| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA6725 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummers: |
00/511
NABW 58; 00/590 NABW 58 en 00/591 NABW 58 |
| Datum
uitspraak: |
7
juli 2000 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7, 14, 14b,
43, 52, 65,
69, 81 en 82
Abw
(= 7, 18,
–, 31, 34,
17, 54, 58
en 58 Wwb)
/ 8:86
Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
immateriële schadevergoeding; vrijlating; schorsing bijstand;
terugvordering; boete; zwijgrecht; cautie; besteding
oververmogen; weigering bijstand |
| Essentie: |
Terechte
schorsing en terugvordering van de bijstand (plus boete) wegens
(verzwegen) immateriële schadevergoeding van ƒ112.500,-,
waarvan terecht slechts 1/3 deel - vanuit oogpunt van
bijstandverlening verantwoord te achten - buiten beschouwing is
gelaten. Terugvordering en beboeting over de periode waarin nog
niet definitief door de assuradeur was beslist over de
schadeclaim is onterecht. De nieuwe bijstandsaanvraag dient te
worden getoetst op betoond besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in het bestaan, waarbij de wijze van besteding van het
oververmogen kan leiden tot tijdelijke weigering van de
bijstand. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Zutphen 00/511
NABW 58; 00/590 NABW 58 en 00/591 NABW 58
U I T S P R
A A K
op de verzoeken om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de
hoofdzaak, in de geschillen tussen:
[eiser A], wonende te [woonplaats B], verzoeker/eiser, hierna: A,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Harderwijk,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluiten
Besluiten van verweerder van 26 april 2000 en 29 mei 2000.
2. Procesverloop
Bij brief van 30 mei 2000 is namens A door mr. H.A. van der Kleij,
verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te
Zwolle, tegen het besluit van
26 april 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tegen het (primaire)
besluit van 29 mei 2000 is op 23 juni 2000 een bezwaarschrift ingediend.
Bij brief van 26 juni 2000 is ter zake van beide bestreden besluiten
verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 6 juli 2000, waar A in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.A.W.
Walhof.
3. Motivering
3.1. Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om
een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan
hij ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de
bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit
geval, waar het betreft het besluit van 26 april 2000, gebruik gemaakt.
3.2. A is op 26 oktober 1997 als gevolg van een ongeval tijdens het
voetballen lijdend aan een dwarslaesie. Ingaande 27 oktober 1997 is A in
aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Voorts
geniet A een maandelijkse uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van (laatstelijk) ƒ710,57
netto, welke op de bijstand in mindering wordt gebracht.
Ingaande 1 november 1999 is de bijstandsuitkering van A geschorst in
verband met een bij verweerder ontstaan vermoeden dat A zou beschikken
over een vermogen dat het vrij te laten bescheiden vermogen
overschrijdt. Naar aanleiding van de resultaten van een door de sociale
recherche ingesteld onderzoek is bij primair besluit van 21 januari 2000
de bijstandsuitkering ingaande 20 april 1998 ingetrokken. Voorts is
besloten de bijstand over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998,
alsmede de bijstand over de periode 20 april 1998 tot 1 november 1999,
tot een totaalbedrag van ƒ15.238,69 van A terug te vorderen.
Ten slotte is een boete opgelegd van ƒ2300,-.
Bij het bestreden besluit van 26 april 2000 is het bezwaar tegen het
besluit van 21 januari 2000 ongegrond verklaard.
3.3. A heeft op 22 maart 2000 een nieuwe bijstandsaanvraag bij verweerder
ingediend.
Bij besluit van 29 mei 2000 is deze aanvraag afgewezen omdat A niet in
bijstandsbehoeftige omstandigheden zou verkeren.
3.4. Uit het door de sociale recherche ingestelde onderzoek is gebleken
dat aan A in verband met het ongeluk op 26 oktober 1997 op grond van een
door de KNVB afgesloten ongevallenverzekering op 20 april 1998 een
bedrag van ƒ112.500,- is uitgekeerd. Van de ontvangst van dit bedrag
heeft A - naar tussen partijen niet in geschil is - geen melding
gemaakt. Voorts heeft A geen melding gemaakt van diverse opnames en
overboekingen van aanzienlijke geldbedragen in de periode tot augustus
1998 alsmede van de aankoop van een Mazda Xedos 2.5 V6 automaat
(bouwjaar 1996) op 5 februari 1999.
Met partijen kan worden geoordeeld dat het bedrag van ƒ112.5000,-
aangemerkt kan worden als een immateriële schadevergoeding. Door
verweerder is 1/3 van deze schadevergoeding (ƒ37.500,-) in het kader
van de bijstandverlening buiten aanmerking gelaten, naast het vrij te
laten bescheiden vermogen van ƒ9500,-. Verweerder heeft daarbij
toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 52, eerste lid,
onderdeel e,
van de Abw, ingevolge welke bepaling een uitkering in verband met
geleden immateriële schade niet als vermogen in aanmerking wordt
vermogen voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering,
vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is. Namens A wordt
bestreden dat slechts 1/3 van de schadevergoeding voor de
bijstandverlening buiten aanmerking zou moeten worden gelaten.
In dit verband is naar dezerzijds oordeel allereerst van belang te
achten dat het bepaalde in (artikel 43, tweede lid,
onderdeel
j, van de Abw alsmede) artikel
52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw het zonder
meer mogelijk maakt dat een immateriële schadevergoeding voor de
toepassing van de Abw althans gedeeltelijk in aanmerking wordt genomen.
Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3,
blz. 146) heeft de wetgever het niet redelijk geacht om een dergelijke
uitkering geheel als middelen/vermogen in aanmerking te nemen, aangezien
dit zou betekenen dat een bijstandsgerechtigde voor hem aangedaan leed
feitelijk geen compensatie zou kunnen ontvangen. Bij zeer aanzienlijke
uitkeringen kan de bijstandsgerechtigde volgens de wetgever echter in
een zodanige financiële positie komen te verkeren dat het onverkort
buiten beschouwing laten van een dergelijke vergoeding niet in
overeenstemming is met het karakter van de bijstand.
Deze bedoeling van de wetgever beziend, alsmede daarbij in aanmerking
nemende dat bij de beantwoording van de vraag welk deel van de aan A
toegekende schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandverlening
verantwoord buiten aanmerking kan worden gelaten, aan verweerder een
zekere beoordelingsvrijheid niet kan worden ontzegd, is verweerders
standpunt ter zake, inhoudende dat (slechts) 1/3 deel van de vergoeding
buiten aanmerking kan worden gelaten, naar dezerzijds oordeel niet
onredelijk te achten.
Het enkele feit ten slotte dat verweerder voor gevallen als de onderhavige (nog) geen vast beleid heeft geformuleerd, maakt niet dat
verweerders besluitvorming in het onderhavige geval op willekeur zou
berusten.
Gelet op het per 20 april 1998 aanwezig te achten vermogen van ƒ75.000,- en gelet op het feit dat A van dit vermogen geen melding heeft
gemaakt, moet worden geoordeeld dat de bijstand over de periode 20 april
1998 tot 1 november 1999 door verweerder op voet van artikel
69, derde
lid, van de Abw terecht is herzien. Voorts is
- gelet op het bepaalde in
artikel 81, eerste lid, van de Abw - evenzeer op goede gronden overgegaan
tot terugvordering van de over laatstbedoelde periode verstrekte
bijstand. Gesteld noch gebleken is in dit verband van dringende redenen
welke verweerder zouden nopen geheel of gedeeltelijk van herziening dan
wel terugvordering van de bijstand af te zien.
3.5. Met betrekking tot de terugvordering over de periode 27 oktober 1997
tot 20 april 1998 wordt opgemerkt dat verweerder deze baseert op het
bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Ingevolge dit artikel worden kosten van bijstand
teruggevorderd voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot
de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen
middelen beschikt of kan beschikken.
In aanmerking genomen dat A eerst op 20 april 1998 de beschikking kreeg
over het bedrag van de immateriële schadevergoeding en vóór
laatstgenoemde datum slechts sprake was van een schadeclaim waarop door
de assuradeur nog niet definitief was beslist, kan naar dezerzijds
oordeel niet gesteld worden dat de op 20 april 1998 ter beschikking
gestelde schadevergoeding (mede) betrekking zou hebben op de periode 27
oktober 1997 tot 20 april 1998.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte de over de periode
27 oktober 1997 tot 20 april 1998 verstrekte bijstand op grond van
artikel 82 Abw van A teruggevorderd.
