| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA5397 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
99/1380 |
| Datum
uitspraak: |
8
februari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39
en 40
Abw (= 35
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; meerkosten bewindvoering; kosten fysiotherapie;
draagkracht |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor meerkosten van bewindvoering,
omdat de juiste, in jurisprudentie geaccepteerde,
berekeningswijze van bewindvoeringskosten is gevolgd. Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van fysiotherapie
vanwege in aanmerking te nemen draagkracht. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem 99/1380
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 22 juni 1999.
2. Feiten en procesverloop
Eiser heeft in het kader van de Algemene bijstandswet
(Abw) op 19
oktober 1998 bij verweerder een aanvraag ingediend om bijzondere
bijstand voor de kosten van bewindvoering.
Bij besluit van 8 januari 1999 heeft verweerder de aanvraag van
eiser om bijzondere bijstand in de kosten van bewindvoering
afgewezen op grond van artikel 40 van de
Abw, omdat eisers
draagkracht groter is dan de noodzakelijke kosten.
Namens eiser is op 28 januari 1999 tegen dat besluit bezwaar
gemaakt.
Het bezwaar is behandeld op 12 april 1999 door de commissie voor
bezwaar- en beroepschriften. Eiser is bij de behandeling
verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 12 april 1999
advies aan verweerder uitgebracht.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 22 juni 1999 heeft
verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van
het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van
voormelde commissie.
Namens eiser heeft [bewindvoerder] te [...], bewindvoerder van
eiser, op 8 juli 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 30 augustus 1999 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van
28 januari 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door
[bewindvoerder], en waar verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door mevrouw E.J. van Hal, werkzaam bij
verweerders gemeente.
3. Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,
waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 8 januari
1999 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan
doorstaan.
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat bij
de berekening van de draagkracht niet van andere of hogere kosten
is gebleken dan die waarmee door verweerder reeds rekening is
gehouden. Evenmin is gebleken van hogere bewindvoerderskosten dan
in het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald is.
Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het
standpunt dat de vergoeding die staat voor de kosten van de
bewindvoering ontoereikend is en dat de fysiotherapie die hij
krijgt medisch noodzakelijk is om te kunnen functioneren in zijn
beroep en om de pijn te verzachten.
De rechtbank
overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de
Abw heeft - onverminderd
hoofdstuk II van de Abw - de alleenstaande
(...) recht op
bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over middelen om
te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en
3 van
hoofdstuk IV.
Niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering in het
individuele geval van eiser behoren tot de bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor in beginsel bijstand
kan worden verleend.
Partijen verschillen wel van mening met betrekking tot de hoogte
van de kosten van de bewindvoering en over de berekening van de
draagkracht.
In de eerste plaats dient derhalve de vraag te worden beantwoord
of verweerder er terecht van uitgegaan is dat de noodzakelijke
kosten van bewindvoering voor eiser ƒ1353,20 bedragen.
Op grond van artikel 1:447, eerste lid, van het BW heeft een
bewindvoerder recht op een beloning van 5 procent van de
netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen. Op grond van
bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter ambtshalve of op
verzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders
regelen dan bij de instelling van het bewind of door de wet is
aangegeven.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de kantonrechter
bij de beschikking onderbewindstelling d.d. 4
september 1998 geen bedrag heeft genoemd met betrekking tot de
bewindvoerderskosten, deze kosten worden gelimiteerd door het
wettelijk bepaalde tarief, namelijk 5 procent van het
netto-inkomen met een maximum van ƒ932,32 en een forfaitaire
onkostenvergoeding van ƒ420,88, zodat eiser in beginsel in
aanmerking kan komen voor ƒ1353,20 bijzondere bijstand op
jaarbasis.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding
ontoereikend is en stelt dat tijdens (de behandeling van) de
aanvraag is afgesproken de kosten te verhogen tot een evenredig
bedrag.
Eiser heeft in de stukken en tijdens het verhandelde ter zitting
onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat aan hem namens
verweerder een rechtens afdwingbare toezegging is gedaan omtrent
de hoogte van het bedrag aan bewindvoerderskosten waarmee
verweerder rekening zou houden of omtrent een hoger bedrag dan
waarvan verweerder thans uitgaat, zodat dit onderdeel van het
beroep faalt.
In zijn arrest van 15 januari 1988, NJ 1988, 888, heeft de Hoge
Raad bevestigd dat een wanverhouding tussen de uit de toepassing
van de 5%-regeling van artikel 447, eerste lid, van Boek 1 van het
BW resulterende beloning en de door de bewindvoerder verrichte
werkzaamheden kan gelden als een bijzondere omstandigheid in de
zin van het tweede lid van dit artikel, zodat de beloning door de
rechter anders kan worden geregeld. De Hoge Raad heeft daarbij in
stand gelaten het oordeel van de rechtbank
dat het loon van de
bewindvoerder dient te worden bepaald op 5% van de netto-inkomsten
met een - geïndexeerd - plafond ter hoogte van (destijds) ƒ750,-
en een redelijke onkostenvergoeding van - eveneens geïndexeerd -
(destijds) ƒ250,-.
De rechtbank
overweegt dat blijkens de beschikking
onderbewindstelling van 4 september 1998 bij de instelling van het
bewind over de goederen van eiser niets is aangegeven met
betrekking tot de beloning voor de bewindvoerder.
Gelet hierop is verweerder bij de berekening van de hoogte van de
kosten van het bewind terecht uitgegaan van de in de
jurisprudentie geaccepteerde berekeningswijze.
Het beroep kan in zoverre dan ook niet slagen.
Vervolgens heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat zijn
draagkracht nihil is tengevolge van door hem noodzakelijk te
maken extra kosten voor fysiotherapie en daarmee verband houdende
reiskosten.
Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank
als volgt.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de
Abw nemen burgemeester en
wethouders bij de vaststelling van de draagkracht geheel of
gedeeltelijk in beschouwing:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en
3 van
hoofdstuk IV van de Abw.
Blijkens hoofdstuk 12, onder d, van verweerders Hoofdlijnen inzake
bijzonder bijstandsbeleid en schuldhulpverlening, zoals
vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 1996, wordt bij de
vaststelling van de draagkracht rekening gehouden met de volgende
draagkracht verlagende kosten: werkelijk te betalen huur minus de
woonkostencomponent, verwervingskosten en te betalen alimentatie
c.q. onderhoudsbijdrage.
Bij de berekening van de hoogte van eisers draagkracht is
verweerder derhalve niet verplicht rekening te houden met de door
eiser aangevoerde kosten verband houdende met fysiotherapie.
De rechtbank
is uit de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting niet gebleken dat verweerder bij de berekening van de
hoogte van eisers draagkracht in onvoldoende mate rekening heeft
gehouden met het dienaangaand bepaalde in de wet en de genoemde
hoofdlijnen.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank
van oordeel dat de
stellingen van eiser tegen de bestreden besluiten geen doel
treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet
gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden
besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te
worden verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank
geen termen aanwezig
toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb. Het hiervoor
overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het
openbaar uitgesproken op 8 februari 2000, in tegenwoordigheid van
B.M.M. Kerkhoven als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24
juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending
hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA5419 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
00/187
NABW VV SEE |
| Datum
uitspraak: |
3
maart 2000 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7 Abw (= 11 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
gelijkstelling met Nederlander |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de
Abw c.a. dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Maastricht 00/187
NABW VV SEE
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, verweerder.
Toepassing van artikel 8:81 van de Awb
wordt verzocht ten aanzien
van het besluit van verweerder van 3 februari 2000, kenmerk
41617800.
Datum van zitting: 29 februari 2000.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft
verweerder besloten verzoekers aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) af te wijzen.
Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 14
februari 2000 een bezwaarschrift op grond van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft
verzoeker zich gewend tot de president van de rechtbank met het
verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel
8:81 van de Awb.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de
Awb
ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers gemachtigde
gezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 februari 2000, waar
namens verzoeker is verschenen mr. H. Klein Hesselink, advocaat te
Terneuzen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. M. Overhof
en dhr. L.G.M. Olislagers, beiden werkzaam bij de gemeente
Maastricht.
II. Overwegingen
In artikel 8:81 van de Awb
is bepaald dat indien tegen een
besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank,
bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan
worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,
dat vereist.
Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde
criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de
hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een
voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.
De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81
van de Awb
geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu
verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter
zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank
te Maastricht bevoegd moet worden geacht om van de
(eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.
Omtrent de geformuleerde voorwaarden van de vereiste onverwijlde
spoed oordeelt de president dat gelet op hetgeen van de kant van
verzoeker omtrent zijn financiële positie is uiteengezet
voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker thans in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien. Aangezien deze vaststelling nog niet zonder meer
betekent dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen,
zal vervolgens een voorlopig oordeel worden gegeven over de
rechtmatigheid van verweerders besluit. Leidt dit voorlopig
oordeel in onderhavig geval tot een negatief resultaat, dan is er
sprake van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een
voorziening.
Dienaangaande is overwogen als volgt.
Verzoeker heeft, zo is gebleken, in het verleden een
bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente X. Op 8 december 1999
heeft verzoeker, na in detentie te hebben verbleven, een aanvraag
om een bijstandsuitkering ingediend bij verweerder.
Aan verzoeker, van Ethiopische nationaliteit, is op 28 augustus
1992 een vergunning tot verblijf (VTV) verleend, met ingangsdatum
27 mei 1991.
De geldigheidsduur van de vergunning is jaarlijks verlengd,
laatstelijk tot 27 mei 1999.
Op 9 september 1999 heeft verzoeker bij de Korpschef van de
politieregio Limburg-zuid een aanvraag ingediend om verlenging van
de geldigheidsduur van de aan hem verleende VTV.
Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie
d.d. 28 januari
2000 is besloten de aanvraag niet in te willigen.
Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 14 februari
2000 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 3 februari 2000, verzonden op 7 februari 2000,
heeft verweerder besloten verzoekers aanvraag om een
bijstandsuitkering af te wijzen.
Daartoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker geen recht heeft
op een uitkering ingevolge de Abw, omdat is gebleken dat hij pas
op 9 september 1999 - dat wil zeggen na het verstrijken van de
geldigheidsdatum van zijn vorige verblijfsdocument en dus niet
tijdig - een verzoek tot verlenging van het betreffende
verblijfsdocument heeft ingediend.
Namens verzoeker is aangevoerd - kort samengevat - dat:
- de aanvraag (om voortgezet verblijf) verschoonbaar niet op tijd
is ingediend;
- op grond van de parlementaire geschiedenis (van met name het Besluit
gelijkstelling [zie Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik, red.]) recht op uitkering bestaat;
- de weigering van bijstand gezien het advies van de ACV
(Adviescommissie voor vreemdelingenzaken) d.d. 28 december 1999 en
de aangekondigde beleidswijziging van de Staatssecretaris niet
houdbaar is;
- de weigering van bijstand in strijd met artikel 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
is.
De president dient een voorlopig oordeel te geven over de vraag of
verweerder terecht de bijstandsaanvraag van verzoeker heeft
afgewezen, omdat hij niet tijdig om voortgezette toelating heeft
verzocht als bedoeld in artikel 7, derde lid,
onderdeel
b, van de Abw.
Dienaangaande is overwogen als volgt.
