| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA4888 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Utrecht |
| Zaaknummer: |
Awb
98/2399 NABW |
| Datum
uitspraak: |
13
januari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
6,
17, 39
en 40 Abw
(= 5, 15,
35 en 35
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten vloerbedekking; elektrische epilatie; meerkosten bril;
koelkast; noodzakelijke kosten; voorliggende voorziening;
berekening draagkracht; gemeentelijk beleid |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van vloerbedekking,
omdat de vloerbedekking nog in redelijke staat is. Onterechte
afwijzing voor kosten van elektrische epilatie, omdat de term
"tegemoetkoming" aangeeft dat de kosten niet geheel
worden vergoed door het ziekenfonds, zodat deze voorliggende
voorziening niet als toereikend kan worden geacht. Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor de meerkosten van een bril,
omdat, op grond van gemeentelijk beleid, de maximumvergoeding
reeds is verleend. Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor
de kosten van een koelkast, omdat de aanwezige draagkracht op
een wijze in strijd met de wet is berekend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Utrecht Awb
98/2399 NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te
[woonplaats],
eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht,
verweerder.
1. Verloop van de procedure
Bij besluit van 19 juni 1998 (hierna aan te duiden als het
primaire besluit) heeft verweerder, naar aanleiding van de
aanvraag van 12 oktober 1997 van eiseres, geweigerd bijzondere
bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toe te kennen in de kosten van vloerbedekking, elektrische
epilatie, een brilmontuur met glazen en een koelkast.
Van de door eiseres tegen het primaire besluit ingediende bezwaren
is het de kosten van de bril betreffende bezwaar door verweerder
bij besluit van 14 oktober 1998 (verder: het bestreden besluit) in
zoverre gegrond verklaard dat verweerder de ten behoeve van het
primaire besluit uitgevoerde onjuist berekend geachte draagkracht
van eiseres opnieuw heeft berekend en alsnog bijzondere bijstand
ten bedrage van ƒ338,80
heeft toegekend.
Ook het de kosten van de koelkast betreffende bezwaar verklaarde
verweerder bij het bestreden besluit gegrond in zoverre dat de
draagkrachtberekening is gecorrigeerd, op grond van welke
herberekening bij het bestreden besluit opnieuw geen bijzondere
bijstand in de kosten van een koelkast is verstrekt.
Het bezwaar betreffende de kosten van de vloerbedekking is bij het
bestreden besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het besluit van 14 oktober 1998 op 17 november
1998 beroep bij deze
rechtbank ingesteld.
Bij brief van 12 januari 1999 heeft verweerder de op de zaak
betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de
rechtbank doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 1999, alwaar
eiseres in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente
Utrecht.
2. Overwegingen
Toepasselijk recht
Ingevolge het bepaalde in artikel 7,
eerste lid, van de Abw
heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 6, onderdeel b,
van de Abw wordt in deze
wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder
bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien
bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot
noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand
niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
In artikel 39, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat onverminderd
hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op
bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen
om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2
en
3, en de aanwezige draagkracht.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef
en onder
b, van de Abw nemen burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de
draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing: het inkomen
voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2
en
3.
Standpunten van partijen
Eiseres heeft in haar beroepschrift nog wel melding gemaakt van
verweerders afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand te
verlenen in de kosten van de vloerbedekking, maar heeft in beroep
met betrekking tot deze afwijzing geen (nadere) bezwaren
aangevoerd.
Met betrekking tot verweerders afwijzing van de aanvraag om
bijzondere bijstand in de kosten van elektrische epilatie heeft
eiseres zich in beroep op het volgende standpunt gesteld.
Naar de mening van eiseres is verweerder er bij het bestreden
besluit ten onrechte van uitgegaan dat geen bezwaar tegen de hier
bedoelde afwijzing naar voren is gebracht. Eiseres heeft erkend
dat in het bezwaarschrift hieromtrent niets is vermeld, hetgeen
waarschijnlijk te maken heeft gehad met het feit dat zij nogal
overvallen was door de hele situatie, doch zij stelt dit bezwaar
tijdens de hoorzitting betreffende haar bezwaar wel degelijk
vermeld te hebben.
Eiseres heeft aangevoerd dat het bij het primaire besluit door
verweerder ingenomen standpunt dat geen bijzondere bijstand kan
worden verstrekt in de na aftrek van de door haar
ziektekostenverzekeraar Anova verstrekte vergoeding resterende
kosten van de epilatiebehandeling onjuist is.
Eiseres heeft opgemerkt verweerders afwijzing, gezien een vrij
recente honorering van een eerdere aanvraag om bijstand in
tandartskosten, onbegrijpelijk te achten.
Ten aanzien van verweerders bijdrage van ƒ338,80
in de kosten van de bril heeft eiseres aangegeven dat deze
vergoeding impliceert dat zij de door haar aangeschafte bril
gedeeltelijk zelf moet betalen, hetgeen zij, gezien haar financiële
omstandigheden, niet correct acht.
Betreffende verweerders weigering bijzondere bijstand te verlenen
in de kosten van de koelkast heeft eiseres gesteld verweerders eis
dat de oude, te vervangen koelkast bewaard had dienen te blijven -
dit in verband met de beoordeling van de noodzaak van vervanging -
niet redelijk te achten.
Zij heeft voorts aangevoerd dat verweerder, bij zijn
draagkrachtberekening ten behoeve van het bestreden besluit, ten
onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar te betalen
aflossingen ad ƒ100,- per maand van een door haar, vooral in
verband met de aanschaf van de bril en de koelkast, bij de
Postbank gesloten lening van ƒ2500,-.
Met betrekking tot de afwijzing van bijstand in de kosten van
vloerbedekking heeft verweerder zich beperkt tot de opmerking dat
deze tijdens een huisbezoek op 5 juni 1998 in redelijke staat is
bevonden.
Verweerder heeft gesteld dat eiseres noch in het bezwaarschrift,
noch tijdens de hoorzitting ter zake van het bezwaar heeft
aangegeven het niet eens te zijn met het niet toekennen van
bijzondere bijstand in de (meer)kosten van elektrische epilatie.
Naar verweerders mening heeft eiseres er tijdens de genoemde
hoorzitting van 5 oktober 1998 (slechts) op gewezen dat de
onderliggende ambtelijke rapportage niet geheel correct is.
Met betrekking tot dit laatste heeft verweerder opgemerkt dat
één en ander niet relevant is geweest voor (de inhoud van) het,
naar verweerders oordeel op goede grondslag berustende, primaire
besluit, waarbij verweerder, onder verwijzing naar artikel
17, tweede lid, van de Abw,
de aanvraag voor de kosten van elektrische epilatie heeft
afgewezen, omdat deze (meer)kosten bewust buiten de werkingssfeer
van het ziekenfonds zijn gehouden.
Verweerder heeft hierover ter zitting van 10 november 1999
opgemerkt dat eiseres noch bij haar aanvraag, noch in haar
bezwaarschrift, noch ter hoorzitting van 5 oktober 1998 heeft
aangegeven dat zij van alle door ziekenfonds Anova in dit kader
geboden voorzieningen gebruik heeft gemaakt. Verweerder meent dat
er, gelet op het voorgaande, voor hem geen aanleiding heeft
bestaan om bij het primaire dan wel het bestreden besluit aan te
(moeten) nemen dat in casu sprake was van bijzondere
omstandigheden in de vorm van medische noodzaak van (voortzetting
van) een behandeling waarvoor de door het ziekenfonds verstrekte
vergoeding ontoereikend is gebleken, in verband waarmee bijzondere
bijstand in de (meer)kosten van zo'n behandeling dient te worden
verstrekt.
