de president van de
rechtbank van 1 mei 1997 bevestigd.
Verweerder heeft daarop geconstateerd dat de uit hoofde van
voorvermelde uitspraak van de President van de CRvB aan
verzoekster verstrekte voorschotten - tot een totaalbedrag van ƒ20.407,90 - onverschuldigd zijn betaald en heeft vervolgens het
bestreden besluit sub a genomen.
Met de vaststelling door de CRvB
in bovenaangehaalde uitspraak dat
verweerder de bijstandverlening aan verzoekster terecht en op
goede gronden met ingang van 1 november 1996 heeft beëindigd, is
door verweerder blijkens de gedingstukken geconcludeerd dat aan
verzoekster over de periode van 1 januari 1987 tot en met 31
oktober 1996 ten onrechte of te veel bijstand is verstrekt. Naar de
mening van verweerder heeft verzoekster onjuiste of onvolledige
inlichtingen verstrekt door geen mededeling te doen van de
omstandigheid dat zij een gezamenlijke huishouding met Z voert en
dat de inkomsten van Z hoger zijn dan de geldende bijstandsnorm.
Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit sub b genomen.
Standpunten van partijen
Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft,
samengevat, allereerst aangevoerd dat de bestreden besluiten de
vermelding "In naam der Koningin" ontberen, zoals
voorschreven in artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv). Bij gebreke hiervan kunnen de besluiten naar
verzoeksters opvatting niet geëxecuteerd worden. Verder is
verzoekster van mening dat de bestreden besluiten ten onrechte
krachtens mandaat zijn genomen; volgens haar heeft te gelden dat
de aard van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een
executoriale titel, welke titel immers kleeft aan
terugvorderingsbesluiten als hier aan de orde, zich tegen
mandaatverlening verzet, zodat sprake is van strijdigheid met
artikel 10:3, eerste lid, Awb. Met betrekking tot de in het
bestreden besluit sub a aangegeven rechtsgrond voor de
terugvordering - te weten het bepaalde in artikel
78, eerste lid,
en artikel 80 Abw
- heeft verzoekster voorts gesteld dat deze niet
juist is. Waar in casu geen voorschotten op grond van artikel 74
Abw
zijn verstrekt, doch de voorschotten uit hoofde van de
uitspraak van de President van de CRvB zijn betaald, is de
verwijzing naar artikel 80 Abw
niet juist en moet geconcludeerd
worden dat de daarop gebaseerde terugvordering onrechtmatig is.
Voor wat betreft het bestreden besluit sub b stelt verzoekster
zich op het standpunt dat zij nimmer onjuiste en/of onvolledige
inlichtingen heeft verstrekt of niet aan haar wettelijke
mededelingsplicht heeft voldaan. Zij heeft verweerder in het
verleden steeds volledig ingelicht over haar feitelijke situatie,
echter de door haar verstrekte informatie heeft niet geleid tot
aanpassing of beëindiging van de bijstandsuitkering. Naar de
mening van verzoekster had verweerder de herziening en
terugvordering verder op de ABW-oud dienen te baseren in plaats
van op de Abw
en had verweerder zich met een verzoekschrift tot
terugvordering tot de kantonrechter dienen te wenden. Het besluit
tot terugvordering levert dan ook geen executoriale titel op.