Artikel 7 van de Abw
luidt als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen
beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing
van deze wet met een Nederlander gelijk
worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de
vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf
heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating,
totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw
en Ioaz (hierna: het besluit) luidt als volgt:
-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met
een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in
Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating;
of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of
33c van de Vreemdelingenwet, of, buiten die termijn, ingeval
artikel 6:11 van de
Algemene wet bestuursrecht
toepassing heeft
gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen
intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b,
aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is
beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
Artikel 1b van de Vreemdelingenwet (Vw) luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
-1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van
toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf
houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
-2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
-3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
-4. binnen de termijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits
voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
-5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan, vastgesteld bij
beschikking ingevolge deze wet.
Vaststaat dat verzoekers vergunning tot verblijf (VTV) geldig was
tot en met 27 mei 1999 en dat verzoeker eerst op 9 september 1999
een aanvraag heeft ingediend om verlening van de geldigheidsduur
van de aan hem verleende VTV.
Gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onderdeel
a, van het het besluit moet onder "tijdig" als bedoeld in artikel
7:3, onderdeel b, van de Awb
worden verstaan: vóór de beëindiging van het
verblijf.
Bij zijn Circulaire van 27 oktober 1998 heeft de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe [SZW, red.]) het bovenstaande als
volgt genuanceerd:
"Het Besluit gelijkstelling (...) regelt dat
slechts bijstand kan worden verleend indien een vreemdeling vóór
het expireren van de vorige verblijfsvergunning een
verlengingsaanvraag bij Justitie heeft ingediend.
Bedoelde regeling was afgestemd op een per 1 juli 1998
ingegane wijziging van de wijze van uitvoering van de
Vreemdelingenwet, die inhield dat te laat ingediende aanvragen van
voortgezet verblijf voor de toepassing van de Vreemdelingenwet in
het vervolg worden beschouwd als aanvragen om eerste toelating.
Een redelijke uitleg van het Besluit gelijkstelling
(...) brengt naar mijn oordeel met zich mee dat in een dergelijk
overgangsgeval, waarin de vreemdeling vóór 1 juli 1998 en binnen
zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerdere
verblijfsvergunning voortgezet verblijf heeft aangevraagd, dit
besluit toepassing vindt. In een dergelijk geval kan derhalve zo
nodig een uitkering worden verleend krachtens de Abw, de
Ioaw of
de Ioaz."
Aldus heeft de Staatssecretaris van SoZaWe voor wat de aanspraken
[betreft, red.] van vreemdelingen die op 1 juli 1998 in procedure waren over
voortgezette toelating aansluiting gezocht bij de vóór 1 juli
1998 krachtens de toenmalige Vreemdelingencirculaire gevoerde
praktijk, waarbij een binnen zes maanden na het verstrijken van de
geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning ingediende
aanvraag geacht wordt nog tijdig te zijn ingediend.
Ten aanzien van op of na 1 juli 1998 ingediende aanvragen om
voortgezet verblijf zijn de beleidsregels ter uitvoering van de
Vreemdelingenwet aangescherpt. Sinds 1 juli 1998 worden alle niet
vóór het einde van de toelating ingediende verzoeken om
voortgezette toelating in beginsel (behoudens verschoonbaarheid)
aangemerkt als een verzoek om eerste toelating. Met ingang van 11
december 1998 wordt in dergelijke gevallen bovendien het wettelijk
MVV-vereiste (het vereiste dat ziet op het in het land van
herkomst aanvragen van een machtiging tot voorlopig verblijf)
tegengeworpen, tenzij het te laat aanvragen van voortgezette
toelating verschoonbaar is, dan wel het een vreemdeling betreft
die in aanmerking komt voor een vrijstelling of voor de toepassing
van de hardheidsclausule.
Bij brief van 31 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van
Justitie echter mede naar aanleiding van een door de ACV
[Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, red.] op 28
december 1999 uitgebracht "Algemeen advies inzake het
MVV-vereiste met betrekking tot verzoeken om voortgezette
toelating" aan de Tweede Kamer meegedeeld te hebben gekozen
voor een algehele vrijstelling van het wettelijk MVV-vereiste bij
voortgezet verblijf, ongeacht de termijn waarbinnen het
verlengingsverzoek is ingediend. De Staatssecretaris schrijft
voorts voornemens te zijn beleidsmatig reeds vooruit te lopen op
de voorgestelde wijziging van artikel 52a van het
Vreemdelingenbesluit.
Het voorgaande betekent dat de Staatssecretaris
met ingang van 1
februari 2000 "te laat" ingediende aanvragen om
voortgezette toelating zal toetsen aan de criteria voor voortgezet
verblijf in plaats van aan de criteria voor eerste toelating,
waarbij de vreemdeling dient te beschikken over een MVV.
De president is voorshands van oordeel dat voormelde
beleidswijziging van de Staatssecretaris, gelet op de door de
Koppelingswet gerealiseerde nauwe samenhang tussen
Vreemdelingenwet en de voor vreemdelingen relevante bepalingen in
de Abw, gevolgen dient te hebben voor de uitleg van
het besluit.
De ratio voor het stoppen c.q. niet verlenen van bijstand die is
gelegen in het feit dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten
teneinde in het land van herkomst een MVV aan te vragen, is immers
tengevolge van de beleidswijziging van de Staatssecretaris komen
te vervallen.
Dit betekent dat de president voorshands van oordeel is dat het besluit zo zou moeten worden uitgelegd dat ook een vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van
artikel 1b, eerste lid, van de Vw (zoals verzoeker) en die een -
te late - aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating voor de
toepassing van de Abw, in beginsel met een Nederlander
gelijkgesteld dient te worden.
Op grond van voorgaande overwegingen is de president voorshands
van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat
verzoeker op grond van het bepaalde in artikel
7, derde lid,
aanhef en onder b, van de Abw
geen recht heeft op bijstand.
De president schorst dan ook verweerders besluit van 3 februari
2000 tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.
Voorts wijst de president het verzoek om voorlopige voorziening
toe en draagt verweerder op verzoeker onverwijld voorschotten te
verlenen op een mogelijk toe te kennen uitkering ingevolge de Abw
naar de voor verzoeker van toepassing zijnde norm tot zes weken
nadat op het bezwaar zal zijn beslist.
De president heeft hierbij overwogen dat verzoeker verweerder
weliswaar nog geen postcontract voor Mariastraat 13 (het adres van
't Koffiehonk van het Leger des Heils) heeft verstrekt, maar dat
de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft toegezegd dit op
zeer korte termijn te zullen regelen.
De president acht het voorshands aannemelijk dat verzoeker op
korte termijn in staat zal zijn voornoemd postcontract aan
verweerder te verstrekken en zo deze formele belemmering voor het
verstreken van uitkering weg te nemen.
Voorts acht de president termen aanwezig om verweerder met
toepassing van de artikelen 8:75 en
8:84, vierde lid, van de Awb
te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de
behandeling van dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het
bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in
artikel 2, eerste
lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
De president kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 2 punten met elk een waarde van ƒ710,- toe
voor de indiening van het verzoekschrift en de verschijning ter
zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de
inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 2 x ƒ710,- x 1 =
ƒ1420,-.
Nu aan verzoeker ter zake van dit verzoek een toevoeging is
verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag
van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb
te
worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:75, 8:82 en 8:84 van
de Awb
wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De president van de arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en
schorst het besluit van 3 februari 2000 tot zes weken nadat op het
bezwaar is beslist;
2. bepaalt dat aan verzoeker onverwijld voorschotten
worden verstrekt in het kader van de Abw
tot zes weken na de
beslissing op bezwaar;
3. bepaalt dat aan verzoeker het door hem betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- wordt vergoed door de
gemeente
Maastricht;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van deze
procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op
ƒ1420,-,
zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente
Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te
Maastricht.
Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. E.W.
Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart
2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde
griffier.
w.g. E. Seylhouwer
w.g. R.E. Bakker
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA5668 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
AWB
98/7158 |
| Datum
uitspraak: |
21
maart 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
30, 58, 59, 61d, 70 ABW /
65, 81 en 82
Abw
(= 17, 58
en 58 Wwb)
/ 3:2
en 7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen; vermogen achteraf; inkomsten achteraf; terugvordering;
inlichtingenverplichting;
verjaring; vervallen recht; niet in werking getreden recht;
ondeugdelijke motivering |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand, omdat de vordering van rechtswege
is verjaard (na vijf jaren), onderscheidenlijk is gebaseerd op
vervallen recht, onderscheidenlijk is gebaseerd op niet in
werking getreden recht. Voor zover de terugvordering terecht is,
berust het besluit op een ondeugdelijke motivering en dient het
opnieuw te worden genomen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle AWB
98/7158
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. H. Tadema, advocaat te Deventer,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Holten [zie gemeente
Rijssen-Holten, red.],
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 12 november 1998.
2. Zitting
Datum: 15 februari 2000. Eiseres is verschenen, bijgestaan door
mr. H. Tadema voornoemd. Verweerder heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. C.C.H. Wiekeraad, advocaat te Zwolle, en
C.W. Groothengel, chef afdeling Sociale Zaken van de gemeente
Holten.
3. De feiten en het verloop van de procedure
Bij inschrijving op 13 augustus 1984 van het op [...] 1984
uitgesproken echtscheidingsvonnis in de de daartoe bestemde
registers is het huwelijk van eiseres met [ex-echtgenoot]
ontbonden.
Op 17 mei 1989 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend
om in aanmerking te komen voor een uitkering krachtens de Algemene
Bijstandswet (ABW) (oud). Bij besluit van 27 juni 1989, verzonden 5
juli 1989, is aan eiseres bijstand toegekend met ingang van 4
april 1989 naar de norm geldende voor een 23-jarige of oudere
alleenstaande onder toepassing van artikel 59, eerste en tweede
lid, van de ABW (oud).
Met ingang van 1 januari 1990 is de ABW-uitkering van eiseres
aangepast bij besluit van 19 december 1989, verzonden 22 december
1989, in die zin dat de uitkering van eiseres met ƒ13,- is
verlaagd in verband met verplichte verzekering.
Bij besluit van 12 september 1991 is de ABW-uitkering van eiseres
met ingang van 1 oktober 1991 beëindigd. Per deze datum ontving
eiseres een uitkering krachtens de Rijksgroepregeling werkloze
werknemers (Rww), op welke uitkering op 22 december 1992 met
ingang van 1 januari 1993 een korting is toegepast van 6% wegens
onvoldoende sollicitatieactiviteiten van de zijde van eiseres. In
het kader van de gevoerde procedure tegen deze sanctie heeft de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de daarin
gedane uitspraak van de bestuurscommissie beroepszaken sociale
zekerheid van de provincie Overijssel van 12 november 1993
vernietigd, doch de gevolgen van de uitspraak in stand gelaten bij
zijn uitspraak van 14 oktober 1994.
Bij besluit van 18 april 1994, verzonden 22 april 1994, is de Rww-uitkering met ingang van 1 mei 1994 beëindigd, aangezien
eiseres niet reëel beschikbaar zou zijn voor de arbeidsmarkt. Bij
afzonderlijk besluit van 18 april 1994 is aan eiseres met ingang
van 1 mei 1994 een ABW-uitkering toegekend naar de norm van een
alleenstaande ouder.
Bij brief van 25 april 1994 is van de zijde van verweerder aan
eiseres meegedeeld dat formeel aan de kantonrechter een
verzoekschrift tot terugvordering zou worden ingediend over de
achterliggende periode in verband met stuiting van de verjaringstermijn.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 25 augustus 1994 het
vorenbedoeld verzoek afgewezen aangezien de rechtsvordering tot
verhaal niet langer van rechtswege zou vervallen, zodat naar het
oordeel van de kantonrechter geen aanleiding bestond voor een
stuitingshandeling.
