| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA6362 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
98/1027 NABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
15
mei 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
84
Abw (= 59
Wwb) / 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; terugvordering van hoofdelijk
aansprakelijke; onderhoudsplichtige; gezinsbijstand
alleenstaande ouder |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van de vermeende hoofdelijk
aansprakelijke onderhoudsplichtige waarmee een
bijstandsgerechtigde een (verzwegen) gezamenlijke huishouding
heeft gevoerd. Omdat de bijstand - vóór de wijziging van 31
december 1998 van artikel 84, tweede lid, Abw - als
gezinsbijstand (alleenstaandeouderuitkering) is verleend, is er
geen wettelijke grondslag voor terugvordering. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
98/1027 NABW V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiser],
wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr D.Y. Li,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Hoogezand-Sappemeer, verweerders,
gemachtigde: A.J. Haring
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 22 september 1998, nr.
9800-/469/470/471, het bezwaar van eiser met betrekking tot het
terugvorderingsbesluit van 24 februari 1998 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 3 november
1998, nader aangevuld bij brief van 27 november 1998, beroep
ingesteld.
Verweerders hebben op 13 januari 1999 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 7 december 1999 een aantal stukken ingediend.
Desgevraagd heeft eiser op 6 januari 2000 nog enkele stukken aan
de rechtbank toegezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is, gevoegd met de zaak met het nr. AWB 98/1028 NABW
V06, behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank
van 25 april 2000.
Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun
gemachtigde.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten
Blijkens het proces-verbaal van de regiopolitie Groningen van 25
februari 1998 is vanwege een vermoeden van bijstandsfraude met
ingang van 3 juli 1997 onderzoek gedaan naar de situatie waarin
eiser en X (verder: X) verkeerden. Dit onderzoek heeft geleid tot
de conclusie dat eiser en X vanaf 1 april 1997 een gezamenlijke
huishouding voeren op het adres van X: [...] te Y.
Verder is uit het onderzoek gebleken dat het inkomen van eiser
voldoende moet worden geacht om in de noodzakelijke kosten van X
te voorzien.
Hierop hebben verweerders bij besluit van 24 februari 1998 de aan
X over de periode van 1 april 1997 tot en met 31 januari 1998
toegekende Abw-uitkering
herzien en de onverschuldigd aan haar betaalde uitkering over deze
periode ten bedrage van ƒ21.779,59
van eiser teruggevorderd. Eiser is hoofdelijk aansprakelijk voor
de terugbetaling van de aan X ten onrechte betaalde uitkering.
Verweerders hebben het besluit doen steunen op de artikelen
78, eerste lid, 81, eerste lid, en 84,
tweede en derde lid, Abw.
Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 27 februari 1998,
nader aangevuld bij brief van 1 juli 1998, bezwaar gemaakt.
Verweerders hebben - overeenkomstig het advies van de Commissie
voor de bezwaar- en beroepschriften van 26 augustus 1998 - bij
besluit van 22 september 1998 het bezwaar van eiser ongegrond
verklaard.
Standpunt van eiser
Eiser kan zich niet met dit besluit verenigen en heeft aangevoerd
dat het onderzoek van de sociale recherche onvolledig en
onzorgvuldig is geweest. Tussen hen beiden is geen sprake van een
gezamenlijke huishouding. Eiser heeft zijn hoofdverblijf in B.
Verweerders hebben de aan X toegekende Abw-uitkering
derhalve ten onrechte van hem teruggevorderd. Eiser heeft zijn
verklaring onder druk afgelegd.
Verweerders hebben verder verzuimd de wettelijke grondslag waarop
het besluit is gebaseerd te vermelden. Alleen al op grond van dit
laatste dient het besluit te worden vernietigd.
Standpunt van verweerders
Verweerders zijn er daarentegen op basis van het onderzoek van de
sociale recherche van overtuigd geraakt dat eiser en X vanaf 1
april 1997 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. In het
bijzonder de verklaringen van eiser en X, in relatie met de
waarnemingen en het overige onderzoek, nopen tot dit standpunt.
Eiser heeft blijkens het proces-verbaal - onder meer - verklaard
dat hij zijn verklaring niet onder druk heeft afgelegd. Hij heeft
zijn verklaring ondertekend.
Wettelijk kader
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw
betreft, de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(hierna: de Wet BMT) in werking getreden.
Daarbij zijn verschillende bepalingen van de Abw gewijzigd.
In artikel XVI, eerste lid, van de Wet
BMT is bepaald dat in de bevoegdheid van de gemeenten
tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben
plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en
verrekening van hetgeen vóór die datum onverschuldigd is
betaald, geen wijziging wordt gebracht.
Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J,
van de Veegwet SZW 1998,
artikel 84, tweede lid, Abw
gewijzigd.
Deze wijziging is op 31 december 1998 in werking getreden.
Aangezien het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode
van 1 april 1997 tot en met 1 februari 1998 zijn op dit geschil
achtereenvolgens van toepassing de bepalingen van de Abw
zoals deze luidden tot 1 juli 1997 en de bepalingen van de Abw
zoals deze luidden van 1 juli 1997 tot 31 december 1998.
Beoordeling van het geschil
In dit geding moet allereerst de vraag worden beantwoord of tussen
eiser en X in de periode van 1 april 1997 tot 1 februari 1998
sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in
artikel 3 Abw.
De rechtbank heeft deze vraag
in de uitspraak van heden met het nr. Awb 99/1028 NABW bevestigend
beantwoord. Kortheidshalve verwijst de rechtbank voor de nadere
motivering van dit oordeel naar deze uitspraak.
Voorts is de rechtbank van
oordeel dat de inkomsten van eiser voldoende moeten worden geacht
om mede in de noodzakelijke kosten van het bestaan van X te
voorzien.
Ingevolge artikel 78 (oud en nieuw), in
samenhang met de
artikelen 81, eerste lid, (oud en nieuw)
wordt, indien de verplichting, bedoeld in artikel 65,
eerste lid (oud en nieuw), Abw, door
belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen, de bijstand
van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand.
Nu vaststaat dat X over de periode van 1 april 1997 tot 1 februari
1998 onverschuldigd bijstand is betaald, waren verweerders
verplicht om over te gaan tot terugvordering van de aan haar
betaalde bijstand over deze periode.
Krachtens artikel 84, tweede lid, Abw
worden, indien de bijstand op grond van artikel 13,
tweede lid, als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar
zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de
verplichtingen, bedoeld in artikel 65,
niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte
kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens
middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3,
bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
De in artikel 84, tweede lid, Abw
bedoelde personen zijn op grond van het derde lid van dit artikel
hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte
gemaakte kosten van bijstand.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad
met betrekking tot artikel 59a, tweede lid, van de oude Algemene
Bijstandswet (ABW) vloeit voort
dat op grond van deze bepaling alleen ten onrechte betaalde
bijstand kan worden teruggevorderd als de bijstand niet als
gezinsbijstand is verleend. Is de bijstand wel als gezinsbijstand
verleend, dan is terugvordering niet mogelijk (zie Hoge
Raad, 3 maart 1995, NJ 1997, nr. 184, en Hoge Raad 23 oktober
1998, JVB 1999, nr. 4).