Verweerder heeft in dit verband in verweer aangegeven dat eiseres,
indien zij van mening is dat er sprake is van een medische
noodzaak als hier bedoeld, een nieuwe aanvraag om bijzondere
bijstand kan indienen.
Ter zake van de hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand
verstrekt voor de door eiseres aangeschafte bril heeft verweerder
zich op het standpunt gesteld dat bij deze vorm van bijstand de
maximale tegemoetkoming in de kosten is verstrekt en dat het feit
dat de kosten van de door eiseres aangeschafte bril niet volledig
zijn vergoed, voortvloeien uit het feit dat de kosten van die bril
de in casu maximaal te verstrekken vergoeding te boven gaan.
In dit verband heeft verweerder in beroep gewezen op zijn vaste
beleid om bij zo'n vergoeding uit te gaan van vaste bedragen op
basis van een lijst van de Unie van Opticiens. De op grond van dit
beleid verstrekte vergoeding kan naar verweerders oordeel
voldoende worden geacht om een bril van te kunnen kopen en het
uitgeven van een groter bedrag aan glazen en/of montuur dient
daarom voor rekening van de koper te komen.
Wat betreft het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand
in de kosten van de koelkast heeft verweerder opgemerkt dat er
geen sprake is van een weigering vanwege het niet bewaard zijn
gebleven van de te vervangen koelkast.
Verweerder heeft erop gewezen dat een vergoeding in de kosten van
de koelkast ad ƒ550,-
is vastgesteld. Ter verklaring van het feit dat deze vergoeding
niet tot uitbetaling is gekomen, heeft verweerder onder meer het
volgende aangevoerd.
Volgens vast beleid is in de norm die verweerder hanteert ten
aanzien van de kosten van duurzame gebruiksgoederen begrepen dat
verweerder van personen die nog niet zo lang een
bijstandsuitkering ontvangen of die in het totaal een inkomen
hebben dat boven de bijstandsnorm
uitkomt, verwacht dat zij een zekere reservering voor de aanschaf
van zulke goederen aanhouden.
Aangezien volgens verweerders berekening de in casu relevante
draagkracht op ƒ2815,70 diende te worden gesteld, bleef met het op deze
draagkracht in mindering brengen van de koelkastvergoeding van ƒ550,- de draagkracht van eiseres met een omvang van ƒ2265,70
positief, zodat er geen sprake kon zijn van uitbetaling van de
genoemde ƒ550,-.
Beoordeling van het geschil
Voor zover het beroep van eiseres geacht moet worden mede te zijn
gericht tegen verweerders ongegrondverklaring van het bezwaar
betreffende de weigering bijzondere bijstand te verlenen in de
kosten van vloerbedekking, dient dit beroep naar het oordeel van
de
rechtbank
ongegrond te worden verklaard, gelet
op de navolgende overweging.
Nu door eiseres de juistheid van de bij een huisbezoek op 5 juni
1998 gedane constatering dat bedoelde vloerbedekking in redelijke
staat verkeerde niet is bestreden, kan de rechtbank zich vinden in
verweerders standpunt dat, gezien de staat van die vloerbedekking,
daarvoor geen vergoeding verstrekt dient te worden, aangezien de
noodzaak tot vervanging ontbreekt.
Anders dan verweerder meent de
rechtbank, gelezen
het verslag van de hoorzitting van 5 oktober 1998, dat eiseres
heeft beoogd tijdens deze zitting bezwaar te maken tegen de
afwijzing van vergoeding van de (meer)kosten van de elektrische
epilatie.
Met betrekking tot het deze kosten betreffende onderdeel van het
beroep overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van de beschikbare gegevens staat naar het oordeel van de
rechtbank voldoende vast dat het ziekenfonds, waarbij eiseres is
aangesloten, haar de maximaal toe te kennen vergoeding van kosten
als deze heeft verstrekt.
De bevoegdheid van het ziekenfonds tot het verstrekken van een
dergelijke vergoeding berust op het Besluit van de Ziekenfondsraad
van 25 oktober 1984. In de toelichting bij dat besluit is de
vergoeding welke door de ziekenfondsen maximaal kan worden
verleend voor behandelingen als de onderhavige uitdrukkelijk
omschreven als een tegemoetkoming. Onder verwijzing naar een
uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
van
7 maart 1995 merkt de rechtbank het volgende op. Uit het gebruik
van de term "tegemoetkoming" moet worden afgeleid dat
een direct verband tussen de werkelijke met behandelingen als
elektrische epilatie gemoeide kosten en het bedrag van de maximale
vergoeding niet is gelegd en dat onderkend is dat de vastgestelde
maximale vergoeding niet (in alle gevallen) kostendekkend zal
blijken te zijn.
Gelet hierop kan niet als juist worden aanvaard de in het primaire
besluit en in verweer verwoorde opvatting dat de door het
ziekenfonds aan eiseres te verstrekken respectievelijk verstrekte
vergoeding, in het geval van eiseres in beginsel kon worden
aangemerkt als een sluitende voorliggende voorziening, waarvan het
functioneren in geval van bijstandverlening zou worden doorkruist.
De rechtbank wijst erop dat ingevolge artikel 17
van de Abw, ter
beantwoording van de vraag of een bepaalde voorliggende
voorziening als toereikend en passend kan worden aangemerkt,
weliswaar mede in beschouwing kan worden genomen hetgeen naar
maatschappelijk inzicht aanvaardbaar is, doch dat tevens
belangrijke betekenis dient te worden toegekend aan de
omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in
casu nader onderzoek had moeten verrichten naar de medische
noodzaak van (voortzetting van) de behandeling en de
toereikendheid van de door ziekenfonds Anova gemaximeerde
vergoeding.
Op grond van bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank
dat het beroep, voor zover dit ziet op verweerders handhaving van
de weigering van bijzondere bijstand in de (meer)kosten van de
elektrische epilatie, gegrond verklaard moet worden.
Met betrekking tot de vraag of verweerders besluit om in de kosten
van de bril alsnog
ƒ338,80
aan bijzondere bijstand te verstrekken terecht en op goede gronden
is genomen, wordt het volgende overwogen.
Op basis van de herbeoordeling van de vraag of eiseres in
aanmerking had moeten worden gebracht voor vergoeding van de bril
heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit, geconcludeerd
dat de hier relevante draagkracht op nihil diende te worden
gesteld. Om deze reden heeft verweerder besloten alsnog de, in een
geval als dat van eiseres, maximaal te verstrekken vergoeding toe
te kennen, welke vergoeding is gesteld op
ƒ388,80.
Met betrekking tot het eerder vermelde bezwaar van eiseres dat
deze vergoeding impliceert dat zij de bril gedeeltelijk zelf heeft
moeten betalen, heeft verweerder, als vermeld, gewezen op zijn
vaste beleid, dat ook in het geval van eiseres is gehanteerd.
De
rechtbank
ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat
verweerders standpunt dat de door hem aangehouden bedragen,
ontleend aan een lijst van de Unie van Opticiens, als toereikend
kunnen worden beschouwd, voor onjuist gehouden moet worden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gesteld worden
dat genoemd beleid niet binnen de grenzen van een redelijke
beleidsbepaling is gelegen of in strijd zou zijn met de wettelijke
bepalingen of bestaande jurisprudentie dienaangaande.
Het vorengaande overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat
het beroep, voor zover dit afwijzing van vergoeding van de kosten
waarmee het bedrag van
ƒ388,80
bij de aanschaf van de bril door eiseres is overschreden betreft,
ongegrond verklaard moet worden.
Ten aanzien van de vraag of verweerders handhaving van de
weigering om bijzondere bijstand in de kosten van de door eiseres
aangeschafte koelkast te verstrekken op goede grondslagen berust,
overweegt de
rechtbank
als volgt.
Verweerder heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de
beoordeling van dit onderdeel van de aanvraag om bijzondere
bijstand onder meer het volgende medegedeeld.