Verzoekster vordert thans als voorlopige voorziening dat
verweerder wordt opgedragen dat de bestreden besluiten worden
geschorst. Verzoekster heeft er in dat verband op gewezen dat
verweerder dreigt tot beslaglegging over te gaan indien niet vóór
20 september 1999 een bedrag van ƒ3829,56 betaalbaar wordt
gesteld. Het ontbreekt haar evenwel aan middelen om aan deze
vordering - waarvan zij bovendien de juistheid bestrijdt - te
voldoen. Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat
met de uitspraak van de CRvB
van 19 januari 1999 vast is komen te
staan dat aan verzoekster ten onrechte en onverschuldigd
voorschotten zijn verstrekt in afwachting van de beroepsprocedure
bij de CRvB, in verband waarmee is besloten om deze voorschotten
terug te vorderen. Met deze uitspraak van de CRvB is voorts vast
komen te staan dat de bijstandverlening terecht en op de juiste
gronden per 1 november 1996 is beëindigd. Waar reeds veel langer
sprake was van de situatie zoals die zich per die datum voordeed,
is daaruit geconcludeerd dat al langer onverschuldigd bijstand is
verstrekt en is besloten om het recht op bijstand te herzien en de
bijstand over een aantal jaren terug te vorderen. De in het
bestreden besluit sub a aangegeven rechtsgrond voor de
terugvordering is niet juist. Voor deze terugvordering behoeft
niet eerst een herzieningsbesluit te worden genomen. In het te nemen besluit op bezwaar zal als rechtsgrond voor deze
terugvordering het bepaalde in artikel 81, tweede lid,
Abw
worden
aangegeven. Ook de in het bestreden besluit sub b aangegeven
rechtsgrond is, gelet het bepaalde in artikel XVI
van de Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(hierna: de Wet BMT) - niet juist en zal in het te nemen besluit
op bezwaar worden hersteld. De terugvordering zal alsdan voor de
periode tot 1 januari 1996 worden gebaseerd op artikel 57 juncto
artikel 30, tweede lid ABW-oud en voor de periode van 1 januari
1996 tot en met 31 oktober 1996 op artikel
81, eerste lid, juncto
artikel 65
Abw,
zoals die artikelen in die periode luidden. De
overige aan de bestreden besluiten klevende gebreken zullen
eveneens in het te nemen besluit op bezwaar worden hersteld; het
besluit op de bezwaren zal overigens binnen afzienbare tijd worden
genomen, nu reeds op 1 oktober 1999 een hoorzitting is gehouden.
Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verder meegedeeld dat de
bestreden besluiten zijn genomen door beslissers die daartoe
krachtens mandaat bevoegd zijn. Het nemen van
terugvorderingsbesluiten is - zo is door verweerders gemachtigde
bepleit - geen bevoegdheid die, gelet op de aard daarvan, van
mandaat behoort te worden uitgesloten.
Overwegingen
Voor wat betreft verzoeksters stelling dat beide bestreden
besluiten ten onrechte in mandaat namens verweerder zijn genomen,
merkt de president allereerst het volgende op.
De president vermag niet in te zien dat de aard van de bevoegdheid
tot het nemen van terugvorderingsbesluiten als hier aan de orde
zich tegen het verlenen van mandaat zou verzetten. Niet valt in te
zien dat een terugvorderingsbesluit in dat opzicht niet gelijk te
stellen is met ieder ander in het kader van de uitvoering van de Abw
te nemen besluit, die - zoals bekend - ook veelal in mandaat
worden genomen. Voorts is voor de president in genoegzame mate
vast komen te staan dat de hier bestreden besluiten zijn genomen
door beslissers krachtens een hun rechtsgeldig verleend mandaat.
Verder wordt het volgende overwogen.
Met de bovenaangehaalde uitspraak van de CRvB van 19 januari 1999
is vast komen te staan dat de bijstandverlening aan verzoekster
per 1 november 1996 terecht en op juiste gronden is beëindigd.
Als gevolg hiervan moet op voorhand met verweerder worden
geoordeeld dat de uit hoofde van de uitspraak van de President van
de CRvB van 8 augustus 1997 vanaf die datum aan verzoekster
verstrekte voorschotten ingevolge de Abw
door verweerder
onverschuldigd zijn betaald. Aan de hand van het overwogene in
vorenvermelde uitspraken van de president van deze rechtbank
van 5
december 1996 en 1 mei 1997 moet voorts worden vastgesteld dat
reeds veel langer sprake was van de situatie die per 1 november
1996 tot beëindiging van de bijstandverlening leidde. Naar
voorshands wordt geoordeeld heeft verweerder dan ook terecht uit
de zich voordoende omstandigheden geconcludeerd dat al langer
onverschuldigd bijstand is verstrekt.
Met de hier bestreden besluiten heeft verweerder de onverschuldigd
betaalde uitkering van verzoekster teruggevorderd.
Per 1 juli 1997 is, voor wat betreft de Abw, de
Wet BMT
in
werking getreden. Als gevolg daarvan is de Abw, onder andere op
het punt van terugvordering van verleende bijstand, gewijzigd.
In artikel XVI, eerste lid, van de
Wet BMT
is bepaald dat in de
bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens
gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van
deze wet alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en
verrekening van hetgeen vóór die datum onverschuldigd is betaald,
geen wijziging wordt gebracht. In het tweede lid van dit
wetsartikel is voorts bepaald dat ten aanzien van besluiten tot
terugvordering of verrekening die vóór de datum van deze wet zijn
bekendgemaakt het recht zoals dat vóór die datum gold van
toepassing blijft.