Bij besluit van 4 april 1996, verzonden 14 september 1996, is met
ingang van 1 oktober 1996 de uitkering van eiseres herzien in
verband met de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet.
Bij besluit van 17 december 1997 is aan eiseres bijzondere bestand
ad ƒ35,90 verstrekt voor een identiteitsbewijs.
Op 23 december 1997 heeft de Dienst SWOW Almelo opdracht gekregen
tot onderzoek, omdat het ernstige vermoeden bij verweerder was
ontstaan dat eiseres misbruik maakte van haar recht op uitkering,
met name gelet op het vermeende bezit van een vakantiehuisje te
Ameland. Voornoemde dienst heeft op 13 mei 1998 een rapport
opgesteld. Op 3 juni 1998 is eiseres in het kader van het
onderzoek gehoord.
Bij beschikking van 26 mei 1998 van het gerechtshof te Arnhem is
tussen partijen de boedelscheiding uitgesproken, één en ander
zoals in de beschikking vermeld.
Bij besluit van 4 juni 1998, verzonden 11 juni 1998, is de
uitkering van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 4 april 1989
beëindigd en is verweerder tot terugvordering overgegaan, met
dien verstande dat kosten van bijstand gemaakt in de periode van 1
oktober 1991 tot 1 februari 1993 niet zijn teruggevorderd,
aangezien per abuis het bepaalde in artikel 59 ABW (oud) niet is
overgenomen in de toekenning van de Rww-uitkering aan eiseres van
12 september 1991.
Bij brief van 14 juni 1998 heeft eiseres zelf tegen dit besluit
bezwaar aangetekend. Bij brief van 10 juli 1998 is door haar
gemachtigde tevens bezwaar aangetekend op gronden vermeld bij
schrijven van 28 augustus 1998.
Eiseres en haar gemachtigde hebben het bezwaar toegelicht op een
op 29 september 1998 gehouden hoorzitting bij verweerder.
Nadat bij brief van 6 oktober 1998 de beslissing op bezwaar was
verdaagd, heeft verweerder bij besluit van 3 november 1998 het
bezwaar ongegrond verklaard.
Namens eiseres heeft haar gemachtigde tegen dit besluit op 17
december 1998 beroep ingesteld op gronden vermeld bij schrijven
van 27 januari 1999.
Van de zijde van verweerder is een verweerschrift ontvangen.
4. Motivering
Standpunten verweerder
4.1. Blijkens het primaire besluit, gehandhaafd na bezwaar, is van
eiseres op grond van artikel 59 ABW (oud) een bedrag van ƒ49.317,00 teruggevorderd met betrekking tot de periode van 4 april
1989 tot 1 oktober 1991. Op grond van artikel 81 van de
Algemene bijstandswet
(Abw) is een bedrag van ƒ115.980,34 teruggevorderd
met betrekking tot de periode van 1 februari 1993 tot 1 februari
1998. Tevens is op basis van artikel 81 Abw
een bedrag van ƒ5228,71 teruggevorderd met betrekking tot de periode van 1
februari 1998 tot 1 mei 1998.
Aan vorenbedoelde terugvordering heeft verweerder primair ten
grondslag gelegd dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat eiseres
in de periode 4 april 1989 tot en met 30 april 1998 niet, althans
niet volledig heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht ex artikel
65, eerste lid, Abw. Eiseres zou namelijk (bij het intakegesprek)
niet hebben medegedeeld dat zij cultuurgronden bezat, die niet in
de boedelscheiding vielen, maar gezamenlijk eigendom waren van
eiseres, haar zus en moeder. Aldus zou eiseres verweerder de
mogelijkheid hebben ontnomen de bijstand niet te verlenen dan wel
te verlenen op basis van vestiging van een krediethypotheek.
Voorts zou eiseres onjuiste inlichtingen hebben verstrekt ter zake
door haar ontvangen pachtgelden. Ten slotte zou eiseres geen
opgave hebben gedaan van de aan haar zijde gevallen erfenis, na
het overlijden van haar vader op 30 juli 1995.
Subsidiair is aan de terugvordering ten grondslag gelegd dat is
gebleken dat eiseres over de periode waarin bijstand is verleend
over in aanmerking te nemen middelen beschikt in de zin van
artikel 82 Abw.
Ten aanzien van het toepasselijke recht stelt verweerder dat vóór
1 januari 1996 weliswaar artikel 30 ABW (oud) van toepassing is,
doch dat dit voor de beoordeling geen verschil maakt, aangezien
artikel 65 Abw gelijkluidend moet worden opgevat. Verweerder stelt
voorts dat de terugvordering niet is verjaard. Bij verweerschrift
heeft verweerder dit standpunt aldus toegelicht dat de
vervaltermijn bepaald in artikel 70 ABW (oud) gold vóór 1
augustus 1992. In de periode tussen 1 augustus 1992 en 1 januari
1996 gold naar stelling van verweerder het bepaalde in artikel 61d
ABW
(oud). De verjaringstermijn van vijf jaar is niet van
toepassing indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in
artikel 58 ABW (oud) en artikel 59 ABW (oud), terwijl bovendien de
verjaringstermijn gestuit is door indiening van het verzoekschrift
bij de kantonrechter op 21 juni 1994 met betrekking tot de periode
van 4 april 1989 tot 2 juni 1994. Op 21 juni 1994 is naar stelling
van verweerder dus een nieuwe verhaalstermijn gaan lopen.
Standpunten eiseres
4.2. Eiseres betwist dat zij haar inlichtingenplicht heeft
geschonden. Naar haar stelling was verweerder op de hoogte van de
cultuurgronden in Friesland en heeft zij steeds melding gemaakt
van door haar ontvangen pachtgelden. Eiseres wist voorts niet dat
zij het overlijden van haar vader diende te melden, terwijl zij
uit de gevallen erfenis bovendien geen vermogen heeft verkregen.
Ten aanzien van het toepasselijk recht stelt eiseres dat de gemeente
ten onrechte over de hele periode van terugvordering
artikel 65 Abw heeft toegepast, terwijl over de periode van 1
maart 1993 tot 1 mei 1998 ten onrechte artikel 81
Abw is
toegepast.
Eiseres stelt voorts dat de verhaalsvordering tot 1 augustus 1992
verjaard is. Bestreden wordt dat artikel 61d ABW (oud) van
toepassing is, aangezien dit artikel nimmer in werking is
getreden.
Ten slotte stelt eiseres dat verweerder gehandeld heeft in strijd
met artikel 7:5, eerste lid,
onderdeel b, Awb, welk artikel ziet op de
hoorplicht.
4.3. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit tot
terugvordering ziet op de navolgende perioden:
a. 4 april 1989 tot 1 oktober 1991; b. 1 februari 1993 tot 1
februari 1998; c. 1 februari 1998 tot 1 mei 1998.
4.4. a: periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991
4.4.1. In deze periode ontving eiseres bijstand op basis van
verweerders besluit van 27 juni 1989.
Nu het hier gaat om kosten gemaakt vóór 1 augustus 1992 zijn de
vóór die datum geldende materiële bepalingen van toepassing met
betrekking tot verhaal van deze kosten. Dit brengt mee dat het
meer procesrechtelijke artikel VIII, eerste lid, van het bij Wet
van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, bepaalde overgangsrecht, op
grond waarvan in de bevoegdheid van de gemeente
tot terugvordering
van kosten gemaakt vóór 1 augustus 1992 geen wijziging wordt
gebracht, thans niet relevant is.
Op de bijstand of het gedeelte daarvan die is verstrekt vóór 1
augustus 1992 is van toepassing de Wet van 13 juni 1963, Stb.
1963, 284.
Meer in het bijzonder zijn de artikelen 54a tot en met 71 van deze
wet van toepassing zoals opgenomen in hoofdstuk IV, paragraaf 3
(verhaal). Het begrip verhaal ziet in deze periode zowel op
verhaal op een derde als op een belanghebbende (dit laatste wordt
sinds de herinrichtingsoperatie van de ABW in 1996 met de term
"terugvordering" aangeduid).
Artikel 70 ABW (oud) bepaalt dat de rechtsvordering tot verhaal
vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten van bijstand zijn
gemaakt, zodat binnen deze termijn de vordering tot verhaal -
destijds door middel van de verzoekschriftenprocedure op grond van
artikel 63a ABW (oud) - aanhangig gemaakt diende te worden. De rechtbank
merkt hierbij op dat deze termijn naar de destijds
vigerende wetgeving en jurisprudentie al niet van toepassing was
op geldlening of bijstand verleend op grond van de artikelen 4 en
7a ABW (oud).
4.4.2. Verweerder heeft de bijstand verleend onder toepassing van
artikel 59 ABW (oud) zoals dit gold tot 1 augustus 1992. Op de
voet van dit artikel kunnen op eiseres worden verhaald:
(1) kosten van bijstand verleend over een bepaalde periode of met
een bepaalde bestemming tot het bedrag van de inkomsten welke hij
met betrekking tot die periode blijkt te genieten,
onderscheidenlijk tot het bedrag van de middelen welke met het oog
op die bestemming later door hem worden ontvangen;
(2) kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke
aanspraken bestaan op middelen waarover nog niet kan worden
beschikt tot een bedrag dat krachtens deze aanspraken later wordt
ontvangen, voor zover dit niet overeenkomstig artikel 7 buiten
beschouwing zou zijn gelaten indien het reeds bij de aanvang van
die periode ter beschikking van de betrokkene zou hebben gestaan.
4.4.3. De rechtbank constateert in de eerste plaats dat verweerder
weliswaar artikel 59 ABW (oud) aan de terugvordering van het
bedrag van ƒ49.317,- ten grondslag heeft gelegd, doch verzuimd
heeft te vermelden op grond van welk lid van dat artikel daartoe
is overgegaan.
De rechtbank stelt vast dat in het ten behoeve van de
bijstandverlening opgemaakt ambtelijk advies van 21 juni 1989
het tweede lid van artikel 59 ABW (oud) uitdrukkelijk is vermeld.
Voorts blijkt uit het besluit tot bijstandverlening dat
verweerder aan eiseres bijstand heeft verstrekt omdat eiseres
zonder middelen van bestaan kwam te zitten, één en ander in
verband met het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 4 april 1989
waarbij de ex-echtgenoot van eiseres werd ontheven van de
alimentatieverplichting. Verweerder heeft, blijkens hetzelfde
besluit, kennis genomen van de beslissing van eiseres hiertegen in
cassatie te gaan alsmede over te gaan tot het vorderen van
wettelijke indexering vanaf 1983. Ten slotte heeft verweerder
beslist dat de voorwaarde van boedelscheiding zou worden opgelegd.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank
af dat verweerder van mening
was dat voor eiseres aanspraken bestonden over deze periode in de
zin van artikel 59, tweede lid, ABW (oud). De rechtbank neemt dan
ook aan dat verweerder aan de terugvordering over voormelde
periode a primair artikel 59, tweede lid, ABW (oud) ten grondslag
heeft willen leggen.
4.4.4. De rechtbank komt dan thans toe aan de meest verstrekkende
vraag of terugvordering over voormelde periode a verjaard is.
Anders dan eiseres meent, kan bij terugvordering op grond van
artikel 59, tweede lid, ABW (oud) niet onverkort worden
vastgehouden aan het bepaalde in artikel 70 ABW (oud), zoals dit
gold tot 1 augustus 1992. De in dit laatste artikel genoemde
vervaltermijn van vijf jaar is naar het oordeel van de rechtbank
in een geval als het onderhavige namelijk niet van toepassing.
