| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Awb |
x
LJN: |
x
AA4116 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Middelburg |
| Zaaknummers: |
Awb
98/315 en Awb 99/691 |
| Datum
uitspraak: |
29
oktober 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
107
en 113
Abw
(n.v.t. op Wwb) / 6:2 en 7:10
Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; schending arbeidsverplichtingen; sollicitatieverplichting;
volledige verzorgende taak voor kind jonger dan 5 jaar;
onbevoegdelijke overschrijding beslistermijn bezwaar |
| Essentie: |
Onterecht
opgelegde maatregelen wegens vermeende herhaaldelijke schending
van arbeidsverplichtingen. Partners zijn vrij in de keuze wie
van hen (i.c. de vrouw) is belast met de volledige verzorgende
taak voor een kind jonger dan 5 jaar (en derhalve is ontheven
van de arbeidsverplichtingen). Nu de man volledig
arbeidsongeschikt is, zijn beide partners ontheven van de
arbeidsverplichtingen. B&W zijn niet bevoegd de
beslistermijn voor bezwaar te overschrijden om een rechterlijke
uitspraak te kunnen afwachten. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Middelburg Awb
98/315 en Awb 99/691
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser A] en [eiseres B], wonende te
[woonplaats], eisers,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Oostburg [zie gemeente Sluis, red.], verweerder.
1. Feiten en procesverloop
Bij besluit van 7 januari 1998 is aan eisers met ingang van 12
november 1997 - na een korte onderbreking - een uitkering krachtens de
Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, waarbij een korting
van 20% over twee maanden is toegepast onder de overweging dat
eisers in de laatste elf maanden wederom niet aantoonbaar hebben
gesolliciteerd.
Bij besluit van 7 april 1998 heeft verweerder opnieuw een sanctie
toegepast in de vorm van een korting van 20% over de periode van 1
maart 1998 tot en met 30 juni 1998, omdat eisers volharden in hun
houding om nauwelijks of geen werk in loondienst te zoeken.
Bij besluit van 30 juni 1998 heeft verweerder eisers een sanctie
opgelegd in de vorm van een korting van 95% over de maanden juli
en augustus 1998.
Tegen laatstgenoemd besluit hebben eisers een bezwaarschrift
ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar heeft op 24 september
1998 een hoorzitting plaatsgevonden.
Verweerder heeft bij besluit van 12 oktober 1998, verzonden 10
november 1998, het bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank
(reg.nr.
Awb 98/691).
Bij besluit van 1 februari 1999 heeft verweerder besloten de
uitkering van eisers over de maanden januari en februari 1999 te
verlagen met 10%.
Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend,
gedateerd 12 februari 1999. Tevens hebben eisers de president van
deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij
uitspraak van 26 februari 1999 heeft de president dit verzoek
toegewezen en verweerders besluit van 1 februari 1999 geschorst.
Bij schrijven van 2 juni 1999, ingekomen bij de rechtbank
op 7
juni 1999, hebben eisers beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op het bezwaar van 12 februari 1999
(reg.nr. Awb 99/315).
Beide geschillen zijn op 7 oktober 1999 behandeld ter zitting,
alwaar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten
nader toe te lichten. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. F.A. van den Berg, medewerkster
bij het Buro voor Rechtshulp. Voor verweerder is verschenen de
gemachtigde R.J. de Boer, ambtenaar ter secretarie.
2. Gronden
Ingevolge artikel 113, eerste lid, van de
Abw gelden voor de
belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan
is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking een aantal
verplichtingen, waaronder de verplichting naar vermogen te
trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.
Blijkens artikel 107, tweede lid, van de
Abw gelden bovengenoemde verplichtingen niet voor de ouder met een volledig
verzorgende taak voor één of meer ten laste komende kinderen jonger
dan vijf jaar.
Ingevolge artikel 107, derde lid, van de
Abw geldt ten aanzien van
een ouder met een gedeeltelijk verzorgende taak of gehuwden die
de verzorgende taak gezamenlijk uitoefenen dat de verplichtingen,
bedoeld in artikel 113, eerste lid, aan die ouder onderscheidenlijk
die ouders worden opgelegd met dien verstande dat deze
onderscheidenlijk ieder van beiden voor de helft van de geldende
volledige arbeidstijd per week beschikbaar moet zijn voor
inschakeling in de arbeid.
Verweerder heeft zijn besluit van 12 oktober 1998 gegrond op de
overweging dat eisers blijven volharden in het niet beschikbaar
zijn voor de arbeidsmarkt, dan wel niet adequaat solliciteren naar
arbeid in loondienst. Daarbij stelt verweerder dat, terwijl
beiden een arbeidsverplichting hebben, eiseres niet als
werkzoekende staat ingeschreven bij het Arbeidsbureau. Ook zou in
juni 1998 opnieuw zijn geconstateerd dat de
sollicitatieactiviteiten beneden peil waren. Het besluit van 1
februari 1999 is onder meer gebaseerd op het verwijt dat eiseres
haar inschrijving bij het Arbeidsbureau per 1 december 1998 heeft
laten verlopen en zich pas weer op 22 januari 1999 heeft laten
inschrijven en dat zij niet heeft gesolliciteerd terwijl zij
daartoe verplicht was.
Van het gezin van eisers maakt onder meer deel uit een kind jonger
dan 5 jaar, te weten X, geboren [...] 1998. Vaststaat voorts dat
eisers te kennen hebben gegeven dat de volledige verzorgende taak
voor dat kind door eiseres wordt gedragen.
Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat het uitgangspunt van de
Abw is het bieden van een bestaansgarantie en dat
het streven van beide eisers erop moet zijn gericht om uit te
stromen. Dit brengt volgens verweerder met zich mee dat van hen
een ruime opstelling ten opzichte van de zorgplicht mag worden
verlangd. Beiden hebben een arbeidsverplichting. Indien één van
hen slaagt in het vinden van arbeid, betekent dat dat op dat
moment de volledige verzorgende taak voor het kind als bedoeld in
artikel 107, tweede lid, van de Abw
op de ander komt te rusten.
Onwil van de man kan geen reden zijn om af te zien van het
opleggen van de arbeidsverplichting aan de vrouw. Zulks geldt
volgens verweerder te meer nu de kansen van eisers op de
arbeidsmarkt gering zijn en de enige reële optie om uit de
bijstand te geraken, moet worden gezocht bij eiseres.