Aangezien artikel 84, tweede lid, Abw
op dit punt gelijkluidend is aan artikel 59a, tweede lid,
ABW heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad dezelfde betekenis
bij de toepassing van artikel
84, tweede lid, Abw.
Ook de wetgever is deze opvatting toegedaan blijkens de toelichting
op artikel 3, onderdeel J, van de Veegwet SZW 1998, waarbij de
tekst van artikel 84, tweede lid, Abw
juist naar
aanleiding van de jurisprudentie van de Hoge Raad is gewijzigd
(zie Kamerstukken II 1998-1999, 26
239, nr. 3, blz. 10).
Het staat vast dat aan X en haar zoon, met inachtneming van
artikel 4, aanhef en onder c, ten derde, Abw,
gezinsbijstand is verstrekt als bedoeld in artikel 13,
tweede lid, Abw.
Dat betekent dat in dit geval artikel 84,
tweede lid, Abw
niet van
toepassing is en de ten onrechte aan X verstrekte bijstand niet
mede van eiser kan worden teruggevorderd.
Het bestreden besluit tot terugvordering ontbeert dan ook een
wettelijke grondslag, zodat dit besluit niet in stand kan blijven.
Het beroep van eiser zal daarom gegrond worden verklaard.
De rechtbank ziet verder
aanleiding om met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, Awb
het primaire besluit van verweerders van 24
februari 1998 te herroepen, omdat aan dit besluit hetzelfde, niet
te herstellen gebrek kleeft.
Griffierecht en proceskosten
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel
8:74, eerste lid, Awb
tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht
ad ƒ55,-
door de gemeente
Hoogezand-Sappemeer aan eiser wordt vergoed.
De rechtbank acht verder
termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75,
eerste lid, Awb,
te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de
behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken en wijst de gemeente
Hoogezand-Sappemeer aan als de rechtspersoon die deze kosten
aan eiser moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ1440,80,
zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 22 september 1998;
- herroept het besluit van verweerders van 24 februari 1998;
- bepaalt dat de gemeente
Hoogezand-Sappemeer
eiser
het betaalde griffierecht ad ƒ55,-
vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de door eiser gemaakte proceskosten,
welke zijn vastgesteld op ƒ1440,80,
en bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer deze kosten aan
eiser dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door hem uitgesproken op 15 mei 2000, in tegenwoordigheid van W.
Brandsma als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 15 mei 2000.
Bijlage: Staat van kosten.
De rechtbank wijst erop dat
partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van
verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen
instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA6465 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Alkmaar |
| Zaaknummer: |
NABW
99/790 |
| Datum
uitspraak: |
23
mei 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
20
Abw (= 50
Wwb) /
3:2,
3:4 en 3:46
Awb |
| Trefwoorden: |
eigen
woning; tegeldemaking; bezwaring; vervangende huisvesting;
krediethypotheek; zorgvuldigheidsbeginsel;
evenredigheidsbeginsel; motiveringsbeginsel; vordering
wettelijke rente |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing van bijstand in de vorm van een krediethypotheek, omdat
geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van (verdere)
bezwaring van de woning dan wel vervangende huisvesting, beide
tegen redelijke voorwaarden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Alkmaar NABW
99/790
U I T S P R
A A K
op grond van artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht
inzake:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente Den Helder, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 22 maart 1999.
2. Zitting
Datum: 11 april 2000. Eiseres is, daartoe ambtshalve opgeroepen,
in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Swildens, advocaat
te Alkmaar. Verweerder is, eveneens ambtshalve opgeroepen,
verschenen bij gemachtigde W.G.A. Tourlamain, ambtenaar ter
secretarie van verweerders gemeente.
3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt
Op 14 september 1998 heeft eiseres verweerder verzocht om haar in
aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Bij besluit van 9 december 1999, verzonden op 11 december 1999,
heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Hiertegen is namens eiseres bij schrijven van 7 januari 1999 een
bezwaarschrift ingediend als bedoeld in artikel
7:1, eerste lid,
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb), hetwelk door verweerder
op 8 januari 1999 is ontvangen.
Bij besluit van 22 maart 1999, verzonden op 30 maart 1999, heeft
verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiseres bij schrijven van 3 mei 1999,
door de rechtbank ontvangen op 4 mei 1999, beroep ingesteld.
Bij schrijven van 27 mei 1999 heeft verweerder een verweerschrift
ingediend.
Bij brief van 20 januari 2000 heeft de gemachtigde van eiseres de
gronden van het beroep aangevuld.
Vervolgens is het geding ter zitting van 11 april 2000 behandeld.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
Artikel 20 van de Abw luidt:
-1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn
gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft recht op bijstand
voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders
dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend
erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
-2.
Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op
algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek:
a. indien de bijstand over een periode van één jaar, te rekenen
vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar
verwachting meer bedraagt dan het nettominimumloon, bedoeld in
artikel 55, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in
de woning met bijbehorend erf op grond van het derde lid niet
buiten beschouwing blijft.
-3. Van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf
blijft buiten beschouwing:
a.
ƒ15.000,- alsmede de helft van het
meerdere, doch in totaal ten hoogste
ƒ60.000,-; en
b. het bedrag
waarmee het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige
overige vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke
vermogensgrens, genoemd in artikel 54.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd
dat niet is gebleken dat, gelet op de huidige overwaarde van de
woning waarvan eiseres mede-eigenaar is, van eiseres niet in
redelijkheid zou mogen worden verlangd dat zij haar aandeel in de
overwaarde van de woning te gelde maakt. Daardoor zou zij de
beschikking kunnen krijgen over een bedrag van
ƒ62.729,24 en
daarmee - ook na aftrek van het vrij te laten vermogen - nog
geruime tijd zelf kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van
het bestaan.
Eiseres kan zich met het besluit niet verenigen. Zij voert daartoe
allereerst aan dat van haar niet gevergd kan worden dat zij
overgaat tot verkoop van de woning, omdat de woning uitermate
geschikt is voor de huisvesting van haar gezin, de maandelijkse
lasten niet buitensporig hoog zijn te noemen, het in het belang
van de kinderen is om op te groeien in de vertrouwde omgeving en
eiseres moeilijk een ruime eengezinswoning zal kunnen vinden in B,
terwijl - voor zover dit al zou lukken - de huurprijs van een
dergelijke woning fors zal zijn. Bovendien heeft verweerder ten
onrechte niet de vermogensvrijstelling van artikel 20,
derde lid, van de Abw
toegepast. Ter zitting is namens eiseres gesteld dat tot een
bedrag van
ƒ23.029,94 bijstand in de vorm van een hypothecaire
geldlening had moeten worden verstrekt en dat eiseres aansluitend
recht heeft op een bijstandsuitkering om niet.