"Wat betreft de draagkrachtberekening voor de kosten van
duurzame gebruiksgoederen wordt het volgende overwogen. Bij
duurzame gebruiksgoederen wordt naast een percentage boven de bijstandsnorm,
ook een percentage van de bijstandsnorm zelf in aanmerking genomen
bij de berekening van de draagkracht. Dit percentage is 6%, voor
een draagkrachtperiode van twee jaar. Bij besluit van 19 juni 1998
wordt de vergoeding voor de noodzakelijke aanschaf van een
koelkast vastgesteld op
ƒ550,-. Uw draagkracht
wordt vastgesteld op
ƒ4958,74
voor een periode van twee jaar. Gezien het feit dat uw inkomen
meer dan 110% van de bijstandsnorm bedraagt, had Sociale Zaken u,
ingevolge het beleid van de gemeente
Utrecht,
moeten verwijzen naar de KBU [Kredietbank
Utrecht, red.]. Nu dit niet is gebeurd, dient een
juiste draagkrachtberekening te worden gemaakt.
Bij de berekening van uw draagkracht is ten onrechte geen rekening
gehouden met uw premie aanvullende verzekering. In uw
bezwaarschrift geeft u aan dat er ook geen rekening is gehouden
met uw aflossingsverplichting. U gaf aan de lening te hebben
gebruikt voor de aanschaf van een koelkast en een bril, maar ook
voor andere zaken. Aangezien niet is aangetoond dat de lening
uitsluitend is gebruikt voor de aanschaf van duurzame
gebruiksgoederen en woninginrichting kan met deze lening bij
berekening van uw draagkracht geen rekening worden gehouden.
Bijgevoegd vindt u een nieuwe berekening van uw draagkracht.
Hieruit volgt dat uw draagkracht is vastgesteld op ƒ2815,70. Hierop wordt
ƒ550,- voor de noodzakelijke kosten
van een koelkast in mindering gebracht. Uw draagkracht bedraagt
derhalve ƒ2265,70
tot 12 oktober 1999.
Gezien het bovenstaande verklaren wij uw bezwaarschrift gegrond
voor wat betreft de berekening van uw draagkracht."
Gelet op het feit dat bovenvermelde draagkrachtberekening is
toegepast, neemt de
rechtbank aan dat verweerder is uitgegaan van verstrekking
van bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 39
van de Abw.
In artikel 40, eerste lid, aanhef en
onder
b, van de Abw
is bepaald dat burgemeester en wethouders voor de vaststelling van
de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen het
inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Daarmee verdraagt zich niet dat verweerder bij de berekening van
de draagkracht van eiseres een percentage van de voor haar
geldende bijstandsnorm mede in aanmerking heeft genomen.
Om deze reden dient het beroep, voor zover dit ziet op de
handhaving van de afwijzing van bijzondere bijstand in de kosten
van de koelkast, gegrond verklaard te worden.
Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te
veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling
van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten
bestuursrecht begroot op ƒ4,75
als reiskosten. Van andere te vergoeden kosten is de
rechtbank niet gebleken.
Gezien bovenstaande overwegingen wordt beslist als volgt.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Utrecht,
recht doende:
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering
om bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van
vloerbedekking betreft, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering
om bijzondere bijstand toe te kennen in de (meer)kosten van
elektrische epilatiebehandelingen betreft, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering
om bijzondere bijstand toe te kennen in de het toegekende bedrag
van ƒ388,80 te boven gaande kosten van een door eiseres
aangeschafte bril betreft, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering
om bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van een door
eiseres aangeschafte koelkast betreft, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
bepaalt dat de gemeente
Utrecht
het door eiseres betaalde
griffierecht van
ƒ55,- aan haar vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten
bedrage van
ƒ4,75,
te betalen door de gemeente Utrecht.
Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de
enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari
2000.
De griffier, R.A. van Bruchem,
De rechter, J.G.Th. Engelberts,
(bij afwezigheid van de behandelend griffier: B. Marell-Groenewout)
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van
bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij
de Centrale Raad van
Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IWwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA5019 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
99/1106
NABW 57 en 99/1107 NABW 57 |
| Datum
uitspraak: |
7
december 1999 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5
en 8 Abw
(= 7
en 7 IWwb)
/
8:86
Awb |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
beëindiging bijstand; voorbereidingsperiode; oriëntatiefase |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand, omdat per beëindigingsdatum betrokkene
nog niet als zelfstandige kon worden aangemerkt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Zutphen 99/1106
NABW 57 en 99/1107 NABW 57
U I T S P R
A A K
op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in
de hoofdzaak, in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker/eiser, hierna: eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Doetinchem, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 oktober 1999.
2. Feiten en procesverloop
In mei 1999 heeft eiser, in het genot van een bijstandsuitkering,
zich bij de afdeling Sociale Zaken van verweerders
gemeente gemeld
met het verzoek om zich te mogen oriënteren op de mogelijkheid
van het starten van een eigen bedrijf. Aan eiser is toestemming
gegeven voor het opstellen van een ondernemersplan en het doen van
onderzoek naar financiering. Nadien is afgesproken dat de oriëntatiefase
zal duren tot 1 september 1999 en dat eisers uitkering per die
datum zal worden beëindigd, zulks op basis van de verwachting dat
eisers plan zal slagen.
Bij besluit van 11 augustus 1999 heeft verweerder eisers
bijstandsuitkering beëindigd per 1 september 1999 op grond van de
overweging dat eiser met ingang van die datum werkzaam zal zijn
als zelfstandig ondernemer en daardoor (naar verwachting) zal
beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten
van het bestaan te voorzien.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 september 1999
bezwaar gemaakt. Hij heeft hierbij aangevoerd dat 1 september 1999
als aanvangsdatum voor zijn bedrijf niet haalbaar is gebleken als
gevolg van berekeningsfouten in het ondernemersplan. Tijdens de
hoorzitting op 6 oktober 1999 heeft eiser verklaard een nieuw
ondernemersplan te hebben verzonden naar de bank en over circa
twee weken bericht te zullen krijgen.
Bij besluit van 12 oktober 1999 heeft verweerder het
bezwaarschrift gegrond verklaard en het primaire besluit in die
zin gewijzigd dat de einddatum van de uitkering is bepaald op 15
oktober 1999 in plaats van 1 september 1999. Tevens heeft
verweerder medegedeeld dat, indien de onderneming niet per 15
oktober 1999 is gerealiseerd, eiser zich uiterlijk op die datum
voor het verkrijgen van passende arbeid dient te wenden tot het Centrum voor werk en inkomen
(CWI) en een aanvraag om uitkering
kan indienen wanneer er per 15 oktober 1999 niet terstond passende
arbeid voor hem beschikbaar is.
Tegen dit besluit is namens eiser door mr. M. Bongaards, advocaat
te Doetinchem, bij brief van 12 november 1999 beroep ingesteld bij
de rechtbank. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Het geschil is behandeld ter zitting van 6 december 1999, waar
eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A.J. te Hennepe.
3. Motivering
3.1. Indien de president na de behandeling ter zitting van een
verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen in de beoordeling van
de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de
Awb, onmiddellijk
uitspraak doen in de bij de rechtbank
aanhangige hoofdzaak. Van
deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.