Mitsdien komt het besluit van 26 april 2000 - in zoverre daarbij de
terugvordering over bedoelde periode is gehandhaafd - voor vernietiging
in aanmerking en zal door verweerder in zoverre nader op het bezwaar
dienen te worden beslist.
3.6. Met betrekking tot de opgelegde boete ad ƒ2300,- wordt overwogen
dat verweerder de hoogte van die boete heeft gebaseerd op (15% van) het
totale fraudebedrag ad ƒ15.238,69, derhalve - gelet op het onder 3.5
overwogene - ten onrechte mede op het over de periode 27 oktober 1997
tot 20 april 1998 teruggevorderde bedrag. In verband hiermee komt het
besluit van 26 april 2000 derhalve eveneens voor vernietiging in
aanmerking in zoverre daarbij de opgelegde boete op ƒ2300,- is
gehandhaafd. Verweerder zal ook op dit punt nader op het bezwaar dienen
te beslissen.
Met betrekking tot de partijen in dit verband nog verdeeld houdende
vraag in hoeverre A op correcte wijze is gewezen op zijn zwijgrecht, de
zogeheten "cautie", moet worden geoordeeld dat A er blijkens het
door de sociale recherche opgemaakte rapport bij aanvang van het tweede verhoor op 3 november 1999 op is gewezen dat hij niet tot antwoorden is
verplicht. In aanmerking genomen dat het eerste verhoor van 21 juni 1999
plaatsvond in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de
uitkering, is A naar dezerzijds oordeel tijdig op zijn zwijgrecht
gewezen. Voorts is met de mededeling van de sociaal rechercheurs dat A
niet tot antwoorden was verplicht, voldaan aan de voorwaarde die in
artikel 14b, eerste lid, van de Abw
aan de inhoud van de cautie is
gesteld.
3.7. Met betrekking tot de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 22
maart 2000, als vervat in het primaire besluit van 29 mei 2000, wordt
overwogen dat verweerder die baseert op een veronderstelde afwezigheid
van bijstandsbehoeftige omstandigheden, als bedoeld in artikel 7 van de
Abw.
Naar voorlopig oordeel moet evenwel op basis van de voorhanden zijnde
informatie, waaronder de door A verstrekte bank- en giroafschriften,
worden aangenomen dat A inmiddels niet meer de beschikking heeft over
het (restant van het) op 20 april 1998 ontvangen geldbedrag en zijn
financiële positie ook overigens niet van dien aard is dat die aan
bijstandverlening in de weg zou staan. Blijkens het verhandelde ter
zitting ziet verweerder in het enkele feit dat A de Mazda Xedos bezit
geen reden voor afwijzing van de aanvraag.
Voor zover verweerder A verwijt dat hij onvoldoende inzicht heeft
verschaft in de wijze waarop hij het in april 1998 ontvangen geldbedrag
heeft besteed en in die zin het bepaalde in artikel 65 van de
Abw
aan
toekenning van bijstand in de weg zou staan, moet naar voorlopig oordeel
worden gesteld dat A in het kader van zijn aanvraag van 22 maart 2000
naar vermogen inzichtelijk heeft gemaakt dat hij, naast de aankoop van
een auto, het resterende geldbedrag in contante gedeeltes, gewisseld in
dollars, heeft opgenomen om familieschulden in Iran te betalen en zijn
broer vanuit Iran naar Nederland te laten vluchten.
In dit verband is van belang dat in het kader van de ingevolge artikel
65 Abw
op een bijstandsaanvrager rustende informatieverplichting in
beginsel slechts verlangd kan worden dat díe gegevens worden verstrekt
waarover de aanvrager feitelijk beschikt, dan wel redelijkerwijs kan
beschikken.
Door A zijn bij schrijven van 29 maart 2000 desgevraagd de namen,
adressen en telefoonnummers van de personen aan wie de diverse
geldbedragen ten behoeve van de problemen in Iran zijn overhandigd, aan
verweerder verschaft. Voorts zijn door A ter zake getuigenverklaringen
in geding gebracht. Ten slotte beschikt verweerder over een verklaring
van Y, manager van het postkantoor te B, dat A meermalen grote bedragen
in de orde van ƒ20.000,- of daaromtrent heeft gewisseld, echter dat
van die transacties geen stukken meer zijn bewaard. Voorts staat vast
A’s broer vanaf januari 2000 inderdaad in Nederland verblijft.
Gelet op het bovenstaande kan de afwijzing van A’s aanvraag niet
worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering. Naar
verwachting zal het besluit van 29 mei 2000 in de bodemzaak dan ook geen
stand kunnen houden.
Het voorgaande geeft evenwel onvoldoende aanleiding tot het treffen van
een voorlopige voorziening. In dit verband is van belang dat de wijze
waarop A voornoemd geldbedrag heeft besteed door verweerder zal moeten
worden bezien in het kader van het betoonde besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Abw. Geenszins ondenkbeeldig is dat de
bijstand in dat geval vanaf de ingangsdatum gedurende bepaalde tijd zal
worden geweigerd, welke weigering in een beslissing op A’s bezwaar kan
worden neergelegd. Voorts is van belang dat verweerder thans op korte
termijn op het bezwaar van A zal beslissen. Van een zodanig acute
noodsituatie van A dat die nadere besluitvorming van verweerder niet
zou kunnen worden afgewacht, is vooralsnog onvoldoende gebleken.
3.8. In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te
veroordelen in de kosten die A in verband met de behandeling van het
beroep heeft moeten maken.
Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake
van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een
wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Voorts wordt ter zake van reis- en
verblijfkosten een bedrag van ƒ46,79 toegekend.
4. Beslissing
De president van de rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 26 april 2000,
gegrond in zoverre daarbij de terugvordering over de periode 27 oktober
1997 tot 20 april 1998 en de opgelegde boete van ƒ2300,- is
gehandhaafd;
vernietigt het besluit van 26 april 2000 in zoverre en bepaalt dat
verweerder op dit punt nader op het bezwaar van A beslist, met
inachtneming van deze uitspraak;
verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 26 april 2000, voor
het overige ongegrond;
wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
bepaalt dat verweerder het in de hoofdzaak gestorte griffierecht van ƒ60,- aan A vergoedt;
veroordeelt de gemeente Harderwijk in de proceskosten van A tot een
bedrag van ƒ1466,79, waarvan ƒ1420,- aan verleende rechtsbijstand en
ƒ46,79 aan reis/verblijfkosten.
Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in het
openbaar uitgesproken op 7 juli 2000 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van
verzending hoger
beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA6778 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Breda |
| Zaaknummer: |
00/84
NABW VI |
| Datum
uitspraak: |
27
juni 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14,
17 en 39 Abw
(= 18, 15
en 35 Wwb)
/ 8:73
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten eigen bijdrage tandartskosten; tandprothese;
aanvullende (tandarts)verzekering; voorliggende voorziening;
schadevergoeding |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van eigen bijdrage
tandprothesekosten, omdat betrokkene vanwege haar hoge leeftijd
geen adequate aanvullende (tandarts)verzekering meer kon
afsluiten toen de Ziekenfondswet in 1997 in haar nadeel werd
gewijzigd. Derhalve is er geen sprake van tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Aan
schadevergoeding dient aandacht te worden besteed bij de
voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Breda 00/84
NABW VI
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], geboren [...] 1930, wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: L.A.L. Maes te Tilburg,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tilburg, verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 17 januari 2000 heeft eiseres beroep doen instellen
bij deze rechtbank tegen verweerders besluit van 2 december 1999,
verzonden 7 december 1999 (hierna: bestreden besluit).
Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen
verweerders primaire besluit van 16 juni 1999, houdende
gedeeltelijke tegemoetkoming aan het verzoek van eiseres haar
bijzondere bijstand ingevolge de Algemene
bijstandswet
(hierna: Abw) te
verlenen in de kosten van tandheelkundige hulp, ongegrond
verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd.
Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken aan
de rechtbank gezonden en bij brief van 14 februari 2000 verweer
gevoerd.
Bij brief van 4 mei 2000 heeft de gemachtigde van eiseres de
gronden van het beroep aangevuld.
Het beroep is behandeld ter zitting van 17 mei 2000.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde
L.A.L. Maes.
Verweerder is, daartoe opgeroepen, verschenen bij gemachtigde G.
Goes.