Eisers hebben aangevoerd dat gelet op artikel 107 van de
Abw voor
eiseres de verplichtingen op grond van artikel
113, eerste lid,
niet gelden, aangezien zij de volledige zorg heeft voor een kind
jonger dan 5 jaar. Verder hebben zij aangevoerd dat eiser sinds 14
april 1998 volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van een
ernstig ongeval.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het systeem van artikel 107 van de Abw
houdt in dat indien één van
de ouders de volledige verzorgende taak heeft voor een kind jonger
dan 5 jaar, die ouder volledig is vrijgesteld van de uit het
eerste lid van artikel 113 van de Abw
voortvloeiende
verplichtingen en dat deze voor de andere ouder volledig gelden,
terwijl indien sprake is van het gezamenlijk uitoefenen van de
verzorgende taak, die verplichtingen voor ieder van beiden voor de
helft van de volledige arbeidstijd per week gelden. Blijkens de
wetsgeschiedenis is de wetgever er daarbij van uitgegaan dat het
aan de ouders zelf is om in onderling overleg de rolverdeling met
betrekking tot de verzorgende taak te bepalen. Het staat hen
daarbij vrij ervoor te kiezen één van hen met de volledige
verzorgende taak te belasten. In dat geval zal de ander volledig
beschikbaar dienen te zijn voor de arbeidsmarkt. Om, in geval de
ouders ervoor kiezen de verzorgende taak gezamenlijk uit te
oefenen, te waarborgen dat een reële kans op uitstroom uit de
bijstand blijft bestaan, is in het derde lid van artikel 107
bepaald dat in dat geval ieder van beiden voor de helft van de
tijd beschikbaar moet zijn voor inschakeling in arbeid.
Het voorgaande brengt met zich mee dat in onderhavig geval de
verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de
Abw, voor
eiseres niet gelden. Eisers hebben er immers voor gekozen dat
eiseres de volledig verzorgende taak voor X draagt. Verweerder
heeft dus ten onrechte aangenomen dat ook voor haar de
arbeidsverplichting gold en zijn besluitvorming ten onrechte
(mede) gegrond op het door eiseres niet voldoen aan die
verplichting. Reeds wegens strijd met de wet kan verweerders
besluit van 12 oktober 1998 daarom niet in stand blijven. Het
beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 is dus gegrond.
Overigens kan in verband met dit besluit nog worden opgemerkt dat
uit het dossier niet blijkt van enig onderzoek naar sollicitatieactiviteiten van eiser in de bewuste periode,
terwijl
in diezelfde periode kennelijk bovendien sprake is geweest van een
hem overkomen ernstig ongeval.
Met betrekking tot het beroep van eisers tegen het niet tijdig
beslissen op het bezwaar van 12 februari 1999 overweegt de rechtbank
dat vaststaat dat verweerder ook thans nog niet op dat
bezwaar heeft beslist. De overschrijding van de beslistermijn
van artikel 7:10, eerste lid, van de
Awb
is daarom een feit,
hetgeen verweerder ook erkent.
Verweerder heeft in dit verband nog aangegeven dat de uitkomst van
het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 mede bepalend is
voor de op bedoeld bezwaar te nemen beslissing en dat daarom is
besloten die procedure af te wachten. Gelet op de uitdrukkelijke
bepaling van artikel 7:10, eerste lid, van de
Awb
stond het
verweerder echter niet vrij zo te handelen. Verder uitstel dan
mogelijk op grond van het derde lid van dit artikel was gelet op
het vierde lid slechts mogelijk met uitdrukkelijke toestemming
van eisers.
Ook het beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder te
beslissen op het bezwaar is daarom gegrond.
Verweerder zal alsnog op het bezwaar van eisers dienen te
beslissen en de rechtbank ziet reden daaraan een termijn te
verbinden. Ter zitting hebben eisers nog verzocht om aan een
zodanige bepaling een dwangsom te verbinden, maar daartoe ziet de
rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding om
verweerder
te veroordelen in de proceskosten. Met toepassing van het
Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze vast op
ƒ2130,-, uitgaande van zaken van gemiddelde zwaarte en totaal
2 punten voor de beide beroepschriften en 1 punt voor de
behandeling ter zitting.
Dit leidt tot de volgende uitspraak.
3. Uitspraak
De arrondissementsrechtbank te
Middelburg:
verklaart zowel het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998
als het beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder te
beslissen op het bezwaarschrift van eisers gericht tegen het
besluit van 1 februari 1999 gegrond en vernietigt deze besluiten;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
eisers gericht tegen het besluit van 30 juni 1998, met
inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;
bepaalt voorts dat verweerder alsnog een besluit dient te nemen op
het bezwaar van eisers gericht tegen het besluit van 1 februari
1999, eveneens met inachtneming van het in deze uitspraak
gestelde, en wel binnen vier weken na kennisgeving van deze
uitspraak;
bepaalt dat de gemeente Oostburg aan eisers het door hen betaalde
griffierecht ten bedrage van totaal ƒ115,-
(honderdvijftien
gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de
zijde van eisers begroot op ƒ2130,-
(eenentwintighonderddertig gulden), te betalen door de gemeente Oostburg aan eisers.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 1999
door mr. L.J.P. Lambooij, in tegenwoordigheid van mr. M.D.
Bezemer-Kralt, griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep
instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het
indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening
van verzending van deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Wet BMT |
x
LJN: |
x
AA4129 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
98/470 ABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
19
juli 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
1, 58 en 61d ABW (= 7, 82
en – Abw) (= 11, 58
en – Wwb) / XVI
Wet BMT
|
| Trefwoorden: |
inkomsten achteraf; ziekengeld; terugvordering; terugvorderingstermijn |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering (eerst na 2,5 jaar, doch binnen de destijds
geldende vijfjarentermijn) van bijstand wegens nabetaald
ziekengeld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
98/470 ABW V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 17 maart 1998, kenmerk
RAA68003835K/SZ98.23486/VTIR/KvL/HB, verzonden op 31 maart 1998,
het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 23 juli 1997,
waarbij van eiser de over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april
1995 op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz)
verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan wordt
teruggevorderd, onder aanvulling van de motivering, ongegrond
verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 7 mei 1998, op
nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 1 juli 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 juli 1998 heeft eiser van repliek gediend.
Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 10
juni 1999 nog enkele stukken ingezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 1 juli 1999.