3.2. In geschil is de beëindiging van eisers bijstandsuitkering
met ingang van 15 oktober 1999. Eiser is van mening dat verweerder
hem onvoldoende is tegemoet gekomen door de datum van beëindiging
naar 15 oktober 1999 te verschuiven, aangezien hij zijn
voorgenomen bedrijf nog niet per deze datum heeft kunnen
realiseren. Om het bedrijf te kunnen starten, heeft eiser inmiddels
bij verweerder een aanvraag op grond van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) ingediend, waaromtrent ook
reeds advies is gevraagd aan het Instituut voor Midden- en
Kleinbedrijf (IMK). Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft
verklaard, zal het door het IMK nog uit te brengen advies naar
verwachting positief zijn. Eiser heeft desgevraagd ter zitting
verklaard nog niet te zijn begonnen met werkzaamheden en eerst te
zullen starten met zijn bedrijf indien positief is beslist op zijn
Bbz-aanvraag, mede in verband met het feit dat hij krediet nodig
heeft voor de aanschaf van een bedrijfsauto. De gemachtigde van
verweerder heeft desgevraagd verklaard dat er geen aanwijzingen
zijn dat eiser inmiddels met activiteiten als zelfstandige is
begonnen.
3.3. Gevraagd naar de wettelijke grondslag van het bestreden
besluit heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting gesteld
dat dit besluit is gebaseerd op artikel 8 van de
Algemene bijstandswet (Abw).
In dit artikel is geregeld onder welke voorwaarden een
belanghebbende in de hoedanigheid van zelfstandige recht heeft op
bijstand. Eén van de voorwaarden is dat het bedrijf levensvatbaar
moet zijn, behoudens een tweetal uitzonderingen.
Om voor bijstandverlening in aanmerking te komen, moet een
zelfstandige een daartoe strekkende aanvraag ingevolge het Bbz
indienen. Een zelfstandige kan geen aanspraak maken op reguliere
bijstand, dat wil zeggen bijstand anders dan op grond van het Bbz.
Dit brengt met zich dat een reguliere bijstandsuitkering dient te
worden beëindigd zodra de belanghebbende activiteiten als
zelfstandige gaat verrichten.
Onder zelfstandige wordt ingevolge artikel 5 van de
Abw, voor
zover hier van belang, verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65
jaar die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op
arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en
die voldoet aan het urencriterium voor toepassing van de
zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 44m, eerste of vierde lid,
van de Wet op de inkomstenbelasting 1994.
Gelet op hetgeen ter zitting is verklaard, moet worden vastgesteld
dat eiser op 15 oktober 1999 niet is begonnen met activiteiten als
zelfstandige, zodat hij op die datum niet kon worden aangemerkt
als zelfstandige. Hieruit volgt dat de beëindiging van zijn
(reguliere) bijstandsuitkering met ingang van die datum niet kan
worden gegrond op het bepaalde in artikel 8 van de
Abw. Opmerking
hierbij verdient dat op het moment waarop het bestreden besluit
werd genomen redelijkerwijs ook niet de verwachting kon bestaan
dat eiser op 15 oktober 1999 zijn bedrijf gerealiseerd zou hebben,
gelet op hetgeen eiser tijdens de hoorzitting van 6 oktober 1999
heeft verklaard.
3.4. Gevraagd naar de reden waarom aan eiser een beperkte termijn
is toegestaan voor zijn oriëntatie inzake de mogelijkheden voor
het starten van een eigen bedrijf, heeft verweerders gemachtigde
verklaard dat dit geen verband houdt met verplichtingen ingevolge
artikel 113 Abw
inzake de inschakeling in arbeid in
dienstbetrekking, aangezien zodanige verplichtingen niet aan
eisers uitkering waren verbonden vanwege zijn leeftijd. De reden
voor de beperking in tijdsduur van de oriëntatiefase was
uitsluitend hierin gelegen dat verweerder zicht wilde houden op
de activiteiten van eiser en hem - zoals ook blijkt uit de
rapportage van 29 juli 1999 van verweerders medewerker S. Visser -
zo min mogelijk ruimte wilde geven om reeds te beginnen met
werkzaamheden en daarmee inkomen te verwerven.
Hierin kan naar dezerzijds oordeel geen grond zijn gelegen voor
een beëindiging van de bijstandsuitkering. Indien de vrees
bestaat dat de ontvanger van een bijstandsuitkering, die het
voornemen tot het opzetten van een eigen bedrijf kenbaar maakt en
zich oriënteert op de mogelijkheden daartoe, reeds begint met
inkomensvormende werkzaamheden, staan verweerder controlemiddelen
ten dienste om zicht te houden op de activiteiten van de
betrokkene, zoals het doen van oproepingen teneinde inlichtingen
te verstrekken en, desnoods, het inzetten van de sociale
recherche.
3.5. Ook overigens kunnen in de Abw
naar dezerzijds oordeel geen
bepalingen worden aangewezen waarop de beëindiging van eisers
uitkering per 15 oktober 1999 kan worden gebaseerd.
Het bestreden besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging
wegens strijd met de wet. Tevens is er aanleiding om zelf in de
zaak te voorzien door herroeping van het primaire besluit van 11
augustus 1999.
Gelet op één en ander is het treffen van een voorlopige
voorziening niet vereist.
3.6. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de
proceskosten van eiser. Ter zake van rechtsbijstand worden 2 punten
toegekend met een gewichtsfactor 1.
3.7. Ter voorlichting aan partijen wordt nog opgemerkt dat uit de
vernietiging en herroeping van verweerders besluiten rechtstreeks
voortvloeit dat eisers uitkering doorloopt vanaf 15 oktober 1999
en dat de betaling van deze uitkering dus dient te worden hervat.
Dit betekent ook dat eisers aanvraag van 19 oktober 1999 om
reguliere bijstand achteraf gezien onnodig was en dat bijgevolg
aan de afwijzende beslissing van 10 november 1999 de praktische
betekenis is komen te ontvallen.
4. Beslissing
De president van de rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit van 11 augustus 1999;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
bepaalt dat de gemeente Doetinchem het betaalde griffirecht van
ƒ120,- aan eiser vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag
van ƒ1420,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen
door de gemeente Doetinchem.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en
in het openbaar uitgesproken op 7 december 1999 in
tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan, voor zover deze de hoofdzaak betreft,
binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden
ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA
Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Gw / Awb |
x
LJN: |
x
AA5111 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
98/1952
NABW Z PER en 99/571 NABW Z PER |
| Datum
uitspraak: |
13
januari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9
en 113 Abw
(= 13
en 9 Wwb) / 1
Gw / 7:3
Awb |
| Trefwoorden: |
vakantie;
gebruikelijke vakantieduur; blijvend volledig arbeidsongeschikt;
jonger dan 57,5 jaar; gelijkheidsbeginsel;
territorialiteitsbeginsel |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing verzoek om langer dan de gebruikelijke vakantieduur
(vier weken) voor vakantie in het buitenland te verblijven,
omdat betrokkene, gelet op zijn blijvende volledige
arbeidsongeschiktheid, dient te worden gelijkgesteld met
57,5-plussers. Het gelijkheidsbeginsel gaat i.c. voor op het
territorialiteitsbeginsel. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 98/1952
NABW Z PER en 99/571 NABW Z PER
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van
de gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken,
gevestigd te Maastricht, verweerder.
Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
1. het besluit van verweerder van 18 november 1998,
kenmerk 24414705;
2. het besluit van verweerder van 24 maart 1999,
kenmerk 2441.47.05.
Datum van behandeling ter zitting: 17 augustus 1999 en 16 december 1999.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten van 18
november 1998 en van 24 maart 1999 heeft verweerder de
bezwaarschriften van eiser tegen de besluiten van
20 oktober 1998 en 9 maart 1999 ongegrond verklaard.
Bij schrijven van 30 december 1998 en van 26 april 1999 is namens
eiser door mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, tegen
deze besluiten beroep ingesteld. Bij brieven van respectievelijk
25 januari 1999 en van 5 juni 1999 zijn de gronden waarop de
beroepen berusten, ingediend.
De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden stukken alsmede
de verweerschriften zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser
gezonden.
