| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Gw |
x
LJN: |
x
AA4301 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
98/2020
NABW |
| Datum
uitspraak: |
4
januari 2000 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9,
113 en 114 Abw
(geldend t/m 31 december 2002; n.v.t. op Wwb)
/ 1 Gw |
| Trefwoorden: |
opleiding;
HBO; studeren met behoud van uitkering; gelijkheidsbeginsel |
| Essentie: |
Terecht
is geen toestemming verleend om een HBO-opleiding met behoud van
bijstandsuitkering te volgen, omdat niet wordt voldaan aan het
bepaalde in de Regeling noodzakelijke scholing. Er is geen
sprake van discriminatie van vrouwen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 98/2020 NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te
[woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gedaagde.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Appellante heeft op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Assen op 4 december 1997 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 november 1999, waar
appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. A.F. Teune, juridisch medewerker bij de
gemeente Emmen.
II. Motivering
Appellante, geboren in 1949, heeft op 25 maart 1996 gedaagde
verzocht om toekenning van bijstand op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) met ingang van 1 mei 1996. Appellante, die op
dat tijdstip bezig was met het afronden van de MBO-AP/PB
opleiding, heeft meegedeeld in september 1996 te beginnen met de
HBO-vervolgopleiding; zij heeft verzocht die studie met behoud van
uitkering te mogen volgen.
Bij besluit van 25 juni 1996 heeft gedaagde aan appellante met
ingang van 1 mei 1996 een uitkering ingevolge de Abw
toegekend,
berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, onder aftrek
van de door haar aangegeven inkomsten. Voorts is bij dat besluit
geweigerd appellante toestemming te geven om met behoud van
uitkering de HBO-vervolgopleiding te volgen.
Appellante heeft zowel bezwaar gemaakt tegen de aangegeven korting
van inkomsten als tegen de weigering om haar studie met behoud van
uitkering te volgen.
Bij het besluit van 14 november 1996 heeft gedaagde het bezwaar
tegen de korting van de inkomsten gegrond verklaard en het bezwaar
tegen het niet met behoud van uitkering mogen volgen van bedoelde
opleiding ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld voor zover bij
de inkomsten de betaalde woonlasten zijn gerekend en voorts tegen
de weigering om met behoud van uitkering de gewenste opleiding te
volgen.
De rechtbank
heeft appellantes beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voor
zover daarbij ongegrond is verklaard haar beroep tegen de
weigering om met behoud van uitkering ingevolge de Abw
de HBO-opleiding te volgen. Zij is van mening dat de HBO-P&A
opleiding wel voldoet aan de criteria van de Regeling
noodzakelijke scholing (besluit ex artikel 114
Abw van 25
september 1995, Stcrt. 1995, 188; verder te noemen: de regeling).
Voorts is zij van mening dat de criteria met betrekking tot de regeling indirect vrouwen discrimineren ten aanzien van hun recht
op
arbeids- en opleidingsmogelijkheden.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw
luidt:
"Geen recht op algemene bijstand heeft degene wiens voor
werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in
beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van
onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een
scholing of opleiding als bedoeld in artikel
113, eerste lid,
onderdeel g".
In artikel 114 van de Abw
is bepaald dat voor degene die aan zo'n
- noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid geachte -
scholing of opleiding gaat deelnemen een aantal verplichtingen op
grond van de Abw niet gelden; de
Minister kan voorts regels
stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing of
opleidingen als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid.
Deze regels zijn gesteld in de de regeling.
Met de rechtbank is de Raad
van oordeel dat moet worden aangenomen
dat vanaf september 1996 de voor appellante beschikbare tijd voor
ten minste 19 uur per week in beslag zou worden genomen door of in
verband met het volgen van de HBO-opleiding. Anders dan appellante
stelt, dient naast het theoriegedeelte van de opleiding (door haar
op minder dan 19 uur per week berekend) ook het praktijkgedeelte
(meer dan 20 uur per week) te worden aangemerkt als deel uitmakend
van de opleiding.
Appellante zou tijdens genoemde studie dan ook alleen dan recht op
bijstand hebben indien de opleiding voldoet aan de criteria van de
de regeling.
Op grond van artikel 1 van de de
regeling
kan een opleiding op
HBO-niveau alleen noodzakelijk worden geacht wanneer aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
"a. de opleiding wordt gegeven in een specifiek op werklozen
gericht project;
b. de opleiding is beroepsgericht;
c. de opleiding duurt maximaal twee jaar;
d. de praktijkcomponent maakt niet meer dan de helft van het
programma uit".
Nu de opleiding van appellante (behalve de duur) niet aan de
overige voorwaarden voldoet, heeft gedaagde terecht geweigerd
appellante toestemming te verlenen om met behoud van uitkering de
HBO-opleiding te volgen.
Door appellante is gesteld dat de bepalingen van de de
regeling
zich
niet zouden verdragen met artikel 11 van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en
artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke
rechten (IVBPR) dan wel in strijd zouden zijn met het
discriminatieverbod in artikel 1 van de
Grondwet, nu deze
bepalingen vooral vrouwen discrimineren in hun recht op arbeids-
en opleidingsmogelijkheden. Zij is van mening dat hier sprake is
van indirecte discriminatie, zonder dat hiervoor objectieve
rechtvaardigingsgronden aan te wijzen zijn.
Voor zover inderdaad sprake zou zijn van indirecte discriminatie
als gevolg van de in de de regeling gestelde voorwaarden moet worden
bezien of dit gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die
geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Dit
is het geval wanneer de gekozen middelen beantwoorden aan een
legitieme doelstelling van het sociaal beleid van het
overheidsorgaan, waarvan de wettelijke regeling in geding is en
bedoelde bepalingen ter bereiking van dat doel geschikt en
noodzakelijk zijn.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw
(Kamerstukken
II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 74) komt onder meer naar voren dat
de wetgever in aansluiting op de reeds bestaande praktijk slechts
een beperkte mogelijkheid heeft willen bieden om met behoud van de
bijstandsuitkering een scholing of opleiding te volgen die
noodzakelijk is voor de inschakeling in het arbeidsproces. Met
betrekking tot vormen van onderwijs op HBO- of wetenschappelijk
niveau heeft de wetgever dit onder meer als volgt onder woorden
gebracht:
"Reguliere onderwijsvormen die onder het bereik van de Wet op
de studiefinanciering vallen, kunnen op grond van artikel
9, tweede
lid, niet met behoud van het recht op bijstand worden gevolgd.
Daarmee zou immers het beleid van de Minister van Onderwijs en
Wetenschappen worden doorkruist. De meerderheid van de Commissie
Sociale Voorzieningen van de SER heeft zich in het slotadvies bij
dit standpunt van de regering aangesloten. Het onderwijs op HBO-
of wetenschappelijk niveau blijkt in de praktijk echter niet
altijd een voldoende basis te vormen voor de inschakeling in de
arbeid, zodat ook behoefte bestaat aan een instrument als
bijvoorbeeld omscholing op tertiair niveau voor de herinschakeling
in de arbeid. Een scholing of opleiding op tertiair niveau kan
echter alleen als noodzakelijk worden beschouwd als het een
specifiek op werklozen gericht project betreft. De scholing dient
beroepsgericht te zijn en aan te sluiten bij de
arbeidsmarktbehoefte. Tevens moet de scholing, omdat deze ook
gericht is op een zo snel mogelijke herintreding op de
arbeidsmarkt, van beperkte duur zijn. Bij opleidingen die langer
dan twee jaar duren, kan nauwelijks meer de garantie worden
gegeven dat wordt ingespeeld op een concrete behoefte op de
arbeidsmarkt, zodat deze in het algemeen niet als noodzakelijk
kunnen worden aangemerkt.