Immers, indien op het moment dat bijstand wordt verstrekt
aanspraken bestaan waarover niet kan worden beschikt en
rechtsgedingen noodzakelijk zijn om op grond van die aanspraken
alsnog over die middelen te kunnen beschikken, is het voor
verweerder volstrekt onvoorzienbaar op welk moment eiseres over
die middelen daadwerkelijk zou kunnen beschikken. Onverkorte
toepassing van bedoelde vervaltermijn maakt het verhaalsrecht van
verweerder illusoir als voor het effectueren van die bestaande
aanspraken een langere termijn dan vijf jaar (nadat de kosten van
bijstand zijn gemaakt) noodzakelijk zou blijken. Dit brengt naar
het oordeel van de rechtbank mee dat de termijn van vijf jaar éérst
aanvangt op het moment dat verweerder ervan op de hoogte is
geraakt, althans hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen
geraken, dat aan eiseres over de betrokken periode alsnog middelen
ter beschikking zijn komen te staan. Uit de gedingstukken leidt de
rechtbank af dat dit moment in het onderhavige geschil op zijn
vroegst gesteld kan worden op 26 mei 1998, zijnde de datum waarop
de boedelscheiding is uitgesproken. Aangezien het primaire besluit
op 12 juni 1998 aan eiseres is bekendgemaakt, leidt het voorgaande
tot de conclusie dat de vordering tot terugvordering op basis van
artikel 59, tweede lid, ABW (oud) niet is verjaard.
Dit brengt evenwel nog niet mee dat de terugvordering over
voormelde periode a op grond van artikel 59, tweede lid, ABW (oud)
zonder meer als juist kan worden aangemerkt. Verweerder is
blijkens het bestreden besluit (en overigens ook daarvoor)
eenzijdig ingegaan op de vermeende schending van de
inlichtingenplicht door eiseres. Daarbij heeft verweerder ook ter
zitting niet kunnen toelichten waarom artikel 82
Abw
in het
bestreden besluit is opgenomen.
Voor zover verweerder dit heeft gedaan omdat artikel 82, onderdeel
a, Abw
evenals artikel 59, tweede lid, ABW (oud) de mogelijkheid biedt
tot terugvordering wegens later ontvangen middelen, wijst de rechtbank
erop dat toepassing van dit artikel niet alleen
niet te rijmen valt met de inhoud van het besluit, maar ook dat
dit artikel pas op 1 januari 1996 in werking is getreden. Voor
zover verweerder het destijds geldende artikel 82 ABW (oud) voor
ogen heeft gestaan, wijst de rechtbank erop dat dit artikel
betrekking heeft op bijstand aan Nederlanders in het buitenland,
welke situatie zich in het geval van eiseres uiteraard niet
voordoet. Door de motivering bij het bestreden besluit enkel toe
te spitsen op de inlichtingenplicht heeft verweerder nagelaten te
beoordelen of aan de eisen van artikel 59, tweede lid, ABW (oud) is
voldaan en ontbeert het bestreden besluit in zoverre een
deugdelijke motivering. Hoewel derhalve van verjaring geen sprake
is, komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in
aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
4.4.5. Voor zover de terugvordering met betrekking tot de periode
vóór 1 augustus 1992 subsidiair is gegrond op schending van de
verplichting vermeld in artikel 65, eerste lid
Abw, heeft het navolgende te gelden.
Met eiseres is de rechtbank
van oordeel dat over voormelde periode a dit artikel ten onrechte van toepassing is verklaard. Indien
verweerder het thans geldende artikel voor ogen heeft, dan zij erop gewezen dat het huidige artikel (onder vervanging van het tot 1
januari 1996 geldende artikel 65, eerste lid,
Abw bij Wet van 25
april 1996, Stb. 1996, 248) pas sinds 1 juli 1997 geldt.
Uiteraard had verweerder derhalve artikel 30 ABW (oud) dienen toe
te passen, zoals dat vóór 1 augustus 1992 gold. Aan de
beoordeling op basis van dit artikel komt de rechtbank
echter niet
toe, aangezien de terugvordering op basis van schending van de
inlichtingenplicht met betrekking tot periode a wél verjaard is.
Anders dan verweerder namelijk meent, is artikel 61d, eerste lid, ABW
(oud) in deze periode reeds niet van toepassing omdat dit
artikel nog niet in werking was getreden. Artikel 70 ABW (oud) is
derhalve onverkort van toepassing, zodat hiermee de vordering tot
verhaal vijf jaar nadat de kosten zijn gemaakt niet mogelijk is.
Aangezien de kosten van bijstand in de onderhavige periode zijn
gemaakt van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991, terwijl het besluit
tot terugvordering dateert van 4 juni 1998 en bekend is gemaakt op
12 juni 1998, is de vordering verjaard. Dat verweerder de
vordering over deze periode heeft pogen te stuiten doet hieraan
niet af. Immers, artikel 70 ABW (oud) is een vervaltermijn van
rechtswege, die niet door enige handeling van partijen kan worden
gestuit.
4.5. b en c: periode van 1 februari 1993 tot 1 mei 1998
4.5.1. Aangezien verweerder aan de terugvordering over de periode
1 februari 1993 tot 1 februari 1998 (b) en 1 februari 1998 tot 1
mei 1998 (c) dezelfde gronden ten grondslag heeft gelegd, zal de rechtbank
voormelde perioden gezamenlijk behandelen.
4.5.2. Alvorens hiertoe over te gaan, stelt de rechtbank
evenwel
het volgende voorop.
Bij besluit van 27 mei 1989 is aan eiseres een ABW-uitkering
toegekend. Deze uitkering is blijven doorlopen tot 1 oktober 1991,
met dien verstande dat op 19 december 1989 een aanpassingsbesluit
is genomen, inhoudende dat eiseres een bedrag van ƒ13,- minder
ontving. Bij besluit van 12 september 1991 is deze uitkering
vervolgens beëindigd en is eiseres in aanmerking gebracht voor
een Rww-uitkering met ingang van 1 oktober 1991.
Deze Rww-uitkering, zo stelt de rechtbank
vast aan de hand van de
gedingstukken, is bij besluit van 18 april 1994 (nadat met ingang
van 1 januari 1993 een korting van 6% is toegepast) beëindigd per
1 mei 1994.
Verweerder heeft zich op het niet bestreden standpunt gesteld dat
bijstand verstrekt op basis van de Rww-uitkering van eiseres niet
wordt teruggevorderd, aangezien artikel 59 ABW (oud) niet in de Rww-beschikking van 12 september 1991 is overgenomen. Verweerder
is er evenwel ten onrechte van uitgegaan dat eiseres bijstand op
grond van de Rww
ontving tot 1 februari 1993. Uit de gedingstukken
blijkt immers dat dit tot 1 mei 1994 het geval was. Gelet op het
uitdrukkelijk vermelde en ter zitting ook gehandhaafde standpunt
van verweerder hieromtrent, dient de periode van 1 oktober 1991
tot 1 mei 1994 derhalve buiten terugvordering te blijven.
4.5.3.
Nu de periode waarover teruggevorderd kan worden eerst kan
aanvangen op 1 mei 1994 is de discussie van partijen over de al
dan niet geldende verjaringstermijnen vanaf de periode van 1
februari 1993 minder relevant geworden. Desalniettemin zal de rechtbank, gelet op de na te nemen beslissing in het
dictum, uit proceseconomische overwegingen en ter voorlichting van partijen,
hieronder uiteenzetten waarom de terugvordering over de periode
vanaf 1 augustus 1992 tot 12 juni 1993, zijnde vijf jaar
voorafgaande aan de datum bekendmaking van het besluit tot
terugvordering, als verjaard had dienen te worden beschouwd.
4.5.4. Periode van 1 augustus 1992 tot 12 juni 1993
Met ingang van 1 augustus 1992 is de termijn van terugvordering
opgenomen in artikel 61d ABW (oud), welk artikel als volgt luidt:
-1. Behoudens in de gevallen, bedoeld in de artikelen 58 en 59,
worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar geleden vóór de
datum van verzending van de beschikking tot terugvorderingen zijn
gemaakt niet teruggevorderd.
-2. Voor de toepassing van artikel 57, onderdeel e, bedraagt de in
het eerste lid bedoelde termijn twee jaar.
-3. De termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, staat niet in
de weg aan latere tenuitvoerlegging van de beschikking tot
terugvordering.
Artikel X van de overgangsbepalingen behorende bij de Wet van 15
april 1992, Stb. 1992, 193, bepaalt:
"de artikelen 61 tot en met 66 en 71 van de Algemene
Bijstandswet, zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip van toepassing op de terugvordering in
rechte van kosten van bijstand als bedoeld in het bij artikel I,
onderdeel A, van deze wet ingevoegde hoofdstuk IVa, paragraaf 1.
Tot dat tijdstip treden de artikelen 61 tot en met 61c, 61d, derde
lid, 61e en 84f, eerste lid, van de ABW, zoals de artikelen komen
te luiden ingevolge deze wet, niet in werking".
Voormelde bepalingen nopen tot het oordeel dat de wetgever
kennelijk geen uitgestelde werking heeft willen verlenen aan
artikel 61d, eerste lid, ABW (oud), op grond van welk artikel de
termijn van terugvordering pas begint te lopen ná de datum van
verzending van de beschikking.
De wetsgeschiedenis leert evenwel niet op welke gronden de
wetgever dit zou hebben gewild. Dat is te meer opvallend nu artikel
61d, eerste lid, ABW (oud) is toegesneden op de gehele systematiek
van de nieuwe terugvorderingsregeling. Met de term "beschikking
tot terugvordering" in artikel 61d, eerste lid, ABW (oud) kan
immers niets anders bedoeld zijn dan de in artikel 61 ABW (oud)
bedoelde "met redenen omklede schriftelijke beschikking tot
terugvordering". Dit laatste artikel noch de systematiek van
de nieuwe terugvorderingsregeling is echter in de periode tot 1
januari 1996 in werking getreden. Ingevolge artikel 54 van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet van 12 april
1995, Stb. 1995, 200, in werking getreden op 1 januari 1996, is voormeld
artikel X immers vervallen verklaard.
Strikte toepassing van deze bepaling zou er derhalve toe leiden
dat één afzonderlijk artikel, zijnde artikel 61d, eerste lid, ABW
(oud), wel toegepast moet worden, terwijl deze bepaling deel
uitmaakt van nimmer in werking getreden artikelen betreffende de
regeling van een nieuwe administratieve procedure terugvordering.
Voorts zou dit meebrengen dat verweerder door het enkele verzenden
van een beschikking tot terugvordering zijn recht veilig zou
kunnen stellen zonder onmiddellijk rechtsmaatregelen te hoeven
entameren, terwijl voor een betrokkene geen rechtsgang openstond
zich tegen die beschikking te verzetten. In die nieuwe rechtsgang
is immers pas sinds 1 januari 1996 voorzien.
De rechtbank
is, gelet op het voorgaande en in het licht van de
strekking van zowel artikel 70 ABW (oud) als artikel 61d, eerste
lid, ABW (oud), inhoudende dat een voorgenomen terugvordering
binnen vijf jaren nadat de kosten van bijstand zijn gemaakt aan de
rechter zal zijn voorgelegd, van oordeel dat een redelijke
wetstoepassing meebrengt dat artikel 70 ABW (oud) zijn gelding
blijft behouden tot 1 januari 1996. Dat brengt mee dat de daarin
opgenomen vervaltermijn, daargelaten uitzonderingen die zich hier
niet voordoen, toepasselijk is tot 1 januari 1996.