De zaak met reg.nr. 98/1952 is behandeld ter openbare zitting van
17 augustus 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. Hogervorst voornoemd. Verweerder heeft zich
doen vertegenwoordigen door mr. E.R.S. Dijkstra en
H.M. Pluymaeckers, ambtenaren der gemeente.
Vervolgens is het onderzoek heropend omdat gebleken is dat het
onderzoek niet volledig is geweest en is de zaak verwezen naar een
meervoudige kamer.
Gelet op de samenhang met de zaak met reg.nr. 99/571 zijn beide
zaken gevoegd behandeld ter openbare zitting van de meervoudige
kamer van de rechtbank op 16 december 1999. Aldaar zijn eiser en
zijn gemachtigde mr. Hogervorst voornoemd verschenen. Namens
verweerder zijn, na daartoe te zijn opgeroepen, verschenen H.M.
Pluymaeckers en L.B.W. Heuts, ambtenaren der gemeente.
II. Overwegingen
II.1. Eiser, die sedert 1993 arbeidsongeschikt is, ontvangt een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) van de zijde
van verweerders gemeente naar de norm voor een alleenstaande.
Eiser heeft zich op 12 oktober 1998 en op 4 januari 1999 tot
verweerder gewend met het verzoek om met behoud van uitkering
langer dan 28 dagen met vakantie in het buitenland te verblijven.
Bij primaire besluiten van 20 oktober 1998 en van 9 maart 1999
heeft verweerder deze verzoeken afgewezen omdat, aldus verweerder,
de maximale vakantieperiode per kalenderjaar voor eiser vier weken
bedraagt.
Tegen deze besluiten is door eiser bezwaar gemaakt bij verweerder.
II.2. Bij de thans bestreden besluiten van 18 november 1998 en van
24 maart 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiser kennelijk
ongegrond verklaard.
Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat op grond van
artikel 9 van de Abw
en artikel 1 van de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw de voor eiser gebruikelijke vakantieduur vier
weken bedraagt. Een langer verblijf wordt, aldus verweerder, met
het oog op een doelmatige controle op het recht op bijstand en het
territorialiteitsbeginsel van de Abw
onwenselijk geacht. Naar het
oordeel van verweerder bieden de wet, noch de
Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw de mogelijkheid om een
belanghebbende van jonger dan 57,5 jaar die geen
arbeidsverplichting heeft gelijk te stellen met een persoon van
57,5 jaar of ouder.
II.3. Namens eiser zijn op 25 januari 1999 en op 5 juni 1999
aanvullende beroepschriften ingediend.
Daarbij heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder
in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld nu, door eiser
niet te horen, geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de
bijzondere individuele omstandigheden van eiser.
Voorts is namens eiser aangevoerd dat uit een rapportage van de
Districtsgezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg van 23 augustus 1993 is gebleken dat eiser permanent arbeidsongeschikt
is, zodat hij gelijkgesteld moet worden met een persoon van 57,5
jaar of ouder, die vrijgesteld is van de sollicitatieplicht en die
per kalenderjaar dertien weken oftewel 91 dagen in het buitenland mag
verblijven.
Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het gebruik van
het leeftijdscriterium in de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de
Grondwet, voor welk onderscheid geen rechtvaardigingsgrond is aan
te voeren.
Ter zitting van 16 december 1999 heeft eisers gemachtigde nog
aangevoerd dat meerbedoeld onderscheid tevens in strijd is met het
bepaalde in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).
II.4. In dit geschil dient de rechtbank
te beoordelen of de
bestreden besluiten de rechterlijke toets kunnen doorstaan.
Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het
leeftijdscriterium als aangegeven in de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw in strijd is met het discriminatieverbod als
bedoeld in artikel 1 van de Grondwet. Gelet op het hiernavolgende
komt de rechtbank niet toe aan de toetsing aan het bepaalde in
artikel 26 van het IVBPR.
Aangaande de hierboven opgeworpen vraag overweegt de rechtbank
als
volgt.
II.5. Artikel 1 van de Grondwet bepaalt dat allen die zich in
Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet
toegestaan.
In artikel 7, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht heeft
op bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel
d, van de Abw
heeft geen
recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft
doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt
buiten Nederland.
Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) regels
stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke
vakantieduur, genoemd in het eerste lid, onderdeel d.
Op grond van het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de
Abw
is
door de minister de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw (hierna te noemen: de vakantieregeling) van 13 maart 1998, Stcrt.
1998, 51, vastgesteld.
Blijkens artikel 1 van de
vakantieregeling
wordt onder
gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel d, van de Algemene bijstandswet, verstaan:
a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is:
dertien weken per
kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan dertien weken;
b. voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar.
In artikel 113 van de Abw, waarin de verplichtingen met betrekking
tot de inschakeling in de arbeid zijn opgenomen, is in het vierde
lid bepaald dat de minister regels kan stellen aangaande het
toepassen dan wel niet toepassen van één of meer verplichtingen,
genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één of meer categorieën
belanghebbenden.
Op grond van dit artikellid heeft de minister
bij Besluit van 20
april 1995 (Stcrt. 1995, 85, en nadien gewijzigd) de Regeling
vrijstelling verplichtingen Abw (hierna te noemen: de
vrijstellingsregeling) in het leven geroepen.
Artikel 1 van deze vrijstellingsregeling, zoals deze op grond van
het Besluit van de minister van 16 maart 1998 (Stcrt. 1998,
54) luidde
ten tijde hier van belang, bepaalt dat van de verplichtingen op
grond van artikel 113, eerste lid, onderdeel
a tot en met f, van de Algemene bijstandswet
belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar zijn
vrijgesteld.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en
wethouders, na daartoe de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te hebben
gehoord, in een bijzonder geval van het eerste lid kunnen
afwijken.
II.6. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Abw
en de
heersende jurisprudentie staat het territorialiteitsbeginsel zoals
vastgelegd in artikel 7 van de Abw
in de weg aan bijstandverlening
bij verblijf in het buitenland langer dan vier weken, ongeacht de
reden van het buitenlandse verblijf.
De uitsluitingsgrond als genoemd in artikel 9 van de
Abw
dient
overigens niet zonder meer toegepast te worden indien de
belanghebbende aannemelijk maakt dat het verblijf in het
buitenland noodzakelijk is voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan. Van dit laatste is in casu echter geen sprake. Noch is in
het onderhavige geval sprake van zeer dringende redenen in de zin
van artikel 11, eerste lid, van de Abw
die het noodzakelijk maken
dat in afwijking van paragraaf 1 [van
hoofdstuk II, red.] van de Abw
bijstand wordt
verleend.
Ten aanzien van degenen die op grond van artikel
113, vierde lid,
van de Abw
zijn vrijgesteld van bepaalde verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling kan, blijkens de parlementaire geschiedenis,
in voorkomende gevallen een iets langer verblijf in het buitenland
worden toegestaan. Blijkens de toelichting op het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25
januari 1985 (Stcrt. 1985, 20), welke is bevestigd door de minister
bij Besluit van 20 april 1995 (Stcrt. 1995,
83), lag aan
de vrijstelling van de hiervoor genoemde verplichtingen de
overweging ten grondslag dat onder de zich destijds voordoende
arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van
de groep werklozen van 57,5 jaar of ouder in het algemeen niet
mocht worden verwacht. Beide besluiten droegen een tijdelijk
karakter, daar blijkens de toelichting de vrijstelling slechts te
rechtvaardigen was zolang die arbeidsmarktsituatie voortduurde.
Bij Besluit van de minister van 25 februari 1999 (Stcrt. 1999, 40)
is de vrijstellingsregeling met het oog op de veranderde
arbeidsmarktomstandigheden aangepast in die zin dat degenen die op
of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar zullen bereiken niet
langer zullen worden vrijgesteld van de op de arbeidsinpassing
gerichte verplichtingen, genoemd in artikel
113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de
Abw.