Partijen houdt verdeeld de vraag of tegeldemaking van het in
genoemde woning gebonden vermogen in redelijkheid niet van eiseres
kan worden verlangd. De rechtbank
overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de huidige
redactie van artikel 20, eerste lid, van de
Abw
heeft beoogd te
verduidelijken dat het vermogen in de eigen woning in zijn geheel
buiten beschouwing kan blijven bij de beoordeling van de vraag of
de belanghebbende voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het
tweede lid van genoemd artikel 20 regelt uitsluitend de vraag of
de in zo'n situatie te verlenen bijstand de vorm heeft van een
hypothecaire lening of als een bedrag om niet wordt verstrekt
(Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 19, blz. 6 en 7). De
achterliggende gedachte bij de invoering van artikel 20 van de
Abw
is dat het in de woning gebonden vermogen middelen zijn welke
veelal niet kunnen worden gebruikt om in het bestaan te voorzien,
tenzij de belanghebbende de woning (verder) bezwaart of te gelde
maakt. Aangezien een potentiële kredietverstrekker - voordat hij
overgaat tot verstrekking van een hypothecaire geldlening - zowel
de overwaarde op de woning als het inkomen van de belanghebbende
in ogenschouw zal nemen, zal bezwaring niet altijd mogelijk zijn.
Tegeldemaking van de woning om aldus over het in de woning
gebonden vermogen te kunnen beschikken, impliceert dat vervangende
huisvesting mogelijk moet zijn.
De rechtbank constateert dat uit de redactie van
artikel 20,
eerste lid, van de Abw
in samenhang met het tweede lid van dit
artikel volgt dat (ook) sprake kan zijn van de situatie dat
tegeldemaking of (verdere) bezwaring van het in de woning gebonden
vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zodat recht op
algemene bijstand bestaat indien het in de woning gebonden
vermogen meer dan
ƒ60.000,- bedraagt. Derhalve oordeelt de
rechtbank dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende
motivering dat het in de woning gebonden vermogen van eiseres
ƒ62.729,94
bedraagt onvoldoende is om te kunnen concluderen dat
tegeldemaking van eiseres kan worden verlangd. Gelet op hetgeen
hiervoor is overwogen omvat verweerders onderzoekstaak in het
kader van de toetsing van een bijstandsaanvraag aan artikel
20,
eerste lid, van de Abw
naar het oordeel van de rechtbank in ieder
geval een onderzoek naar de vraag of (verdere) bezwaring en/of
vervangende huisvesting mogelijk is, beide tegen redelijke
voorwaarden. Verweerder heeft nagelaten een dergelijk onderzoek te
verrichten.
Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit
vernietigd dient te worden wegens strijd met het in artikel 3:2
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde
zorgvuldigheidsbeginsel, met het in artikel
3:4, eerste lid, van
de Awb
neergelegde beginsel dat het bestuursorgaan de rechtstreeks
bij het besluit betrokken belangen afweegt en met het
motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:46 van de
Awb.
Het namens eiseres gedane verzoek om wettelijke rente dient te
worden afgewezen, aangezien uit deze uitspraak niet zonder meer
volgt dat eiseres naar aanleiding van haar aanvraag om
bijstandsuitkering d.d. 14 september 1998 per laatstgenoemde datum
alsnog recht op uitkering ingevolge de Abw
kan doen gelden.
Het namens eiseres gedane verzoek om een overweging ten
overvloede, waarin de rechtbank aangeeft of, en zo ja, vanaf welke
datum eiseres recht heeft op bijstand om niet, wordt om dezelfde
reden afgewezen.
Proceskosten
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:75
van de Awb
is de rechtbank
bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die
een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij
de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en worden bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Deze nadere
regels zijn vastgesteld bij Koninklijk besluit van 22 december
1993, Stb. 1993, 763 (het Besluit proceskosten
bestuursrecht).
Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding verweerder te
veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling
van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn
met toepassing van het genoemde Besluit proceskosten
bestuursrecht begroot op
ƒ1420,- als kosten van door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand. De genoemde kosten dienen, aangezien
eiseres met een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand
heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75,
tweede lid, van de Awb
te
worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.
Beslist is als volgt.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de gemeente Den
Helder aan eiseres het griffierecht
ad ƒ60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres
redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van ƒ1420,-;
- wijst de gemeente Den Helder aan als de rechtspersoon die de
proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan
aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te
Alkmaar.
Aldus gewezen door mr. E.M. van der Linde, lid van de enkelvoudige
kamer, in tegenwoordigheid van C.H. Kuiper als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 23 mei 2000 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Roubos als
griffier.
De griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan
gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van
verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van
de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van
Beroep, postbus
16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u
de uitspraak niet juist vindt.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA6590 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/5792 NABW |
| Datum
uitspraak: |
19
juli 2000 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7 Abw
(= 11 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander;
verblijfsvergunning; Turken |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand, niet omdat betrokken vreemdeling hangende
de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een aanvraag om
verblijfsvergunning dient te worden gelijkgesteld met een
Nederlander, maar omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid mag
worden gemaakt naar nationaliteit. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
's-Gravenhage AWB
00/5792 NABW
U I T S P R
A A K
ingevolge artikel 8:84
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) inzake:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats], verzoeker,
tegen
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag, verweerder.
1. Gevraagde voorlopige voorziening
Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81
Awb
is
verzocht ten aanzien van het in bezwaar bestreden besluit van
verweerder van 27 april 2000, documentnummer 383632, waarbij de
uitkering van verzoeker ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw)
ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan
ingaande 25 mei 2000 is beëindigd.
2. Zitting
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting
van 10 juli 2000.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. T.E.
van Dijk.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.
3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid,
Awb
kan, indien tegen een
besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank
die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de
bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de
president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet
bindend voor de beslissing in die procedure.
De Staatssecretaris van Justitie heeft het administratief beroep
van verzoeker - die al sedert 1988 verblijf in Nederland zou
houden - gericht tegen de beschikking van 18 juli 1997 waarbij op
de aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel klemmende
redenen van humanitaire aard afwijzend is beslist, ongegrond
verklaard bij beschikking van 20 juli 1999.
Verzoeker heeft tegen die beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.
Gedurende die procedure (geregistreerd onder nummer AWB 99/7302
VRWET) is verzoeker volgens het schrijven van bedoelde
Staatssecretaris d.d. 20 juli 1999 op grond van artikel 22,
eerste lid, Vreemdelingenwet uitstel van vertrek verleend gedurende
de behandeling van het beroep.
De Staatssecretaris van Justitie heeft bij schrijven van 15
december 1999 (Crv nummer 802.618.4848) verzoeker tevens bericht
dat zijn schriftelijke verzoek om toelating op grond van de
tijdelijke witte-illegalenregeling is ontvangen en dat, zodra
blijkt dat het verzoek aan alle voorwaarden van de tijdelijke
regeling witte illegalen voldoet, het verzoek ter advisering zal
worden voorgelegd aan de commissie van burgemeesters. Het is
verzoeker toegestaan om de behandeling van dit verzoek in
Nederland af te wachten.