Eiser is aldaar in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.D. van Loo.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten
Verweerders hebben, voor zover hier van belang, eiser bij
besluiten van achtereenvolgens 20 april 1994, 28 juli 1994 en 25
oktober 1994 over de periode van 1 april 1994 tot 27 maart 1995 op
grond van het Bz periodieke bijstand in de vorm van een renteloze
lening toegekend in de algemene kosten van het bestaan naar de
norm voor een alleenstaande.
Op 26 juni 1994 is eiser betrokken geweest bij een
verkeersongeval, waaraan hij lichamelijke klachten heeft
overgehouden. Eiser heeft verweerders op 31 oktober 1994 bericht
dat hij op grond van voornoemde klachten een
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd bij het GAK.
Vervolgens heeft eiser verweerders bij brief van 29 maart 1995
meegedeeld dat hem bij besluit van 12 januari 1995 door het GAK
met terugwerkende kracht tot 26 juni 1994 ziekengeld is toegekend.
Bij brief van 13 maart 1996 hebben verweerders eiser bericht dat
hen uit onderzoek is gebleken dat eiser naast een uitkering tevens
andere inkomsten heeft ontvangen, zodat besloten is om een nader
onderzoek in te stellen.
Bij besluit van 23 juli 1997 hebben verweerders eiser onder meer
meegedeeld dat de hem over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april
1995 verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan tot
een bedrag van totaal ƒ11.491,31 van hem wordt teruggevorderd.
Verweerders hebben daarbij overwogen dat eiser gedurende deze
periode een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving die hoger was
dan de voor hem geldende bijstandsnorm.
Tegen dit besluit heeft eiser op 29 augustus 1997, nader aangevuld
op 1 september 1997, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.
Bij besluit van 3 december 1997 hebben verweerders, onder
intrekking van voornoemde beslissing van 23 juli 1997, en op grond
van een enigszins gewijzigde motivering, van eiser de hem over de
periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand in
de algemene kosten van het bestaan teruggevorderd. De totale nettovordering bedraagt
ƒ11.491,31.
In een afzonderlijk schrijven van 3 december 1997 hebben
verweerders eiser meegedeeld dat zijn bezwaarschrift van 29
augustus 1997 mede geacht wordt te zijn gericht tegen de
beslissing van 3 december 1997.
Op 5 december 1997 heeft eiser nog een nadere reactie ingezonden.
Het bezwaar van eiser is behandeld in de vergadering van de
Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid van 23 februari 1998. De
Commissie heeft verweerders geadviseerd het bezwaarschrift
ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders, overeenkomstig
voornoemd advies van de Commissie, het bezwaarschrift ongegrond
verklaard en het besluit aangevuld in die zin dat de over de
periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand
bestemd voor de algemene kosten van het bestaan wordt
teruggevorderd, aangezien eiser over die periode een uitkering van
het GAK
heeft ontvangen welke hoger is dan de destijds voor hem geldende bijstandsnorm
(artikel 82, onderdeel a, Abw).
Eiser is van mening dat verweerders in dit geval de terugvordering
achterwege dienen te laten. Hij heeft erop gewezen dat hij de
sociale dienst tijdig in kennis heeft gesteld van de aan hem
verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkering. Door hem 2,5 jaar
nadien met een terugvordering te confronteren, is gehandeld in
strijd met de zorgvuldigheid.
Het van toepassing zijnde recht
Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet
(Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te
duiden als Abw) in
werking getreden. Ingevolge artikel 3
van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb.
1995, 200) zijn de Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb.
1963, 284, verder aan te duiden als ABW) en de daarop gebaseerde
regelingen waaronder het BZ, per 1 januari 1996 ingetrokken.
Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248), houdende onder meer wijziging van de Abw,
in werking getreden (hierna te noemen: de Wet BMT). Op grond van
het eerste lid van artikel XVI van
de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van
het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank en de gemeenten
tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben
plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet,
alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van
hetgeen vóór die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging
gebracht.
Nu het thans bestreden besluit betrekking heeft op de periode van
26 juni 1994 tot 1 april 1995 dient het bestreden besluit te
worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de ABW.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, ABW, wordt door burgemeester en
wethouders aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien bijstand verleend. Op grond van het tweede lid van
voornoemd artikel 1 wordt de bijstand afgestemd op de
omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin. Eventuele
inkomsten, ongeacht door wie van de in de bijstand begrepen
gezinsleden deze worden genoten, dienen overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk II, paragraaf 3, Bijstandsbesluit
landelijke normering (Bln) op de uitkering in mindering te worden
gebracht.
In artikel 58, eerste lid, ABW is bepaald dat kosten van bijstand
verleend over een bepaalde periode of met een bepaalde bestemming
van de betrokkene teruggevorderd worden tot het bedrag van de
inkomsten welke hij met betrekking tot die periode later ontvangt,
onderscheidenlijk tot het bedrag van de middelen welke met het oog
op die bestemming later door hem worden ontvangen. Ingevolge
artikel 61d, eerste lid, ABW worden, behoudens in de
gevallen bedoeld in de artikelen 58 en 59, kosten van bijstand die
meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van de
beschikking tot terugvordering zijn gemaakt niet teruggevorderd.
Beoordeling van het geschil
Verweerders hebben hun bestreden besluit gebaseerd op de
bepalingen van de (nieuwe) Abw,
terwijl, zoals hiervoor is overwogen onder de rubriek "Het
van toepassing zijnde recht", in dit geval de (oude) ABW nog
van toepassing is. Het bestreden besluit berust derhalve op een
onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank
zal hier evenwel geen consequenties aan verbinden, aangezien het
in dit geval voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil geen
verschil maakt of het nieuwe dan wel het oude recht wordt
toegepast. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag
of verweerders terecht de aan eiser over bovengenoemde periode
verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan van hem
hebben teruggevorderd.
Eiser heeft over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 op
grond van het Bz een uitkering voor de algemene kosten van het
bestaan naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. De
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en
Vrije Beroepen heeft eiser bij besluit van 12 januari 1995 met
terugwerkende kracht tot 26 juni 1994 ziekengeld toegekend. Eiser
heeft in elk geval tot 1 april 1995 ziekengeld ontvangen. Het aan
eiser toegekende ziekengeld bedroeg meer dan de op hem van
toepassing zijnde bijstandsnorm.
Ziekengeld is een uitkering die strekt tot vervanging van door
ziekte gederfde inkomsten uit arbeid en is daarmee voor de
toepassing van de ABW op één lijn te stellen met die inkomsten.
Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, ABW hebben
verweerders de uitkering dan ook terecht van eiser teruggevorderd.
Verder moet worden vastgesteld dat de in artikel 61d,
eerste lid, ABW genoemde termijn waarbinnen tot terugvordering
moet worden overgegaan niet geldt ten aanzien van terugvorderingen
op grond van artikel 58, eerste lid, ABW. Verweerders hebben
weliswaar niet adequaat gereageerd op de brief van eiser van 29
maart 1995, doch dit staat er niet aan in de weg dat zij alsnog
tot terugvordering overgaan. Zij zijn daartoe op grond van artikel
58, eerste lid, ABW ook gehouden.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden
verklaard.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door hem uitgesproken op 19 juli 1999, in tegenwoordigheid van A.M.
van der List-van Winden als griffier.
De griffier, wnd.,
De
rechter,
Afschrift verzonden op: 19 juli 1999.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA4131 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
98/461 ABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
16
juli 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
17
en 39
Abw (= 15
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten studiebegeleiding kind; noodzakelijk;
bijzonder; voorliggende voorziening; WTS; WTOS; tegemoetkoming |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten studiebegeleiding van
ten laste komend kind, omdat de kosten noodzakelijk en bijzonder
zijn en de WTS geen toereikende voorliggende voorziening is. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
98/461 ABW V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te
[woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Eemsmond, verweerders,
gemachtigde: mr. T. Nipperus, ambtenaar der gemeente.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 17 maart 1998, kenmerk
Nip\97.5563 en 97.5985, verzonden op 27 maart 1998, het bezwaar
van eiseres tegen het besluit van 30 oktober 1997, waarbij haar
aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) in de kosten van studiebegeleiding van haar dochter
[dochter] is
afgewezen, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 4 mei 1998,
op nader in het aanvullend beroepschrift van 11 juni 1998
aangegeven gronden, beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 24 juli 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank
toegezonden, alsmede een
verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 28
mei 1999 nog nadere stukken ingezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 1 juli 1999.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun
gemachtigde.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten en standpunten van partijen
Eiseres ontvangt een
bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Haar
dochter [dochter] is in het schooljaar 1996-1997 als gevolg van
omstandigheden thuis voor de tweede keer blijven zitten in de
derde klas van de MAVO. Daardoor kon zij haar opleiding op de
betrokken school niet voortzetten, zodat zij een andere school
moest zoeken. [dochter] is voor het schooljaar 1997-1998
toegelaten tot de eenjarige dagopleiding MAVO van het
Alfa-college op voorwaarde dat zij voor één dagdeel (is vier
lesuren) per week studiebegeleiding neemt.
De studiebegeleiding wordt verzorgd door de Stichting Educatie
Groningen. De daarmee gemoeide kosten bedragen ƒ2250,- per
jaar.
Eiseres heeft op 25 augustus 1997 bijzondere bijstand gevraagd
voor deze kosten.
Bij besluit van 30 oktober 1997 hebben verweerders deze aanvraag
afgewezen. Hierbij is overwogen dat niet is gebleken van uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in
de zin van artikel 39
Abw. Voorts hebben verweerders geoordeeld
dat er een voorliggende voorziening is in de vorm van een
tegemoetkoming studiekosten voor kinderen tot en met 17 jaar,
welke voorziening toereikend en passend wordt geacht.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 november 1997, nader
aangevuld op 11 december 1997, een bezwaarschrift ingediend bij
verweerders.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van
eiseres, onder verwijzing naar een advies van de afdeling Sociale
Zaken van 17 maart 1998, ongegrond verklaard. In dit advies is
gesteld dat het bedrag dat ontvangen wordt op grond van de Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS) een tegemoetkoming is. De gemeente
kan derhalve niet het landelijk beleid doorkruisen en tot
verstrekking van het surplus aan kosten overgaan.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Eiseres heeft daartoe
aangevoerd dat de WTS niet is te beschouwen als een afdoende
voorliggende voorziening. Eiseres is verder van mening dat sprake
is van bijzondere omstandigheden, waardoor zij deze kosten niet
kan voldoen uit de algemene bijstandsnorm.
In het verweerschrift hebben verweerders uiteengezet dat niet
gebleken is van zeer dringende redenen om op basis van artikel
17,
derde lid, Abw
bijstand te verlenen. Voorts is betoogd dat een
deel van de kosten voor studiebegeleiding betaald dient te worden
uit de tegemoetkoming op grond van de WTS
en dat de overige kosten
worden geacht te behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan.
Beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over
voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, Abw
heeft de alleenstaande of
het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet
beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan
en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
Krachtens artikel 17, eerste lid, Abw
bestaat geen recht op
bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1a (oude)
Algemene Bijstandswet (ABW), dat overeenkomt met het huidige
artikel 17, blijkt dat de bijstandswet geen functie heeft wanneer
binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen
over de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in
een specifieke situatie. Voor zover een beroep kan worden gedaan
op een toereikende en passende voorliggende voorziening is er geen
aanleiding tot het verlenen van bijstand. Of een bepaalde
voorziening kan worden aangemerkt als toereikend en passend is
niet alleen afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden in
het individuele geval, maar wordt, in het kader van aard en doel
van de betreffende voorziening, mede bepaald door hetgeen naar
maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht.
Op grond van de WTS wordt, indien aan bepaalde voorwaarden is
voldaan, ten behoeve van studerenden jonger dan 18 jaar een
tegemoetkoming verstrekt in de kosten van het volgen van een
dagopleiding. Krachtens artikel 16, eerste lid, WTS
is deze
tegemoetkoming samengesteld uit een tegemoetkoming in de kosten
van de onderwijsbijdrage en een normbedrag voor de overige
studiekosten. Bij de samenstelling van het bedrag dat aan
tegemoetkoming in de studiekosten kan worden verstrekt, is
normatief rekening gehouden met kostenposten die direct
samenhangen met het volgen van een studie, zoals het wettelijk
verschuldigde les- of collegegeld, boeken en leermiddelen en
reiskosten (zie de memorie van toelichting op de WTS, Kamerstukken
II 1996-1997, 23 699, nr. 3, blz. 7).
Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het volgen
van de opleiding aan het Alfa-college en daarmee de
studiebegeleiding niet noodzakelijk was. Volgens verweerders had
eiseres voor een andere school voor haar dochter kunnen kiezen.