2. Beoordeling
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt
de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.
Eiseres, geboren op [...] 1930, heeft middels een daartoe
strekkend aanvraagformulier, door haar gedateerd op 27 mei 1999,
bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een
tandprothese. Door de Zorgverzekeraar CZ-groep (hierna: CZ-groep)
zijn 75% van de totale kosten van de tandprothese vergoed.
Bijzondere bijstand wordt verzocht ter vergoeding van de
resterende 25% van de kosten. CZ-groep kent de mogelijkheid om de
aanvullende verzekering "Basis Tand" af te sluiten op
grond waarvan de helft van de resterende kosten worden vergoed.
Eiseres heeft deze aanvullende verzekering niet afgesloten.
Bij primair besluit van 16 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag
van eiseres om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand
gedeeltelijk gehonoreerd in die zin dat aan eiseres bijzondere
bijstand is verleend voor de helft van de te haren laste komende
25% van de totale kosten. Haar is bijzondere bijstand verleend
voor ƒ181,94. Hierbij heeft verweerder overwogen dat bij de
vaststelling van het bedrag voor bijzondere bijstand rekening is
gehouden met de vergoeding die zou zijn verstrekt indien eiseres
de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben
afgesloten.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar doen maken. Daarbij is in
hoofdzaak aangevoerd dat eiseres op het moment dat de
tandheelkundige hulp in het kader van de Ziekenfondswet beperkt
werd (januari 1995) de aanvullende verzekering Plus heeft
afgesloten, doch dat door nadien opgetreden wijzigingen in het
verstrekkingenpakket die verzekering thans minder adequaat is voor
de aard van de hier aan de orde zijnde kosten dan de verzekering
"Basis Tand".
Op 30 september 1999 is eiseres omtrent haar bezwaren gehoord.
Tijdens de hoorzitting is namens eiseres nog gesteld dat zij in
verband met haar leeftijd na 1995 geen wijziging meer in haar
aanvullende verzekering heeft kunnen aanbrengen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres
ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe
is, samengevat, overwogen dat de door eiseres afgesloten
verzekering, in tegenstelling tot de verzekering "Basis
Tand", geen uitgebreide aanvullende dekking biedt.
In beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres, samengevat,
doen aanvoeren dat:
- geconcludeerd moet worden dat eiseres door het niet afgesloten
hebben van de aanvullende verzekering "Basis Tand"
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt verweten;
- eiseres op het moment dat zij koos voor de aanvullende
Plusverzekering, koos voor een hogere vergoeding voor
gebitsprotheses dan toen in de aanvullende verzekering "Basis
Tand" was voorzien;
- latere wijzigingen in het verzekeringspakket eiseres niet kunnen
worden tegengeworpen nu zij nadien niet meer in staat was een
andere verzekering af te sluiten.
De rechtbank
overweegt als volgt.
Artikel 7, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat iedere Nederlander
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op
bijstand van overheidswege.
Bij artikel 39, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat onverminderd
hoofdstuk II van die wet (het recht op bijstand) de alleenstaande
of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover deze
niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan
en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de
Abw,
en de aanwezige
draagkracht.
De beide artikelen in hun onderlinge samenhang voorzien derhalve
in een recht op bijzondere bijstand voor het gezin of de
alleenstaande die zich als gevolg van bijzondere, individuele
omstandigheden gesteld zien voor noodzakelijke bestaanskosten
waarin de algemene bijstand niet voorziet en welke de draagkracht
te boven gaan.
In artikel 17, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat geen recht op
bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de
Abw
strekt het recht op
bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende
voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
In artikel 17, derde lid, van de Abw
is bepaald dat in afwijking
van het eerste en tweede lid burgemeester en wethouders voor de
aldaar bedoelde kosten bijstand kunnen verlenen indien en zolang,
gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen
aanwezig zijn.
In artikel 14, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat indien de
belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (...)
burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of
gedeeltelijk weigeren.
Verweerder heeft met betrekking tot zijn bevoegdheid inzake het
toekennen van bijzondere bijstand beleid vastgesteld, welk beleid
is opgenomen in het zogenaamde Werkboek van de sector Sociale
Zaken van verweerders gemeente.
In hoofdstuk 4, afdeling 2, van het Werkboek is onder meer bepaald
dat de aanvullende (tandarts)verzekeringen voorliggende
voorzieningen zijn en dat indien bijstand wordt gevraagd in kosten
die normaliter voor rekening komen van de aanvullende
(tandarts)verzekering, maar in het onderhavige geval niet omdat
verzoeker geen aanvullende (tandarts)verzekering heeft afgesloten,
bijstand wordt verleend voor het deel waarvoor bijstand verleend
zou worden als cliënt wel een aanvullende (tandarts)verzekering
zou hebben afgesloten. Het niet afsluiten van de hier bedoelde
aanvullende verzekeringen wordt aangemerkt als een tekortschietend
besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
en de bijstandverlening dient dan ook daarop te worden afgestemd.
Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, waarbij de
gedeeltelijke toekenning van bijzondere bijstand is gehandhaafd,
in rechte stand kan houden.
Tussen partijen is niet in geschil dat de hier aan de orde zijnde
kosten voor tandheelkundige hulp in principe voor vergoeding via
de bijzondere bijstand in aanmerking komen. Het geschil spitst
zich dan ook toe op de hoogte van de middels bijzondere bijstand
te vergoeden kosten.
Eiseres heeft als gevolg van de wijziging van de Ziekenfondswet
per 1 januari 1995 een Aanvullende verzekering Plus afgesloten. In
deze aanvullende ziektekostenverzekering zijn op dat moment de
kosten voor een tandprothese opgenomen.
Per 1 januari 1997 is de Ziekenfondswet wederom gewijzigd. Vanaf
dat moment worden de kosten van een tandprothese gedeeltelijk
(75%) vergoed door het ziekenfonds. Indien eiseres de aanvullende
verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten, zou 50%
van de resterende 25% worden vergoed.
Echter voor de rechtbank staat vast dat eiseres, in verband met
het bereiken van de 65-jarige leeftijd, in 1997 geen wijziging
meer heeft kunnen aanbrengen in het door haar gekozen pakket van
aanvullende verzekering.
Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of eiseres per 1
januari 1995 een verantwoorde keuze heeft gemaakt voor wat betreft
de aanvullende verzekering. Naar het oordeel van de rechtbank
dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daarbij heeft de
rechtbank in aanmerking genomen dat tijdens de zitting door de
gemachtigde van eiseres onweersproken is gesteld dat de door
eiseres destijds afgesloten aanvullende verzekering alstoen een
ruimere dekking (in de zin van hogere bedragen) bood voor de
kosten als hier aan de orde dan de dekking die toen geboden werd
door de aanvullende verzekering "Basis Tand". Voorts
heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat eiseres zich
bij het maken van de keuze voor één van de door de CZ-groep
aangeboden aanvullende verzekeringen zich door een medewerker van
de CZ-groep heeft laten adviseren.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank
eiseres dan ook niet worden tegengeworpen dat de door haar
gesloten verzekering naar de stand van zaken thans minder adequaat
te noemen is. In die zin kan er dan ook geen sprake zijn van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en komt het
bestreden besluit wegens het ontbreken van een toereikende
grondslag voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren.
Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, ziet de rechtbank
aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van
eiseres tot het in het dictum vermelde bedrag en zal de rechtbank
gelasten dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht wordt
vergoed.
Voor wat betreft het verzoek toepassing te geven aan artikel 8:73
van de Algemene wet bestuursrecht (schadevergoeding) is de
rechtbank van oordeel dat verweerder, indien hij een nieuw besluit
neemt op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak is overwogen, bij de voorbereiding daarvan tevens
aandacht dient te schenken aan de vraag in hoeverre er aanleiding
bestaat schade te vergoeden. Zo nodig dient daarover een
zelfstandig besluit te worden genomen.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van
eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een
bedrag van ƒ1420,- te vergoeden door de gemeente
Tilburg;
gelast dat de gemeente Tilburg eiseres het door haar betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr.