Om te voorkomen dat onder de noemer "scholing" feitelijk
activiteiten worden verricht die zijn aan te merken als onbeloonde
arbeid, geldt ook een beperking ten aanzien van de
praktijkcomponent van de scholing. Er kan slechts van een
praktijkdeel binnen een scholing worden gesproken indien dat deel
in een redelijke verhouding staat tot het theoriegedeelte".
Eén en ander is nader geregeld in het hierboven aangehaalde artikel 1 van de
de regeling.
De Raad is van oordeel dat, gelet op de in de
de regeling gestelde
voorwaarden voor het volgen van scholing of opleiding met behoud
van bijstandsuitkering, in toereikende mate kan worden gesproken
van een legitieme doelstelling en een passend middel om het
gestelde doel te bereiken en derhalve van een objectieve
rechtvaardiging van het door appellante gestelde indirecte
onderscheid.
De Raad is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van de door
appellante gestelde strijd met artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van de
Grondwet. Voor zover appellante een
beroep heeft gedaan op artikel 11 (onderdeel a tot en met c) van het Verdrag inzake
de uitbanning van alle vormen van discriminatie bij vrouwen wijst
de Raad erop dat dit artikel slechts een instructienorm bevat
voor overheden om beschermende maatregelen te treffen en, gelet op
de beleidsvrijheid alsmede op de bepaling van het derde lid, geen
rechtstreekse werking heeft.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de
aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr.
Ch. de Vrey als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 4 januari 2000.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / WFA / Gw |
x
LJN: |
x
AA4446 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
98/155 ABW |
| Datum
uitspraak: |
22
januari 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
47a
ABW (= 136 Abw)
(= 11 WFA)
(n.v.t. op Wwb)
/ 10
Gw |
| Trefwoorden: |
rijksvergoeding kosten van bijstand; weigering; anonieme tips |
| Essentie: |
Terechte
weigering rijksvergoeding van door de gemeente gemaakte kosten
van bijstand. Principiële weigering door de gemeente om kennis
te nemen van anonieme tips is onterecht. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Rechtbank
's-Gravenhage AWB
98/155 ABW
U I T S P R
A A K
bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Leiden, eiser,
tegen
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Het besluit van verweerder van 3 december 1997, kenmerk WBJA/SBB/97/0214/6.
2. Zitting
Datum: 11 januari 1999.
Namens eiser is verschenen drs. J.P. Laurier, wethouder Werk,
Sociale Zaken, Stedelijk beheer en Wijkbeheer van de gemeente
Leiden,
en mr. E. van der Schans, advocaat.
Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. H.P.M. Schenkels en P.W.G. van
Bethlehem.
3. Feiten
Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft verweerder de aan eiser te
betalen rijksvergoeding voor het dienstjaar 1995 vastgesteld ter
zake van de uitvoering van zes door verweerder uitgevoerde
regelingen, waaronder de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW).
Daarbij heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW,
besloten dat de door de gemeente
Leiden
gemaakte kosten van
bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar
waren tot een bedrag van ƒ38.300,-. De op grond van artikel 47b ABW
aan de gemeente te betalen vergoeding werd als gevolg daarvan
geweigerd tot genoemd bedrag.
Bij brief van 23 september 1997 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen
het besluit van 22 augustus 1997, voor zover het betrekking heeft
op de weigering om genoemd bedrag van ƒ38.300,- voor vergoeding in
aanmerking te brengen.
Op 18 november 1997 is het bezwaarschrift namens eiser toegelicht
op een door verweerder georganiseerde hoorzitting.
Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond
verklaard.
Eiser heeft bij brief van 9 januari 1998 beroep ingesteld, welk
beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 25 februari 1998.
Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 27 april 1998,
ingediend.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
Het onderhavige geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW
zoals deze luidde tot 1 januari 1996.
Artikel 47a ABW luidt als volgt:
-1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan
besluiten dat bepaalde door een gemeente gemaakte kosten van
bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar
zijn. Het besluit wordt genomen binnen zes maanden nadat de
definitieve kostenopgaven door de gemeente
over het desbetreffende
dienstjaar zijn ingekomen.
-2. In de kosten ten aanzien waarvan Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid een besluit heeft genomen als bedoeld in
het eerste lid wordt geen vergoeding op grond van de artikelen 47b, 48 of 49 verleend.
Artikel 47b, eerste lid, ABW bepaalt het volgende:
Het Rijk vergoedt 90 procent van de kosten van bijstand ter
voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en
van de kosten van bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met toepassing van
artikel 47a ABW, een bedrag van ƒ38.300,- aangemerkt als kosten van
bijstand die uit een oogpunt van bijstandverlening niet
aanvaardbaar zijn. Ingevolge het tweede lid van artikel 47a ABW
heeft dat ertoe geleid dat deze kosten op grond van artikel 47b
ABW niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de
rechtmatigheid van de door de gemeente
verstrekte
bijstandsuitkeringen niet is verzekerd, omdat eiser feitelijk
onderbouwde tips die hij van derden ontvangt niet betrekt bij het
vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen
indien deze tips anoniem zijn. Naar het oordeel van verweerder
dient eiser van dergelijke tips wel kennis te nemen en, voor zover
daar vervolgens aanleiding toe bestaat, nader onderzoek te
verrichten en eventueel actie te ondernemen. De praktijk geeft aan
dat bedoelde anonieme tips bruikbaar zijn, aldus het bestreden
besluit.
Omdat de weigering van de gemeente
om van anonieme tips kennis te nemen principieel is en geen sprake is
van een incident, heeft verweerder toepassing van artikel 47a
ABW aangewezen geacht. Verweerder heeft zich daarbij laten leiden door
paragraaf 3.4.3 van zijn bij Circulaire van 17 juli 1992 aan
gemeentebesturen aangeboden "Nota uitgangspunten en normering
toetsings- en maatregelenbeleid" (hierna: Nota maatregelenbeleid).
Aldaar is aangegeven dat toepassing van artikel 47a ABW met name
is bedoeld om bepaalde kosten niet aanvaardbaar te verklaren indien een
van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften afwijkend
gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft.
De keuze voor toepassing van artikel 47a ABW zou volgens
verweerder gerechtvaardigd zijn, aangezien het in paragraaf 3.2 van de
circulaire bedoelde traject van overleg en overreding niet het gewenste
effect heeft gesorteerd.
Voor een neerslag van zijn beleid met betrekking tot het in behandeling
nemen van tips is in het bestreden besluit voorts verwezen naar
verweerders Circulaire van 4 juli 1995 ("Uitgangspunten M&O-beleid
ten behoeve van een te voeren gemeentelijk M&O-beleid) [M&O:
misbruik en oneigenlijk gebruik, red.].
In het verweerschrift heeft verweerder nader aangegeven zich op het
standpunt te stellen dat eiser artikel 3, eerste lid, van het Besluit
verantwoording en vergoeding uitkeringskosten ABW, Ioaw en Ioaz (Stcrt.
1987, 188; hierna: Bvvu) niet heeft nageleefd. Deze bepaling luidt als
volgt:
"Behoudens met betrekking tot uitkeringen voor periodiek bijzondere
bestaanskosten nemen burgemeester en wethouders uiterlijk binnen acht
maanden na de datum van ingang van de uitkering dan wel van de
beslissing naar aanleiding van het laatst uitgevoerde onderzoek een
beslissing, na opnieuw alle gegevens die het recht op en de omvang van
de periodieke uitkering beïnvloeden te hebben onderzocht."