Verweerder heeft aan verzoeker met ingang van 22 december 1997
ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan een
uitkering ingevolge de Abw verstrekt.
Verweerder heeft deze uitkering met ingang van 1 augustus 1998 beëindigd
en daartoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker
vanaf 1 juli 1998, datum waarop de zogenoemde Koppelingswet
in
werking is getreden, niet rechtmatig in Nederland verblijft in de
zin van de Abw en tevens op grond van de nadere regelgeving niet
gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander.
Verweerder heeft de uitkering van verzoeker na de uitspraak van
de president van de rechtbank
in de procedure onder nummer AWB
98/5394 NABW gecontinueerd.
Verweerder heeft die uitkering bij het thans in bezwaar bestreden
besluit met ingang van 25 mei 2000 beëindigd.
Verweerder heeft daartoe bij het bestreden besluit overwogen:
"Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven hebben
in het algemeen recht op uitkering. Voor de Abw
zijn dat
vreemdelingen die onvoorwaardelijk zijn toegelaten in Nederland
(of op grond van een verblijfsvergunning met een beperking) en
EU-onderdanen die hier niet in strijd met Europese regels
verblijven. Ook vreemdelingen die tijdig verlenging van de
verblijfsvergunning hebben aangevraagd of tijdig bezwaar of beroep
hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating
worden, op grond van nadere regelgeving, gelijkgesteld met een
Nederlander.
Uit onderzoek is gebleken dat u niet rechtmatig in Nederland
verblijft in de zin van de Abw en tevens op grond van de nadere
regelgeving niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander.
Van toepassing zijn artikel 7, tweede
lid, Abw, artikel
1b, aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet en het Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz."
Verzoeker heeft op de in het bezwaarschrift genoemde gronden
bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoeker heeft de gronden van het bezwaar in het verzoekschrift
aangevuld en geadstrueerd met aanvullende stukken.
Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet
in werking
getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer
de bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van
verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen.
Zo ook is artikel 7 Abw
gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als
volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen
beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de
vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig
toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan
wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de
intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag,
dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Artikel 1b Vw luidt, voor zover in dit geding van belang:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van
toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf
houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...).
De AMvB als bedoeld in artikel 7, onder
3 [derde lid, red.], is het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit).
In artikel 1, eerste lid, daarvan is - voor zover van belang - bepaald
dat voor de toepassing van de Abw met een Nederlander wordt
gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, Vw:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of
33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel
6:11
Awb
toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel
1b, aanhef en onder 1, Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het
eerste lid,
zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is
beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker aan het
bepaalde in artikel 7, onder 2 [tweede
lid, red.], van de Abw geen aanspraak op
gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen. Er is immers geen
sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw.
Verzoeker kan evenmin aanspraak ontlenen op gelijkstelling met een
Nederlander aan het bepaalde bij en krachtens artikel 7, onder
3 [derde lid, red.],
van de Abw. De in die bepaling genoemde
AMvB, te weten het
hiervoor aangehaalde besluit, voorziet niet in een geval als dat
van verzoeker, aangezien hij nimmer rechtmatig verblijf in
Nederland in de zin artikel 1b, aanhef en onder 1 van de Vw heeft
gehouden.
Verzoeker heeft aangevoerd dat een verblijfsrecht als bedoeld in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw aangemerkt moet worden als
een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in artikel
11.a van het Europees verdrag betreffende sociale en medische
bijstand (EVSMB), waarbij Turkije eveneens partij is en dat
verzoeker daarom uit dien hoofde aanspraak heeft op een uitkering
ingevolge de Abw.
Artikel 1 van het EVSMB bepaalt dat onderdanen van de
verdragstaten die zich rechtmatig ophouden in één van de andere
verdragstaten en die niet beschikken over voldoende middelen
dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als
eigen onderdanen.
Artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB bepaalt - voor zover hier van
belang - dat het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied
van één der verdragsluitende partijen als rechtmatig in de zin van
dit verdrag wordt beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs-
of een soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van
de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het
verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig
verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot
verwijdering tegen betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij
schorsing van de uitvoering wordt verleend.
De president is van oordeel dat het niet uitgesloten moet worden
geacht dat de hoogste rechter in zaken als de onderhavige
uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat, indien er zich ten
aanzien van een onderdaan van één van de verdragsluitende staten
een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3,
van de Vw, er sprake is van een "soortgelijke
vergunning" en derhalve van rechtmatig verblijf in Nederland
in de zin van het EVSMB.
Geconcludeerd moet worden dat, nu uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 20 juli 1999 volgt dat verzoeker
uitstel van vertrek is verleend gedurende de behandeling van het
beroep tegen de beslissing van 20 juli 1999 en het verzoeker op
grond van de inhoud van de brief van de Staatssecretaris van
Justitie d.d. 15 december 1999 is toegestaan om de behandeling van
het verzoek om toelating op grond van de tijdelijke witte-illegalenregeling in Nederland af te wachten, er sprake is van de
in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw bedoelde situatie dat
uitzetting van verzoeker, in afwachting van de - definitieve -
beslissing op een aanvraag om toelating op grond van een
beschikking ingevolge de Vw achterwege dient te blijven.
Gelet hierop moeten de belangen van verzoeker bij het treffen van
een voorziening als verzocht bijzonder groot worden geacht.
In aanmerking nemend de wederzijdse belangen is de president van
oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen
is.
Voor zover verzoeker zich heeft beroepen op de uitspraak van de
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 1999 (nr.
98/8513 NABW), waarin is geoordeeld dat het in het kader van de
toepassing van de Koppelingswet bij beëindiging van de
bijstandsuitkering gemaakte onderscheid naar nationaliteit in
strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, overweegt de president dat
verzoeker naar haar voorlopig oordeel is te vatten onder de in
genoemde uitspraak van de rechtbank onderscheiden categorie 2 van
vreemdelingen ten aanzien waarvan dat oordeel geldt.
Onder genoemde categorie wordt geschaard de groep vreemdelingen
die, zoals in casu het geval, op het moment van de
inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 bijstand
ontving en voor wie de inwerkingtreding heeft geleid tot beëindiging
van de bijstandsuitkering.
Het voorgaande leidt de president tot het oordeel dat het het
verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Awb
voor inwilliging
in aanmerking komt.
Derhalve ziet de president aanleiding het bestreden besluit te
schorsen en te bepalen dat aan verzoeker met ingang van 25 mei
2000 bijstandsuitkering dient te worden toegekend, berekend naar
de voor hem geldende norm.
De president ziet voorts aanleiding verweerder op de voet van het Besluit proceskosten
bestuursrecht te veroordelen in de door
verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte
proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld op 1 punt
voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting
in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1, ƒ710,- per punt, in totaal
ƒ1420,-).
Aangezien ten behoeve van verzoeker ter zake van dit verzoek een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,
dient ingevolge artikel 8:85, tweede lid,
Awb
de betaling van dit
bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank.