Naar aanleiding van verzoeken uit de samenleving om de
vakantieduur voor bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder te
verruimen alsmede ter uitvoering van een aanvaarde motie
daaromtrent heeft de minister bij Besluit van 13 maart 1998 (Stcrt.
1998, 52) de meergenoemde vakantieregeling
vastgesteld.
Met de vrijstellingsregeling heeft de minister
een onderscheid
gemaakt naar leeftijd ten aanzien van de verplichtingen met
betrekking tot de arbeidsinschakeling. In de vakantieregeling
heeft de minister dit onderscheid naar leeftijd gehandhaafd en
bepaald dat voor belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder een
gebruikelijke vakantieduur geldt van dertien weken, terwijl voor
belanghebbenden jonger dan 57,5 jaar een gebruikelijke
vakantieduur geldt van vier weken.
II.7. Niet in geschil is dat eiser verkeert in de situatie dat hij
jonger is dan 57,5 jaar en dat hij ontheven is van de
verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113 van de
Abw, omdat
hij als blijvend arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
Eiser verkeert derhalve in een gelijke situatie als een persoon
van 57,5 jaar of ouder die, net als eiser, op grond van de vrijstellingsregeling
is ontheven van de verplichtingen als
bedoeld in artikel 113 van de Abw. Op grond van de
vakantieregeling is eiser op grond van zijn leeftijd evenwel een
gebruikelijke vakantieduur toegestaan van maximaal vier weken per
jaar, terwijl belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder op grond van de
vakantieregeling een gebruikelijke vakantieduur toekomt van
dertien weken per jaar. In de vakantieregeling wordt derhalve een
onderscheid gemaakt naar leeftijd.
De rechtbank overweegt dat discriminatie op grond van leeftijd
moet worden aangemerkt als discriminatie "op welke grond dan
ook" zoals bedoeld in artikel 1 van de
Grondwet. Niet ieder
onderscheid in leeftijd levert echter discriminatie op in de zin
van deze bepaling. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden
bestaan, is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat alleen sprake kan zijn van
discriminatie indien in het licht van het doel van de vakantieregeling
voor het gemaakte onderscheid een objectieve en
redelijke rechtvaardiging ontbreekt.
Het doel van de vakantieregeling is om bijstandsgerechtigden die
57,5 jaar of ouder zijn en op grond van deze leeftijd zijn
ontheven van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling, een langere vakantieperiode in het buitenland toe te
staan dan bijstandsgerechtigden die wél moeten voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.
Uit de toelichting behorende bij de vakantieregeling
blijkt dat
met een verblijf van dertien weken in het buitenland door iemand
van 57,5 jaar of ouder de doelmatige controle op het recht op
bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het geding
komen.
Naar het oordeel van de rechtbank
verkeert een betrokkene waarvan
vaststaat dat hij permanent arbeidsongeschikt is en op grond
daarvan is ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel
113 van de Abw, voor de toepassing van de
Abw
in dezelfde
omstandigheden als een bijstandsgerechtigde die 57,5 jaar of ouder
is en op die grond is ontheven van de verplichtingen van artikel
113 van de Abw.
Dit is slechts anders in die gevallen waarin een
bijstandsgerechtigde niet als permanent arbeidsongeschikt kan
worden beschouwd, omdat zijn medische toestand veranderlijk is,
waarbij de mogelijkheid bestaat dat de betrokkene opnieuw
ingeschakeld kan worden in het arbeidsproces en op grond daarvan
zijn arbeidsongeschiktheid met regelmaat herbeoordeeld dient te
worden.
Tevens is de rechtbank
van oordeel dat met een verblijf van
dertien weken in het buitenland door een bijstandsgerechtigde die
jonger is dan 57,5 jaar én permanent arbeidsongeschikt én die
ontheven is van de verplichtingen met betrekking tot de
inschakeling in de arbeid, evenmin de doelmatige controle op het
recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel in het geding
komen als bij de bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder en
die ontheven is van de hiervoor genoemde verplichtingen.
Gelet op het hieraan voorafgaande is de rechtbank
van oordeel dat
verweerder de vakantieregeling
niet ten grondslag had mogen leggen
aan het thans bestreden besluit, nu het onderscheid naar
leeftijd zoals dat is gemaakt in de vakantieregeling niet op
objectieve en redelijke gronden berust. In gevallen als het
onderhavige dient de vakantieregeling dan ook wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet
buiten toepassing te worden gelaten.
II.8. Ten aanzien van het achterwege laten van het horen als
bedoeld in artikel 7:3 van de Awb
overweegt de rechtbank
dat
slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien van de
hoorplicht. De term "kennelijk" in artikel 7:3 van de
Awb
dient aldus te worden verstaan dat in redelijkheid geen
twijfel mogelijk is omtrent de conclusie dat de bezwaren van eiser
ongegrond zijn. Indien op enig relevant punt nog twijfel mogelijk
is, dient de indiener van een bezwaarschrift te worden gehoord.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat naar
aanleiding van de bezwaarschriften, waarin eiser melding maakt van
zijn permanente arbeidsongeschiktheid en zijn vrijstelling van de
verplichtingen als bedoeld artikel 113 van de
Abw, geen twijfel
mogelijk was omtrent de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure.
Verweerder heeft dan ook ten onrechte het horen van eiser
achterwege gelaten en aldus in strijd gehandeld met het bepaalde
in artikel 7:3 van de Awb.
II.9. Gelet op bovenstaande overwegingen zijn de beroepen gegrond
en kunnen de bestreden besluiten in rechte geen stand houden; zij
dienen daarom te worden vernietigd.
II.10. Voorts acht de rechtbank
termen aanwezig om verweerder met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen
bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het
bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in
artikel 2, eerste
lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van
ƒ710,- per punt toe voor
de indiening van de beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen
ter zitting op 17 augustus 1999 en 16 december 1999 en bepaalt het
gewicht van de zaken, gelet op de aard en de inhoud van het
geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 4 x ƒ710,- x 1 =
ƒ2840,-
Nu aan eiser ter zake van de beroepen toevoegingen zijn verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de
kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb
te worden
betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75
van de Awb
wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de
bestreden besluiten van 18 november 1998 en van 24 maart 1999;
2. draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de
bezwaarschriften van 5 november 1998 en 15 maart 1999 met
inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser de door hem betaalde
griffierechten ten bedrage van ƒ115,-
(ƒ55,- en
ƒ60,-) worden
vergoed door de gemeente
Maastricht;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedures bij de
rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
ƒ2840,-, zijnde de kosten van
rechtsbijstand, te betalen door de
gemeente Maastricht aan de griffier van de
arrondissementsrechtbank te Maastricht.
Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt, mr. R.E. Bakker en mr. A.W. Heringa, in
tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters als
griffier en in het openbaar uitgesproken op 13
januari 2000
door mr. Voogt
voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. R. Peters
w.g. W.L.J.
Voogt
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep te Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger
beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor het bestuursorgaan en
belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de
mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te
verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in
artikel 8:81 van de Awb.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA5143 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
NABW
99/6173 |
| Datum
uitspraak: |
10
maart 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
113 en 115 Abw
(= 9 en – Wwb) |
| Trefwoorden: |
vrijwilligerswerk;
onbetaalde arbeid; kinderopvang; intrekking toestemming; pedofilie |
| Essentie: |
Terechte
intrekking toestemming om vrijwilligerswerk te verrichten in een
crèche, omdat betrokkene pedofiel blijkt te zijn.
Vrijwilligerswerk in de kinderopvang kan aldus niet bijdragen
aan grotere uitstroomkansen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle NABW
99/6173
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J.J. Roossien, advocaat en procureur
te Elburg,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zwolle, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 1 juli 1999.
2. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij besluit van 17 juni 1998 heeft verweerder de aan eiser
verleende toestemming om met behoud van zijn bijstandsuitkering
vrijwilligerswerk te verrichten, ingetrokken.
Eiser heeft op 24 juli 1998 een bezwaarschrift ingediend, welk
bezwaarschrift op 27 juli 1998 is aangevuld.
Eiser is op 23 februari 1999 in de gelegenheid gesteld door de
commissie voor de bezwaar- en beroepschriften te worden gehoord,
van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt.
De commissie heeft op 4 maart 1999 advies uitgebracht.
Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser
ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 27 juli 1999 een beroepschrift ingediend, welk
beroepschrift op 3 september 1999 is aangevuld.
Verweerder heeft op 4 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.
Op 8 februari 2000 is de zaak ter openbare terechtzitting
behandeld.
Eiser is, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.J. Roossien,
verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door S. Eskens.
3. Motivering
Vaststaande feiten
Verweerder heeft eiser een bijstandsuitkering toegekend. Bij
besluit van 29 december 1997 heeft verweerder aan eiser
toestemming verleend om in de crèche van het asielzoekerscentrum
te Zwolle met behoud van zijn uitkering twee uur per week
vrijwilligerswerk te verrichten.
Kort na het verlenen van deze toestemming heeft verweerder
vernomen dat eiser pedofiele gevoelens heeft, hetgeen eiser
tijdens een op 9 februari 1998 gevoerd gesprek heeft bevestigd.
Standpunt eiser
Eiser stelt dat hij zijn pedofiele gevoelens onder controle heeft
en dat zijn geaardheid ten opzichte van kinderen nooit tot
grensoverschrijdend gedrag heeft geleid. Eiser stelt nooit wegens
feiten verband houdende met zijn persoonlijke geaardheid te zijn
veroordeeld. Hij heeft in het geheel geen strafblad. Eiser stelt
eerder met kinderen te hebben gewerkt. Alle betrokkenen waren
daarover zeer tevreden. Hij meent dat hij mogelijke onrust kan
wegnemen als hij bijvoorbeeld de ouders van de kinderen kan laten
zien hoe hij met de kinderen omgaat en hoe de kinderen op hem
reageren. Eiser voert aan door het intrekken van de toestemming om
met behoud van uitkering in de crèche van het asielzoekerscentrum
vrijwilligerswerk te mogen verrichten te zijn geschaad. Hij
voelt zich door de handelwijze van verweerder gediscrimineerd en
ten onrechte daardoor vanwege zijn geaardheid gestraft. Bovendien
had verweerder zonder toestemming geen gebruik mogen maken van
privacygevoelige door derden verstrekte informatie over eiser.
Verweerder had dan ook niet, na afweging van alle relevante
belangen, tot het bestreden besluit kunnen komen.
Standpunt verweerder
Verweerder verleent toestemming om met behoud van een
bijstandsuitkering te mogen werken als dat in het kader van het
zogenaamde uitstroombeleid passend is. Dat wil zeggen dat het
vrijwilligerswerk waarvoor toestemming wordt verleend van nut
dient te zijn ten behoeve van een mogelijke werkaanvaarding
bijvoorbeeld in de werksoort waarin met behoud van de uitkering
het vrijwilligerswerk verricht wordt. Verweerder gaat ervan uit
dat met name bij de ouders en andere verzorgers van de in de crèche
aanwezige kinderen grote onrust zal ontstaan als de geaardheid
van eiser onder hen bekend wordt. Verweerder meent dat vanwege die
mogelijke onrust het voor eiser niet dan wel vrijwel onmogelijk
zal zijn werk in de kinderverzorging en -opvang te vinden.
Verweerder wijst er in dit verband op dat, zoals verweerder bekend
is, eiser ook niet in de gelegenheid gesteld zou zijn geweest bij
het asielzoekerscentrum vrijwilligerswerk in de crèche te
verrichten als men bij zijn tewerkstelling van zijn geaardheid op
de hoogte was geweest. Gezien het voorgaande is de toestemming om
met behoud van een uitkering in de kinderopvang vrijwilligerswerk
te verrichten niet meer te beschouwen als passend in het door
verweerder gevoerde uitstroombeleid. Verweerder stelt van de door
derden over eiser verstrekte persoonlijke gegevens gebruik te
mogen maken nu dit gebruik in overeenstemming is met de
desbetreffende privacyregelgeving. Verweerder voegt aan
vorenstaande nog toe op geen enkele wijze, noch direct, noch
indirect, betrokken te willen zijn dan wel op geen enkele wijze er
mede voor verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor mogelijk
grensoverschrijdend gedrag door eiser dat in het kader van het
uitstroombeleid zou kunnen plaatsvinden. Vanwege de gevolgen van
het bestreden besluit voor eiser heeft verweerder eiser
aangeboden hem bij voorrang te bemiddelen bij het zoeken naar
betaalde arbeid dan wel hem behulpzaam te zijn bij het vinden van
vrijwilligerswerk.
Beoordeling van het bestreden besluit
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit
van verweerder de aan eiser verleende toestemming om met behoud
van zijn bijstandsuitkering in de crèche van het
asielzoekerscentrum vrijwilligerswerk te mogen verrichten in te
trekken, de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank merkt
in dat kader nog op dat het bestreden besluit slechts marginaal
kan worden getoetst. De rechtbank kan het bestreden besluit
derhalve uitsluitend vernietigen indien zou moeten worden
geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot dit besluit
heeft kunnen komen of anderszins in strijd heeft gehandeld met
enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) dient een
bijstandsgerechtigde zich in te spannen om door middel van het
vinden van werk in zijn eigen levensonderhoud te gaan voorzien.
Derhalve rust in beginsel op iedere bijstandsgerechtigde de
verplichting betaald werk te zoeken. Voor zover het verkrijgen van
betaalde arbeid daardoor bevorderd kan worden, kan toestemming
worden verleend om met behoud van een bijstandsuitkering
vrijwilligerswerk te verrichten.
De rechtbank stelt dan ook voorop dat het bij dit beroep
uitsluitend gaat om de vraag of in het kader van de Abw
het
verrichten van vrijwilligerswerk door eiser in genoemd
asielzoekerscentrum dienstbaar is aan het in deze werksoort
verkrijgen van betaalde arbeid.
Het al dan niet na het verkrijgen van toestemming als vrijwilliger
met behoud van een bijstandsuitkering tewerkstellen van een
uitkeringsgerechtigde is, zo meent de rechtbank, geen
verantwoordelijkheid van de bijstandsverstrekkende instantie, doch
van de instantie die de vrijwilliger feitelijk in de gelegenheid
stelt het vrijwilligerswerk te verrichten. Zo is het de
verantwoordelijkheid van het asielzoekerscentrum eiser na
bekendwording van zijn pedofiele geaardheid niet langer de
mogelijkheid te bieden betrokken te zijn bij de kinderopvang. Bij
het intrekken van de toestemming vrijwilligerswerk in de crèche
te mogen verrichten met behoud van de uitkering dient verweerder
in het perspectief van het gemeentelijk uitstroombeleid de
onderscheiden belangen tegen elkaar af te wegen. Het betreft
hier een afweging van sterk uiteenlopende belangen.
Enerzijds gaat het om de eigenheid van de persoon van eiser en
derhalve zijn privacy. Naar het oordeel van de rechtbank
mag er
niet als een vanzelfsprekendheid van worden uitgegaan dat een
persoon met een geaardheid zoals eiser die heeft, werkend met
kinderen, tot grensoverschrijdend gedrag zal overgaan. Ook voor
wat betreft eiser is er geen enkele aanleiding te veronderstellen
dat hij zich ten opzichte van de kinderen zal misdragen.