Onder "alle gegevens die het recht op en de omvang van de
periodieke uitkering beïnvloeden" dienen volgens verweerder mede
anonieme tips te worden begrepen, voor zover feitelijk onderbouwd.
Kern van het beroepschrift van eiser is de stelling dat het reageren op
anonieme tips zou bijdragen aan een verlaging van het niveau waarop
burgers met elkaar samenleven. De gemeente
voelt daar principieel niet voor en acht die houding gerechtvaardigd
mede vanuit de wetenschap dat het fraudebeleid in Leiden zodanig is
opgezet dat het geenszins onvermijdelijk is om tips anoniem naar voren
te brengen.
Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van de uitvoering
van de ABW in medebewind, waarbij hij een discretionaire bevoegdheid
bezit om, uitgaande van de lokaal bepaalde omstandigheden, een zo
effectief mogelijk fraudebeleid vast te stellen. Verweerder heeft de
aldus bij eiser bestaande beleidsvrijheid veronachtzaamd.
De rechtbank
overweegt hieromtrent het volgende.
De uitvoering van de ABW is in medebewind opgedragen aan de
gemeentebesturen. Het Rijk vergoedt het overgrote deel van de met die
uitvoering gemoeide kosten. Artikel 47a ABW biedt het Rijk als
toezichthouder en financier een instrument om te stimuleren dat de ABW
door de verschillende gemeenten op een in zijn
ogen verantwoorde wijze wordt uitgevoerd. Door te besluiten dat gemaakte
kosten van bijstand niet aanvaardbaar zijn, bewerkstelligt verweerder
immers dat in deze kosten geen vergoeding wordt verleend.
Wanneer kosten niet aanvaardbaar zijn, is in artikel 47a ABW
niet aangegeven.
Verweerder beroept zich ter interpretatie van dit begrip op een tweetal
circulaires.
De eerste circulaire waar verweerder zich op beroept, is de Nota
maatregelenbeleid uit 1992. Blijkens deze nota (blz. 7) is ten behoeve
van het departementaal vaststellingsbeleid voor de rijksvergoeding als
doelstelling geformuleerd: "Het van rijkswege aan de
gemeenten toekennen van een vergoeding voor
uitsluitend die kosten die voldoen aan de eis van rechtmatigheid en
beleidsmatig aanvaardbaar zijn". Onder "rechtmatigheid"
wordt blijkens een voetnoot verstaan "in overeenstemming met wet en
regelgeving tot stand gekomen".
De beleidstoetsing heeft (blijkens blz. 10 van de nota) betrekking op
tendenties van het uitvoeringsbeleid, waaronder wordt verstaan een uit
gemeentelijke richtlijnen of uit het uitvoeringsbeleid blijkende
consistente beleidslijn. Uitgangspunt bij die toetsing is volgens de
nota dat, ofschoon na afloop van een overlegprocedure besloten kan
worden tot het niet aanvaardbaar verklaren van kosten, Rijk en gemeenten
elkaar - vanuit hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor een
goede beleidsuitvoering - in het kader van het beleidsoverleg weten te
vinden. De beleidstoetsing moet worden gezien als een zaak van overleg
en beleidsevaluatie. Zij richt zich - voor zover hier van belang - op:
- doeltreffendheid van de inrichting van de uitvoering ten behoeve van
een effectief beleid ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik
van de voorziening (waaronder begrepen het sanctiebeleid);
- onderzoek naar de omstandigheden van de uitkeringsontvanger, waaronder
begrepen de verificatie van de verkregen gegevens (blz. 10, 15 en 16 van
de nota).
De Nota maatregelenbeleid gaat in deel 2, paragraaf 3.4.3, specifiek in
op de maatregel van artikel 47a ABW. Dit toezichtsinstrument is
met name bedoeld om bepaalde utgaven niet aanvaardbaar te verklaren
indien een van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften
afwijkend gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt
voor het toezicht is dat de kosten van bijstand der gemeenten
aanvaardbaar wordt geacht, tenzij het tegendeel blijkt, aldus de nota.
De tweede circulaire waar verweerder zich op beroept, is eerder vermelde
Circulaire
van 4 juli 1995. Daarin heeft verweerder aan de gemeenten
uitgangspunten bekendgemaakt van te voeren beleid ter voorkoming en
bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van (onder meer) de ABW
(aangeduid als M&O-beleid). In de circulaire is aangegeven waaraan
een gemeentelijk M&O-beleid dient te voldoen. Als één van de
specifieke aspecten van het M&O-beleid komt in de circulaire het
gebruik van tips van derden aan de orde. In paragraaf 3.4 wordt vermeld:
"Het gebruik van tips is een goed middel om fraude op te sporen.
Daarbij ga ik uit van feitelijk onderbouwde tips. Feitelijk onderbouwd
betekent in deze context dat in de tip zaken aangevoerd worden die de gemeente
voldoende mogelijkheden geeft om
te kunnen gebruiken in een nader onderzoek. Het onderscheid tussen
het gebruik van al dan niet anonieme tips is niet relevant."
Naar het oordeel van de rechtbank
stond het verweerder vrij - en
was het uit een oogpunt van rechtszekerheid geboden - om nader aan
te geven in welk soort situaties naar zijn mening artikel 47a ABW
toepassing zou kunnen vinden. In de Nota maatregelenbeleid is
zulks geschied in algemene termen. De rechtbank ziet geen reden
aan te nemen dat verweerder daarbij de grenzen die artikel 47a
beoogt te stellen te buiten is gegaan. De rechtbank acht het
gerechtvaardigd dat verweerder als verantwoordelijke voor het
toezicht op de uitvoering van de ABW en als financier van het
overgrote deel van de bijstandsgelden in zijn beleidstoetsing als
bedoeld in de nota mede de gemeentelijke inrichting van de
uitvoering van de ABW betrekt op het punt van het door de gemeente
te verrichten onderzoek, in het bijzonder ter bestrijding van
misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Wat bedoelde toetsing betekent voor de van de gemeenten verlangde
benadering van anonieme tips, valt aan de hand van de Nota
maatregelenbeleid niet vast te stellen. Duidelijkheid op dat punt
wordt door verweerder gegeven in de circulaire uit 1995, waaruit
valt op te maken dat feitelijk onderbouwde tips aanleiding dienen
te geven tot onderzoek, waarbij niet van belang wordt geacht of
deze anoniem zijn of niet.
Ook met de in de circulaire uit 1995 gegeven uitwerking is
verweerder, zo overweegt de
rechtbank,
niet getreden buiten de grenzen van artikel 47a ABW. De
rechtbank overweegt in dit verband dat zij de stelling van verweerder,
erop neerkomende dat in de regel meer misbruik zal worden opgespoord bij
het in aanmerking nemen van anonieme tips (mits feitelijk onderbouwd),
plausibel acht. Dat verweerder zich aldus inlaat met de wijze waarop
gemeenten zich inspannen om misbruik aan het licht te
brengen, is in overeenstemming met hetgeen in de Nota maatregelenbeleid
is opgemerkt omtrent de inhoud van de blijkens de nota te verrichten
beleidstoetsing. Bovendien is het verlangen dat ook anonieme tips worden
bestudeerd te plaatsen in het kader van de in de nota voorziene
rechtmatigheidstoetsing. Weliswaar staat niet vast dat ten onrechte
bijstand is verleend, maar wel is aannemelijk dat tengevolge van het
zonder voorbehoud negeren van alle anonieme tips in een aantal gevallen
in strijd met de regelgeving een uitkering is verleend.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank
het toelaatbaar dat
verweerder in het kader van de toepassing van artikel 47a ABW
verlangt dat feitelijk onderbouwde tips, ook als deze anoniem
zijn, worden bestudeerd door de
gemeente.