4. Beslissing
De president van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
toe in dier voege dat het besluit van verweerder
van 27 april 2000 wordt geschorst onder de bepaling
dat aan verzoeker een uitkering ingevolge de Abw
naar de voor hem
geldende norm wordt verstrekt met ingang van 25 mei 2000;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan verzoeker
het door deze betaalde griffierecht, zijnde
ƒ60,-, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten ad
ƒ1420,- onder
aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze
kosten aan de griffier dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. E.R. Houweling, als fungerend president, en
in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2000, in tegenwoordigheid
van de griffier.
Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
JURISPRUDENTIE --- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA6591 |
|
Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
|
Zaaknummer: |
AWB 00/5032 |
|
Datum uitspraak: |
11
juli 2000 |
|
Soort procedure: |
voorlopige
voorziening |
|
Bron: |
Rechtspraak.nl |
|
Wetsartikelen: |
art.
7 Abw
(= 11 Wwb) |
|
Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; gelijkstelling met Nederlander;
verblijfsvergunning; Turken |
|
Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand, niet omdat betrokken vreemdeling hangende
de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een aanvraag om
verblijfsvergunning dient te worden gelijkgesteld met een
Nederlander, maar omdat na de inwerkingtreding van de
Koppelingswet in kort geding recht op bijstand is vastgesteld
terugwerkend naar een tijdstip gelegen vóór inwerkingtreding
van de Koppelingswet, zodat geen sprake is van beëindiging van
de bijstand door die inwerkingtreding. |
Transponeringstabel Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
's-Gravenhage AWB
00/5032
U I T S P R
A A K
ingevolge artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) inzake:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats], verzoeker,
tegen
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag, verweerder.
1. Gevraagde voorlopige voorziening
Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81
Awb
is
verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 27 april
2000, kenmerk 383354, waarbij verzoekers bijstandsuitkering met
ingang van 25 mei 2000 is beëindigd.
2. Zitting
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting
van 29 juni 2000.
Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld van een tolk en
bijgestaan door mr. M.Ph. de Witte, advocaat te Den Haag.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. A.M.H.W.
van Heerebeek.
3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige
voorziening
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid,
Awb
kan, indien tegen een
besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank
die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de
bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de
president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet
bindend voor de beslissing in die procedure.
Verzoeker is een vreemdeling van Turkse afkomst, die in afwachting
is van de beslissing op bezwaar tegen de afwijzing van een eerste
aanvraag om een verblijfsvergunning.
Bij besluit van 6 juli 1998 heeft verweerder verzoekers aanvraag
om een bijstandsuitkering afgewezen, waartoe is overwogen dat uit
de schriftelijke verklaring van de vreemdelingendienst van 3 juli
1998 is gebleken dat verzoeker zonder instemming van het bevoegd
gezag in Nederland verblijft.
Bij besluit van 7 januari 1999 is hem met ingang van 10 december
1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw)
toegekend. Aanleiding hiervoor was een brief van de
Staatssecretaris van Justitie van laatstgenoemde datum aan
verzoekers advocaat met de mededeling dat, totdat een reële
beslissing op verzoekers bezwaarschrift is genomen, uitzetting
achterwege zal blijven.
Naar aanleiding van een hiertegen ingediend bezwaarschrift is
verzoeker bij besluit van 26 maart 1999 alsnog met ingang van 5
mei 1998 bijstand verleend in verband met het feit dat de
Staatssecretaris van Justitie bij brief van 19 januari 1999
verzoekers advocaat heeft doen weten dat verzoeker vanaf de
indiening van het bezwaarschrift van 5 mei 1998 totdat een reële
beslissing op het bezwaarschrift is genomen rechtmatig hier te
lande verblijft.
Bij het thans bestreden besluit is verzoekers bijstandsuitkering
naar aanleiding van de als gevolg van het arrest van het gerechtshof te
Den Haag van 20 januari 2000 door de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgebrachte Circulaire van
17 februari 2000 met ingang van 25 mei 2000 beëindigd.
Hiertegen is bij schrijven van 3 mei 2000 bezwaar gemaakt. Bij
brief van gelijke datum is de president verzocht een voorlopige
voorziening te treffen.
De president overweegt het volgende.
Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet
in werking
getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer
de bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van
verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen.
Zo ook is artikel 7 Abw
gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als
volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen
beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen
waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te
hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1,
Vw,
tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd,
dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de
intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag,
dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Artikel 1b Vw luidt, voor zover in dit geding van belang:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van
toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf
houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...).
De AMvB als bedoeld in artikel 7, onder
3 [derde lid, red.], is het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit).
In artikel 1, eerste lid, daarvan is - voor zover van belang - bepaald
dat voor de toepassing van de Abw
met een Nederlander wordt
gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, Vw:
a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of
33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel
6:11
Awb
toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel
1b, aanhef en onder 1, Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het
eerste lid,
zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is
beslist,
of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker aan het
bepaalde in artikel 7, onder 2 [tweede
lid, red.], van de Abw
geen aanspraak op
gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen. Er is immers geen
sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw.
Verzoeker kan evenmin aanspraak ontlenen op gelijkstelling met een
Nederlander aan het bepaalde bij en krachtens artikel 7, onder
3 [derde lid, red.],
van de Abw. De in die bepaling genoemde
AMvB, te weten het
hiervoor aangehaalde besluit, voorziet niet in een geval als dat
van verzoeker, aangezien hij nimmer rechtmatig verblijf in
Nederland in de zin artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw heeft
gehouden.
Voor zover verzoeker zich heeft beroepen op de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage van 28 oktober 1999 (nr.
98/8513 NABW), waarin is geoordeeld dat het in het kader van de
toepassing van de Koppelingswet bij beëindiging van de
bijstandsuitkering gemaakte onderscheid naar nationaliteit in
strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, overweegt de president dat
verzoeker naar haar voorlopig oordeel niet is te vatten onder de
in genoemde uitspraak van de rechtbank onderscheiden categorie 2
van vreemdelingen ten aanzien waarvan dat oordeel geldt. Onder
genoemde categorie wordt geschaard de groep vreemdelingen die op
het moment van de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli
1998 bijstand ontving en voor wie de inwerkingtreding heeft geleid
tot beëindiging van de bijstandsuitkering. De president is
vooralsnog van oordeel dat het te ver voert om ten aanzien van een
vreemdeling als verzoeker die - als gevolg van het vonnis van 7
oktober 1998 van de president van de rechtbank 's-Gravenhage in
kort geding - met terugwerkende kracht met ingang van een datum
gelegen vóór de inwerkingtreding van de Koppelingswet in het
genot van een bijstandsuitkering is gesteld, het standpunt te
hanteren dat de overheid niet alleen in zijn verblijf hier te
lande heeft berust, maar dat door de bijstandverlening ook
mogelijk gemaakt heeft.
