| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IWwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA7064 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Rotterdam |
| Zaaknummer: |
ABW
98/1229-DGG |
| Datum
uitspraak: |
25
februari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
8,
51, 65 en 66
Abw (= 7
en 7 IWwb
en 17 en 53a
Wwb) / 3:2,
7:12 en 7:13 Awb |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
bedrijfskapitaal; gegevensverstrekking door aandeelhouder;
advies bezwaarschriftencommissie; zorgvuldigheid; motivering |
| Essentie: |
Terecht
verlangt de gemeente ter zake van een aanvraag voor
bedrijfskapitaal ook de (financiële) gegevens van de
aandeelhouder. Tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep
komt de rechtbank echter niet, omdat in de bezwaarprocedure niet
op de voorgeschreven wijze advies is uitgebracht door de
bezwaarschriftencommissie. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Rotterdam
ABW 98/1229-DGG
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J.H.M. Nijhuis,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan
den IJssel, verweerder.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Op 28 augustus 1996 heeft eiser bijzondere bijstand in de vorm van een
lening voor bedrijfskapitaal aangevraagd.
Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf Rotterdam en Regio
(hierna: IMK) heeft op 23 september 1996 een adviesrapport opgesteld.
Het IMK heeft op 13 november 1996 een aangepast advies aan verweerder
uitgebracht.
Bij besluit van 11 september 1997 heeft de directeur van de gemeentelijke
sociale dienst van de gemeente Krimpen aan den IJssel de
aanvraag van eiser afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 september 1997 bezwaar
gemaakt.
Op 20 april 1998 heeft de Stichting IMK Intermediair advies uitgebracht
inzake het bezwaar van eiser.
In het kader van de bezwaarprocedure is eiser gehoord door de GSD-kamer
van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente
Krimpen aan den IJssel van 27 april 1998.
Bij besluit van 27 mei 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond
verklaard.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief
van 24 juni 1998 (ingekomen bij de rechtbank op 29 juni 1998) beroep
ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 10 september 1998 een verweerschrift
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2000.
Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. A.F. Braams, die werd bijgestaan door W.E. de
Glas.
2. Overwegingen
2.1. Algemeen
In dit geding dient beoordeeld te worden of verweerder bij het bestreden
besluit terecht onder ongegrondverklaring van het daartegen gerichte
bezwaar het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om
bijzondere bijstand in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal
heeft gehandhaafd.
2.2. Wettelijk kader
Ingevolge artikel 51, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (hierna:
Abw) wordt bij de verlening van bijstand aan een zelfstandige die het
bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met één of meer anderen
uitoefent
onder vermogen mede verstaan het vermogen van die anderen.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw
doet de belanghebbende aan
burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld
mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand
of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van
bewijsstukken.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is de belanghebbende verplicht
aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen
die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze
wet.
Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de Abw
bepalen burgemeester en
wethouders welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan
wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval dienen
te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.
In artikel 3 van de verordening inzake de behandeling van bezwaar- en
beroepschriften van de gemeente Krimpen aan den IJssel (hierna: de
verordening) is bepaald:
1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten
minste twee leden, die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de
gemeenteraad.
2. De voorzitter van de commissie kan geen deel uitmaken van
of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een gemeentelijk
bestuursorgaan. De andere leden benoemt de gemeenteraad uit zijn midden.
3. De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.
Artikel 4 van de verordening luidt als volgt:
-1. De commissie kan kamers instellen, die belast worden
met de behandeling van bezwaar- of beroepschriften;
-2. De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke
kamer vast welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar
zullen worden behandeld.
-3. Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden, te weten:
a. een voorzitter, zijnde de voorzitter van de commissie;
b. ten minste twee andere leden, door de commissie
aangewezen uit haar midden.
-4. De commissie wijst voor elk lid, als bedoeld in het derde
lid, onderdeel b, een plaatsvervanger aan.
-5. De kamer kan beslissen dat de behandeling van een
bezwaar- of beroepschrift door de commissie zal geschieden.
-6. Met betrekking tot de werkwijze van de kamers is het
bepaalde in deze verordening zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing.