Vincent, in tegenwoordigheid van mr. Vonk als griffier, op 27 juni
2000.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere
belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het
indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op
de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze
uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA6934 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Almelo |
| Zaaknummer: |
99/988
NABW Z1 A |
| Datum
uitspraak: |
1
mei 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
39
Abw (= 35
Wwb)
|
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; niet-tijdige aanvraag; kosten curatorschap; geen
terugwerkende kracht |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van curatorschap,
omdat de aanvraag eerst is aangevraagd na afloop van de periode
waarover de kosten zich uitstrekken. Bijstandverlening met
terugwerkende kracht is niet toegestaan. Onbekendheid met het
toepasselijk recht en gewekt vertrouwen doordat andere gemeenten
wel bijzondere bijstand met terugwerkende kracht hebben
verstrekt, doen daaraan niet af. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Almelo
99/988 NABW Z1 A
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[gecurateerde], wonende te [woonplaats], wettelijk
vertegenwoordigd door A.G. Kieftenbeld, professioneel curator te
Gouda, eiser,
gemachtigde: mr. M.J.P. Heijmans, advocaat te Utrecht,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Losser,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 28 september 1999, verzonden 27 oktober 1999.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Bij schrijven van 20 februari 1999 heeft eiser zich, in de
hoedanigheid van curator van mevrouw [gecurateerde] (hierna: [gecurateerde]),
geboren op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], tot
verweerder gewend met het verzoek [gecurateerde] in aanmerking te
brengen voor bijzondere bijstand in de kosten van curatorschap op
grond van artikel 39, eerste lid, van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 1 april 1999, verzonden op 8 april 1999, heeft
verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft zich niet kunnen
verenigen met dit besluit en heeft hiertegen namens [gecurateerde]
op 1 mei 1999, bij verweerder ingekomen op 4 mei 1999, bezwaar
gemaakt.
Op 27 juli 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 28 september 1999 heeft verweerder
op de daarin vervatte gronden het bezwaarschrift ongegrond
verklaard.
Blijkens het namens [gecurateerde] ingediende beroepschrift kan
eiser zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 28 december 1999 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank
van
12 april 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen
door G.J.M. Bolscher.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 28
september 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen het besluit
van 1 april 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan
blijven.
Artikel 6 Abw bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
b. bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt
indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden
tot noodzakelijke kosten van het bestaan en die de aanwezige
draagkracht te boven gaan;
c. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten
deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan
wel beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter
bekostiging van specifieke uitgaven.
Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat onverminderd
hoofdstuk
II de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand
heeft voor zover deze niet beschikt over de middelen om te
voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en
3, en
de aanwezige draagkracht.
Artikel 67, eerste lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en
wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of,
indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve
vaststellen.
Verweerder heeft de aanvraag voor vergoeding van kosten van
curatorschap ad ƒ3823,21 over de periode 6 december 1997 tot en
met 31 december 1998 afgewezen op grond van het feit dat de
aanvraag te laat is ingediend, er sprake is van een voorliggende
voorziening en de kosten niet noodzakelijk zijn. Verweerder heeft
geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan
van dit standpunt zou kunnen worden afgeweken.
Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere
omstandigheden waardoor bijzondere bijstand met terugwerkende
kracht moet worden verleend. De aanvraag is eerst op 20 februari
1999 ingediend omdat bij de aanvang van de werkzaamheden de omvang
van de te maken kosten nog niet duidelijk was. Voorts heeft eiser
naar voren gebracht dat hij onbekend is met het beginsel dat
voorafgaand aan de periode waarover bijstand wordt verzocht een
aanvraag moet worden ingediend. Daarbij wijst eiser erop dat
andere gemeenten wel bijzondere bijstand met terugwerkende kracht
hebben verleend. Hierdoor is bij hem het vertrouwen gewekt dat
toekenning van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht
gebruikelijk is. Daarnaast heeft eiser naar zijn zeggen na de
aanvang van zijn werkzaamheden eerst getracht zijn kosten onder te
brengen bij de zorgverzekeraars dan wel bij de AWBZ.
Nadat was gebleken dat vergoeding op geen enkele andere wijze kon
plaatsvinden, heeft eiser namens [gecurateerde] de betreffende
aanvraag ingediend.
Ten slotte bestrijdt eiser dat de kosten van curatorschap niet
kunnen worden verhaald op de Abw.
Volgens eiser kan [gecurateerde]
voor de onderhavige kosten geen beroep doen op een voorliggende
voorziening en kan zij deze uitgaven evenmin uit eigen middelen
voldoen.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de overgelegde
gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat in de
onderhavige situatie de kosten van het curatorschap waarvoor
bijstand is aangevraagd, zijn ontstaan in een periode voorafgaande
aan de in dit geschil ten grondslag liggende bijstandsaanvraag van
20 februari 1999. Vaste rechtspraak is dat geen bijstand wordt
verleend over de periode welke voorafgaat aan de datum waarop de
aanvraag is ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden een
afwijking van deze regel rechtvaardigen. Van bijzondere
omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om van
vorengenoemd uitgangspunt af te wijken, is de rechtbank niet
gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat onbekendheid met de
geldende regelgeving geen voldoende grond is om van bovengenoemd
uitgangspunt af te wijken. Ook indien de hoogte van de bijzondere
bijstand nog niet geheel vaststaat, dient aanspraak tijdig -
vooraf -
te geschieden en niet na afloop van de periode waarover de
gevraagde bijstand betrekking heeft. Daarnaast is er geen in
rechte te honoreren vertrouwen gewekt, doordat enkele gemeenten
wel bijzondere bijstand hebben verstrekt.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat het
bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Zij komt
derhalve niet toe aan de vraag of de door [gecurateerde] in dit
kader te betalen kosten als noodzakelijk in de zin van de Abw
zijn
aan te merken.
Beslist wordt derhalve als volgt:
4. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank Almelo,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2000 door mr.
J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger
beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep te Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IWwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA6935 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Almelo |
| Zaaknummer: |
99/758
BELEI Q1 A |
| Datum
uitspraak: |
19
mei 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
8 Abw
(= 7 IWwb)
/ 1:3,
8:72 en 8:73
Awb |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
bedrijfskapitaal; schadevergoeding; onbevoegde rechter |
| Essentie: |
Onterechte
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing
van een verzoek om vergoeding van schade tengevolge van de
afwijzing - negen maanden eerder en zonder dat daartegen bezwaar
was gemaakt - van een aanvraag voor bedrijfskapitaal; het
bezwaar had ongegrond moeten worden verklaard. Ter zake van
vergoeding van schade tengevolge van niet-verleende vergunningen
is niet de bestuursrechter, maar de burgerlijke rechter bevoegd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Almelo 99/758 BELEI Q1 A
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. B.J. van Beek, advocaat en procureur te Enschede,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo
(Ov), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 3 augustus 1999, verzonden 4 augustus
1998.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Eiser had het voornemen om in het pand aan de [adres] een
broodjes- en delicatessenzaak (op de begane grond) en een
ontmoetingscentrum voor jongeren van de Vereniging Tur Abdin (in
de kelder) te beginnen. Op het betreffende perceel rust ingevolge
het bestemmingsplan "Binnenstad, deelplan Centrum Noord"
de bestemming "winkels, klasse W12".
Om zijn zaken te kunnen exploiteren, heeft eiser op 31 mei 1996 een
huurovereenkomst gesloten ten aanzien van bovengenoemd pand.
Vervolgens heeft hij bij verweerder:
op 4 juni 1996 een uitkering op grond van het Bijzonder
bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) [Besluit
bijstandverlening zelfstandigen, red.] aangevraagd ter voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal en ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van bestaan;
op 26 augustus 1996 een verzoek om vrijstelling ingediend teneinde
het pand te mogen gebruiken voor horecadoeleinden, waarbij is
aangegeven dat eiser ook de kelder hiervoor wilde gebruiken;
op 28 december 1996 verzocht om een bestemmingsplanherziening met
betrekking tot het gebruik van de kelder voor horecadoeleinden;
op 10 december 1996 een drank- en horecawetvergunning aangevraagd
voor zijn broodjes- en delicatessenzaak en tevens een "alcoholvrij-vergunning".
Bij besluit van verweerder van 6 december 1996 is de aanvraag voor
een uitkering op grond van het Bbz (het bijstandskrediet)
afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser geen bezwaar en/of
beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 november 1996 is vrijstelling verleend van de
bepalingen van het bestemmingsplan voor het gebruik van de begane
grond van het pand voor horecadoeleinden. Op het verzoek tot
vrijstelling is niet beslist voor zover het de kelder betrof.
Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het besluit
van 28 november 1996. Tevens heeft hij geen bezwaar en/of beroep
ingesteld tegen de weigering tijdig te beslissen op het verzoek om
vrijstelling voor het gebruik van de kelder voor horecadoeleinden.
Op het verzoek van eiser om een bestemmingsplanherziening is
nimmer door verweerder beslist. Eiser heeft geen bezwaar en/of
beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.
Verweerder heeft aan eiser geen drank- en horecawetvergunning
verstrekt, omdat het door eiser gehuurde pand niet aan de
inrichtingseisen zou voldoen.
Eiser heeft zijn zaak in het pand aan de [adres] op 12 oktober
1996 geopend en eind maart/begin april 1997 gesloten.
Bij brief van 2 september 1997 is namens eiser aan verweerder
verzocht te besluiten om aan eiser te vergoeden de door hem
tengevolge van de handelwijze van verweerder geleden schade ad
ƒ125.000,-, alsmede de nog door hem te lijden schade. Aan dit
verzoek heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd:
verweerder heeft ten onrechte geweigerd een bijstandskrediet te
verlenen;
verweerder heeft ten onrechte geen vrijstelling verleend voor het
gebruik van de kelder voor horecadoeleinden;
verweerder heeft eiser ten onrechte geen drank- en
horecawetvergunning of "alcoholvrij-vergunning" verstrekt en eiser
ter zake verkeerd voorgelicht;
verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om tegemoet te komen
aan de gerechtvaardigde belangen van eiser.
Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek op 9 december
1997 mondeling toe te lichten, van welke gelegenheid gebruik is
gemaakt.
Bij besluit van 7 april 1998 is het verzoek om schadevergoeding
afgewezen. Ter onderbouwing van de beslissing is verwezen naar de
notitie "aansprakelijkheid Tropicana" (stuk B9), waarvan
de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
Eiser heeft zich met deze beslissing niet kunnen verenigen en
heeft daartegen bezwaar doen maken. Het bezwaarschrift is op 20
mei 1998 bij verweerder ingekomen. De gronden van bezwaar zijn
aangevuld bij schrijven van 15 september 1998. Naast hetgeen al in
het verzoek om schadevergoeding was vermeld, heeft eiser tevens
aangevoerd dat hij wegens het niet verkrijgen van de vereiste
vergunningen geen speelautomaten heeft kunnen plaatsen, waardoor
hij schade heeft geleden. Ook was de informatieverschaffing van de
zijde van verweerder niet goed.
Het bezwaarschrift is behandeld tijdens de hoorzitting van de
commissie voor de bezwaarschriften van 31 maart 1999. Deze
commissie heeft op 7 juli 1999 advies uitgebracht. Het advies
overnemend heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar
van eiser, voor zover de vordering was gericht op de toepassing
van de Drank- en Horecawet en op de herziening van het
bestemmingsplan, niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was
voldaan aan het connexiteitsvereiste.
Voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Algemene
bijstandswet en het Bbz, is het bezwaar eveneens
niet-ontvankelijk verklaard, omdat er sprake was van een
onherroepelijk besluit van verweerder (eiser zou te laat bezwaar
ingesteld hebben tegen de afwijzing van het verzoek om een
bijstandskrediet). Het bezwaar is voor het overige ongegrond
verklaard.
Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft
daartegen beroep doen instellen. Het beroepschrift is ingekomen
ter griffie op 30 augustus 1999. Bij brief van 29 oktober 1999
heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken aan
de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 1 december 1999 zijn de
aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft daarop
op 13 januari 2000 het verweerschrift aan de rechtbank
toegezonden.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank
van
19 april 2000, waar eiser is verschenen vergezeld van gemachtigde
mr. B.J. van Beek, terwijl verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door mrs. H.E.M. Wolsink en H.B.M. Bosman.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van 3 augustus 1999,
verzonden op 4 augustus 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen
de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zijn verklaard, in rechte in
stand kan blijven.
Eiser heeft verweerder verzocht tot afgifte van een zelfstandig
schadebesluit. Een dergelijk besluit kan worden gedefinieerd als
een besluit van een bestuursorgaan (verweerder) op een verzoek van
een burger (eiser) om schadevergoeding ter zake van een
onrechtmatige overheidsdaad.
Ingevolge de rechtspraak van de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) is
een primair besluit omtrent vergoeding van gestelde geleden schade
als gevolg van een eerder (appellabel) besluit, een besluit in de
zin van artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Ingevolge de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State (ABRvS) is de schriftelijke beslissing van een
bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die
veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening van een
aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een publiekrechtelijke
rechtshandeling en dus een besluit in de zin van artikel 1:3 van
de Awb.
Uit de rechtspraak van zowel de CRvB als de
ABRvS blijkt dat die
administratieve rechter bevoegd is te achten tot kennisneming van
beroepen tegen een zelfstandig schadebesluit, die ook bevoegd is
te oordelen over beroepen tegen het schadeveroorzakende handelen
zelf. Indien (destijds) geen beroep, en eventueel daaraan
voorafgaand bezwaar, mogelijk was tegen het schadeveroorzakende
overheidshandelen, kan tegen het naar aanleiding van dat handelen
uitgelokte zelfstandig schadebesluit ook geen beroep worden
ingesteld bij de bestuursrechter en is alleen de burgerlijke
rechter bevoegd de aanspraak op schadevergoeding te beoordelen.
Er kan dus geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter
tegen een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek tot
schadevergoeding naar aanleiding van (onder meer) feitelijk
handelen of niet-appellabele handelingen.
Indien een schadeveroorzakend besluit niet is vernietigd door de
bestuursrechter, zal de onrechtmatigheid daarvan op andere wijze
moeten worden vastgesteld. Dit kan doordat het bestuursorgaan de
onrechtmatigheid erkent. Deze erkenning kan op vele manieren
plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat de onrechtmatigheid met zoveel
woorden wordt erkend door intrekking of wijziging van het besluit
of door honorering van een verzoek om op het besluit terug te
komen. De onrechtmatigheid zal telkens ex tunc moeten worden
vastgesteld. Indien een besluit niet door de rechter vernietigd is
(er is geen rechtsmiddel aangewend of de aanwending daarvan heeft
niet geleid tot herroeping of vernietiging van het besluit) en de
onrechtmatigheid daarvan niet door het bestuursorgaan wordt
erkend, dan staat de leer van de formele rechtskracht in beginsel
aan honorering van een verzoek om schadevergoeding in de weg. In
gevallen waarin geen beroep openstaat en heeft opengestaan tegen
besluiten zal de onrechtmatigheid daarvan moeten worden
vastgesteld door de burgerlijke rechter.
De hiervoor vermelde rechtspraak heeft in dit geval de volgende
consequenties.
Bijstandskrediet
Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een bijstandskrediet
afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar en/of beroep
ingesteld. Het besluit heeft derhalve formele rechtskracht
gekregen. Nu verweerder niet heeft erkend dat het betreffende
besluit onrechtmatig is, moet de rechtbank
ervan uitgaan dat het
besluit niet onrechtmatig was. Eiser heeft niet gesteld en evenmin is de rechtbank gebleken dat eiser, ondanks de
rechtmatigheid van het besluit, schade heeft geleden die toch voor
rekening van verweerder dient te komen.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen dit onderdeel van het
primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens
termijnoverschrijding. Hierbij is echter miskend dat het bezwaar
zich niet richt tegen het oorspronkelijke besluit tot afwijzing
van het verzoek om een bijstandskrediet, maar tegen de afwijzing
van het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het
oorspronkelijke besluit geleden schade, vervat in het besluit van
7 april 1998.
Nu het bezwaarschrift tegen dit laatste besluit tijdig is
ingediend, is er geen sprake van termijnoverschrijding.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat eisers
bezwaar niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond verklaard had
moeten worden. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit op
dit punt vernietigen. Verweerder kan in dit geval echter tot geen
andere conclusie komen dan dat het bezwaar tegen de afwijzing van
het verzoek om schadevergoeding, voor zover gebaseerd op het
besluit tot afwijzing van het bijstandskrediet, ongegrond is. De
rechtbank zal daarom, met toepassing van het bepaalde in artikel
8:72, vierde lid van de Awb, bepalen dat haar uitspraak (houdende
ongegrondverklaring) in de plaats treedt van het vernietigde
gedeelte van dit besluit.