Voor het trekken van die conclusie is niet vereist dat de handelwijze
van burgemeester en wethouders tevens als overtreding van artikel 3 van
het Bvvu valt aan te merken, zoals verweerder in het verweerschrift
lijkt te veronderstellen. Of die bepaling zelf meebrengt dat ook
bepaalde anonieme tips in behandeling moeten worden genomen, laat de
rechtbank dan ook in het midden.
De rechtbank
constateert dat verweerder de toepassing van artikel 47a heeft
laten ingaan op 1 augustus 1995. Toen was dus bijna een maand verstreken
sinds de dagtekening van de Circulaire van 4 juli 1995, die - naar mag
worden aangenomen - op of rond die datum aan de gemeenten
ter kennis is gebracht. Hoewel de circulaire een aantal malen de nieuwe Algemene bijstandswet
vermeldt, kan de rechtbank uit de inhoud van de circulaire niet opmaken
dat niet zou zijn beoogd om daarin ook het vanaf dat moment nog
voorafgaand aan 1 januari 1996 te voeren M&O-beleid weer te geven.
Voorafgaand aan de vaststelling van de circulaire heeft verweerder bij
brief van 28 juni 1995 aan eiser laten weten het van belang te achten
dat ook anonieme tips in behandeling worden genomen, voor zover deze
aanknopingspunten bieden voor een nader onderzoek. Om die reden heeft
verweerder bij deze brief een dringend beroep op eiser gedaan om zijn
beleid ter zake te herzien. In de brief is gerefereerd aan een overleg
op 20 januari 1995, waarin de Rijksconsulent Sociale Zekerheid het
departementale standpunt ter zake van anonieme tips nog eens heeft
uiteengezet aan eiser.
Aangezien de ingangsdatum van de getroffen maatregel is gelegen circa
één maand na zowel de dagtekening van de circulaire uit 1995 als de
datering van genoemde brief en nu deze brief een vervolg vormt op eerder
overleg, acht de rechtbank
de keuze voor bedoelde
ingangsdatum niet ontoelaatbaar.
Gelet op het principiële karakter van het standpunt van eiser en
mede in aanmerking nemende dat eiser dit standpunt ook na 22
augustus 1997 steeds is blijven betrekken, is er geen aanleiding
te veronderstellen dat een herhaalde waarschuwing van verweerder
eiser tot een ander gedrag aanleiding zou hebben gegeven.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat de
Circulaire
van 4 juli 1995
niet is vastgesteld in de vorm van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 11 ABW en derhalve verbindende
kracht mist. De rechtbank
overweegt hieromtrent dat artikel 11 ABW de mogelijkheid biedt bij
algemene maatregel van bestuur nadere regelen te stellen ter bepaling
van hetgeen in de voorgaande paragrafen is overgelaten aan het oordeel
van burgemeester en wethouders. Die paragrafen betreffen algemene
bepalingen betreffende de aanspraak op bijstand en bijzondere bepalingen
betreffende verblijf in inrichtingen. Zij hebben geen betrekking op de
verhouding tussen verweerder en eiser. Artikel 11 ABW ziet dus niet op
hetgeen in de onderhavige zaak aan de orde is.
Voorts heeft eiser aangegeven dat verweerder hem geen verplichtingen kan
opleggen bij circulaire, daarbij doelend op de circulaire uit 1995. Gemeenten
kunnen slechts bij wet of algemene maatregel van bestuur verplicht
worden door het Rijk vastgestelde (beleids)regels uit te voeren, aldus
eiser. De rechtbank
overweegt
dienaangaande dat verweerder zijn bevoegdheid tot het niet
aanvaardbaar verklaren van gemaakte kosten niet ontleent aan
bedoelde circulaire, maar aan artikel 47a ABW. De circulaire
beoogt slechts gemeenten informatie te geven over - voor zover
hier relevant - het belang dat verweerder, in het kader van de
toepassing van deze bepaling, hecht aan de behandeling van
anonieme tips en komt dus de rechtszekerheid ten goede. In
samenhang met de Nota maatregelenbeleid uit 1992 en met eerder
genoemde brief van 28 juni 1995 mocht op grond van de
circulaire uit 1995 worden verwacht dat verweerder in het kader
van het maatregelenbeleid consequenties zou verbinden aan een
absolute weigering om anonieme tips te behandelen.
Eiser heeft tevens aangevoerd dat hij een succesvol fraudebeleid
voert en hierbij bovengemiddeld scoort. Verweerder heeft dit
erkend. Deze omstandigheid staat er, ook naar het oordeel van de
rechtbank,
echter niet aan in de weg dat verweerder op straffe van toepassing van
artikel 47a ABW verlangt dat ook bruikbare anonieme signalen
betreffende misbruik van de ABW bij controle op de naleving van de wet
worden benut. Dat eiser al goede resultaten boekt bij de
fraudebestrijding verhindert verweerder niet om een nog beter resultaat
van hem te mogen vragen indien daartoe concreet de mogelijkheid bestaat.
Dat het in behandeling nemen van feitelijk onderbouwde anonieme tips
onvermijdelijk zou leiden tot minder resultaat op andere terreinen van
fraudebestrijding is een stelling die - voor zover eiser deze betrekt -
niet voldoende is onderbouwd, noch anderszins aannemelijk is.
Eiser heeft gesteld dat de Wet persoonsregistraties (Wpr) eraan in de
weg staat anonieme tips in behandeling te nemen. Hij heeft daartoe
gesteld dat het hem ten aanzien van uit anonieme tips verkregen gegevens
niet mogelijk zou zijn te voldoen aan artikel 29 Wpr, dat voorschrijft
inlichtingen over de herkomst van opgenomen gegevens te verstrekken.
Het aldus door eiser naar voren gebrachte heeft de rechtbank
evenmin kunnen overtuigen van de onjuistheid van het bestreden besluit.
De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder niet meer van eiser
verlangt dan dat hij tot een onderzoek overgaat van feitelijk
onderbouwde tips. De rechtbank ziet niet in dat eiser gehouden zou zijn
op grond van de Wpr of het Privacyreglement Uitkeringsadministraties in
de desbetreffende persoonsregistraties meer te vermelden dan gegevens
die het resultaat zijn van dat eigen onderzoek. Inlichtingen over de
herkomst van die gegevens kan eiser verschaffen met verwijzing naar
bedoeld onderzoek. Niet valt in te zien dat eiser gehouden zou zijn
daarbij tevens te vermelden wat de aanleiding vormde voor het onderzoek.
Eiser heeft voorts gesteld dat het gebruik van anonieme tips zich niet
verhoudt tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
zoals gewaarborgd door artikel 8 van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(hierna: EVRM) en
artikel 10 van de Grondwet.
Hij heeft daartoe gesteld dat niet is voldaan aan de door die bepalingen
gestelde eis dat inmenging door het openbaar gezag in de persoonlijke
levenssfeer slechts is toegestaan voor zover dit bij de wet is voorzien.
De rechtbank
overweegt hieromtrent dat de vraag of de in een anonieme tip vermelde
gegevens bij gebruik ervan een schending van de genoemde bepalingen
opleveren pas kan worden beantwoord als de tip is beoordeeld en
eventueel nader onderzocht. Door het voeren van een beleid waarbij
iedere anonieme tip geheel wordt genegeerd, heeft eiser zich de
mogelijkheid tot een zodanige beoordeling en onderzoek bij voorbaat
ontnomen. Verweerder verlangt van eiser bovendien slechts dat hij zijn
eigen onderzoeksbevoegdheden aanwendt indien sprake is van een feitelijk
onderbouwde tip. Van hem wordt niet verlangd dat hij zijn wettelijke
bevoegdheden te buiten gaat. Evenmin wordt verlangd dat hij het indienen
van tips, ongeacht de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen,
stimuleert.