2.3. Feiten en omstandigheden
In november 1983 is [eiser] BV (hierna: de BV) opgericht. Het
bedrijf staat in het handelsregister ingeschreven met de
bedrijfsomschrijving: "groothandel (im- en export) in ongeregelde
goederen, groothandel in energiebesparende apparatuur en installaties
ter bestrijding van milieuverontreiniging, alsmede bijbehorende
accessoires en onderdelen". Eiser bezit 66% van de aandelen. De
heer [aandeelhouder] bezit 33% van de aandelen. De BV is
"slapend". Eiser wil de BV niet opheffen omdat er procedures
lopen met betrekking tot schadevergoeding.
Voorts heeft eiser zich in 1986 met de eenmanszaak [eiser] agenturen in
het handelsregister laten inschrijven.
De bedrijfsomschrijving van de eenmanszaak luidde: "het voor derden
verrichten van werkzaamheden, waaronder inbegrepen logistieke
distributie, waaronder verpakken, opslag en verzenden van produkten en
goederen. Groothandel (im- en export) in ongeregelde goederen. Onder de
medehandelsnaam [handelsnaam]: promotie en verkoop (groothandel) van
windturbines en zonne-energiesystemen".
Op 12 september 1996 heeft eiser de inschrijving met betrekking tot
[handelsnaam] als volgt gewijzigd: "het (mede-)exploiteren van
windenergieprojecten, het promoten van en bemiddelen bij realisatie van
wind- en zonne-energieprojecten. Het promoten van en het bemiddelen bij
de realisatie van projecten op het gebied van milieuvriendelijke
verbranding van afvalbrandstoffen".
Tot en met 1995 heeft eiser zich beziggehouden met het vullen, verpakken
en afleveren van parfums in opdracht van een groothandel te Amsterdam.
Omdat de marktomstandigheden met betrekking tot de verkoop van de
parfums zijn gewijzigd, is door eiser gezocht naar alternatieven. Eiser
heeft aangegeven hierbij te denken aan het initiëren van een net van
wederverkopers inzake de verkoop van parfums, de verkoop/bemiddeling van
windturbines en de mede-exploitatie van windturbineprojecten. Met
betrekking tot de laatste twee activiteiten is door eiser contact gelegd
met C. de Wolff Konstruktiebedrijf BV, ook handelend onder de naam C.
de Wolff Nordtank Windenergie en WNW (hierna: WNW).
In verband hiermee heeft hij een lening voor bedrijfskapitaal ten
bedrage van ƒ150.000,- aangevraagd.
Bij brief van 28 november 1996 heeft eiser aan de gemeentelijke sociale
dienst van
Krimpen aan den IJssel onder andere laten weten dat er thans sprake is van een
exploitatiemaatschappij, welke door een
financieringsinstituut en WNW zal worden gerund, terwijl [handelsnaam]
werkzaamheden zal verrichten en daarvoor een vergoeding zal ontvangen.
Verder zal [handelsnaam] (onderdeel van eisers eenmanszaak) een eigen
windenergieproject gaan realiseren.
Bij brief van 15 januari 1997 heeft eiser de sociale dienst ervan op de
hoogte gebracht dat de totale kredietbehoefte ƒ100.000,- bedraagt en dat
WNW daarvan 50% voor haar rekening zal nemen.
Bij brief van 4 maart 1997 heeft eiser de sociale dienst bericht
besloten te hebben om de parfumactiviteiten te beëindigen.
Eiser heeft een verklaring van [aandeelhouder] van 27 september 1996
overgelegd waarin deze heeft verklaard dat hij zich nimmer met
activiteiten van eiser heeft ingelaten en ook niet voornemens is zulks
te gaan doen.
2.4. Standpunten van partijen
Het bestreden besluit is gebaseerd op de overweging dat de beoordeling
van de noodzaak tot bijstandverlening niet mogelijk is vanwege het
ontbreken van gegevens met betrekking tot de vermogenspositie van de
heer [aandeelhouder]. Daarnaast zou ook de vermogenspositie van WNW
beoordeeld dienen te worden. Onder deze omstandigheden heeft volgens
verweerder een nadere beoordeling van de levensvatbaarheid van het
bedrijf geen zin.