Niet verlenen vrijstelling bestemmingsplan voor kelder
Ter zake is een verzoek ingediend door eiser, maar geen besluit
genomen door verweerder. Gelet op het bepaalde in artikel 4:13 van
de Awb
diende verweerder na uiterlijk acht weken een besluit te
nemen, dan wel een kennisgeving aan eiser te sturen met vermelding van de termijn waarop de beschikking tegemoet kon
worden gezien. Zulks heeft verweerder niet gedaan.
Verweerder heeft nog immer niet, en dus niet tijdig beslist op het
verzoek van eiser. Nu ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 van de
Awb
het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van
de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit
wordt gelijkgesteld, is er sprake van een appellabel besluit. De rechtbank
is derhalve bevoegd te oordelen over dit onderdeel van
het bestreden besluit.
Beoordeeld moet worden of het besluit van verweerder (het niet
tijdig beslissen) onrechtmatig is en of eiser tengevolge hiervan
schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste
niet het geval is. Indien eiser belang had bij een (snelle)
beslissing op zijn verzoek, had het uit het oogpunt van beperking
van zijn schade voor de hand gelegen dat hij relatief korte tijd
na het verstrijken van de beslistermijn bezwaar en/of beroep tegen
het besluit had ingesteld. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de
rechtbank ervan uit dat hij vorenbedoeld belang niet had, althans
dat niet gebleken is dat hij dit belang had. Het niet tijdig
beslissen op het verzoek door verweerder kan naar het oordeel van
de rechtbank in dit geval dan ook geen grondslag zijn voor
toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van
eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding,
voor zover gegrond op het niet tijdig beslissen op het verzoek om
vrijstelling, terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep van
eiser dient op dit punt dan ook ongegrond te worden verklaard.
Herziening bestemmingsplan
Hier geldt dat besluiten ten aanzien van het al dan niet herzien
van een bestemmingsplan niet appellabel zijn. Nu het (niet tijdig
nemen van het) oorspronkelijke besluit niet appellabel is, is de
bestuursrechter, in casu de rechtbank, niet bevoegd te oordelen
ten aanzien van dit deel van het bestreden besluit.
Eiser had zich ter zake tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
Drank- en horecawetvergunning en de "alcoholvrij-vergunning"
De door eiser gevraagde vergunningen zijn nimmer door verweerder
verleend. Ter zake van het (niet tijdig nemen van het) besluit op
dit verzoek had eiser zich echter niet tot rechtbank
kunnen
wenden, maar had hij in administratief beroep moeten gaan bij het
College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel (GS).
Ten aanzien van dit onderdeel van het bestreden besluit is de
rechtbank derhalve niet bevoegd. De rechtbank zal de zaak, voor
zover hierop betrekking hebbend, doorsturen naar GS.
Speelautomatenvergunning
Eiser heeft geen speelautomatenvergunning aangevraagd. Er is dus
geen sprake van een door verweerder ter zake genomen besluit of van
een weigering om tijdig op een aanvraag te beslissen. Er is en was
geen bezwaar of beroep mogelijk, zodat de rechtbank
niet bevoegd
is te oordelen over de betreffende onderdelen van het bestreden
besluit. Ter zake is de burgerlijke rechter bevoegd.
Feitelijke handelingen
Hier geldt hetzelfde als ten aanzien van de
speelautomatenvergunning is overwogen: de burgerlijke rechter is
bevoegd.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank:
het beroep gegrond verklaren voor zover het ziet op dat onderdeel
van het besluit dat betrekking heeft op niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het
verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet
verlenen van het bijstandskrediet, en het besluit op dit punt
vernietigen, maar bepalen dat haar uitspraak (ongegrond) in de
plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op
de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen
van het verzoek om schadevergoeding, gegrond op het niet tijdig
nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van de
drank- en horecawetvergunning en de "alcoholvrij-vergunning";
zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op
de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk het ongegrond
verklaren van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om
schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van
een beslissing op het verzoek om herziening van het
bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een
speelautomatenvergunning en op feitelijk handelen van verweerder.
De burgerlijke rechter is te dien aanzien bevoegd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van
het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb
te veroordelen in de
kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep
heeft moeten maken.
Beslist wordt daarom als volgt:
4. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te Almelo,
Recht doende:
verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op dat onderdeel
van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het
verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet
verlenen van het bijstandskrediet, en vernietigt het besluit op
dit punt;
verklaart het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het verzoek
om schadevergoeding, voor zover gegrond op het besluit van
verweerder van 6 december 1996 tot weigering van een
bijstandskrediet, ongegrond en bepaalt dat haar uitspraak in de
plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op
de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen
van het verzoek om schadevergoeding gegrond op het niet tijdig
nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van een
drank- en horecawetvergunning en een "alcoholvrij-vergunning"
en zendt de stukken ter zake naar GS;
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op
de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk de
ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het
verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig
nemen van een beslissing op het verzoek tot herziening van het
bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een
speelautomatenvergunning en op het feitelijk handelen van
verweerder.
verstaat dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht, ad
ƒ225,-, aan eiser vergoedt.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2000 door
mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers als
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger
beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep te Utrecht (voor zover
het de eerste twee onderdelen van het dictum betreft),
respectievelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State te Den Haag, respectievelijk het College van Beroep
voor het bedrijfsleven (voor zover het de speelautomatenvergunning
betreft).
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA6936 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
Abw
99/6468 |
| Datum
uitspraak: |
17
mei 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
33, 69
en 81
Abw (= 25,
54 en 58
Wwb) / 3:2,
7:12 en
8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling; medebewoner; inwonende
kinderen met eigen inkomen; herziening bijstand; terugvordering;
dringende redenen; horen |
| Essentie: |
Terechte
verlaging/intrekking en terugvordering van de toeslag wegens
kostendeling met twee inwonende kinderen met eigen inkomen (ter
hoogte van ten minste de WSF-norm levensonderhoud thuiswonende
plus 10% minimumloon). Er zijn geen dringende redenen om af te
zien van terugvordering, daar er geen sprake is van een
noodsituatie of broodnood. Het beroep is echter gegrond omdat
betrokkene niet (tijdig) is gehoord in de bezwaarfase. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle Abw 99/6468
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiseres], geboren op [...] 1951, wonende te [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: M. Bockting, sociaal raadsman Thuiszorg Flevoland te
Lelystad,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Lelystad, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 13 juli 1999.
2. Zitting
Datum: 12 mei 2000.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw E.J. van
Est, ambtenaar van de gemeente
Lelystad.
3. De feiten en het verloop van de procedure
Eiseres heeft een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet
(Abw) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder met een
toeslag van 20%.
Aan de inwonende dochter van eiseres, [dochter], is met ingang van
26 januari 1998 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%. Sedert 27 februari 1998 is de inwonende zoon van
eiseres, [zoon], betaalde werkzaamheden gaan verrichten. Op 27
april 1998 is de zoon van eiseres op zichzelf gaan wonen.
Bij besluit van 20 oktober 1998 heeft verweerder de uitkering
ingevolge de Abw
van eiseres met ingang van 26 januari 1998
herzien. Omdat eiseres geacht wordt de algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan met ingang van die datum te kunnen delen
met een andere persoon, namelijk met haar dochter, heeft
verweerder haar toeslag gewijzigd in 10%.
Bij datzelfde besluit heeft verweerder de uitkering ingevolge de
Abw van eiseres met ingang van 27 februari 1998 herzien in die zin dat zij niet langer recht heeft op een toeslag van 10%.
Verweerder heeft hierbij overwogen dat de zoon van eiseres met
ingang van die datum bij haar is komen inwonen, zodat zij met
ingang van die datum de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan kan delen met meerdere personen, namelijk met haar zoon en
haar dochter.
Bij besluit van eveneens 20 oktober 1998 heeft verweerder hetgeen
eiseres als gevolg van voornoemd herzieningsbesluit gedurende de
periode van 26 januari 1998 tot en met 26 april 1998 te veel aan
uitkering ingevolge de Abw heeft ontvangen, zijnde ƒ841,50, van
eiseres teruggevorderd.
Eiseres heeft op 21 oktober 1998 tegen deze besluiten bezwaar
aangetekend.
Bij het besluit d.d. 13 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard.
Namens eiseres is tegen dit besluit op 11 augustus 1999 beroep
ingesteld.
Verweerder heeft op 16 september 1999 een verweerschrift
ingediend. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven
eiseres alsnog te zullen horen op haar bezwaarschrift.