Ter zitting is evenwel komen vast te staan dat verweerders geen
enkel onderzoek hebben verricht ter zake van de mogelijkheden voor
[dochter] om haar opleiding af te ronden. Het standpunt van
verweerders berust op een vermoeden. Eiseres daarentegen heeft ter
zitting verklaard dat zij wel bij andere scholen heeft geïnformeerd
naar de mogelijkheden om [dochter] te plaatsen. Die mogelijkheden
waren er niet, zo heeft zij gesteld. Daarom moet het ervoor
worden gehouden dat er geen andere mogelijkheden waren voor
[dochter] om haar opleiding met een redelijke kans van slagen af
te ronden. Daarmee staat ook de noodzaak van de kosten van
studiebegeleiding vast.
Vooropgesteld moet worden dat waar het gaat om studiekosten voor
studerenden jonger dan 18 jaar de
WTS in het algemeen kan worden
beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening
in de zin van artikel 17, eerste lid, Abw. Naar het oordeel van de
rechtbank behoren de kosten van studiebegeleiding waarvoor eiseres
bijstand heeft gevraagd evenwel niet tot de kosten waarin de WTS
een tegemoetkoming beoogt te verstrekken. Het betreft ten opzichte
van die kosten extra kosten die voortvloeien uit de bijzondere
omstandigheden waarin [dochter] is komen te verkeren. De WTS kan
daarom in dit geval niet worden aangemerkt als een voorliggende
voorziening die in de weg staat aan bijstandverlening in de kosten
van studiebegeleiding. Verweerders hebben dan ook op onjuiste
gronden de gevraagde bijzondere bijstand geweigerd.
Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens
strijd met de wet. Het beroep van eiseres zal derhalve gegrond
worden verklaard.
Griffierecht en proceskosten
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel
8:74, eerste lid,
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) tevens te
worden bepaald dat het door eisers betaalde griffierecht ten
bedrage van ƒ55,- door de gemeente
Eemsmond
aan eiseres wordt
vergoed.
De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet
van
artikel 8:75, eerste lid,
Awb te veroordelen in de kosten die
in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente
Eemsmond
aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de
griffier moet betalen. Met inachtneming van het
Besluit proceskosten bestuursrecht
bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ1429,36, zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde
bijlage.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van verweerders van 17 maart 1998;
bepaalt dat de gemeente
Eemsmond
eiseres het betaalde
griffierecht ad
ƒ55,- vergoedt;
veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte
proceskosten, welke zijn vastgesteld op
ƒ1429,36, en bepaalt dat
de gemeente Eemsmond deze kosten dient te betalen aan de griffier
van de rechtbank.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door hem uitgesproken op 16 juli 1999, in tegenwoordigheid van A.M.
van der List-van Winden als griffier.
De griffier, wnd.,
De
rechter,
Afschrift verzonden op: 16 juli 1999.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA4136 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Utrecht |
| Zaaknummer: |
AWB
98/2375 VV |
| Datum
uitspraak: |
20
januari 1999 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65 Abw (= 17
Wwb)
/ 4:6
en 8:81
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten; vermoedelijke
inkomsten; afwijzing bijstand; onvoldoende gegevens;
inlichtingenverplichting; herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of
omstandigheden |
| Essentie: |
Afwijzing
verzoek voorlopige voorziening, omdat nog niet alle gevraagde
(relevante) gegevens aan B&W zijn verstrekt, maar ook
vanwege het restitutierisico ingeval de voorlopige bijstand
achteraf mocht blijken ten onrechte te zijn verstrekt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Utrecht AWB
98/2375 VV
U I T S P R
A A K
op het
verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Soest, verweerder.
1. Verloop van de procedure
1.1. Bij besluit van 11 november 1998 heeft verweerder afwijzend
beslist op de aanvraag van verzoekster van 8 september 1998 om
toekenning van een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw).
1.2. Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 18
november 1998 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
1.3. Daarnaast is namens verzoekster bij schrijven van gelijke
datum aan de president van de rechtbank verzocht toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
1.4. Het verzoek is op 6 januari 1999 ter zitting behandeld, waar
verzoekster in persoon is is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.
Menkveld, advocaat te Utrecht.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Dolman,
ambtenaar bij de gemeente Soest en mr. I.N. Kwak, advocaat te
Utrecht.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb
kan, indien tegen een
besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank
die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
2.2. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt
gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel
een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank
niet bij haar
beslissing in die procedure.
2.3. Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het
besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank
in
de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om
een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.
2.4. Tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als
de onderhavige waar het geschil mede een financiële aanspraak
betreft, is in beginsel slechts plaats indien op grond van de
beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid
moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in rechte geen
stand kan houden en bovendien feiten en omstandigheden aanwijsbaar
zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een
onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts zal in de afweging
van de belangen van partijen mede de vraag moeten worden betrokken
naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van
terugbetaling door verzoeker indien deze door de uitslag van de
bodemprocedure genoopt zou worden het ontvangen bedrag terug te
betalen.
Feiten
2.5. De feiten zoals vermeld in de onderdelen 2.3 tot en met 2.8
van de uitspraak die op het verzoek om een voorlopige voorziening
in het geschil tussen partijen is gedaan door de president van
deze rechtbank op 6 augustus 1998 (met nummer AWB 98/1392 VV)
worden hier overgenomen en moeten als geheel ingelast worden
aangemerkt. Bovendien zijn in dit geding de hierna te noemen
feiten van belang welke hebben plaatsgevonden in verband met de
nieuwe aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering op 8
september 1998.
2.6. Naar aanleiding van deze nieuwe aanvraag heeft op 13 oktober
1998 een gesprek plaatsgevonden waarbij de naar aanleiding van de
aanvraag per brief verzochte informatie is besproken. Na afloop
van dit gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden door de
rapporteur M. Dolman.
2.7. In het door Dolman opgemaakte rapport van 10 november 1998 is
onder meer geconstateerd dat er in het huis geen aanwijzingen zijn
dat verzoekster haar werkzaamheden op acupunctuurgebied had
voortgezet. De behandelkamer is opgeheven en verzoekster staat
niet meer als acupuncturist in het telefoonboek vermeld. In het
rapport wordt vervolgens geconcludeerd dat door verzoekster niet
voldoende is aangetoond dat er sprake is van een wijziging van
feiten en/of omstandigheden ten opzichte van de eerder ingediende
aanvraag van 4 mei 1998, voorts dat niet geconcludeerd kan worden
dat verzoekster volledig is in haar informatieverstrekking en ten
slotte dat er nog steeds sprake is van hoge vaste lasten zodat
aangenomen moet worden dat er sprake is van een externe
inkomstenbron.