Eiser heeft aangevoerd dat er ingevolge artikel
51, tweede lid, van de Abw sprake dient te zijn van een gezamenlijk uitoefenen van bedrijf of
beroep en derhalve een actieve samenwerking in de uitoefening van het
bedrijf of beroep aanwezig dient te zijn. De aandeelhouder in een
besloten vennootschap is uit hoofde van die hoedanigheid niet actief
betrokken bij de uitoefening van het bedrijf of beroep en kan niet
worden aangemerkt als een vennoot in die besloten vennootschap. Voorts
kan aan eiser niet worden verweten dat hij geen gegevens kan
verstrekken over het vermogen van de andere aandeelhouder. Het
privévermogen
van een aandeelhouder is een privézaak van die aandeelhouder. Voor
eiser bestaat geen enkele mogelijkheid om inzage te verkrijgen in diens
privévermogen. Bovendien betreft het in dit geval het vermogen van een
aandeelhouder in een besloten vennootschap voor welke besloten
vennootschap niet het bedrijfskrediet is aangevraagd.
Ten slotte is door eiser opgemerkt dat niet alleen om een krediet is
gevraagd, doch ook om een aanvullende uitkering voor levensonderhoud. Op
dit verzoek is door verweerder nog geen besluit genomen.
Voorts is ter zitting namens eiser aangevoerd dat het bestreden besluit
onzorgvuldig is voorbereid, omdat de commissie waardoor eiser is gehoord
niet was samengesteld conform de artikelen 3 en 4 van de verordening
inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften van de gemeente
Krimpen aan den IJssel. Deze artikelen schrijven voor dat de commissie
bestaat uit een onafhankelijk voorzitter, die niet afkomstig is uit de
gemeenteraad, en twee leden. Eiser is gehoord door een commissie van twee
leden, die beiden afkomstig waren uit de gemeenteraad. Daarnaast is er
niet overeenkomstig artikel 7:13, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) een schriftelijk advies uitgebracht.
In het verweerschrift is aangegeven dat hetgeen bepaald is in artikel
51, tweede lid, van de Abw geen verband houdt met de activiteiten van de
zelfstandige(n), maar met het vermogen. In dit kader dient het vermogen
van [aandeelhouder] te worden meegewogen.
Voorts heeft verweerder in zijn verweerschrift een tweede
afwijzingsgrond aangegeven, namelijk dat de levensvatbaarheid van de door
eiser ingediende plannen niet aannemelijk is. De wijziging van eisers
plannen vormt geen aanleiding tot een algehele herbeoordeling van de
levensvatbaarheid volgens de aanvraag. Het staat eiser vrij een nieuwe
aanvraag (met een nieuw ondernemersplan) in te dienen.
Met betrekking tot eisers opmerking dat er geen besluit was genomen op
zijn aanvraag om een aanvullende uitkering voor levensonderhoud heeft
verweerder aangegeven dat uit de stukken niet is gebleken dat een
dergelijke aanvraag is ingediend.
Ter zitting is nog door de gemachtigde van verweerder verklaard dat
volgens de Verordening inzake de behandeling van bezwaar- en
beroepschriften de plaatsvervangend voorzitter wel een raadslid mag
zijn. Vanwege ziekte van de voorzitter kon een tweede lid niet meer
worden geregeld. Het advies is uitgebracht in de vorm van een staat van
beslissingen, een collectief document met een advies in alle zaken die
de commissie behandelde. De gemachtigde van verweerder ter zitting was
zelf secretaris geweest tijdens de hoorzitting en heeft het advies
medeondertekend.
2.5. Beoordeling
Met betrekking tot eisers stelling dat nimmer een besluit is genomen op
zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering voor zijn levensonderhoud:
De rechtbank constateert allereerst dat het bezwaarschrift waarop bij
het bestreden besluit is beslist geen enkele stelling in deze bevat.
Het bestreden besluit behelst dan ook - evenals het primaire besluit -
alleen de aanvraag om bijzondere bijstand, zodat eisers stellingen met
betrekking tot bijstand voor zijn levensonderhoud buiten dit geding
vallen.
Wel merkt de rechtbank op dat uit de gedingstukken niet is af te leiden
dat een dergelijke aanvraag is gedaan. Voorts is niet gebleken dat
eiser, zo al aangenomen zou kunnen worden dat hij een aanvraag om een
uitkering in zijn levensonderhoud heeft gedaan, enige actie heeft
ondernomen door bijvoorbeeld bezwaar te maken tegen het niet tijdig
nemen van een besluit.
Met betrekking tot het bestreden besluit:
De rechtbank constateert, gelet op de tekst daarvan, dat verweerder met
de verordening heeft beoogd een commissie in te stellen als bedoeld in
artikel 7:13 van de Awb. Deze commissie van advies voor de bezwaar- en
beroepschriften (hierna: de commissie) dient volgens artikel 3 van de verordening en artikel 7:13, eerste lid van de
Awb uit een
onafhankelijke voorzitter en ten minste twee leden te bestaan.