De gemachtigde van eiseres heeft gebruik gemaakt van de
gelegenheid het bezwaarschrift nader toe te lichten tijdens de
hoorzitting van 3 november 1999.
Bij schrijven van 11 november 1999 heeft verweerder de rechtbank
medegedeeld naar aanleiding van de hoorzitting geen aanleiding te
zien het besluit op bezwaar van 13 juli 1999 te herzien.
4. Motivering
In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden
besluit in rechte kan worden gehandhaafd.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder eiseres
voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet heeft
gehoord, dat de gemachtigde van eiseres zich in beroep daarover
heeft beklaagd en dat verweerder vervolgens aanleiding heeft
gezien om eiseres alsnog in de gelegenheid te stellen op haar
bezwaarschrift te worden gehoord. Deze hoorzitting heeft
plaatsgevonden op 3 november 1999.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee zelf heeft
aangegeven dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een
deugdelijk onderzoek en niet op zorgvuldige wijze tot stand is
gekomen.
Gelet op het feit dat het horen van een bezwaarde in de
bezwaarschriftprocedure tot de essentialia van deze procedure
behoort en nu een onzorgvuldig genomen besluit in dit stadium van
de procedure niet (meer) hersteld kan worden, komt het bestreden
besluit naar het oordeel van de rechtbank op grond van het
bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de
Algemene
wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het
beroep van eiseres zal dan ook gegrond worden verklaard.
Verweerder heeft in hetgeen tijdens de hoorzitting van 3 november
1999 naar voren is gekomen geen aanleiding gezien het besluit op
bezwaar van 13 juli 1999 te herzien. Blijkens het schrijven van 4
januari 2000 van de gemachtigde van eiseres kan eiseres zich ook
thans nog niet verenigen met het besluit van verweerder. In
verband hiermee ziet de rechtbank om proceseconomische redenen
aanleiding te beoordelen of zij met toepassing van artikel
8:72, derde lid van de Awb
kan bepalen dat de rechtsgevolgen van het
besluit in stand blijven, dan wel met toepassing van artikel
8:72,
vierde lid, van de Awb
zelf in de zaak kan voorzien.
Hierbij staat de vraag ter beantwoording of verweerder op goede
gronden heeft besloten:
- de toeslag van eiseres met ingang van 26 januari 1998
te herzien naar 10% en met ingang van 27 februari 1998 in te
trekken, alsmede
- hetgeen eiseres als gevolg hiervan gedurende de
periode van 26 januari 1998 tot en met 26 april 1998 te veel aan
toeslag ingevolge de Abw heeft ontvangen, zijnde
ƒ841,50, van
eiseres terug te vorderen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten aanzien van de herzieningen van de toeslag
Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Abw
verhogen burgemeester
en wethouders voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch
jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande
ouder is, de bijstandsnorm met een toeslag voor zover de
belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van
het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een
ander.
Deze toeslag bedraagt ingevolge het tweede lid van artikel 33 van
de Abw maximaal 20% van het minimumloon.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Verordening Algemene
Bijstand Lelystad (verder te noemen: de verordening) wordt de
toeslag voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder doch
jonger dan 65 jaar in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
heeft, bepaald op het maximumbedrag van 20% van het minimumloon.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de toeslag van een
alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
indien de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden
gedeeld met één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
heeft, bepaald op 10% van het wettelijk minimumloon.
Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt geen toeslag
verleend indien de alleenstaande ouder in wiens woning meer dan
één ander met wie de noodzakelijke kosten van het bestaan
kunnen worden gedeeld zijn hoofdverblijf heeft.
Blijkens de toelichting bij de verordening is de toeslag als
bedoeld in artikel 3 gebaseerd op de mogelijkheid de kosten te
delen met de ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft. De
feitelijke mogelijkheid tot het delen van de kosten moet dan wel
aanwezig zijn. Heeft de medebewoner geen of een te laag inkomen,
dan kunnen de kosten feitelijk niet worden gedeeld en kan de
beperking van de toeslag tot 10% niet worden gerechtvaardigd.
De kosten kunnen worden gedeeld wanneer de medebewoner ten minste
beschikt over een inkomen gelijk aan het bedrag
voor het levensonderhoud van een thuiswonende op grond van de Wet op de
studiefinanciering, verhoogd met de forfaitaire korting op de
maximale toeslag van 10%. Van de inwonende kan dan een zodanige
bijdrage in de kosten worden verwacht dat sprake is van het
daadwerkelijk delen van de kosten. De verhoging met 10% van het nettominimumloon is ingevoerd om de inkomsten van inwonende
studerende kinderen gedeeltelijk (= tot 10% van het minimumloon)
vrij te laten.
Ingevolge artikel 69, derde lid van de Abw
herzien burgemeester en
wethouders een besluit tot toekenning van bijstand of trekken zij
dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel
14,
eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot
een te hoog bedrag is verleend.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kunnen burgemeester en
wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
Tussen partijen is niet in geding dat de dochter en de zoon van
eiseres met ingang van 26 januari 1998, respectievelijk met ingang
van 28 februari 1998 beiden hun hoofdverblijf bij eiseres hebben
en een inkomen hebben dat per maand meer bedraagt dan het door
verweerder in de toelichting bij de verordening genoemde bedrag
voor het levensonderhoud van een thuiswonende op grond van de Wet op de
studiefinanciering per maand, verhoogd met de forfaitaire
korting op de maximale toeslag van 10%.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerder zich bij zijn besluit
op het standpunt gesteld dat eiseres dientengevolge de
noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 26 januari
1998 kan delen met een andere persoon, namelijk met haar dochter,
alsmede de noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 27
februari 1998 kan delen met meer dan één andere persoon,
namelijk met haar zoon en haar dochter.
Namens eiseres is in het beroepschrift aangevoerd dat de Wajong-uitkering van de dochter van eiseres eerst in maart 1998 is
uitbetaald. In de maanden januari/februari 1998 had zij dus geen
inkomsten, zodat eiseres in die maanden niet feitelijk de
mogelijkheid had tot het delen van de woonlasten met haar dochter.
De rechtbank is van oordeel dat de nabetaling van
Wajong-uitkering in maart 1998 aan de dochter van
eiseres moet
worden toegerekend aan de maanden januari en februari 1998. Het
betreft immers een nabetaling naar aanleiding van het recht op
uitkering over deze maanden. De rechtbank is dan ook van oordeel
dat eiseres in de maanden januari en februari 1998 moet worden
geacht in staat te zijn geweest de algemene kosten van het bestaan
te delen met haar dochter.
De rechtbank kan eiseres niet volgen in de betekenis die zij
toekent aan het woord "feitelijk" in de toelichting bij
artikel 3 van de verordening. Dit woord is naar het oordeel van de
rechtbank in de toelichting vermeld om aan te geven dat de persoon met wie de betrokkene geacht wordt de kosten te kunnen
delen over een voldoende hoog inkomen dient te beschikken.
Eiseres staat niets in de weg om van haar dochter achteraf nog een
bijdrage in de kosten te verlangen voor de maanden januari en
februari 1998.
Dat aldus het daadwerkelijk bijdragen in die kosten door de
dochter eerst na afloop van betreffende maanden heeft kunnen plaatsvinden, doet daaraan niet af. Immers over deze maanden heeft
eiseres daadwerkelijk nog de beschikking gehad over de maximale
toeslag van 20%, aangezien deze ook eerst achteraf wordt herzien
en teruggevorderd.
Verder is namens eiseres aangevoerd dat eiseres in januari nog
wel recht op de volledige toeslag heeft, omdat het inkomen van de
dochter van eiseres over januari 1998 veel lager is dan het bedrag,
genoemd in artikel 1, zesde lid van de verordening. Ook het
inkomen van de zoon van eiseres over de maand februari 1998 was
veel lager dan het bedrag, bedoeld in artikel 1, zes lid van de verordening.
In de verordening wordt niets gezegd met betrekking tot de
herzieningsdatum van een toeslag. De rechtbank
is dan ook van
oordeel dat hierin aansluiting gezocht dient te worden bij de Abw.