Overigens overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de stellingname
van eiser op dit punt niet geheel consequent overkomt. Immers, eiser
pleegt niet-anonieme tips wel in behandeling nemen. Ook ten aanzien van
die tips is denkbaar dat de daarin opgenomen informatie op onrechtmatige
wijze is verkregen. Kennelijk gaat eiser ervan uit dat hij door die tips
in behandeling te nemen zich niet schuldig maakt aan een ongeoorloofde
inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Eiser heeft tot slot aangevoerd het niet eens te zijn met de maatstaf
aan de hand waarvan de maatregel is opgelegd.
De rechtbank
overweegt naar aanleiding van deze grief het
volgende.
Uit artikel 47a ABW vloeit voort dat in de kosten die als niet
aanvaardbaar zijn aangemerkt geen vergoeding wordt verleend.
Verweerder heeft overwogen dat de omvang van deze kosten niet is
vast te stellen, nu de anonieme tips niet zijn benut, zijn
weggegooid en er geen registratie van is bijgehouden. Verweerder
heeft overwogen dat op grond van het in 1994 geldende
maatregelenbeleid in een dergelijk geval de maatregel op een
forfaitair percentage zou zijn vastgesteld, leidend (uitgaande van
een lichte tekortkoming) tot het niet vergoeden van ƒ461.192,-.
Vanwege het aanvaardbare niveau van de uitvoering van de ABW in het
algemeen door eiser heeft verweerder besloten tot mitigering van dit
bedrag tot ƒ38.300,-
over vijf maanden. Ter bepaling van dat bedrag heeft hij aangesloten bij
de Regeling forfaitaire percentages maatregelen
Abw, Ioaw en Ioaz. Verweerder heeft daarbij het laagste van de
percentages genomen die worden vermeld voor tekortkomingen verband
houdende met periodieke heronderzoeken.
De rechtbank acht de omvang van de geweigerde vergoeding aldus
deugdelijk onderbouwd en ziet niet in waarom verweerder in redelijkheid
niet had mogen besluiten tot vaststelling van de geweigerde vergoeding
op het aldus gemitigeerde bedrag. Dat het toegepaste forfaitaire
percentage ontleend is aan een regeling die is gebaseerd op de nieuwe Algemene bijstandswet
belet verweerder niet bij de toepassing van artikel 47a ABW
reden te zien, aanknopend bij die nieuwe regeling, ditzelfde percentage
te hanteren.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou
moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten, is de rechtbank
niet gebleken.
6. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
7. Rechtsmiddel
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13
juncto
artikel 6:24 Awb
kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze
uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep
instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. C.J. Borman, mr. J.L.W. Aerts en mr. J.L.
Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 1999, in
tegenwoordigheid van de griffier F.P. Krijnen.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden:
NB: Zie ook LJN AE4538, red.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA4623 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
98/2313 |
| Datum
uitspraak: |
9
december 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
13, 35 en 38
Abw
(= 18,
27 en 8 Wwb)
/ 3:2 en 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; geen woonkosten; woonlasten; eigen caravan;
standplaatskosten; onzorgvuldige besluitvorming |
| Essentie: |
Terechte
verlaging van de toeslag wegens het ontbreken van woonkosten van
een in eigendom bewoonde caravan, nu de gestelde
verschuldigdheid van standplaatskosten niet is aangetoond. Het
bestreden besluit wordt echter vernietigd wegens
onzorgvuldigheid. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem 98/2313
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Barneveld, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 27 oktober 1998.
2. Feiten en procesverloop
Bij besluit van 17 juli 1998 heeft verweerder aan eiser met ingang
van 3 april 1998 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend naar de norm van een alleenstaande - ƒ1047,67 netto - met een toeslag van
20% van het minimumloon
[= 20% van de gehuwdennorm, red.]
- ƒ409,87 -
omdat eiser zijn noodzakelijke kosten
van het bestaan niet met een ander kan delen. Voorts heeft
verweerder ƒ348,37
(17% van het minimumloon) gekort op de
bijstandsnorm, omdat eiser een woning bewoont waaraan geen
woonkosten zijn verbonden.
Door eiser is op 4 augustus 1998 tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Het bezwaar is behandeld op 23 september 1998 door de commissie
voor de behandeling van bezwaarschriften. Eiser is bij de
behandeling verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 23
september 1998 advies aan verweerder uitgebracht.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 27 oktober 1998 heeft
verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Namens eiser heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, op 15
december 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna de
gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend
beroepschrift van 6 april 1999.
Verweerder heeft op 19 mei 1999 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van
17 november 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. A.J. Kiela, en waar verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.M. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente
Barneveld.
3. Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,
waarbij verweerder - onder meer - het bezwaar van eiser tegen het
besluit van 17 juli 1998 ongegrond heeft verklaard, de
rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag
dat eiser geen woonkosten heeft voor de caravan waarin hij woont.
Daarbij heeft verweerder met name van belang geacht dat eiser niet
heeft aangetoond dat hij huur moet betalen voor het bewonen van
die caravan.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en stelt
zich op het standpunt dat hij ƒ300,- per maand moet betalen voor
het gebruiksrecht van het door hem bewoonde perceel. Daarbij wijst
eiser erop dat hij in het verleden het gebruiksrecht van dat
perceel heeft verkregen en dat destijds met de eigenaar is
overeengekomen dat hij ƒ300,- per maand als gebruiksvergoeding
betaalt. Eiser erkent dat hij deze vergoeding al enige jaren niet
betaalt omdat de eigenaar van het perceel onvindbaar is. Omdat hij
de vergoeding wel verschuldigd is, meent eiser dat hij woonkosten
heeft. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser voorts een
specificatie van zijn woonlasten overgelegd.
De rechtbank
overweegt als volgt.
In artikel 35, eerste lid, van de Abw is bepaald dat burgemeester
en wethouders de bijstandsnorm (...) lager kunnen vaststellen voor
zover de belanghebbende lagere algemene kosten van het bestaan
heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als
gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn
verbonden.
Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de
Abw stelt het
gemeentebestuur bij verordening vast voor welke categorieën de bijstandsnorm
wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke
criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
Ingevolge artikel 38, vierde lid, van de
Abw vindt verhoging of
verlaging van de bijstandsnorm (...) plaats onverminderd artikel
13, eerste lid, van de Abw.
In verweerders gemeente is de wijze waarop van de in
artikel 35
gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, geregeld in de Algemene
Bijstandsverordening (de verordening), in werking getreden met
ingang van 1 januari 1996.
In artikel 1, eerste lid onderdeel h, van de verordening is bepaald
dat onder een woning wordt verstaan een woning, een woonwagen en
een woonschip.
Ingevolge dat zelfde artikellid, onderdeel i, wordt onder woonkosten
verstaan:
1. indien een huurwoning wordt bewoond, de
op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand
geldende huurprijs als bedoeld in de Wet individuele huursubsidie
(Stb. 1986, 265);
2. indien een eigen woning wordt bewoond,
de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van
de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de
in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan:
rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting, de brandverzekering, de
opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten
en een door het college van burgemeester en wethouders vast te
stellen bedrag voor kosten groot onderhoud;
3. indien een woonwagen in huur dan wel
eigendom wordt bewoond, de tot een bedrag per maand herleide op 1
juli geldende woonkosten als omschreven in artikel 5, tweede lid,
van de Beschikking geldelijke steun ten behoeve van de bekostiging
van de bewoning van een woonwagen.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de verordening wordt de
bijstandsnorm of de toeslag lager vastgesteld indien de
alleenstaande (...) lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet,
als gevolg van de bewoning van een woning waarvoor de bewoners
geen woonkosten verschuldigd zijn.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt de verlaging 17%
van het nettominimumloon.