Anderzijds dient er rekening mee te worden gehouden dat ouders en
andere verzorgers in het volste vertrouwen hun kinderen bij de
medewerkers van een crèche moeten kunnen achterlaten. Het is een
realiteit dat dit vertrouwen afneemt indien ouders of andere
verzorgers weten dat één van de medewerkers pedofiele gevoelens
heeft.
Daaraan doet niet af dat eiser zich jegens kinderen nooit heeft
misdragen. De ouders en de overige verzorgers kennen eiser immers
oppervlakkig en weten niet hoe hij met kinderen zal omgaan. Ook al
behoeft dat niet terecht te zijn, zij blijven toch met de kans
rekening houden dat ingeval kinderopvang mede plaatsvindt door
een medewerker die pedofiele gevoelens heeft grensoverschrijdend
gedrag zal kunnen plaatsvinden en zullen hun kinderen daarom niet
aan die opvang toevertrouwen. Dat geldt voor het vrijwilligerswerk
bij het asielzoekerscentrum en dat zal evenzo gelden voor elke
andere werkomgeving waar eiser in de toekomst met kinderen zou
willen werken. De rechtbank gaat er daarbij
van uit dat de kans
groot is dat eisers geaardheid aan het licht zal komen wanneer hij
elders in dit soort werk aan de slag zou proberen te komen,
bijvoorbeeld bij het vragen van referenties.
Verweerder mag er naar het oordeel van de rechtbank
dan ook van uitgaan dat het voor eiser niet of nauwelijks mogelijk zal zijn,
gezien zijn geaardheid, één of andere vorm van werk in de
kinderopvang te krijgen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op
het standpunt kunnen stellen dat dit type van vrijwilligerswerk in
eisers geval niet een eerste stap kan zijn naar betaald werk.
Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de grond aan het verlenen van toestemming aan eiser met behoud van een uitkering
vrijwilligerswerk in de kinderopvang te verrichten, komen te
ontvallen.
Nu eiser jegens verweerder heeft erkend pedofiel te zijn, zal de rechtbank
de vraag of verweerder al dan niet van de door derden
verstrekte gegevens met betrekking tot de geaardheid van eiser
gebruik heeft mogen maken in het midden laten.
Na waardering van de hiervoor genoemde belangen alsmede de
afweging van die belangen heeft verweerder naar het oordeel van de
rechtbank
in redelijkheid tot het besluit kunnen komen de
toestemming om met behoud van een Abw-uitkering vrijwilligerswerk
te mogen verrichten in de crèche van het asielzoekerscentrum te
Zwolle in te trekken.
Vorenstaande leidt naar het oordeel van de rechtbank
tot de
slotsom dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mr. W. Miltenburg en in het openbaar uitgesproken op
10 maart 2000, in tegenwoordigheid van M. van Raalte als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld
binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak
door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden
aan de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA5390 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Utrecht |
| Zaaknummer: |
99/57
Abw |
| Datum
uitspraak: |
20
januari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt. 9, 11 en 39 Abw
(= 13, 16
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; vaste woonlasten tijdens detentie; gedetineerde;
schulden; zeer dringende redenen |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor vaste woonlasten tijdens
(kortdurende) detentie, omdat de detentie ruim tevoren bekend
was, zodat betrokkene, ondanks aflossingen op schulden, had
kunnen reserveren. Er is geen sprake van zeer dringende redenen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Utrecht 99/57
Abw
U I T S P R
A A K
in het geding
tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amersfoort,
verweerder.
1. Verloop van de procedure
Bij besluit van 30 november 1998 heeft verweerder eisers bezwaar
tegen het besluit van 2 juni 1998, waarbij eisers aanvraag om
bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) voor
de door hem gedurende een periode van detentie te betalen vaste
woonlasten van zijn woning aan de [...]straat [...] te
[woonplaats] is afgewezen, ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit is namens eiser op 7 januari 1999 beroep bij
deze rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft op 17 maart 1999 de op de zaak betrekking
hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Op 17 mei 1999
zijn de gronden van het beroep ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 december 1999, waar
eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Kiela,
advocaat te Amersfoort. Verweerder is verschenen bij gemachtigde
mr. Y. de Froe, werkzaam bij verweerders
gemeente.
2. Overwegingen
In dit geding heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of
verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden
zijn besluit van 2 juni 1998 heeft gehandhaafd.
Bij haar oordeelsvorming gaat de rechtbank
uit van de volgende
feiten.
Eiser ontvangt sinds 11 september 1991 een bijstandsuitkering in verweerders
gemeente. Op 18 april 1996, 15 november 1996 en 2
april 1997 is eiser veroordeeld tot respectievelijk 28, 27 en 28
dagen detentie. Op 6 mei 1998 heeft eiser een aanvraag om
bijzondere bijstand ingediend voor de vaste woonlasten van zijn
woning aan de […]straat […] te [woonplaats] gedurende de - op
dat moment door hem nog te ondergane - detentie. Bij het primaire
besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Eiser heeft
tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Van 8 juni 1998 tot en met 21
oktober 1998 is eiser, met enige tussenpozen, gedetineerd geweest.
Op 22 oktober 1998 is eiser omtrent zijn bezwaar gehoord, waarna
verweerder het bestreden besluit heeft genomen.
Verweerder is van mening dat de detentie van eiser aan
bijstandverlening in de weg staat en dat geen zeer dringende
redenen aanwezig zijn op grond waarvan niettemin bijstand zou
moeten worden verleend.
Namens eiser is gesteld dat wel sprake is van dringende redenen
die nopen tot bijstandverlening. Aangevoerd is dat eiser niet kon
reserveren omdat hij schulden had en in een onvoorziene financiële
noodsituatie verkeerde. Eiser acht het van groot belang om zijn
woning na detentie weer te kunnen betrekken.
De rechtbank
overweegt het volgende.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw
bepaalt dat
geen recht op bijstand heeft degene aan wie rechtens zijn vrijheid
is ontnomen.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de
Abw
kunnen burgemeester
en wethouders, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van
paragraaf 1 [van hoofdstuk II, red.] bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op
bijstand heeft indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
De rechtbank
is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen
zeer dringende redenen als bedoeld artikel 11 van de
Abw
aanwezig
zijn. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit
artikel kan uitsluitend vanwege het feit dat het de belanghebbende
ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te
voorzien nog niet worden gesproken van zeer dringende redenen
zoals bedoeld in artikel 11. Van zeer dringende redenen is in het
algemeen slechts sprake bij een acute noodsituatie. De behoeftige
omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, moeten dan op geen
enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van
bijstand onvermijdelijk is. Een dergelijke acute noodsituatie doet
zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor. De
rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser reeds geruime
tijd, vanaf 18 april 1996, wist dat hem een periode van detentie
te wachten stond. Dit betekent dat de detentie geruime tijd
voorzienbaar was. De omstandigheid dat eiser langdurig geen enkele
reserveringscapaciteit had, levert - zo die situatie zich al heeft
voorgedaan - gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de
geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11
is overwogen
geen zeer dringende redenen op om tot bijstandverlening over te
gaan. Ook overigens ziet de rechtbank geen feiten of
omstandigheden die moeten leiden tot toepassing van artikel 11 van
de Abw.
Verweerder heeft zijn besluit van 2 juni 1998 dan ook terecht en
op goede gronden gehandhaafd.
De namens eiser ingediende bezwaren kunnen derhalve niet leiden
tot vernietiging van het bestreden besluit.
Aangezien ook overigens geen reden bestaat om te oordelen dat het
bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt het beroep voor
ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet
de rechtbank
geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te
veroordelen.
De rechtbank
beslist als volgt.
3.
Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Utrecht,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de
enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari
2000.
De griffier, M.J. Schutjes,
De rechter, J.G.Th. Engelberts,
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van
bekendmaking hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|