Beoordeling
2.9. Het afwijzen van verzoeksters aanvraag om bijstand heeft
verweerder primair gebaseerd op artikel 4:6 van de
Awb
met als
motivering dat niet is aangetoond dat er sprake is van een
wijziging van feiten en/of omstandigheden ten opzichte van de
eerder ingediende aanvraag van 4 mei 1998, die werd afgewezen.
2.10. Echter de feiten, genoemd in 2.7, dat de behandelkamer is
opgeheven en verzoekster niet meer als acupuncturist in het
telefoonboek staat vermeld, geven blijk dat er sprake is van
gewijzigde omstandigheden. Verweerder heeft zijn besluit derhalve
ten onrechte primair gebaseerd op artikel 4:6 van de
Awb.
2.11. Subsidiair heeft verweerder het besluit gebaseerd op artikel
65 van de Abw in verband met tegenstrijdige en niet volledige
inlichtingen en de aanwezigheid van hoge vaste lasten die duiden
op een externe bron van inkomsten.
2.12. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat een
aantal, van belang voor de toewijzing van uitkering op grond van
de bijstandswet zijnde, vragen door verzoekster onbeantwoord
bleven. Mede gelet op de voorgeschiedenis is in zoverre de
aarzeling die bestaat bij verweerder om de aanvraag toe te kennen
begrijpelijk. Echter tijdens de zitting is het één en ander in die
mate duidelijk geworden en is een aantal van verweerders vragen
zodanig beantwoord dat het niet onaannemelijk is dat in het kader
van de heroverweging geconcludeerd moet worden dat verzoekster
inderdaad recht heeft op een uitkering op grond van de Abw.
Daarmee is niet gezegd dat alle vragen zijn beantwoord,
verzoekster moet nog de onvolledige informatie adequaat aanvullen.
Hieronder zal puntsgewijs behandeld worden welke informatie reeds
voldoende bekend is en welke informatie in elk geval nog gegeven
c.q. aangevuld dient te worden. Het moge verzoekster duidelijk
zijn alsnog het geven van de ontbrekende informatie, alsmede het
meewerken door haar, noodzakelijk is voor het eventueel toekennen
van een uitkering op grond van de Abw.
2.13. Zoals geconcludeerd in het rapport van M. Dolman, en zoals
reeds is vastgesteld, zijn er geen aanwijzingen meer dat de
acupunctuurpraktijk wordt voortgezet. Derhalve is het niet van
belang de namen te weten van de personen die verzoekster heeft
afgebeld voor behandelingen.
2.14. Voorts heeft verzoekster tijdens de zitting verklaard dat de
gedane kasstortingen op haar bankrekening door haar zijn gedaan om
de betalingen voor de huur zeker kunnen stellen. Zij heeft
hiervoor van haar girorekening geld opgenomen die zij vervolgens
heeft gestort op de rekening waarvan maandelijks de huur wordt
betaald. Zij heeft deze stellingen tijdens de zitting aan de hand
van de reeds overgelegde kopieën van de afschriften voldoende
kunnen onderbouwen.
2.15. Met betrekking tot de stortingen op haar rekening gedaan in
april 1998 ten bedrage van ƒ540,- en
ƒ1300,35, waar
verzoekster de verklaringen voor geeft dat deze betrekking hebben
op respectievelijk een terugbetaling van de heer Z voor door
verzoekster gedane boodschappen en een honorarium voor vertaal-/redactionele
werkzaamheden, zijn gedaan in de periode van een eerdere
aanvraag waarover reeds door verweerder op 19 juni 1998 is beslist
en waaraan derhalve in deze procedure geen beslissende betekenis
toekomt.
2.16. Wat de storting op haar rekening van de heer Z van 29 juli
1998 ten bedrage van ƒ116,- betreft, is de verklaring van
verzoekster dat zij hiervoor neusspray en selenium voor hem heeft
gekocht en heeft opgestuurd op voorhand niet onaannemelijk.
Verzoekster dient echter in het kader van de heroverweging door de
gemeente
wel hiervoor bewijs aan te dragen; gedacht moet worden
aan de rekening(en) van de door haar gekochte zaken voor Z alsmede
de eventuele postverzendkosten. Ook dient verzoekster de
ontbrekende kopie van het afschrift van de Postbank nummer 35 over
te leggen.
2.17. Verzoekster geeft als verklaring voor het feit dat zij in
staat is geweest zonder inkomen in haar levensonderhoud te kunnen
voorzien, gegeven dat zij regelmatig leningen bij vrienden en
kennissen heeft afgesloten. Deze stelling heeft zij onderbouwd met
leningsverklaringen als bewijsstukken. Deze verklaringen bevatten
niet alle de verplichting dat de lening binnen een bepaalde tijd
terugbetaald dienen te worden. Dat is gezien de omstandigheden
niet noodzakelijk, omdat begrijpelijk is dat het karakter van een
lening van vrienden een andere is dan van niet-vrienden. Vrienden
zullen in het algemeen niet snel tot terugvordering overgaan als
onduidelijk is of de lener in staat is om het geleende bedrag
terug te betalen. Het zou zelfs nog mogelijk zijn dat een lening
om die reden zou kunnen overgaan in een schenking. Duidelijk is
dat als verzoekster wel een inkomen zou hebben, zij in beginsel
niet zou hoeven over gaan tot het doen van leningen bij vrienden.
De leningen aan verzoekster zijn derhalve voorshands niet op te
vatten als schenkingen. Wel mag van verzoekster worden verwacht
aan te geven of, en zo ja, in hoeverre zij tot terugbetaling
verplicht is en in dat kader zo nodig nadere verklaringen van de
leners over te leggen. Dat, zoals door verweerder aangevoerd, de
schuldverklaringen, behalve de naam van de uitlener, bijna identiek
zijn is niet onlogisch. Het is niet ondenkbaar en in het kader van
het geschil dat verzoekster met verweerder heeft ook niet
onbegrijpelijk dat verzoekster deze heeft opgesteld om ze
vervolgens door de uitlener te laten ondertekenen.