Van een situatie waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van de
Koppelingswet bijstand werd ontvangen, welke bijstand door die
inwerkingtreding is beëindigd, is geen sprake.
Verzoeker heeft tevens aangevoerd dat een verblijfsrecht als
bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw aangemerkt moet
worden als een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in
artikel 11.a van het Europees verdrag betreffende sociale en
medische bijstand (EVSMB), waarbij Turkije eveneens partij is en
dat verzoeker daarom uit dien hoofde aanspraak heeft op een
uitkering ingevolge de Abw.
Artikel 1 van het EVSMB bepaalt dat onderdanen van de
verdragstaten die zich rechtmatig ophouden in één van de andere
verdragstaten en die niet beschikken over voldoende middelen
dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als
eigen onderdanen.
Artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB bepaalt - voor zover hier van
belang - dat het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied
van één der verdragsluitende partijen als rechtmatig in de zin van
dit verdrag wordt beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs-
of een soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van
de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het
verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig
verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot
verwijdering tegen betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij
schorsing van de uitvoering wordt verleend.
De president is van oordeel dat het niet uitgesloten moet worden
geacht dat de hoogste rechter in zaken als de onderhavige
uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat, indien er zich ten
aanzien van een onderdaan van één van de verdragsluitende staten
een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3,
van de Vw, er sprake is van een "soortgelijke
vergunning" en derhalve van rechtmatig verblijf in Nederland
in de zin van het EVSMB.
Geconcludeerd moet worden dat, nu uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 19 januari 1999 volgt dat
verzoeker vanaf de indiening van het bezwaarschrift van 5 mei 1998
totdat een reële beslissing op het bezwaarschrift is genomen niet
zal worden uitgezet, er sprake is van de in artikel 1b, aanhef en
onder 3, van de Vw bedoelde situatie dat uitzetting van verzoeker,
in afwachting van de - definitieve - beslissing op een aanvraag om
toelating op grond van een beschikking ingevolge de Vw achterwege
dient te blijven.
Gelet hierop moeten de belangen van verzoeker bij het treffen van
een voorziening als verzocht bijzonder groot worden geacht.
In aanmerking nemend de wederzijdse belangen is de president van
oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen
is.
Het voorgaande leidt de president tot het oordeel dat het het
verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Awb
voor inwilliging
in aanmerking komt.
Derhalve ziet de president aanleiding het bestreden besluit te
schorsen en te bepalen dat aan verzoeker met ingang van 25 mei
2000 bijstandsuitkering dient te worden toegekend, berekend naar
de voor hem geldende norm.
De president ziet voorts aanleiding verweerder op de voet van het Besluit proceskosten
bestuursrecht te veroordelen in de door
verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte
proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld op 1 punt
voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting
in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1, ƒ710,- per punt, in totaal
ƒ1420,-).
4.
Beslissing
De president van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
schorst verweerders besluit van 27 april 2000 met kenmerk 383354;
bepaalt dat verweerder verzoeker met ingang van 25 mei 2000 een
bijstandsuitkering dient toe te kennen, berekend naar de voor hem
geldende norm;
veroordeelt verweerder in de kosten ad ƒ1420,-, onder
aanwijzing van de gemeente Den
Haag
als rechtspersoon die deze
kosten aan verzoeker dient te vergoeden;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan verzoeker
het door deze betaalde griffierecht, zijnde
ƒ60,-, vergoedt.
Aldus gegeven door mr. E.R. Houweling, als fungerend president, en
in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2000, in tegenwoordigheid
van de griffier.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AA6711 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB 99/1073 NABW V13 |
| Datum
uitspraak: |
4
augustus 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65,
69,
78 en 81 Abw
(= 17, 54,
58 en 58
Wwb)
/
XVI
Wet BMT /
7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten; fictief
inkomen; zwartwerk; schending inlichtingenverplichting; herziening bijstand; terugvordering;
gebruikelijke vakantieduur; zesmaandenjurisprudentie; dringende
redenen; contra-legemcriterium; motiveringsbeginsel; anonieme
tip; fraude |
| Essentie: |
Onjuiste
berekening terugvordering van fictief inkomen uit verzwegen
arbeid in een café, omdat ten onrechte de gebruikelijke
vakantieduur buiten beschouwing is gelaten. Zowel dringende
redenen tot mitigering van de terugvordering als de
zesmaandenjurisprudentie (geldend vóór 1 juli 1997) zijn hier
niet van toepassing. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
99/1073 NABW V13
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres],
wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mw. mr. A.A. Kootstra,
advocaat en procureur te Groningen,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 30 september 1999 het
bezwaarschrift van eiseres tegen hun besluit van 12 mei 1999,
waarbij het recht op uitkering van eiseres op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) over de periode van 1 september 1996
tot en met 31 augustus 1998 is herzien en als gevolg daarvan een
bedrag van ƒ26.947,62 van eiseres is teruggevorderd, ongegrond
verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 4 november
1999 (met bijlagen) op nader in het beroepschrift aangegeven
gronden beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 2 december 1999 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank
toegezonden, alsmede een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 december 1999 heeft eiseres van repliek gediend.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 16 juni 1999.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van der
Veen.
Verweerders hebben zich niet doen vertegenwoordigen.
2. Rechtsoverwegingen
De feiten
Eiseres ontving (laatstelijk) met ingang van 1 januari 1996 een
uitkering op grond van de Abw
naar de norm van een alleenstaande.
Op 17 december 1998 hebben verweerders een anonieme brief
ontvangen waarin wordt gesteld dat eiseres werkzaamheden heeft
verricht in café X te B in een periode waarin zij tevens
uitkering ontving. Verweerders hebben hierin aanleiding gezien
voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres
verstrekte uitkering.
Blijkens het rapport sociale recherche van 25 januari 1999 heeft
eiseres in de periode september 1996 tot september 1998 gedurende
twee avonden per week werkzaamheden verricht in Café X te B.
Zowel eiseres als de eigenaresse van bedoeld café hebben dit
verklaard. Verder hebben beiden verklaard dat eiseres voor haar
werkzaamheden niet betaald heeft gekregen.
Het rapport eindigt met de conclusie dat eiseres heeft verzuimd
alle inlichtingen te verstrekken welke noodzakelijk zijn voor het
vaststellen van het recht op uitkering.
Bij besluit van 12 mei 1999 hebben verweerders de aan eiseres
toegekende uitkering ingevolge de Abw
over de periode 1 september
1996 tot en met 31 augustus 1998 herzien en een bedrag van ƒ26.947,62 van haar teruggevorderd.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 mei 1999 een bezwaarschrift
ingediend bij verweerders, waarna eiseres op 30 augustus 1999 is
gehoord.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders, overeenkomstig het
advies van de Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, het
bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Het van toepassing zijnde recht
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw
betreft, de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25
april 1996, Stb. 1996, 248), houdende onder meer wijziging van
de Abw, in werking getreden (hierna te noemen: de Wet BMT).