Het vorenstaande betekent dat in dit geval de vraag of verweerder
bevoegd is het over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31
oktober 1996 onverschuldigd betaalde bedrag van verzoekster terug
te vorderen, moet worden beoordeeld aan de hand van de
terugvorderingsbepalingen zoals die gedurende die periode
luidden. In dit geval heeft dit tot gevolg dat de periode van 1
mei 1994 tot en met 31 december 1995 moet worden beoordeeld aan de
hand van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet (de
ABW-oud) en de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 oktober
1996 aan de hand van de Abw, zoals die te dien tijde luidde. De
vraag of verweerder bevoegd is de vanaf 8 augustus 1997
onverschuldigd betaalde voorschotten ingevolge de Abw terug te
vorderen, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in
de Abw zoals die vanaf 1 juli 1997 zijn gaan luiden. Waar de
bestreden besluiten ná 1 juli 1997 aan verzoekster bekend zijn
gemaakt, volgt uit het tweede lid van artikel XVI
van de
Wet BMT
dat de vanaf dat moment geldende effectueringsbepalingen op de
(gehele) terugvorderingen van toepassing zijn.
Voor zover verzoekster derhalve stelt dat verweerder zich voor wat
betreft de in het bestreden besluit sub b kenbaar gemaakte
terugvordering door middel van een verzoekschrift tot de
kantonrechter had dienen te wenden, kan zij derhalve hier niet in
worden gevolgd.
Voorts wordt als volgt overwogen.
Ten aanzien van het bestreden besluit sub a
Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit als rechtsgrond
voor deze terugvordering verwezen naar het bepaalde in artikel 80
Abw. Waar de voorschotverlening aan verzoekster evenwel niet op
grond van artikel 74 Abw
heeft plaatsgevonden, kunnen deze
voorschotten naar het oordeel van de president dan ook niet op
basis van artikel 80 Abw
van verzoekster worden teruggevorderd.
Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangegeven de in het
bestreden besluit aangegeven rechtsgrond voor deze terugvordering
niet te zullen handhaven. Naar verweerder thans meent, dient de
terugvordering van de verleende voorschotten op het bepaalde in
artikel 81, tweede lid, Abw
te worden gebaseerd. In het te nemen
besluit op bezwaar zal één en ander in deze zin worden hersteld.
Ten aanzien van de hier aan de orde zijnde terugvordering merkt de
president allereerst op dat verweerders standpunt wordt gedeeld
dat niet voorafgaand aan een dergelijke terugvordering een
zogenaamd herzieningsbesluit behoeft te worden genomen; een eerder
toegekend recht op bijstand is immers niet in geding.
In artikel 81, eerste lid, Abw
is bepaald dat bijstand die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of
69, derde of
vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend
van de belanghebbende wordt teruggevorderd. In het tweede lid van
artikel 81 Abw
is voorts bepaald dat hetgeen anderszins
onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de
belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
Waar de aan verzoekster verstrekte voorschotten naar voorlopig
oordeel dienen te worden begrepen onder de zinsnede "hetgeen
anderszins onverschuldigd is betaald" en verzoekster - nu in
de uitspraak van de President van de CRvB van 8 augustus 1997 het
voorlopig karakter van de toegekende voorschotten is benadrukt -
voorts "redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zij daarop
geen aanspraak kon maken", komt de president het bepaalde in
artikel 81, tweede lid, Abw
als rechtsgrond voor de hier aan de
orde zijnde terugvordering voorshands niet onjuist voor.
Verweerder is vooralsnog niet tot invordering van de
onverschuldigd betaalde voorschotten op basis van dit bestreden
besluit overgegaan (en heeft ter zitting ook niet aangegeven dit
thans op korte termijn te zullen doen). Gelet hierop en gegeven
het karakter van de bezwaarschriftenprocedure - te weten dat van
een volledige heroverweging - waarin de aan dit besluit klevende
gebreken kunnen worden hersteld en de in dit verband ter zitting
gegeven toelichting van de zijde van verweerder, zal bij de
beoordeling van het onderhavige verzoek aan deze gebreken, mede
bezien ook in het licht van het hiervoren overwogene, geen
doorslaggevende betekenis worden toegekend.
Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens zowel uit de stukken
en het verhandelde ter zitting is gebleken, bestaat dan ook geen
aanleiding om ten aanzien van dit bestreden besluit een voorlopige
voorziening te treffen.
Ten aanzien het bestreden besluit sub b
Zoals hierboven reeds aangegeven, deelt de president verweerders
standpunt dat reeds vóór 1 november 1996 sprake was van de
situatie die tot beëindiging van de bijstandverlening per die
datum heeft geleid en dat mitsdien al langer onverschuldigd
bijstand is verstrekt. De president stelt vast dat verzoekster
nimmer uit eigen beweging aan verweerder alle informatie kenbaar
heeft gemaakt die naderhand tot de vaststelling van het voeren van
een gezamenlijke huishouding met Z heeft geleid, weshalve zij de
op haar rustende rechtsplicht tot het verstrekken van (juiste)
inlichtingen heeft geschonden. Verzoekster heeft er weliswaar op
gewezen dat zij altijd alle relevante informatie aan verweerder
heeft doorgegeven, doch deze stelling wordt als niet juist van de
hand gewezen. Uit de hierboven aangehaalde uitspraken van de
president van deze rechtbank van 5 december 1996 en 1 mei 1997
blijkt reeds dat verzoekster nimmer eigener beweging melding heeft
gemaakt van het in mede-eigendom verkrijgen van de door haar en Z
bewoonde woonboot en de financiering daarvan in 1978, in welke
periode verzoekster reeds bijstand ontving; van het te dien tijde
opgestelde verblijvingsbeding is evenmin destijds melding gemaakt.
Verzoekster had zich dan ook dienen te realiseren dat één en ander
van relevantie was c.q. kon zijn voor de bijstandverlening aan
haar en had hiervan melding dienen te maken. Bij twijfel aan haar
kant of zij dit al dan niet aan verweerder moest opgeven, had het
naar het oordeel van de president op de weg van verzoekster
gelegen om dit zekerheidshalve te doen. Verweerder heeft mitsdien
terecht besloten verzoeksters recht op bijstand te herzien.
Naar het oordeel van de president is verweerder onder deze
omstandigheden op grond van het bepaalde in artikel 57 ABW-oud
juncto artikel 30, tweede lid ABW-oud (voor wat betreft de over
de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 december 1995 verleende
bijstand) en op grond van artikel 81, eerste lid,
Abw
juncto
artikel 65 Abw
(voor wat betreft de over de periode van 1 januari
1996 tot en met 31 oktober 1996 verleende bijstand) bevoegd c.q.
verplicht om de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering van
verzoekster terug te vorderen.
Geconstateerd moet worden dat verweerder ook in dit bestreden
besluit derhalve niet de juiste wettelijke grondslag voor de
terugvordering heeft vermeld. Verweerders gemachtigde heeft
evenwel ter zitting aangegeven de in het bestreden besluit
aangegeven rechtsgrond voor deze terugvordering ook niet te zullen
handhaven en in plaats hiervan in het te nemen besluit op bezwaar
de hierboven aangegeven wettelijke grondslag in de plaats te
zullen stellen.
Vastgesteld moet worden dat verweerder nog niet tot invordering
van de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering op basis van dit
bestreden besluit is overgegaan en ter zitting heeft aangegeven
nog steeds bereid te zijn om te komen tot een aflossingsregeling.
Gelet hierop en gegeven het karakter van de
bezwaarschriftenprocedure - te weten dat van een volledige
heroverweging - waarin de aan dit besluit klevende gebreken kunnen
worden hersteld en de in dit verband ter zitting gegeven
toelichting van de zijde van verweerder, zal bij de beoordeling
van het onderhavige verzoek ook aan deze gebreken, mede bezien ook
in het licht van het hiervoren overwogene, geen doorslaggevende
betekenis worden toegekend.
Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens zowel uit de stukken
en het verhandelde ter zitting is gebleken, bestaat eveneens geen
aanleiding om ten aanzien van dit bestreden besluit een voorlopige
voorziening te treffen.
Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de
bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een
grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden
vergoed.
Beslist wordt als volgt.
4. Beslissing
De president:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening,
voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit sub a,
af;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening,
voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit sub b,
af.
Gewezen door mr. M. van Mourik, fungerend president, in
tegenwoordigheid van J.J.H. van den Bogaard, griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 1999 door mr. M. van
Mourik, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier,
De president,
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|