Van enige stuiting door welke handeling dan ook kan geen sprake
zijn, zodat het in dit geval zonder meer zou betekenen dat de
vordering tot 12 juni 1993 is verjaard.
4.6. Periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1998
4.6.1. Blijkens het bestreden besluit in samenhang gelezen met het
besluit in primo worden de kosten van bijstand óók in deze
periode teruggevorderd op grond van artikel 81
Abw. Het toepassen
van dit artikel over de gehele periode is reeds onjuist, omdat
deze bepaling zoals die thans luidt pas met ingang van 1 juli
1997 in werking is getreden (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996,
248), zodat deze bepaling slechts van toepassing kan zijn op
nadien verstrekte bijstand. Verweerder heeft zich hiervan geen
rekenschap gegeven, zodat het bestreden besluit wegens onjuiste
toepassing van de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Om
redenen van proceseconomie zal de rechtbank
echter tevens ingaan
op de materiële geschilpunten die partijen verdeeld houden.
4.6.2. De bekendmaking van het besluit tot terugvordering heeft op
12 juni 1998 plaatsgehad, zijnde de dag na datum verzending.
Zowel indien de rechtbank
toetst aan het tot 1 januari 1996
geldende artikel 70 ABW (oud) als aan het vanaf die datum tot 1
juli 1997 geldende artikel 61d, eerste lid, ABW (oud) en het daarna
geldende artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek luidt het
oordeel dus dat de vordering over voormelde periode niet is
verjaard.
4.6.3. Verweerder heeft beslist dat eiseres niet heeft voldaan aan
haar verplichting tot het verstrekken van inlichtingen daar zij
niet heeft medegedeeld dat er cultuurgrond was die niet in de
huwelijkse boedelscheiding viel, maar waarvan eiseres
mede-eigendom bezat. Voorts heeft eiseres onjuiste inlichtingen
verstrekt inzake pachtgelden die zij zou ontvangen en ten slotte
heeft zij geen opgave gedaan van een ontvangen erfenis van de op
30 juli 1995 overleden vader van eiseres.
De rechtbank
leidt uit deze motivering af dat de schending van de
inlichtingenplicht zou hebben plaatsgevonden vóór 1 januari
1996. Derhalve dient het gehele feitensubstraat getoetst te worden
aan het op dat moment geldende artikel 30, tweede lid, ABW (oud)
ingevolge welk artikel, voor zover relevant, de persoon te wiens
behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend verplicht is om van
al datgene wat van belang is voor de verlening van de bijstand of
de voortzetting daarvan mededeling te doen, zo mogelijk onder
overlegging van bewijsstukken.
Ten aanzien van de (niet-)melding van de cultuurgronden
4.6.4. Verweerder stelt dat eiseres bij de intake slechts heeft
aangegeven dat alles wat zij bezat in een boedelscheiding zat. Zij
heeft, aldus verweerder, niet meegedeeld dat de cultuurgronden in
Friesland niet in de huwelijkse boedelscheiding viel. Eiseres
stelt hiertegenover dat verweerder bekend was met het bestaan van
deze cultuurgronden in Friesland ten tijde van de aanvraag. De rechtbank
kan eiseres hierin volgen. Immers, in het ambtelijk stuk
van 21 juni 1989, gericht aan verweerder in het kader van advies
omtrent eventuele toekenning van bijstand, is nadrukkelijk het
volgende opgenomen: "Naast de som geld in de woning is
mevrouw [eiseres], met haar moeder en zus, eigenaar van enkele
stukken grond. In maart 1988 heeft de heer [ex-echtgenoot] hierop
beslag laten leggen (zie bijlage)".
Voorts is in het rapport van 13 mei 1998 van de Dienst SWOW van de
gemeente Almelo, productgroep opsporing en verhaal, het volgende
vermeld: "(...) [eiseres] (is) samen met haar moeder en zus eigenaar
van enkele stukken grond en (ontvangt daarvoor) momenteel geen
pacht (...). In maart 1998 is echter door [ex-echtgenoot] op de
gronden beslag gelegd (...). Gezien de onduidelijkheid wordt dan
ook geadviseerd bijstand te verstrekken onder toepassing van
artikel 59, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet".
Dat eiseres op haar aanvraag om bijstand bij de vraag naar
vermogen heeft geschreven "nog geen boedelscheiding"
doet hieraan in dit geval niet af. Hieruit blijkt immers niet dat
eiseres heeft medegedeeld dat de cultuurgronden in de boedel
vielen, terwijl de boedelscheiding op dat moment ook daadwerkelijk
nog niet was uitgesproken. Een aanwijzing dat eiseres het bezit
van de cultuurgronden niet heeft willen verzwijgen, vormt de
omstandigheid dat zij op de heronderzoeksformulieren van 24
februari 1997 en 26 november 1997 van het bezit van weiland c.q.
cultuurgrond in Friesland gewag heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank
met verweerder van oordeel is dat één en ander, gelet op diverse
langdurige en complexe rechtsgedingen en de beslaglegging op de
cultuurgronden, onduidelijk was, vormt deze onduidelijkheid als
zodanig onvoldoende feitelijke grondslag voor de beslissing dat
eiseres haar informatieplicht vervat in artikel 30 ABW (oud)
heeft geschonden.
Verweerder heeft bij verweerschrift en ter zitting nog naar voren
gebracht dat de destijds betrokken medewerkers van de afdeling
Sociale Zaken van de gemeente Ommen zich nog kunnen herinneren dat
eiseres bij de aanvraag nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat
de gronden in de boedelscheiding vielen. Wat hier verder ook van
zij, dit argument is niet terug te vinden in het bestreden
besluit, terwijl dit argument, zo dit al aanvaard kan worden,
gelet op het lange tijdsverloop en bij gebreke van schriftelijke
verslagen van deze gesprekken, voorshands als onvoldoende moet
worden aangemerkt om tot schending van artikel 30 ABW (oud) te
kunnen concluderen.
Ten aanzien van onjuiste opgave van ontvangen pachtgelden
4.6.5. Verweerder stelt dat eiseres onjuiste inlichtingen heeft
verstrekt over de door haar ontvangen pachtgelden. Eiseres
bestrijdt dit. Verweerder heeft ten aanzien van dit punt volstaan
met een zeer summiere motivering.
Het enkele verwijzen naar een tweetal rapporten is in dit geval
niet voldoende, aangezien de inhoud daarvan en de overige
gedingstukken ruimte laten voor het trekken van een
tegenovergestelde conclusie, namelijk dat eiseres de ontvangen
pachtgelden niet alleen heeft gemeld, maar dit ook juist heeft
gedaan.
Bovendien heeft verweerder niet aangegeven welke gevolgen de
eventuele onjuiste opgave van de pachtgelden heeft voor de
verstrekking dan wel de hoogte van de bijstand over voormelde
periode.
Ten aanzien van de erfenis
4.6.6. De rechtbank
stelt voorop dat in het licht van artikel 30 ABW
(oud) van eiseres niet gevergd kan worden dat zij het
overlijden van haar vader op [...] 1995 als zodanig had dienen te
melden. Van eiseres kan wél gevergd worden dat zij opgave zou
doen en melding zou maken van de ontvangen erfenis. Indien zij in
een eerder stadium op de hoogte zou zijn geraakt van de omvang die
de erfenis zou aannemen, diende zij bedoelde mededeling op dat
moment te doen.
Uit het bestreden besluit blijkt evenwel niet op welk moment
eiseres van de erfenis melding had moeten doen. Bovendien heeft
verweerder nagelaten aan te geven welke gevolgen deze omissie zou
hebben voor het recht op dan wel de hoogte van de uitkering van
eiseres.
Hoorplicht
4.7. Anders dan eiseres meent, heeft verweerder niet in strijd met
het bepaalde in artikel 7:5 Awb
gehandeld. Terecht heeft
verweerder naar voren gebracht dat dit artikel in het onderhavige
geschil niet van toepassing is, aangezien het horen in de
bezwarenfase door leden van het bestuursorgaan zelf is geschiedt.
Conclusie
4.8. De slotsom van al het voorgaande is zakelijk weergegeven als
volgt.
4.8.1. De terugvordering van kosten van bijstand gemaakt in de
periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991 op grond van artikel
59, tweede lid, ABW (oud) is niet verjaard. Het bestreden besluit
op dit punt ontbeert echter een deugdelijke motivering. Het beroep
van eiseres is dan ook gegrond en in zoverre zal het bestreden
besluit vernietigd worden wegens strijd met de artikel 7:12
Awb.
Desgewenst kan verweerder op vorenbedoelde grondslag een nieuw
besluit nemen.
4.8.2. De terugvordering van kosten van bijstand gemaakt in de
periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991 op grond van artikel
65, eerste lid, Abw
c.q. artikel 30 ABW (oud) is verjaard. Het
beroep van eiseres is op dit punt gegrond en in zoverre zal het
bestreden besluit wegens strijd met artikel 70 ABW (oud)
vernietigd worden.
4.8.3. Terugvordering van kosten van op grond van de Rww
verstrekte bijstand in de periode van 1 oktober 1991 tot 1 mei
1994 is niet mogelijk. Het beroep van eiseres op dit punt is
tevens gegrond en in zoverre zal het bestreden besluit wegens
strijd met de artikelen 3:2 en 7:12
Awb
vernietigd worden.
4.8.4.
Met betrekking tot de terugvordering van kosten van bijstand
gemaakt in de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1998 op grond van
schending door eiseres van artikel 65, eerste lid,
Abw
c.q. artikel
30 ABW (oud) is het beroep van eiseres eveneens gegrond.
Ten aanzien van het niet melden van cultuurgronden bij de aanvraag
van bijstand, het niet melden van de ontvangen erfenis en het
onjuist opgeven van pachtgelden zal het bestreden besluit wegens
strijd met de artikelen 30 ABW (oud) en 7:12
Awb
vernietigd
worden. Desgewenst kan verweerder op dit punt een nieuw besluit
nemen.
4.8.5. Ten aanzien van schending van de hoorplicht is het beroep
van eiseres ongegrond.
4.9. De rechtbank
acht voldoende termen aanwezig verweerder met
toepassing van artikel 8:75 Awb
in de kosten te veroordelen die
eiseres in verband met de behandeling van het beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond, zoals vermeld onder 4.8.5.;
verklaart het beroep gegrond, zoals vermeld onder 4.8.1. tot en
met 4.8.4.;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
gelast dat de gemeente
Holten
aan eiseres het door haar gestorte
griffierecht ad ƒ55,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten, die eiseres in verband met de
behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden
begroot op ƒ2130,-, welke kosten door de gemeente Holten
betaald dienen te worden.
Gewezen door mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar uitgesproken
op 21 maart 2000 in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld
binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak
door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden
aan de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AA5738 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/922
NABW en 99/1060 NABW |
| Datum
uitspraak: |
31
augustus 1999 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3,
65, 69 en 81
Abw (= 3,
17, 54
en 58 Wwb)
/ XVI Wet BMT
/ 8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige;
beëindiging bijstand; intrekking; terugvordering;
wederzijdse zorg; en/of-rekening; financiële verstrengeling;
fraude |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging en terugvordering bijstand wegens (verzwegen)
gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige, gelet op
de wederzijdse verzorging en de financiële verstrengeling.