Het complementaire karakter van de Abw en de daarbij behorende
toeslag brengt met zich mee dat de aan eiseres toegekende toeslag
verlaagd dient te worden met ingang van de datum waarop haar
dochter en zoon hun inkomsten zijn gaan verwerven. Dat de dochter
en zoon van eiseres in de maanden januari 1998 en februari 1998
minder uitbetaald hebben gekregen, doet hieraan niets af. Eiseres
wordt immers ook niet geacht de kosten gedurende de gehele maand
met hen te delen en ziet zich ook slechts een klein deel van de
betreffende maanden geconfronteerd met een verlaging
respectievelijk beëindiging van de toeslag.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat verweerder slechts uitgaat
van het inkomen per maand om vast te kunnen stellen of de dochter
en zoon van eiseres voldoende inkomsten hebben om de kosten mee te
kunnen delen. Dit houdt niet in dat het recht op toeslag per maand
wordt beoordeeld, dan wel dat een toeslag wordt toegekend,
herzien of ingetrokken met ingang van een bepaalde maand. Uit het
bepaalde in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder
b, van de Abw volgt dat in een dergelijk geval de bijstand wordt vastgesteld
over een deel van de kalendermaand.
Voorts is namens eiseres aangevoerd dat het in strijd is met de
wet en het uitgangspunt van de wetgever dat eiseres in maart en
april 1998 helemaal geen toeslag wordt verleend. Namens eiseres is
verwezen naar de (niet-gepubliceerde) uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep van 2 maart 1999 in de zaak met nummer 98/6295
ABW.
Eiseres is van mening dat zij recht heeft op toeslag, aangezien
zij net als de betrokkene in voornoemde zaak van de Centrale Raad
van Beroep de noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel kan
delen met haar twee oudste kinderen.
De rechtbank deelt deze mening niet. In het onderhavige geval is
immers geen sprake van één kind, doch van twee kinderen met wie
de kosten gedeeld kunnen worden. De rechtbank ziet niet in waarom
eiseres met haar twee kinderen de kosten niet volledig zou kunnen
delen, zoals in voornoemde uitspraak door de Centrale Raad van
Beroep omschreven. Voorts is in het onderhavige geval geen sprake
van een verordening die ouders en kinderen in een nadeliger
positie plaatst dan personen zonder familieband die een woning
delen.
De rechtbank is ten slotte niet gebleken van feiten en of
omstandigheden op grond waarvan verweerder in verband met
dringende redenen had dienen af te zien van herziening/intrekking
van de toeslag van eiseres.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat
verweerder op goede gronden heeft besloten de toeslag van eiseres
met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder
b, van de Abw met ingang van 26 januari 1998 te herzien naar 10% en met
ingang van 27 februari 1998 in te trekken.
Ten aanzien van de terugvordering
Ingevolge artikel 81, eerste lid van de Abw
wordt bijstand die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of
69, derde of
vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend,
van de belanghebbende teruggevorderd.
Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt hetgeen
anderszins onverschuldigd is betaald, teruggevorderd voor zover de
belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Ingevolge
het derde lid van dit artikel vindt terugvordering als bedoeld in
het tweede lid niet plaats indien de betreffende kosten zijn
gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het
besluit tot terugvordering.
Artikel 78, tweede lid, van de Abw
bepaalt dat burgemeester en
wethouders kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
Namens eiseres is in het beroepschrift aangevoerd dat er
dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering, met name
gelegen in het feit dat verweerder een halfjaar heeft laten
verstrijken alvorens op de opgave van eiseres te reageren met een
herziening van de toeslag.
Aan de nota van toelichting bij de Abw
ontleent de rechtbank dat
er, gezien de omstandigheden van persoon en gezin, dringende
redenen kunnen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering
af te zien. Indien terugvordering te ernstige gevolgen voor de
betrokkene of de gezinssituatie zou kunnen hebben, dient
toepassing van dit artikellid te worden overwogen. De vraag wat
dringende redenen in de zin van deze wet zijn om van
terugvordering af te zien, kan moeilijk in zijn algemeenheid
worden beantwoord. Bij dringende redenen is niet primair of
uitsluitend gedacht aan financiële redenen. De redactie van het
derde lid laat ruimte voor het meewegen van zowel financiële als
niet-financiële omstandigheden. Nadrukkelijk geldt dat steeds van
geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie
van de betrokkene moet worden beoordeeld. Dit artikellid strekt er
dus niet toe om een algemene of categoriale mogelijkheid te bieden
om van terugvordering af te zien.
De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding aan te
nemen dat in het
onderhavige geval sprake is van dringende redenen op grond waarvan
verweerder zou moeten afzien van terugvordering. Het enkele feit
dat een besluit van verweerder circa een halfjaar op zich heeft
laten wachten, levert in het onderhavige geval naar het oordeel van
de rechtbank geen dringende redenen op grond waarvan verweerder af
zou moeten zien van terugvordering.
Zo eiseres van mening is dat haar hierdoor redelijkerwijs niet
duidelijk kan zijn geweest dat zij te veel uitkering ingevolge de
Abw ontving, dan deelt de rechtbank
deze mening niet. Uit het feit
dat eiseres wel mededeling heeft gedaan van het inkomen van haar
dochter en haar zoon volgt reeds dat ook zij zelf zich bewust is
geweest dat dit inkomen van belang was of kon zijn voor de hoogte
van haar bijstandsuitkering.
Voorts is gesteld dat eiseres al jarenlang van een minimuminkomen
moet rondkomen, waardoor zij financiële problemen heeft gekregen,
met name extra schulden.
Nu eiseres niet met financiële gegevens heeft onderbouwd dat
sprake is van een noodsituatie, dan wel broodnood, ziet de rechtbank
op grond van deze stelling geen aanleiding aan te nemen
dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan van
terugvordering zou moeten worden afgezien.
Eiseres is voorts van mening dat verweerder met betrekking tot de
maand maart zou moeten afzien van terugvordering, omdat eiseres in
maart slechts ƒ203,67 te veel heeft ontvangen. Dit is minder dan
ƒ250,-. Verweerder kan op grond van het feit dat het om een
gering bedrag gaat afzien van terugvordering. De rechtbank
deelt
deze mening niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan het over
de maand maart teruggevorderde bedrag ad ƒ203,67 niet los worden
gezien van de overige maanden waarover wordt teruggevorderd. De
terugvordering is immers het gevolg van één herzieningsbesluit.
Nu het totale terugvorderingsbedrag ad ƒ841,50 hoger is dan ƒ250,-, bestaat voor verweerder niet de mogelijkheid om van
terugvordering af te zien in verband met een gering
terugvorderingsbedrag.
Ten slotte is namens eiseres een beroep gedaan op het
gelijkheidsbeginsel. Hiertoe is namens eiseres een rapport van 6
januari 1999 overgelegd.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de feiten en
omstandigheden dermate afwijken van de feiten en omstandigheden in
deze zaak dat niet kan worden gesproken van een gelijk geval.
Uit dit rapport blijkt dat verweerder in de betreffende
bezwaarschriftprocedure heeft afgezien van terugvordering, omdat
de betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn geweest dat
zij te veel uitkering ontving. Betrokkene had in die zaak bij
aanvraag alle benodigde gegevens correct verstrekt. Desondanks
heeft verweerder de betrokkene een onjuiste uitkering toegekend.
Ook werd door verweerder lange tijd niet gereageerd op door de
betrokkene middels inlichtingenformulieren verstrekte informatie.
De hoogte van het terugvorderingsbedrag ad ƒ841,50 is door
eiseres niet bestreden. Evenmin is de rechtbank
gebleken dat dit
besluit onjuist moet worden geacht. De rechtbank gaat er dan ook
van uit dat dit bedrag juist is.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat
verweerder op goede gronden heeft besloten hetgeen eiseres als
gevolg van het herzienings-/intrekkingsbesluit gedurende de periode
van 26 januari 1998 tot en met 26 april 1998 te veel aan toeslag
ingevolge de Abw heeft ontvangen, zijnde
ƒ841,50, van eiseres
terug te vorderen.
Nu de rechtbank de in dit geding van belang zijnde vragen
bevestigend heeft beantwoord, ziet de rechtbank aanleiding de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van
artikel 8:72, derde lid, van de Awb
in stand te laten.
Nu de rechtbank niet is gebleken dat eiseres in verband met de
behandeling van het beroep kosten heeft moeten maken, ziet de
rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen tot het
vergoeden van proceskosten.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
blijven;
gelast dat de gemeente Lelystad aan eiseres het namens haar
gestorte griffierecht ad ƒ60,- vergoedt.
Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 17
mei 2000 in tegenwoordigheid van mevr. Y. van der Zaan-van Arnhem als
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld
binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak
door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden
aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|