De rechtbank
ziet allereerst aanleiding om te beoordelen of
artikel 5, eerste lid, van de verordening in overeenstemming is
met artikel 35 van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank
verdraagt het eerste lid van artikel 5 van de verordening zich
niet geheel met artikel 35, eerste lid, van de
Abw. Gelet op de
tekst van artikel 35, eerste lid, van de
Abw is immers niet
bepalend of de bewoners woonkosten verschuldigd zijn, maar of zij
een woning bewonen waaraan geen woonkosten zijn verbonden. Voor
zover voormeld artikel van de verordening in strijd is met artikel
35 van de Abw mist die bepaling verbindende kracht en zal de
rechtbank die bepaling buiten toepassing laten.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder de caravan van eiser
heeft aangemerkt als een woning als bedoeld in artikel 35 van de
Abw en artikel 1, eerste lid, onderdeel
h, van de verordening. Uit de
gedingstukken blijkt voorts dat de caravan het eigendom is van
eiser.
De rechtbank
heeft geen aanleiding gezien om verweerders standpunt
dat eisers caravan als woning in voormelde zin dient te worden
aangemerkt voor onjuist te houden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat in een geval als het
onderhavige, waarin sprake is van het bewonen van een woning die
het eigendom is van de bewoner, als uitgangspunt heeft te gelden
dat aan die woning woonkosten zijn verbonden. Daarvan uitgaande is
de rechtbank van oordeel dat op basis van artikel 35 van de
Abw slechts tot een lagere vaststelling van de
bijstandsnorm of
toeslag kan worden overgegaan indien door verweerder aannemelijk
is gemaakt dat, ondanks het in eigendom hebben van de door de
bijstandsgerechtigde bewoonde woning, aan die woning geen
woonkosten zijn verbonden. De rechtbank heeft bij dit oordeel in
aanmerking genomen dat artikel 35 van de
Abw naar haar aard
restrictief dient te worden uitgelegd.
Gelet op artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 2, van de
verordening
wordt onder woonkosten - kort gezegd - verstaan de ten behoeve van
de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de
zakelijke eigenaarslasten alsmede een bedrag voor groot onderhoud.
Ten aanzien van de gestelde verschuldigdheid van een
gebruiksvergoeding voor het bewoonde perceel deelt de rechtbank
verweerders standpunt dat niet is komen vast te staan dat eiser de
gestelde vergoeding is verschuldigd en dat eiser, nu hij de
gebruiksvergoeding niet betaalt, dient aan te tonen dat hij die
vergoeding verschuldigd is. Daarbij heeft de rechtbank in
aanmerking genomen dat dit onderdeel van de door eiser gestelde
woonkosten door verweerder bij de voorbereiding van het bestreden
besluit in voldoende mate is onderzocht. Verweerder heeft er dan
ook van uit kunnen gaan dat eiser geen gebruiksvergoeding is
verschuldigd en dat er onvoldoende grond is om deze vergoeding als
aan zijn woning verbonden woonkosten aan te merken.
De rechtbank
overweegt voorts dat, uitgaande van de in artikel 1,
eerste lid, onderdeel i, onder 2, van de verordening omschreven
woonkosten, de enkele omstandigheid dat eiser niet heeft
aangetoond dat hij een vergoeding verschuldigd is voor het gebruik
van het door hem bewoonde perceel niet doorslaggevend is voor de
beantwoording van de vraag of aan eisers woning woonkosten zijn
verbonden. Uit de gedingstukken blijkt het onderzoek van
verweerder ten aanzien van de aanwezigheid van woonkosten zich
uitsluitend heeft gericht op de door eiser gestelde
gebruiksvergoeding. Een onderzoek naar de in voormelde bepaling
genoemde woonkosten heeft niet plaatsgevonden. Gelet daarop is de
rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat
betrekking heeft op de korting op grond van artikel 35 van de
Abw,
niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen.
Eisers gemachtigde heeft bij brief van 7 april 1999 een begroting
van eisers woonlasten overgelegd. De daarin opgenomen woonlasten
kunnen naar het oordeel van de rechtbank
echter niet als
woonkosten in de zin van meergenoemde bepaling van de verordening
worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank
van oordeel dat het
bestreden besluit, voor zover daarbij toepassing is gegeven aan
artikel 35 van de Abw, wegens strijd met de
artikelen 3:2 en 7:12
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in rechte geen stand kan
houden.
De rechtbank
merkt nog op dat verweerder bij de vaststelling van
de hoogte van eisers bijstandsuitkering op grond van artikel
13,
eerste lid, van de Abw, in verbinding met
artikel 38, vierde lid,
van die wet, rekening kan houden met diens bijzondere
woonsituatie.
De rechtbank
acht termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb
en verweerder te veroordelen in de
proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op
ƒ1420,- voor verleende rechtsbijstand. Van andere, voor
vergoeding in aanmerking komende, kosten is de rechtbank niet
gebleken.
De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging
ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd,
ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb
te worden voldaan door
betaling aan de griffier van deze rechtbank.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, stelt de
rechtbank
ten
slotte vast dat het door eiser betaalde griffierecht door
verweerder dient te worden vergoed.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij toepassing is
gegeven aan artikel 35 van de Abw;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag
van
ƒ1420,-;
wijst de gemeente Barneveld aan als de rechtspersoon die deze
kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan
de griffier van de rechtbank, bankrekening 1923.25.752 ten name
van DS 533 arrondissement Arnhem;
bepaalt dat voornoemd de gemeente Barneveld aan eiser het door hem
betaalde griffierecht van ƒ55,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, en in het openbaar
uitgesproken op 9 december 1999, in tegenwoordigheid van B.M.M.
Kerkhoven als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op: 9 december 1999.
Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24
juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending
hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA4624 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
99/1027
NAWB 58 |
| Datum
uitspraak: |
8
november 1999 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42 en 47 Abw
(= 31 en 32
Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten; fictief
inkomen; beëindiging bijstand; onbetaalde arbeid; vrijwilligerswerk;
ideële stichting |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens het (als voorzitter van een ideële
stichting voor hulp aan dak- en thuislozen) onbetaald, voltijds
verrichten van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een
economische waarde vertegenwoordigt (fictief inkomen). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Zutphen 99/1027 NABW 58
U I T S P R
A A K
op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil
tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente
Apeldoorn, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 16 augustus 1999, waarbij verzoekers
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) ingaande 1
augustus 1999 is beëindigd.
2. Procesverloop
Verzoeker heeft bij brief van 15 september 1999 een bezwaarschrift
bij verweerder ingediend. Bij faxbericht van 19 oktober 1999 is
verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 1999, waar
verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.
Langbroek, advocaat te Apeldoorn. Verweerder heeft zich laten
vertegenwoordigen door A. Speijers.
3. Motivering
3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb
dient te worden nagegaan of
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige
voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het
geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze
uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet
bindend voor de beslissing in die procedure.
3.2. Verzoeker ontvangt van de zijde van verweerder een Abw-uitkering. Sedert geruime tijd houdt verzoeker zich bezig met
belangeloze hulpverlening aan, en opvang van, dak- en thuislozen
in Apeldoorn. Verzoeker stelt in dit verband onder meer woonruimte
beschikbaar in een tweetal door hem gehuurde panden in Apeldoorn,
begeleidt personen bij het aanvragen van uitkeringen, beheert
uitkeringsgelden en verricht zogeheten "straatwerk". Genoemde
activiteiten heeft verzoeker op 19 april 1999 ondergebracht in de
Stichting Sjekina, waarvan hij onbezoldigd voorzitter is.