Ondanks een onjuiste wettelijke grondslag worden de
rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand gelaten. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/922
NABW en 99/1060 NABW
U I T S P R
A A K
in de gedingen tussen:
[appellante],
wonende te [woonplaats], appellante in de zaak onder nummer 99/922 NABW en
gedaagde in de zaak onder nummer 99/1060 NABW,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Eindhoven, gedaagde in de zaak onder nummer 99/922 NABW en
appellant in de zaak onder nummer 99/1060 NABW.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Namens appellante (hierna te noemen: A) heeft mr. J.W. van de Wege,
medewerker van het Buro voor Rechtshulp te
Eindhoven, op daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch
onder dagtekening 28 december 1998 gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Eindhoven (hierna: het College) heeft op de daartoe bij het
beroepschrift aangevoerde gronden eveneens tegen bovengenoemde
uitspraak hoger beroep ingesteld.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 29 juni 1999,
waar A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege
voornoemd als haar raadsman, en waar het College zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. A.P. Kolev-Pot, werkzaam bij de gemeente
Eindhoven.
II. Motivering
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden die hij als vaststaand aanneemt.
A, geboren in 1954, ontving sedert 1 februari 1989 een uitkering
ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor een
alleenstaande. Bij besluit van 29 februari 1996 is die uitkering
met ingang van 1 maart 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de
(nieuwe) Algemene bijstandswet
(Abw), eveneens naar de norm voor
een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding,
inhoudende dat A al vier jaar zou samenwonen met C (hierna te
noemen: C) is door de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente
Eindhoven
een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van
appellante, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport
d.d. 15 mei 1997. Op basis van dit rapport is de uitkering van A,
na voorafgaande opschorting van het recht op uitkering, bij
besluit van 23 mei 1997 met ingang van 1 mei 1997 beëindigd op de
grond dat A een gezamenlijke huishouding voert en het inkomen van
de persoon met wie zij een gezamenlijke huishouding voert
voldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien. Nadat A tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, is dit
gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 september 1997.
Vervolgens heeft het College bij besluit van 31 oktober 1997 het
toekenningsbesluit van 29 februari 1996 ingetrokken met ingang van
17 februari 1997 op de grond dat A onjuiste dan wel onvolledige
informatie omtrent haar woon-/leefsituatie heeft verstrekt met als
gevolg dat haar ten onrechte bijstand is verleend. Bij dat besluit
is voorts de over de periode van 17 februari 1997 tot en met 30
april 1997 verleende bijstand tot een bedrag van ƒ3451,07
van haar teruggevorderd. Nadat A tegen dit besluit bezwaar had
gemaakt, heeft het College bij het bestreden besluit van 17 maart
1998 de intrekking en de terugvordering gehandhaafd. Het College
heeft hierbij - kort samengevat - overwogen dat het
toekenningsbesluit terecht onder toepassing van artikel
69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw
(tekst na 1 juli 1997) met ingang van 17 februari 1997 is
ingetrokken omdat A met betrekking tot haar woon- en leefsituatie
de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65,
eerste lid, van de Abw
heeft geschonden en in ieder geval vanaf laatstvermelde datum een
gezamenlijke huishouding voerde met C. Voorts heeft het College
overwogen dat als gevolg van het nemen van het intrekkingsbesluit
terecht is besloten de in de periode van 17 februari 1997 tot 1
april 1997 aan A verstrekte uitkering terug te vorderen op grond
van artikel
81, eerste lid, van de Abw
(tekst na 1 juli 1997).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het door A tegen het besluit van het College van 23 september 1997
ingestelde beroep ongegrond verklaard aangezien moet worden
aangenomen dat er op 1 mei 1997 sprake was van een gezamenlijke
huishouding tussen A en C. Voorts is bij die uitspraak het door A
tegen het bestreden besluit van het College van 17 maart 1998
ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en
bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor
zover betrekking hebbend op de terugvordering in stand blijven.
Hierbij is door de rechtbank onder meer het volgende overwogen
(waarbij A als eiseres is aangeduid en het College als
verweerder): "De rechtbank ziet zich in dit geding gesteld
voor de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het
besluit tot toekenning van bijstand aan eiseres met ingang van 17
februari 1997 heeft ingetrokken en voorts of verweerder terecht en
op goede gronden de aan eiseres over de periode 17 februari 1997
tot en met 30 april 1997 verstrekte bijstand van haar heeft
teruggevorderd. Verweerder heeft het besluit tot intrekking van
het toekenningsbesluit met ingang van 17 februari 1997 gebaseerd
op artikel
69, derde lid, van de Abw,
zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. De rechtbank wijst er
echter op dat genoemde bepaling is ingevoerd bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid (hierna: de Wet BMT) en dat ingevolge artikel XVI,
eerste lid, van die wet in de
bevoegdheid van gemeenten tot weigering
van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór
de datum van inwerkingtreding van het hier relevante deel van die
wet - 1 juli 1997 - geen wijziging wordt gebracht. Nu het hier
om dergelijke gedragingen gaat, kon verweerder het
intrekkingsbesluit niet doen steunen op de sedert 1 juli 1997
geldende visie van artikel 69, derde
lid, van de Abw.
Het intrekkingsbesluit berust derhalve op een onjuiste grondslag
en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. (...)
Verweerder heeft het besluit tot terugvordering van de aan eiseres
over de periode 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997
verleende bijstand doen steunen op artikel
81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Nu het in casu
echter gaat om gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 juli
1997, geldt ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van
de
Wet BMT
dat (de materiële inhoud van) de bevoegdheid tot
terugvordering wordt beheerst door het tot die datum geldende
recht, zodat artikel 81, eerste lid, van de
Abw, zoals die
bepaling luidde tot 1 juli 1997, van toepassing is. Ook het
terugvorderingsbesluit ontbeert derhalve een juiste wettelijke
grondslag, zodat het eveneens moet worden vernietigd. De rechtbank
ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel
8:72, derde
lid, van de Awb
de rechtsgevolgen van het te vernietigen
terugvorderingsbesluit in stand te laten, zulks nu de tot 1 juli
1997 van toepassing zijnde versies van de artikelen 81 en
65 van
de Abw
dat besluit eveneens kunnen dragen".
A kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank
dat ten
tijde van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Het College kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank
dat het bestreden besluit van 17 maart 1998 met betrekking tot
intrekking en terugvordering op een onjuiste wettelijke grondslag
berust. Mede blijkens het verhandelde ter zitting stelt het
College zich op het standpunt dat op of na 1 juli 1997
bekendgemaakte terugvorderingsbesluiten dienen te worden
beoordeeld naar het met ingang van 1 juli 1997 geïntroduceerde
stelsel en in voorkomende gevallen hun grondslag moeten vinden in
een herzieningsbesluit in de zin van artikel
69, derde lid, van de Abw, zoals
deze bepaling luidt na 1 juli 1997.
De Raad
overweegt het volgende.
De zaak 99/922 NABW
De vraag of A en C gedurende de periode van 17 februari 1997 tot
en met 30 april 1997 en op 1 mei 1997 een gezamenlijke huishouding
voerden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de
Abw (tekst
tot 1 januari 1998) beantwoordt de Raad
bevestigend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder
a,
van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) wordt als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel
3, derde lid,
van de Abw
is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee
personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk
geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
De Raad acht
het, gelet op gedingstukken, voldoende aannemelijk dat C ten tijde
van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van A. Uit een
rapport van waarnemingen d.d. 25 april 1997 blijkt dat C in de
waarnemingsperiode van 14 januari 1997 tot en met 22 april 1997
geregeld in de nabijheid van de woning van A is aangetroffen. Bij
een huisbezoek dat is afgelegd op 22 april 1997 zijn kleding en
bescheiden van C in de woning van A aangetroffen en voorts heeft A
op 22 april 1997 verklaard dat de racefiets van C zich in de
schuur van haar woning bevond. Ook hadden A en C een zogeheten en/of-rekening
bij een bank, waarbij op het rekeningoverzicht als adres is
genoemd het adres van A aan de P. Straat te B.
De stelling van A dat C ten tijde van belang zijn hoofdverblijf
had in de woning van zijn ouders vindt naar het oordeel van de Raad
geen steun in de onderzoeksresultaten van de Afdeling
Bijzonder Onderzoek.
De Raad
is voorts van oordeel dat het bestaan van wederzijdse zorg
voldoende aannemelijk moet worden geacht en wijst in dit verband
op het bestaan van evengenoemde bankrekening, waaruit blijkt dat
sprake is van financiële verstrengeling. Daarnaast heeft C bij
een verhoor dat plaatsvond op 12 mei 1997 verklaard A veel te
helpen en is uit waarnemingen gebleken dat C regelmatig gebruik
maakt van de auto van A om naar zijn werk te gaan.
Aan de omstandigheid dat de tenaamstelling van meergenoemde
bankrekening reeds vóór 1 mei 1997 is gewijzigd, kan de Raad
niet die betekenis hechten die A daaraan toegekend wenst te zien.
Gelet op het vorenstaande is de Raad
van oordeel dat het bestreden
besluit van 23 september 1997 met betrekking tot de beëindiging
van de uitkering per 1 mei 1997 terecht in stand is gelaten.
De zaak 99/1060 NABW
Ten aanzien van het intrekkingsbesluit
Het College heeft het besluit tot intrekking van het
toekenningsbesluit met ingang van 17 februari 1997 gebaseerd op
artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert
1 juli 1997. Evenals de rechtbank
wijst de Raad
erop dat genoemde
bepaling is ingevoerd bij de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248 (Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(hierna te noemen: Wet BMT).
Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de
Wet BMT
wordt in de bevoegdheid van gemeenten
tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben
plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) geen wijziging
gebracht.
Uit genoemd artikellid volgt naar het oordeel van de Raad
dat aan een intrekkingsbesluit als het onderhavige, hetwelk een
wijziging beoogt te brengen in het recht op uitkering over een
periode welke geheel ligt vóór 1 juli 1997, niet het bepaalde in artikel
69, derde lid, van de Abw, zoals
deze bepaling luidt vanaf 1 juli 1997, ten grondslag kan worden
gelegd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad
van oordeel dat
de rechtbank
terecht het bestreden intrekkingsbesluit heeft
vernietigd omdat dit berust op een onjuiste wettelijke grondslag.
Anders dan de rechtbank
evenwel zal de Raad
met toepassing van
artikel 8:72, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
de rechtsgevolgen van het vernietigde intrekkingsbesluit in stand
laten. De Raad overweegt daartoe dat voldoende aannemelijk is dat
A in evengenoemde periode een gezamenlijke huishouding voerde met
C, wiens inkomen toereikend was om mede in het levensonderhoud
van A te voorzien. Daarom kon A op grond van het bepaalde in
artikel 3, tweede lid, van de Abw
(tekst tot 1 januari 1998)
juncto artikel 7, eerste lid, van de Abw
in deze periode geen
recht doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw.
De Raad
stelt voorts vast dat A het College niet tijdig en eigener
beweging heeft geïnformeerd omtrent het bestaan van de
gezamenlijke huishouding, zodat van een gerechtvaardigd vertrouwen
op ongewijzigde voortzetting van de uitkering geen sprake is.
Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit
Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de
Wet BMT
wordt in de bevoegdheid van gemeenten
tot terugvordering en verrekening van hetgeen vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet (voor de
bijstandswetgeving: 1 juli 1997) onverschuldigd is betaald geen
wijziging gebracht.