Op grond van het eerste lid van artikel XVI
van de Wet BMT
wordt in de bevoegdheid van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en de
gemeenten tot
weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben
plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet,
alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van
hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging
gebracht.
Nu het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode van 1
september 1996 tot en met 31 augustus 1998 dient het recht op
uitkering beoordeeld te worden aan de hand van respectievelijk de Abw
zoals deze vóór 1 juli 1997 luidde en de Abw zoals deze vanaf
1 juli 1997 luidt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op
bijstand van overheidswege.
Op grond van artikel 65, eerste lid, Abw, zoals deze bepaling tot
1 juli 1997 luidde, doet de belanghebbende aan burgemeester en
wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de
voorzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van
bewijsstukken.
Ingevolge laatstgenoemd artikellid, zoals dit met ingang van 1
juli 1997 is komen te luiden, doet de belanghebbende aan
burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen
beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op
bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag
van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Het derde lid bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan
burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen
die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze
wet.
Ingevolge artikel 69, derde lid, Abw, zoals dit artikel sinds 1
juli 1997 luidt, herzien burgemeester en wethouders, onverminderd
het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of
intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake
van weigering van bijstand, een dergelijk besluit of trekken zij
dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel
14,
eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot
een te hoog bedrag is verleend.
In artikel 78, eerste lid, Abw, is bepaald dat kosten van bijstand
door de gemeente worden teruggevorderd in de gevallen en naar de
regels aangegeven in deze paragraaf.
Op grond van artikel 78, derde lid, Abw, zoals deze bepaling luidde
ten tijde hier in geding, kan geheel of gedeeltelijk van
terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
Ingevolge artikel 81, eerste lid, Abw, zoals dat tot 1 juli 1997
luidde, wordt de bijstand van de belanghebbende teruggevorderd
indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, niet of niet
behoorlijk door hem is nagekomen.
Krachtens artikel 81, eerste lid, Abw, zoals dat vanaf 1 juli 1997
is komen te luiden, wordt bijstand die als gevolg van een besluit
als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte
of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende
teruggevorderd.
Beoordeling van het geschil
Blijkens een proces-verbaal van de sociale recherche van 15
december 1998 heeft eiseres verklaard dat zij gedurende ongeveer
twee jaar wekelijks op de woensdag- en de zaterdagavond van 19.00
uur tot circa 02.00 uur achter de bar heeft gestaan in café X te
B. Zij heeft deze werkzaamheden vanwege haar gezondheid beëindigd
in september 1998. Zij is bevriend met de eigenaresse van
voornoemd café, mw. Y, en heeft deze werkzaamheden verricht bij
wijze van vriendendienst. Zij heeft daarvoor nimmer geld
ontvangen.
Blijkens haar ten overstaan van de sociale recherche afgelegde
verklaring van 25 januari 1999 heeft mw. Y voornoemd de
verklaring van eiseres onderschreven.
Voormelde verklaringen hebben ten grondslag gelegen aan het
besluit van verweerders tot herziening en terugvordering van de
uitkering van eiseres.
Met verweerders is de rechtbank
van oordeel dat de activiteiten
die eiseres heeft verricht, beschouwd kunnen worden als
werkzaamheden van productieve aard waarvoor zij loon had kunnen
bedingen en die zij had dienen te melden aan verweerders.
Gelet op het vorenstaande hebben verweerders naar het oordeel van
de rechtbank
in voldoende mate aangetoond dat eiseres niet heeft
voldaan aan de op haar rustende, in artikel
65, eerste lid, Abw
neergelegde inlichtingenverplichting.
De - ter terechtzitting van de rechtbank geponeerde - stelling van
eiseres dat verweerders van september 1996 tot en met december
1996 hebben geaccepteerd dat zij inlichtingenformulieren inleverde
waarop zij aangaf dat zij werkte en inkomsten had, doet hieraan
niet af. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van de
betrokken inlichtingenformulieren. Daarop is integendeel
aangegeven dat zij niet werkte en geen inkomsten had. Deze
stelling ontbeert dan ook een juiste feitelijke grondslag en kan
reeds daarom niet slagen.
Gezien het hiervoor overwogene zijn verweerders terecht tot
herziening van het recht op bijstand overgegaan.
Niettemin kan de wijze waarop verweerders de uitkering hebben
herzien de toets der kritiek niet doorstaan.
De rechtbank
is uit de door verweerders ingediende gedingstukken
gebleken dat verweerders zijn uitgegaan van de volgende rekensom:
het minimumloon per uur x 14 (uren per week) x 52 (weken per jaar)
x 2 (jaren).
De rechtbank
is van oordeel dat bij een schatting van de genoten
inkomsten zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de
werkelijke situatie. In dat verband is het niet reëel ervan uit
te gaan dat iemand gedurende 52 weken per jaar werkt (zelfs niet
in een horecagelegenheid). Verweerders hadden in ieder geval
rekening dienen te houden met een vakantieperiode. De
gebruikelijke vakantieperiode kan voor de Abw
op vier weken worden
gesteld. Dat verweerders, zoals eiseres heeft gesteld, rekening
hadden te houden met de arbeidsongeschiktheid van eiseres bij het
bepalen van de hoogte van de inkomsten die eiseres zou kunnen
verdienen, kan de rechtbank niet onderschrijven. Daarbij kan nog
worden opgemerkt dat eiseres haar voormelde stelling niet heeft
onderbouwd.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat verweerders de
uitkering van eiseres niet op de juiste wijze hebben herzien.
Daaruit volgt tevens dat ook de hoogte van het terug te vorderen
bedrag niet op de juiste wijze is vastgesteld.
Eiseres heeft zich ter zitting onder verwijzing naar bestendige
jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep
(CRvB) voorts ter
zake van de terugvordering nog op het standpunt gesteld dat
verweerders in dit geval niet meer bevoegd waren om over de
periode die is gelegen na 16 mei 1998, zijnde zes maanden na de
ontvangst van de anonieme brief van 16 december 1997, terug te
vorderen. Daartoe heeft zij betoogd dat deze brief, anders dan in
het geval ter zake waarvan de CRvB op 30 december 1998 (nr.
97/11207 ZW) uitspraak heeft gedaan, een dusdanig concrete
fraudemelding bevat dat verweerders volgens de zogenoemde
zesmaandenjurisprudentie van de CRvB niet één jaar hadden mogen
wachten met het instellen van een onderzoek zonder in strijd te
komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank
ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of
een onvoldoende alerte reactie van een bestuursorgaan op signalen
als bedoeld in voornoemde jurisprudentie bij de toepassing van de
terugvorderingsbepalingen van de Abw
aanleiding kan of moet zijn
de terugvorderingsperiode te beperken dan wel de terugvordering
anderszins te matigen, en zo ja, of in dit geval sprake is van
zodanig signaal.