3.3. Ingevolge het tweede lid van artikel 26 van de
Abw wordt de
hoogte van de algemene bijstand bepaald door het verschil tussen
het inkomen en de bijstandsnorm. Tot de middelen als bedoeld in
artikel 7 van de Abw worden op grond van artikel 42 van
die wet
gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de
alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken. In artikel 47 van de Abw
is bepaald dat onder inkomen
(onder meer) wordt verstaan inkomen uit of in verband met arbeid.
3.4. Verweerder heeft de beëindiging van verzoekers uitkering
(onder meer) gebaseerd op de grond dat verzoeker op grond van zijn
activiteiten als voorzitter van de Stichting Sjekina niet als
werkloze werknemer kan worden aangemerkt. Tijdens de behandeling
ter zitting heeft verweerder dit standpunt aldus verduidelijkt
dat verweerder de activiteiten van verzoeker aanmerkt als
productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een
economische waarde vertegenwoordigt. Verweerder stelt zich op het
standpunt dat het verrichten van dergelijke activiteiten in de weg
staat aan verdere bijstandverlening.
Naar voorlopig oordeel moet verweerder in dit standpunt worden
gevolgd. Blijkens verzoekers verklaring ter zitting dient te
worden aangenomen dat verzoeker op professionele wijze vorm geeft
aan de hulpverlening aan dak- en thuislozen, welke activiteiten
blijkens die verklaring een (meer dan) volledige dagtaak in beslag
nemen. Soortgelijke activiteiten als door verzoeker verricht,
plegen in gemeenten als Rotterdam en
Utrecht te worden verricht
door bezoldigde straatwerkers/hulpverleners, aldus verzoeker.
Naar voorlopig oordeel kunnen verzoekers activiteiten, hoewel
daaraan het ideële karakter niet kan worden ontzegd, gelet op de
wijze waarop verzoeker aan die activiteiten vorm heeft gegeven en
gelet op het aanzienlijke tijdsbeslag dat daarmee is gemoeid, niet
worden gekwalificeerd als vrijwilligerswerk, maar moet verweerder
gevolgd worden in zijn standpunt dat sprake is van productieve
arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde
vertegenwoordigt.
Dat verzoeker genoemde activiteiten onbeloond verricht, doet aan
het voorgaande niet af. In het kader van de toepassing van de
artikelen 42 en 47 van de Abw
dienen weliswaar in beginsel
daadwerkelijk verworven inkomsten uitgangspunt te zijn, het
hanteren van een fictief inkomen is naar voorlopig oordeel
aanvaardbaar te achten in situaties waar productieve werkzaamheden
van economische waarde worden verricht zonder dat daar een (reële)
beloning tegenover staat. Verweerders standpunt dat verzoeker
geacht kan worden met de door hem verrichte fulltimearbeid ten
minste een inkomen ter hoogte van de toepasselijke
bijstandsnorm te verdienen, is in het licht van het vorenstaande
niet onjuist te achten.
3.5. Gelet op het hierboven overwogene zal de beëindiging van
eisers Abw-uitkering in een bodemprocedure naar verwachting stand
kunnen houden. Derhalve bestaat er geen aanleiding tot het treffen
van een voorlopige voorziening zoals verzocht.
3.6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling
op grond van artikel 8:75 van de Awb.
4. Beslissing
De president van de rechtbank,
recht doende:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in
het openbaar uitgesproken op
8
november 1999 in
tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Gw |
x
LJN: |
x
AA4808 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Utrecht |
| Zaaknummer: |
98/1486
ABW |
| Datum
uitspraak: |
20
december 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3,
65, 69, 81
en 90 Abw
(= 3, 17,
54, 58
en 58 Wwb)
/ 10
Gw |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; beëindiging bijstand; terugvordering;
inlichtingenverplichting;
hoofdverblijf; zorg voor gehandicapte kinderen; observaties
sociale recherche; fraude; privacy; eerbiediging persoonlijke
levenssfeer |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke
huishouding met een onderhoudsplichtige ex-echtgenoot, aangezien
deze meer dan de helft van de dagen per week (ter verzorging van
twee gehandicapte kinderen) in de woning verbleef en aldus daar
zijn (feitelijk) hoofdverblijf had. Met de vele observaties door
de sociale recherche is het privacyrecht niet geschonden. De
bestuursrechter heeft een eigen verantwoordelijkheid, die
afwijkt van die van de politierechter. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Utrecht 98/1486
ABW
U I T S P R
A A K
in het
geding tussen:
[eiseres], wonende te
[woonplaats],
eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht, verweerder.
1. Verloop van de procedure
Bij besluit van 9 juni 1998 (hierna aan te duiden als het
bestreden besluit) heeft verweerder het namens eiseres ingediende
bezwaar tegen het besluit van 28 januari 1998, bij welk besluit
verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) met ingang van 1 maart 1997 heeft ingetrokken
en de van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar
verstrekte bijstand tot een bedrag van
ƒ22.955,59 (bruto) van
haar heeft teruggevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard in die
zin dat de datum van ingang van de intrekking alsmede de datum van
ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd, is gewijzigd
in 20 maart 1997. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dat besluit op 21 juli 1998 beroep bij deze
rechtbank doen instellen. Op 30 september 1998 zijn de gronden van
het beroep ingediend.
Bij brief van 27 november 1998 heeft verweerder de op de zaak
betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de
rechtbank toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 1999 alwaar
eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.W.
Melchers, advocaat te Utrecht, en verweerder, ambtshalve
opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, zich heeft doen
vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de afdeling
juridische zaken van verweerders
gemeente.
2. Overwegingen
In dit geding moet de vraag beantwoord worden of verweerder
terecht en op goede gronden de intrekking van het recht op
bijstand ingevolge de Abw van eiseres en de terugvordering van de
haar verstrekte bijstand heeft gehandhaafd onder wijziging van de
datum van ingang van intrekking en de datum van ingang van de
periode van terugvordering in 20 maart 1997.
Feiten
Eiseres ontving van verweerder een uitkering ingevolge de Abw.
Naar aanleiding van een vermoeden dat zij met haar gewezen
echtgenoot, X, een gezamenlijke huishouding zou voeren, is er door
de sociale recherche van de Dienst Welzijn, afdeling Sociale
Zaken, van verweerders gemeente een onderzoek ingesteld, waarvan
op 6 januari 1998 rapport is uitgebracht. Naar aanleiding van dit
rapport heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering
ingevolge de Abw met ingang van 1 maart 1997 beëindigd en de aan
haar van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 verstrekte
bijstand teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft
verweerder deze beëindiging en terugvordering gehandhaafd onder
wijziging van de datum van ingang van beëindiging en de datum van
ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd in 20 maart
1997.
Standpunten van partijen
Namens eiseres is erkend dat X veelvuldig bij eiseres verbleef,
doch dat dit te maken had met het feit dat eiseres en X twee zwaar
gehandicapte kinderen hebben, die meer verzorging nodig hebben dan
eiseres hen kan geven. Om die reden is X als vader van de kinderen
veelvuldig bij eiseres aanwezig en helpt hij haar met de
verzorging en opvoeding van deze kinderen. Eiseres is van mening
dat aan het veelvuldig verblijf van X bij haar niet ontleend kan
worden dat X bij haar in de woning zijn hoofdverblijf heeft.