2.18. Verzoekster heeft aangegeven dat zij voldoende heeft meegewerkt
aan het verkrijgen van arbeid door bij het uitzendbureau Randstad
te zijn ingeschreven, maar dat er geen werk meer voor haar was bij
Randstad. Later stelt verzoekster dat zij op grond van
arbeidsongeschiktheid niet meer kan werken. Hieromtrent dient
verzoekster duidelijkheid te scheppen. Vervolgens komt ter zitting
naar voren dat verzoekster per 10 november 1998 ziek is. De
procedure voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de
Ziektewet blijkt in gang gezet, maar heeft nog niet tot een
beslissing geleid. Voorts is er ook een procedure gaande omtrent
haar arbeidsongeschiktheid op grond van de werkzaamheden voor het
Lorentzsziekenhuis. Hierover dient volstrekte duidelijkheid
gegeven te worden. Verweerder zal in het kader van de
heroverweging kunnen informeren bij deze instellingen en behoeft
dus niet te wachten tot verzoekster een nieuwe aanvraag tot
toekenning van een bijstandsuitkering indient, zoals verweerder
ter zitting naar voren heeft gebracht.
2.19. Ten slotte rest de vraag of vanaf 8 september 1998 (datum
aanvraag uitkering) er aanwijzingen bestaan dat verzoekster een
inkomen moet hebben gehad. Zij heeft, zo stelt zij, in een periode
van tien maanden ongeveer
ƒ18.000,- te besteden gehad. Dit
bedrag bestaat voor
ƒ15.000,- uit leningen en voor
ƒ3000,- uit eigen vermogen. Dit betekent dat verzoekster
ƒ1800,- per maand te besteden had. Volgens het genoemd rapport
van 10 november 1998 zijn de vaste lasten van verzoekster
ƒ1572,72 per maand geweest. Tijdens de zitting is door verweerder
gesproken over
ƒ1500,-. Dit zou betekenen dat verzoekster
ƒ300,- per maand aan levensonderhoud te besteden had. Hoewel dit
niet veel lijkt, kan niet gesteld worden dat een alleenstaande hier
niet van kan leven. Derhalve is hiermee niet afdoende bewezen dat
verzoekster een inkomen moet hebben gehad in die periode en
daarover heeft gezwegen tegenover verweerder. Verzoekster heeft
aangegeven dat de vaste lasten zijn gewijzigd en voorts dat zij
bijvoorbeeld het telefoongebruik minimaliseert. In het kader van
de heroverweging zal opnieuw een overzicht van de vaste lasten
gemaakt dienen te worden. Ook zal precies moeten worden aangegeven
welke kosten voor de auto worden gemaakt.
2.20. Gezien het vorenoverwogene zal in de bezwaarschriftprocedure
nog verschillende punten moeten worden onderzocht en opgehelderd.
Mede gelet op het feit dat er een restitutierisico bestaat bij
verzoekster wordt thans nog niet tot toewijzing aan het verzoek om
een maandelijkse bijdrage ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan ter hoogte van de norm welke
volgens de Abw, te betalen door verweerder, worden geconcludeerd.¹
Wel zal als voorlopige voorziening worden bepaald dat verweerder,
aan de hand van concrete vragen en met inachtneming van het
vorenoverwogene in het kader van de heroverweging, uiterlijk 1
maart 1999 een beslissing op bezwaar neemt, mits adequate
inlichtingen door verzoekster worden verstrekt, dan wel op verzoek
van verweerder, dan wel uit eigen beweging.
1.
Volgens de redactie dient de onderhavige zin te luiden als
volgt:
Mede gelet op het feit dat er een restitutierisico bestaat bij
verzoekster kan thans nog niet tot toewijzing van het verzoek om
een maandelijkse bijdrage ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan ter hoogte van de norm van
een alleenstaande ouder worden geconcludeerd.
2.21. Er bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de
proceskosten die verzoekster in verband met de behandeling van
haar verzoekschrift heeft moeten maken, omdat het recht op een
uitkering op grond van de Abw
nog niet in voldoende mate
vaststaat.
2.22. Beslist wordt als volgt.
3. Beslissing
De president:
3.1. bepaalt dat verweerder uiterlijk 1 maart 1999 een beslissing
op het door verzoekster ingediende bezwaar neemt en aan
verzoekster verzendt, met inachtneming van deze uitspraak;
3.2. wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, fungerend president, en in
het openbaar uitgesproken op 20 januari 1999.
De griffier, mr. B.E.T. Beenakkers,
De president, mr. D.A.C. Slump,
Afschrift verzonden aan partijen op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA4268 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
98/1964 |
| Datum
uitspraak: |
26
november 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
21
Abw (= 51
Wwb) / 4:84
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten duurzame gebruiksgoederen; geldlening;
leenbijstand;
kwijtschelding; gemeentelijk beleid; beleidsregel |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing van kwijtschelding van leenbijstand na drie jaren
correcte aflossing, waarbij de gemeentelijke beleidsregel ter
zake onjuist is uitgelegd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem 98/1964
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 2 oktober 1998.
2. Feiten en procesverloop
Op 9 juni 1994 is aan eiseres een bedrag van
ƒ4954,70 aan
leenbijstand toegekend.
Op 20 december 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om
bijzondere bijstand in de studiekosten over het schooljaar
1995/1996. Bij deze aanvraag heeft eiseres tevens verzocht om
kwijtschelding van het restant van de bij besluit van 9 juni 1994
aan haar verstrekte leenbijstand.
Bij besluit van 6 maart 1998 heeft verweerder, voor zover in dit
geschil van belang, het verzoek van eiseres om kwijtschelding van
het restant van de leenbijstand afgewezen, omdat eiseres nog niet
gedurende drie jaar de in de bijstandsnorm aanwezige
aflossingscapaciteit volledig heeft gebruikt voor de aflossing van
de noodzakelijk geachte schulden.
Door eiseres is op 9 april 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Het bezwaar is behandeld door de bezwaarschriftencommissie Sociale
Zaken. Eiseres heeft afgezien van de mogelijkheid te worden
gehoord als bedoeld in artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Deze commissie heeft op 9 september 1998
advies aan verweerder uitgebracht.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 2 oktober 1998 heeft
verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van
het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van
voormelde commissie.
Namens eiseres heeft mr. E. Snetselaar, medewerker van het Buro
voor Rechtshulp te Arnhem, op 29 oktober 1998 tegen dit besluit
beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 17 november 1998 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 oktober 1999 is namens eiseres nog een nadere
toelichting gegeven.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22
oktober 1999, waar eiseres niet is verschenen, en waar verweerder
zich heeft doen vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam
bij verweerder.
3.
Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,
waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 6 maart 1998
ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verweerder -
gelet op de richtlijn "Duurzame gebruiksgoederen" - terecht heeft
besloten eiseres geen kwijtschelding te verlenen van het restant
van de aan haar verstrekte leenbijstand. Daarbij acht verweerder
van belang dat eiseres ervoor heeft gekozen om in oktober 1995
een nieuwe lening bij de Stadsbank af te sluiten, terwijl de
leenbijstand op dat moment nog niet was afgelost. Dit klemt te
meer
nu eiseres de lening bij de Stadsbank heeft afgesloten, terwijl er
- volgens verweerder - geen noodzaak toe was.
Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op
het standpunt dat verweerder ten onrechte geen kwijtschelding
heeft verleend van het restant van de leenbijstand, nu zij
gedurende 36 maanden aan haar aflossingsverplichting heeft
voldaan. In het geval dat eiseres niet haar volledige
aflossingscapaciteit heeft benut voor het aflossen van de
leenbijstand, kan dat eiseres niet worden tegengeworpen, omdat
verweerder - ondanks het feit dat hij op de hoogte was van de
gewijzigde financiële situatie van eiseres - heeft verzuimd de
aflossingsverplichting tijdig te herzien. Het staat verweerder
niet vrij om bij een verzuim zijnerzijds ten nadele van betrokkene
van de richtlijn af te wijken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet (Abw) kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke
duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een
geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om
niet.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang,
stemmen burgemeester en wethouders, indien een geldlening als
bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, de aflossingsbedragen
en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Het door verweerder gevoerde beleid ten aanzien van het
verstrekken van leenbijstand is neergelegd in de richtlijn "Duurzame
gebruiksgoederen" (hierna: de richtlijn). Deze richtlijn
bevat, voor zover van belang, de volgende zinsnede:
"Indien gedurende 36 maanden volledig aan de
aflossingsverplichting in het kader van de verstrekte
leenbijstand is voldaan, wordt het resterende bedrag van de lening
buiten invordering gesteld. Indien na drie jaar niet volledig aan de
aflossingsverplichtingen is voldaan, is het voorgaande pas van
toepassing op het tijdstip waarop het achterstallige bedrag alsnog
is afgelost".
Blijkens het verhandelde ter zitting wordt dit beleid gevoerd om
te voorkomen dat iemand langdurig een inkomen beneden
bijstandsniveau heeft. De rechtbank
acht dit beleid niet in strijd
met de bepalingen van de Abw
en is tevens van oordeel dat
verweerder met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke
beleidsbepaling is gebleven.
Het beroep van eiseres richt zich tegen het feit dat verweerder
het restant van de leenbijstand niet heeft kwijtgescholden,
ondanks de situatie dat eiseres op het moment van haar verzoek
gedurende (meer dan) drie jaar volledig aan haar - door verweerder
opgelegde - aflossingsverplichting had voldaan.
Uit de gedingstukken is onder meer het volgende gebleken.
Bij besluit van 9 juni 1994 is aan eiseres bijzondere bijstand in
de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van
ƒ4954,70. Eiseres heeft daartoe een schuldbekentenis ondertekend,
waarmee zij zich tevens akkoord heeft verklaard met een aflossing
in maandelijkse termijnen van ƒ25,-. Bij besluit van 5 september
1996 is het maandelijkse aflossingsbedrag verhoogd naar ƒ44,- in
verband met de wijziging van de uitkeringsnorm van eiseres bij de
geboorte van haar kind. Gesteld noch gebleken is dat eiseres
gedurende de drie jaar voorafgaande aan haar verzoek om
kwijtschelding is tekortgeschoten in de aan haar door verweerder
schriftelijk opgelegde aflossingsverplichting.
Beoordeeld moet worden of voornoemde richtlijn aan verweerder de
ruimte geeft om het verzoek van eiseres om kwijtschelding
desondanks af te wijzen. De rechtbank
overweegt daartoe als volgt.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder de
mening is toegedaan dat het woord "volledig" in de
aangehaalde zinsnede van de richtlijn impliceert dat het restant
van de leenbijstand alleen kan worden kwijtgescholden indien een
betrokkene gedurende drie jaar de "in de bijstandsnorm
aanwezige aflossingscapaciteit" volledig heeft gebruikt voor
de aflossing van de schulden.
De rechtbank kan verweerder in deze uitleg niet volgen, nu deze op
geen enkele wijze uit de tekst van het beleid of een eventuele
toelichting daarop blijkt. Hieruit vloeit voort dat blijkens het
in de richtlijn vastgelegde beleid de door verweerder (zelf
schriftelijk) vastgestelde aflossingsverplichting, en niet de
door verweerder gestelde "aanwezige
aflossingscapaciteit", ten grondslag ligt aan het
kwijtscheldingsbeleid.
De rechtbank ziet - evenals eiseres - geen rechtvaardiging voor het
ten nadele van eiseres afwijken van de richtlijn. Daarbij neemt de
rechtbank mede in beschouwing dat verweerder, die op de hoogte was
van de financiële situatie van eiseres, heeft nagelaten tijdig
het maandelijks door eiseres af te lossen bedrag te herzien.
Ingevolge artikel 4:84 van de Awb
handelt verweerder
overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere
omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de
beleidsregel te dienen doelen.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de beoordeling van het
verzoek van eiseres om kwijtschelding heeft gehandeld in strijd
met de richtlijn en derhalve in strijd met artikel 4:84 van de
Awb. Om die reden kan het bestreden besluit, waarbij verweerder
zijn beslissing van 6 maart 1998 heeft gehandhaafd, niet in stand
blijven en moet dit worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw
besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze
uitspraak.
De rechtbank acht gezien het vorenstaande termen aanwezig om
toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb
en verweerder te
veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn
begroot op ƒ710,-, zijnde kosten van verleende rechtsbijstand.
Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.
De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging
ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd,
ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb
te worden voldaan
door betaling aan de griffier van deze rechtbank.
Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op
artikel 8:74
van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen
met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage
van ƒ710,-;
wijst de gemeente
Arnhem
aan als de rechtspersoon die deze kosten
moet vergoeden;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan
de griffier van de rechtbank, postbankrekening 935462 ten name van
Gerecht 533 arrondissement Arnhem;
bepaalt voorts dat de gemeente Arnhem aan eiseres het door haar
betaalde griffierecht ad ƒ55,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het
openbaar uitgesproken op 26 november 1999, in tegenwoordigheid van
mr. D.S.M. Bak als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24
juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending
hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|