De rechtbank
stelt in dit verband voorop dat de hiervoor bedoelde
jurisprudentie van de CRvB ter zake de termijn waarbinnen een
bestuursorgaan belangrijke signalen dat onverschuldigd uitkering
is betaald (zesmaandenjurisprudentie) dient te hebben verwerkt, is
ontwikkeld bij de toepassing van de terugvorderingsbepalingen in
de socialeverzekeringswetten zoals deze luidden totdat de
Wet BMT
in werking trad, welke bepalingen discretionair van aard
waren.
Het stellen van bedoelde termijn hangt samen met de aan het
bestuursorgaan te stellen eis dat de naleving van de
mededelingsverplichting effectief wordt gecontroleerd. Dit houdt
ook in dat adequaat moet worden gereageerd op aanwijzingen dat
geen of minder recht bestaat op uitkering met het doel om het doen
van onverschuldigde betalingen te beperken. Bij nalatigheid in dit
opzicht zullen bij de terugvordering bepaalde grenzen niet kunnen
worden overschreden zonder in strijd te komen met het
zorgvuldigheidsbeginsel, tenzij sprake is van het opzettelijk
achterhouden van gegevens, met het kennelijk oogmerk om de
uitkering niet in gevaar te brengen. Het zorgvuldigheidsbeginsel
wordt volgens de CRvB niet geschonden geacht bij een beperking van
de terugvorderingsperiode tot zes maanden na ontvangst van het
signaal.
De terugvorderingsbepalingen van de Abw, waaronder het in dit
geding toepasselijke artikel 81, eerste lid, dragen evenwel een
dwingend karakter. Zij verplichten het bestuursorgaan tot
terugvordering van hetgeen ten onrechte of tot een te hoog bedrag
aan bijstand is betaald, behoudens de aanwezigheid van dringende
redenen om van terugvordering af te zien.
Gelet op dit dwingend karakter van de toepasselijke
terugvorderingsbepalingen kan naar het oordeel van de rechtbank
de
zesmaandenjurisprudentie niet zonder meer toepassing vinden.
Aanvaarding van een ander standpunt zou er immers toe leiden dat
schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - in
dit geval het zorgvuldigheidsbeginsel - het bestuursorgaan noopt
tot het handelen in strijd met een - dwingend - wettelijk
voorschrift.
Dit kan volgens bestendige jurisprudentie van de CRvB alleen
worden aanvaard indien zich bijzondere omstandigheden voordoen
waarin strikte toepassing van een dwingende wetsbepaling in die
mate in strijd zou komen met ongeschreven recht dat zij op grond
daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn ("contra-legemcriterium").
Evenmin kan de zesmaandenjurisprudentie als zodanig langs de weg
van toepassing van de in artikel 78, derde lid,
Abw
neergelegde
hardheidsclausule een ingang vinden. Volgens de geschiedenis van
de totstandkoming van deze wetsbepaling kunnen dringende redenen
alleen worden aangenomen in incidentele gevallen gebaseerd op een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden, waarbij
het moet gaan om omstandigheden die voor de betrokkene
onaanvaardbare consequenties met zich brengen. Van een algemene of
categoriale afwijking kan blijkens de wetsgeschiedenis geen sprake
zijn.
Het hanteren van een - vaste - termijn van zes maanden strookt
naar het oordeel van de rechtbank
niet met de aldus verwoorde
bedoeling van de wetgever.
Dit neemt niet weg dat er in het individuele geval dringende
redenen kunnen zijn om in verband met de handelwijze van een
bestuursorgaan jegens betrokkene naar aanleiding van een signaal
als in de jurisprudentie van de CRvB bedoeld, de
terugvorderingsperiode te beperken of het bedrag van de
terugvordering anderszins te matigen.
De vraag of van zodanige redenen sprake is, en zo ja, in welke
mate dit moet leiden tot beperking van de terugvorderingsperiode
of matiging van de terugvordering, dient te worden beantwoord aan
de hand van een op het concrete geval toegesneden, individueel
bepaalde, afweging van alle relevante omstandigheden. Blijkens de
wetsgeschiedenis kunnen daarbij de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwens- en
rechtszekerheidsbeginsel, een rol spelen.
Bij een weinig gerichte en niet voldoende geconcretiseerde melding
is evenwel geen sprake van een signaal als bovenbedoeld, omdat niet
aanstonds duidelijk is dat ten onrechte uitkering wordt betaald.
Alvorens te kunnen overgaan tot een eventuele wijziging in de
uitbetaling van de uitkering, en op deze wijze (verdere)
onverschuldigde betaling te voorkomen, dient hiernaar nader
onderzoek te worden verricht. Vanaf het moment dat een beslissing
over de aanpassing van de uitkering mogelijk is, zal van het
bestuursorgaan een voldoende alerte reactie mogen en moeten worden
verwacht.
De rechtbank
stelt vast dat in dit geval gelet op de aard en de
inhoud van de - anonieme - fraudemelding nader onderzoek
noodzakelijk was. Van een signaal waarop een voldoende alerte
reactie van verweerders mocht en moest worden verwacht, is naar het
oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.
Niet kan dan ook worden gezegd dat verweerders door hun
handelwijze ter zake deze fraudemelding enig algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur hebben geschonden.
Reeds hierom acht de rechtbank in deze door eiseres aangevoerde
omstandigheden geen dringende redenen gelegen om de
terugvorderingsperiode te beperken of het terugvorderingsbedrag
anderszins te matigen. Andere omstandigheden heeft eiseres niet
gesteld.
Nog daargelaten welke praktische betekenis een - afzonderlijke -
toetsing aan het hiervoor vermelde contra-legemcriterium nog
toekomt naast toepassing van de hardheidsclausule, doet zich een
situatie waarbij toetsing aan dat criterium aan de orde is, gezien
het hiervoor overwogene, hier in elk geval niet voor.
Het betoog van eiseres ter zake de periode van terugvordering kan
op grond van vorenstaande overwegingen niet slagen.
In verband met de hiervoor getrokken conclusie dat de wijze waarop
de uitkering van eiseres is herzien en de hoogte van het terug te
vorderen bedrag is vastgesteld de rechterlijke toets niet kunnen
doorstaan, dient het bestreden besluit wegens het ontbreken van
een feitelijk juiste grondslag op grond van artikel
7:12, eerste
lid, Awb te worden vernietigd.
Het beroep van eiseres zal daarom gegrond worden verklaard.
Griffierecht en proceskosten
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel
8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door
eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- aan eiseres wordt
vergoed.
De rechtbank
acht verder termen aanwezig verweerders op de voet
van
artikel 8:75, eerste lid,
Awb te veroordelen in de kosten die
eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de
rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente
Groningen
aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ1775,-.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van verweerders van
30 september 1999;
- bepaalt dat de gemeente
Groningen
eiseres het
betaalde griffierecht ad
ƒ60,00 dient te vergoeden;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres
gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
ƒ1775,-, en
bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient te
betalen.
Aldus gegeven door mr. G. Laman, rechter, en in het openbaar door
haar uitgesproken op 4 augustus 2000, in tegenwoordigheid van H.
Siebers als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 4 augustus 2000.
Bijlage:
Staat van kosten.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep,
postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|