Dat betekent dat de thans ter beoordeling van de Raad
staande vraag of het besluit tot terugvordering op goede gronden
berust, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór 1 juli
1997 vigerende recht, in casu reeds omdat de periode waarover
terugvordering plaatsvindt geheel vóór die datum ligt.
Derhalve is de Raad
met de rechtbank
van oordeel dat het College de terugvordering van de verleende
bijstand ten onrechte heeft doen steunen op artikel 81,
eerste lid, van de
Abw, zoals die bepaling luidt sedert
1 juli 1997.
De Raad
is dan ook van oordeel dat de rechtbank
het bestreden besluit d.d. 17 maart 1998, voor zover dit
betrekking heeft op terugvordering terecht heeft vernietigd, omdat
dit op een onjuiste wettelijke grondslag berust.
De Raad
acht evenwel met de rechtbank
en op de door deze daartoe aangegeven gronden termen aanwezig om
de rechtsgevolgen van het vernietigde terugvorderingsbesluit in
stand te laten. De Raad voegt hieraan toe dat A de hoogte van het
terug te vorderen bedrag en de wijze van terugbetaling niet heeft
betwist.
De Raad
acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Awb.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank
daarbij geen aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen met
betrekking tot het bestreden besluit tot intrekking in stand te
laten;
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor
het overige;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17
maart 1998, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van
het recht op uitkering, in stand blijven.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 1999.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I. de Hartog.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- WW / Abw / Wwb / Wiw / Awb |
x
LJN: |
x
AA5881 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummers: |
99/1024
WW en 99/360 NABW |
| Datum
uitspraak: |
28
februari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
24 en 27 WW
/
14 Abw (= 18
Wwb) /
7:12 en 8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; verwijtbare werkloosheid; blijvende en gehele weigering WW-uitkering;
gedeeltelijke weigering bijstand;
banenpool; Wiw-dienstbetrekking; passende arbeid; urenomvang;
ondeugdelijke motivering |
| Essentie: |
Onterechte
blijvende en gehele weigering WW-uitkering, niet omdat de
werkloosheid niet verwijtbaar zou zijn, maar omdat uit de stukken
niet blijkt welke urenomvang de aangeboden (en vervolgens
geweigerde) arbeid had. Het Lisv dient wegens ondeugdelijke
motivering een nader besluit ter zake te nemen. Onterechte
weigering bijstand van 80% gedurende één maand; met toepassing
van de juiste grondslag (gedragingen die de
inschakeling in de arbeid belemmeren) bepaalt de rechtbank dat de
bijstand gedurende één maand met 20% wordt geweigerd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem 99/1024
WW en 99/360 NABW
U I T S P R
A A K
in de gedingen tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam,
vertegenwoordigd door GAK Nederland BV te Arnhem, verweerder
(hierna: het Lisv);
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem,
verweerder (hierna: het College).
1. Aanduiding bestreden besluiten
Besluit van het Lisv van 26 april 1999.
Besluit van het College van 14 januari 1999.
2. Feiten en procesverloop
2.1. Eiser was, in het kader van een banenpool, vanaf 1 december
1995 werkzaam in dienst van [detacheerder] te [vestigingsplaats]
(hierna: [detacheerder]). Met ingang van 1 december 1995 was eiser
gedetacheerd als [functie] bij [bedrijf] te [plaats].
Bij brief van 8 september 1997 heeft [detacheerder] eiser
medegedeeld dat zijn detachering bij [bedrijf] per 1 september
1997 wordt beëindigd omdat de arboarts van mening is dat hij
aldaar niet zonder beperkingen zal kunnen werken. Bij deze brief
is voorts aan eiser medegedeeld dat men hem nog wel geschikt acht
voor werk elders en dat men zich gedurende een periode van drie
maanden na 1 september 1997 zal inspannen om voor eiser een nieuwe
werkplek te realiseren. Daaraan is toegevoegd dat als men binnen
drie maanden geen nieuwe werkplek voor eiser heeft kunnen
realiseren, er een ontslagvergunning zal worden aangevraagd.
[Detacheerder] heeft aan eiser op 24 oktober 1997 een inleenplaats
aangeboden, waarop eiser afwijzend heeft gereageerd. Nadat eiser
nogmaals was gewezen op de driemaandentermijn is hem door zijn
werkgever op 10 november 1997 weer een, volgens werkgever
passende, inleenplaats aangeboden, waarop eiser weer afwijzend
heeft gereageerd.
Bij brief van 26 januari 1998 heeft [detacheerder] aan eiser
medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst tegen 1 maart 1998 wordt
opgezegd omdat er gedurende een periode van drie maanden geen
inleenplaats voor hem beschikbaar is. Het aanvragen van een
ontslagvergunning is achterwege gebleven omdat [detacheerder] een
dergelijke vergunning sedert 1 januari 1998 niet meer kon
aanvragen.
2.2. Eiser heeft vervolgens bij het Lisv
een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
Bij besluit van 22 oktober 1998 heeft het Lisv
eiser met ingang
van 2 maart 1999 uitkering krachtens de WW blijvend en geheel
geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. Daarbij heeft het
Lisv overwogen dat eiser zich bij zijn werkgever zodanig heeft
gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou
volgen. Het door het Lisv in aanmerking genomen gedrag bestond uit
het tot twee keer toe niet positief reageren op het aanbod van een
nieuwe werkplek.
Namens eiser is tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 april 1999 heeft het Lisv
het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3. Nadat het Lisv eiser te kennen gaf dat er geen recht op
uitkering ingevolge de WW bestond, heeft eiser zich tot het
College gewend met het verzoek hem en zijn partner in aanmerking
te brengen voor een bijstandsuitkering.
Bij besluit van 11 mei 1998 heeft het College aan eiser een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend. Daarbij is tevens een maatregel opgelegd,
bestaande uit het gedurende vier maanden weigeren van de
bijstandsuitkering van eiser en zijn partner met 20% vanaf 1 mei
1998, omdat eiser door eigen toedoen werkloos is geworden.
Namens eiser is tegen dit besluit, voor wat betreft de opgelegde
maatregel, bezwaar gemaakt. Bij het hierboven aangeduide besluit
van 14 januari 1999 heeft het College het bezwaar ongegrond
verklaard.
2.4. Namens eiser heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem,
beroep ingesteld tegen de besluiten van 14 januari 1999 en 26
april 1999.
Namens het Lisv en het College zijn verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank
van 18 januari 2000, waar eiser in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. J.A.C. van Etten, en waar het Lisv
zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid, werkzaam bij GAK
Nederland BV te Arnhem en het College door S.J.P.M. van Oyen,
werkzaam bij de gemeente Arnhem.
3. Overwegingen
3.1. In onderhavige gedingen moet worden beoordeeld of de bestreden
besluiten, waarbij het Lisv en het College eiser een maatregel op
grond van de WW respectievelijk de Abw
hebben opgelegd in verband
met de beëindiging van zijn dienstbetrekking met [detacheerder],
in rechte stand kunnen houden.
Het geding 99/1024 WW
3.2. Ten aanzien van het besluit van het Lisv
overweegt de rechtbank als volgt.
Aan het besluit van 26 april 1999 ligt het standpunt ten grondslag
dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden, als bedoeld in artikel
24, eerste lid, onderdeel a, van de WW, in verbinding met
artikel 24,
tweede lid, onderdeel a, van de WW.
Op grond van artikel 24, eerste lid,
onderdeel
a, van de WW voorkomt
de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het
tweede lid, onderdeel a, van dat artikel is de werknemer verwijtbaar
werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft
gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit
gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou
kunnen hebben.
In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het
Lisv de
uitkering blijvend geheel weigert indien de werknemer een
verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel
a, opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen de werknemer
niet in overwegende mate kan worden verweten. Ingevolge het vijfde
lid van artikel 27 kan het Lisv van het opleggen van een maatregel
afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het
Lisv de weigering van
uitkering ingevolge de WW
niet heeft kunnen baseren op artikel 24,
eerste lid, onderdeel a, van de WW in verbinding met het tweede lid,
onderdeel a, [van
artikel 24, red.] van de WW. Op grond van die bepalingen is er sprake van
verwijtbare werkloosheid indien concreet gedrag van de werknemer
heeft geleid tot de beëindiging van de dienstbetrekking en
voorts indien dat gedrag verwijtbaar was jegens de werkgever.
Op grond van de brieven van [detacheerder] van 8 september 1997 en
26 januari 1998 stelt de rechtbank
vast dat de dienstbetreking
tussen [detacheerder] en eiser is beëindigd op grond van artikel
12 van de arbeidsovereenkomst. In dat artikel is bepaald dat de
overeenkomst kan worden opgezegd indien voor een periode van drie
maanden geen inleenplaats beschikbaar is.
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging van
eisers dienstverband niet primair dient te worden toegeschreven
aan de wijze waarop eiser heeft gereageerd op de aangeboden
functies. Hoewel aangenomen kan worden dat er enig oorzakelijk
verband bestaat tussen de keuze van [detacheerder] om toepassing
te geven van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst en eisers
weigering om in te gaan op de aangeboden inleenplaatsen, acht de
rechtbank dit verband onvoldoende direct om aan te nemen dat dit
gedrag van eiser tot beëindiging van het dienstverband heeft
geleid. Bij dat oordeel heeft de rechtbank in aanmerking genomen
dat de betreffende functies aan eiser zijn aangeboden nadat [detacheerder]
had vastgesteld dat eiser niet langer geschikt was om de arbeid
die verbonden was aan zijn oorspronkelijke inleenplaats te
verrichten. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het
voornamelijk de ongeschiktheid voor de oorspronkelijke
inleenplaats is geweest die heeft geleid tot de beëindiging van
de dienstbetrekking op grond van artikel 12 van de
arbeidsovereenkomst.
Aan het voorgaande voegt de rechtbank
nog het volgende toe. Ook
indien ervan uit zou worden gegaan dat eisers gedrag ten aanzien
van de twee aangeboden inleenplaatsen in een voldoende direct
verband staat met de beëindiging van zijn dienstbetrekking, dan
volgt daaruit nog niet dat eisers gedrag ook verwijtbaarbaar was
jegens zijn werkgever. De omstandigheid dat eiser met [detacheerder]
geen overeenstemming heeft bereikt over een nieuwe detachering,
(onder meer) omdat eiser en [detacheerder] van mening verschilden
over de passendheid van de aangeboden inleenplaatsen in medisch
opzicht, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich
mede dat eisers gedrag verwijtbaar was tegenover zijn werkgever.
De aard van eisers dienstverband, een arbeidsovereenkomst op grond
van een banenpoolregeling, die per 1 januari 1998 is omgezet in
een arbeidsovereenkomst in het kader van de Wet inschakeling
werkzoekenden, maakt dit niet anders.
Uit het voorgaande volgt dat het Lisv
eisers uitkering ingevolge
de WW
op een onjuiste grond blijvend geheel heeft geweigerd.
3.3. De rechtbank overweegt voorts als volgt.
In artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de
WW is
- voor
zover van belang - bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij
werkloos is, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te
aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.
Onder passende arbeid wordt, op grond van het derde lid van artikel
24 van de WW, verstaan alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd.
Indien een werknemer de verplichting van artikel
24, eerste lid,
onderdeel b, ten tweede, van de WW niet is nagekomen, is het
Lisv op
grond van artikel 27, tweede lid, van de
WW gehouden om de
uitkering blijvend te weigeren over het aantal uren waarover het
recht op uitkering niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de
betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser de verplichting die in
artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de
WW is
opgenomen niet is nagekomen. Daartoe overweegt de rechtbank als
volgt.