Voorts is namens eiseres onder verwijzing naar rechtspraak en met
een beroep op artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal
verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) gesteld
dat verweerder door veelvuldig te observeren in de buurt van de
woning van eiseres een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de
privacy van eiseres.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres met een beroep op
artikel 8 van het EVRM gesteld dat op grond van de bijzonderheid
van de situatie van eiseres en X de gemeente
zich niet alleen van
een ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven van eiseres moet
onthouden, doch tevens geacht moet worden een
inspanningsverplichting te hebben om X in staat te stellen zijn
gewezen echtgenote te helpen bij de verzorging en opvoeding van de
twee gehandicapte kinderen.
Verweerder heeft de noodzaak van de verzorging van de kinderen
door X niet ontkend, doch zich op het standpunt gesteld dat X zijn
hoofdverblijf in de woning van eiseres heeft en daarom op grond
van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de
Abw geacht wordt een
gezamenlijke huishouding te voeren met eiseres. Daarbij heeft
verweerder overwogen dat het aannemelijk is dat X in de in geding
zijnde periode over voldoende middelen beschikte om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Verweerder acht niet dat de privacy van eiseres ongeoorloofd is
geschonden door de observaties welke zijn verricht door de sociale
recherche. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat het in de
namens eiseres aangehaalde rechtspraak ging om een
observatieperiode van ruim vijftien maanden en 292 observatiedagen,
terwijl het in het geval van eiseres ging om een observatieperiode
van 30 juli 1997 tot en met 20 november 1997, in welke periode 119
waarnemingen op 111 observatiedagen zijn verricht. Daarbij heeft
verweerder erop gewezen dat waarnemingen gedurende een kortere
observatieperiode veelal niet tot een duidelijk oordeel leiden
over het al dan niet hebben van een hoofdverblijf aan een bepaald
adres.
Toepasselijk recht
Op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid,
onderdeel
a, van de Abw wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een
ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad. Krachtens het tweede lid van
genoemd artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien
twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren
van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins. In het derde lid, onderdeel a, van genoemd artikel is
bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig
wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder
voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.
Het eerste, tweede en derde lid van genoemd artikel zijn met
ingang van 1 januari 1998 vernummerd tot het tweede, derde en
vierde lid. Gelet op de in geding zijnde periode wordt in deze
uitspraak verwezen naar de nummers van de artikelleden, zoals deze
golden van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw doet de
belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of
onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend
maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de
bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt
betaald.
In artikel 69, derde lid, aanhef en onder
a, van de Abw, zoals dit
artikel luidt sedert 1 juli 1997, is onder meer bepaald dat
burgemeester en wethouders onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot
toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, een
dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel
65,
eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van bijstand.
Op grond van artikel 81, eerste lid, van de
Abw wordt bijstand die
als gevolg van onder meer een besluit als bedoeld in artikel 69,
derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van
de belanghebbende teruggevorderd.
Van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1997 luidde artikel
81,
eerste lid, van de Abw voor zover hier van belang: Indien de
verplichting, bedoeld in artikel 65, door belanghebbende niet of
niet behoorlijk is nagekomen, wordt de bijstand van hem
teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand.
Krachtens artikel 90 wordt voor zover hier van belang onder kosten
van bijstand verstaan de door de gemeente
betaalde bijstand
verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen
waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op
de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de
ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet
verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
Beoordeling van het geschil
Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres en X eerder met
elkaar gehuwd zijn geweest, moet, gelet op artikel
3, derde lid, onderdeel a, van de Abw nog slechts de vraag beantwoord worden of X in
de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf aan het adres van
eiseres had.
Op grond van het genoemde rapport van de sociale recherche en de
daarbij opgenomen verklaringen is de
rechtbank van oordeel dat X
ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van
eiseres. Ter zitting is ook niet langer bestreden dat X op de
meeste dagen, meer dan de helft van de dagen per week, bij eiseres
aanwezig was voor de zorg voor de kinderen, zij het dat dit in
verband met zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele dag was,
terwijl eiseres heeft verklaard dat X, als hij er was, ook in de
woning bleef slapen.
De stelling namens eiseres dat aan dit veelvuldig verblijf van X
in de woning van eiseres niet kan worden ontleend dat X zijn
hoofdverblijf in de woning van eiseres had omdat dit verblijf
noodzakelijk was voor de verzorging en opvoeding van de
gehandicapte kinderen, kan de rechtbank niet volgen.
Bij de beantwoording van de vraag of iemand zijn hoofdverblijf in
een woning heeft zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel
a,
van de Abw is het feitelijk verblijf in die woning doorslaggevend
en niet de reden van dat verblijf. Daaraan doet niet af dat het
verblijf van X in de woning van eiseres, zoals ook door verweerder
niet is ontkend, voor de verzorging en opvoeding van zijn
gehandicapte kinderen noodzakelijk was.
Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiseres de op
grond van artikel 65, eerste lid, van de
Abw op haar rustende
inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet op
de hoogte te stellen van het verblijf van X in haar woning.
Nu niet is bestreden dat X over voldoende middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, moet
geoordeeld worden dat verweerder terecht het recht van eiseres op
bijstand ingevolge de Abw met ingang van 20 maart 1997 heeft beëindigd
en de van 20 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar
verstrekte bijstand van haar heeft teruggevorderd.
Met betrekking tot de door de sociale recherche verrichte
observaties heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op het vonnis
van de Politierechter van deze
rechtbank van 12 februari 1998,
gepubliceerd in NJ 1998/636. In dat vonnis werd de officier van
justitie in zijn strafvordering inzake bijstandsfraude niet-ontvankelijk verklaard omdat de observaties gedurende de periode
van 7 september 1995 tot en met 20 november 1996, totaal 538
observaties gedurende 292 dagen, disproportioneel werden geacht.
De gemachtigde van eiseres is van mening dat dit in het
bestuursrecht betekent dat het bestreden besluit moet worden
vernietigd. De rechtbank kan de gemachtigde van eiseres niet
volgen in deze stelling. Niet alleen zijn in het geval van eiseres
gedurende een veel kortere periode veel minder observaties
verricht, ook heeft de bestuursrechter bij de beoordeling of het
bestuursorgaan terecht het recht op bijstand ingevolge de Abw heeft beëindigd en terecht reeds verstrekte bijstand heeft
teruggevorderd een eigen verantwoordelijkheid, die afwijkt van de
verantwoordelijkheid van de Politierechter inzake de beoordeling
van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het kader
van een strafvordering.
Ook de stelling van de gemachtigde van eiseres, aangevoerd ter
zitting, met een beroep op artikel 8 van het EVRM, dat op
verweerder een inspanningsverplichting rust tot bijstandverlening
in de situatie van eiseres kan de
rechtbank niet volgen. De
rechtbank is van oordeel dat de bescherming die het namens eiseres
aangehaalde verdragsartikel biedt niet zo ver gaat dat verweerder
op grond daarvan verplicht zou zijn om eiseres de gelegenheid te
bieden X toe te staan zijn hoofdverblijf in haar woning te hebben
voor de verzorging en opvoeding van de gehandicapte kinderen,
zonder bij de berekening van de bijstandsuitkering van eiseres de
financiële middelen van X in aanmerking te nemen.
De namens eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden
tot vernietiging van het bestreden besluit.
Aangezien ook overigens geen aanleiding is gebleken om te oordelen
dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, komt
het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze
omstandigheden ziet de
rechtbank geen aanleiding om verweerder in
de proceskosten te veroordelen.
Er dient dan ook als volgt te worden beslist.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Utrecht,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de
enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 20
december 1999.
De griffier, mr. E.W.F. Botenga,
De rechter, mr.
J.G.Th. Engelberts,
(bij verhindering van de behandelend griffier: mr. E.W.
Ackermans-Bouwman)
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van
bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij
de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|