Op basis van de zich onder de gedingstukken bevindende brieven van
[detacheerder], de verklaringen van de consulent van [detacheerder]
en de uit de stukken blijkende opvatting van de arboarts van [detacheerder]
is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser aangeboden
inleenplaatsen in medisch opzicht passend waren, althans, indien
zij in de praktijk op onderdelen als minder passend dienden te
worden aangemerkt, passend te maken waren. De rechtbank heeft bij
het voorgaande met name in aanmerking genomen dat eiser noch in
bezwaar, noch in beroep concreet heeft aangegeven en met medische
gegevens onderbouwd welke beperkingen hem in medisch opzicht
parten speelden en op grond van welk medisch oordeel eiser
destijds tot de conclusie is gekomen dat de betreffende functies
niet geschikt voor hem waren. Blijkens de verklaring van de
arboarts, die is opgenomen in het rapport van het GAK van 16 juli
1998, heeft eiser laatstgenoemde conclusie niet kunnen baseren op
uitlatingen van deze arboarts. De rechtbank vermag voorts niet in
te zien dat eiser zich in december 1997, blijkens een sollicitatie als schoonmaker bij [...], kennelijk wel in staat
achtte om schoonmaakwerk te verrichten, terwijl hij zich daartoe
in oktober en november 1997 vanwege linkerarmklachten niet in
staat achtte. De door eiser ter zitting gegeven verklaring op dit
punt, namelijk dat zijn klachten in december 1997 minder waren,
acht de rechtbank niet overtuigend aangezien eiser in het kader
van zijn aanvraag van uitkering in maart 1998 heeft aangegeven dat
hij afhankelijk is van werk waarbij zijn linkerschouder niet of
nauwelijks wordt belast.
De rechtbank
heeft voorts geen (andere) redenen gezien op grond
waarvan de aan eiser aangeboden arbeid niet als passende arbeid in
de zin van artikel 24, derde lid, van de
WW
kan worden aangemerkt.
Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat het aanvaarden van
die arbeid niet van eiser gevergd kon worden.
Wat betreft eisers standpunt dat hij, anders dan [detacheerder]
heeft gesteld, wel gemotiveerd was om een inleenplaats te
aanvaarden, overweegt de rechtbank
als volgt. Uit de brieven van [detacheerder]
van 6 november 1997 en 26 januari 1998 blijkt dat [detacheerder]
eisers gedrag niet als bereidwillig heeft getypeerd. Voor zover
dit onjuist zou zijn geweest, had van eiser verwacht mogen worden
dat hij na afwijzing van de hem aangeboden inleenplaatsen bij deze
werkgever had aangedrongen om hem nogmaals een aanbod te doen.
Eiser heeft echter geen pogingen ondernomen om alsnog een werkplek
via [detacheerder] te bemachtigen en aldus de voortzetting van
zijn dienstverband te bewerkstelligen. De rechtbank is dan ook van
oordeel dat het Lisv, in het voetspoor van
[detacheerder], zich
niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser door
houding en gedrag aan zijn werkgever heeft laten blijken niet
langer geïnteresseerd te zijn in de nieuwe werkplek via [detacheerder].
De rechtbank
is, gelet op het bovenstaande, dan ook van oordeel
dat eiser zonder steekhoudende argumenten geweigerd heeft in te
stemmen met detachering in één van de aangeboden passende functies
en zich tegenover [detacheerder] niet constructief heeft opgesteld
ten aanzien van een hernieuwde detachering.
Uit het voorgaande volgt dat het Lisv
op grond van artikel 27,
tweede lid, van de WW gehouden is om de uitkering van eiser
blijvend te weigeren over het aantal uren waarover zijn recht op
uitkering niet zou zijn ontstaan indien hij de hem aangeboden
arbeid zou hebben aanvaard. Uit de stukken blijkt echter niet
welke urenomvang de aan eiser aangeboden arbeid had. De rechtbank
ziet dan ook geen grond om vast te stellen dat eisers uitkering op
grond van artikel 27, tweede lid, van de
WW
blijvend geweigerd
dient te worden voor het volledige aantal uren waarop zijn recht
op uitkering is gebaseerd.
Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 26 april 1999 in
rechte geen stand kan houden wegens strijd met artikel
7:12,
eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Dat besluit
komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het Lisv
zal, na
onderzoek, een nader besluit dienen te nemen.
Het geding 99/360 NABW
3.4. Ten aanzien van het besluit van het College overweegt de rechtbank
als volgt.
De rechtbank
is van oordeel dat eiser, gelet op de omstandigheid
dat het Lisv
een nader besluit dient te nemen, nog belang heeft
bij de beoordeling van het besluit van het College van 14 januari
1999.
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van het College ten
grondslag dat eiser in de periode voorafgaande aan de
bijstandsaanvraag onvoldoende heeft meegewerkt aan het behouden
van arbeid in dienstbetrekking als bedoeld in artikel
14, eerste
lid, van de Abw, omdat hij door zijn toedoen het dienstverband met
[detacheerder] niet heeft behouden.
Het College heeft eisers gedraging aangemerkt als een gedraging
die in artikel 3 van het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het Maatregelenbesluit) is ingedeeld in de vierde
categorie en die op grond van artikel 5, eerste lid,
aanhef en onder d,
van het Maatregelenbesluit leidt tot een weigering van 100% van de
bijstand gedurende één maand. Gelet op de sociale en financiële
omstandigheden waarin eiser en diens partner verkeren, heeft het
College de maatregel beperkt tot 80% en bepaald dat deze over een
periode van vier maanden wordt geëffectueerd.
De rechtbank
overweegt als volgt.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw
bepaalt - voor zover in dit
geding van belang - dat burgemeester en wethouders de bijstand
geheel of gedeeltelijk weigeren indien de belanghebbende
voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft
meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in
dienstbetrekking.
Ingevolge het tweede lid van artikel 14 van de
Abw
wordt een maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst
van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Tevens is bepaald dat van het opleggen van een maatregel wordt
afgezien indien iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel
14, derde
lid, van de Abw
voorts afzien van het opleggen van een maatregel
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw,
worden in artikel 3 van het Maatregelenbesluit
in vier categorieën
onderscheiden. In de vierde categorie zijn de volgende gedragingen
opgenomen:
a. het niet aanvaarden van passende arbeid;
b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
dienstbetrekking.
Op grond van artikel 5, eerste lid,
aanhef en onder d,
van het Maatregelenbesluit wordt de weigering van uitkering bij een
gedraging van de vierde categorie vastgesteld op 100% van de
bijstand gedurende één maand.
Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 3.2 en 3.3 is
overwogen, is de rechtbank
van oordeel dat het College zich
terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode
voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag onvoldoende heeft
meegewerkt aan verkrijgen of behouden van arbeid in
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het bestreden
besluit in rechte geen stand kan houden omdat het op een onjuiste
grondslag berust.
Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank
hierboven onder 3.2
heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het College
eisers gedrag ten onrechte heeft aangemerkt als het door eigen
toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.
De rechtbank is voorts van oordeel dat er ten aanzien van de in
geding zijnde gedragingen van eiser, ondanks hetgeen hierboven
onder 3.3 is overwogen, evenmin gesproken kan worden van het niet
aanvaarden van passende arbeid zoals bedoeld in artikel 3,
onderdeel 4, subonderdeel a, van het Maatregelenbesluit. De rechtbank heeft
daarbij in aanmerking genomen dat deze categorie, blijkens de toelichting
op het Maatregelenbesluit, ziet op de situatie dat
(door de bijstandsgerechtigde) geen gebruik wordt gemaakt van de
mogelijkheid om passende arbeid te aanvaarden teneinde de
uitkeringsafhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te beëindigen.
Deze toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders
worden begrepen dan dat deze categorie ziet op het verkrijgen van
arbeid in de periode dat de betrokkene een bijstandsuitkering
ontvangt. Aangezien de in geding zijnde gedragingen van eiser zich
voorafgaand aan de bijstandverlening hebben voorgedaan, kunnen
deze gedragingen niet worden gekwalificeerd als het niet
aanvaarden van passende arbeid in de zin van voormelde bepaling.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank
van oordeel dat het
College eisers gedragingen ten onrechte heeft ingedeeld in de
vierde categorie en dat de opgelegde maatregel mitsdien ten
onrechte op een gedraging van die categorie is gebaseerd. Het
bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank
overweegt voorts dat de in geding zijnde gedragingen
van eiser kunnen worden aangemerkt als gedragingen die de
inschakeling in arbeid belemmeren als bedoeld in artikel
4, onderdeel 3,
subonderdeel
a, van het Maatregelenbesluit, zijnde een gedraging van
de derde categorie.
Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel
c, van het Maatregelenbesluit is het College bij een gedraging van de derde
categorie gehouden een weigering van 20% van de bijstand gedurende
één maand op te leggen.
De rechtbank
stelt vast dat het College de opgelegde maatregel
heeft afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin eiser
de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij
verkeert, door deze met 20% te verminderen en de effectuering over
vier maanden te verdelen.
Aangezien de op grond van
artikel 5, eerste lid, onderdeel c,
van het Maatregelenbesluit op te leggen weigering lager is dan de, op
eisers individuele geval toegesneden, opgelegde maatregel en de
rechtbank niet is gebleken van de aanwezigheid van een dringende
reden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de
Abw, zal de
rechtbank onder toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat de bijstandsuitkering van eiser vanaf 1 mei 1998
gedurende één maand geweigerd wordt met 20%.
4. Slotoverwegingen
De rechtbank
acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb
en zowel het Lisv
als het College te
veroordelen in de door eiser in beide gedingen gemaakte
proceskosten. Deze kosten worden in iedere procedure afzonderlijk
begroot op ƒ1420,- voor verleende rechtsbijstand. Van andere
kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.
Bij het voorgaande heeft de rechtbank
in aanmerking genomen dat er
geen sprake is van samenhangende zaken, als bedoeld in artikel
3 van het Besluit proceskosten
bestuursrecht, aangezien de bestreden
besluiten afkomstig zijn van verschillende bestuursorganen. De
rechtbank wijst in verband daarmee op de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep die in RSV 1997/11 is gepubliceerd.
Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op
artikel 8:74
van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank:
in het geding 99/1024 WW:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat het Lisv een nader besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen de rechtbank
heeft overwogen;
veroordeelt het Lisv in de proceskosten van eiser ten bedrage van ƒ1420,-;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan
de griffier van de rechtbank, bankrekening 1923.25.752, ten name
van DS 533 Arrondissement Arnhem;
bepaalt dat het Lisv aan eiser het door hem betaalde griffierecht
van ƒ60,- vergoedt;
Wijst het Lisv aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het
griffierecht moet vergoeden;
in het geding 99/369 NABW:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover aangevochten;
bepaalt dat eisers bijstandsuitkering vanaf 1 mei 1998 gedurende
één maand met 20% wordt geweigerd;
veroordeelt het College in de proceskosten van eiser ten bedrage
van ƒ1420,-;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan
de griffier van de rechtbank, bankrekening 1923.25.752, ten name
van DS 533 Arrondissement Arnhem;
bepaalt dat het College aan eiser het door hem betaalde
griffierecht van ƒ55,- vergoedt;
wijst het College aan als de rechtspersoon die de proceskosten en
het griffierecht moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, en in het openbaar
uitgesproken op 28 februari 2000 in tegenwoordigheid van J.B.M.
Wassink als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op: 28 februari 2000.
Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24
juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van
verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|