De commissie heeft kennelijk conform artikel 4 van de verordening één
of meerdere kamers ingesteld, nu blijkens het bestreden besluit in
deze door de GSD-kamer is geadviseerd. De hoorzitting heeft blijkens de
gedingstukken ook voor deze kamer plaatsgehad.
Niet in geschil is dat in de onderhavige zaak het horen heeft
plaatsgevonden door de plaatsvervangend voorzitter en één lid.
Uit de tekst van artikel 7:13, derde lid, van de
Awb volgt dat het horen
kan worden opgedragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel
uitmaakt van en niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van het
bestuursorgaan. Het is derhalve toegestaan om het horen te laten
geschieden door minder dan drie leden. De verordening voorziet daarin
eveneens in artikel 12. Voorts verzet artikel
7:13, derde lid, van de Awb zich er niet tegen dat wordt gehoord door een raadslid. Overigens
was het kennelijk de bedoeling dat het horen door een voltallige, uit
een voorzitter en twee leden bestaande kamer uit de commissie zou
geschieden. Het horen is niet expliciet opgedragen aan de voorzitter of
een ander onafhankelijk lid, maar heeft louter als gevolg van ziekte van
de voorzitter plaatsgehad door de twee leden, waarvan er kennelijk één
als plaatsvervangend voorzitter is aangewezen.
Onder de gedingstukken bevindt zich geen advies van de GSD-kamer van de
commissie.
Navraag ter zitting leverde op dat het advies zou zijn uitgebracht door
middel van een staat van besluiten, een collectief advies met betrekking
tot alle zaken die door de commissie zijn behandeld. Een separaat
schriftelijke advies zou niet zijn opgemaakt. Nu ook de zogenaamde staat
van besluiten zich niet bij de gedingstukken bevindt en evenmin ter
zitting getoond kon worden, kan niet worden beoordeeld of verweerder in
deze heeft gehandeld overeenkomstig artikel
7:13, zesde lid, van de Awb,
dat een schriftelijk advies vereist en overeenkomstig artikel 17, derde
lid, van de verordening, waarin is vastgelegd dat het advies gemotiveerd
dient te zijn.
Voorts moet geconstateerd worden dat een advies is uitgebracht door de
GSD-kamer van de commissie, terwijl deze - naar moet worden aangenomen -
uit twee personen bestond.
Nu door de gemachtigde van verweerder ter zitting niet kon worden
opgehelderd of het advies in deze zaak is uitgebracht door de
plaatsvervangend voorzitter en het commissielid, die eiser hebben
gehoord, of in een andere samenstelling en geen enkele aanwijzing
bestaat voor laatstbedoelde situatie, moet de rechtbank
ervan uitgaan
dat het advies is uitgebracht door de plaatsvervangend voorzitter met
slechts één commissielid.
Artikel 7:13, derde lid, van de Awb strekt evenwel niet verder dan het
geven van een regeling met betrekking tot het horen door de commissie.
Niet volgt daaruit dat naast het horen ook de gehele advisering aan de
(plaatsvervangend) voorzitter en één lid kan worden opgedragen. Een
dergelijke advisering moet in strijd met artikel
7:13, eerste lid, onderdeel a, van de Awb worden geoordeeld.
Bovendien valt niet uit te sluiten dat thans een ander advies is
uitgebracht dan het geval zou zijn geweest indien de commissie uit drie
leden zou hebben bestaan.
De rechtbank verwijst in deze naar de uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 1999
(TAR 1999/158) en de
Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 1998 (JB
1998/257).
Nu aangenomen dient te worden dat verweerder een in strijd met de wet
tot stand gekomen advies ten grondslag heeft gelegd aan het besluit, is
dit besluit, wat er ook zij van het gegeven dat de plaatsvervangend
voorzitter afkomstig is uit het midden van de commissie, naar het
oordeel van de rechtbank niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld
in artikel 3:2 van de Awb
tot stand gekomen en berust het niet op een
deugdelijke motivering als bedoeld in artikel
7:12, eerste lid, van de Awb.
Gelet hierop dient het beroep - onder vernietiging van het bestreden
besluit - gegrond verklaard te worden. Verweerder dient een nieuw
besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verweerder heeft - in ander verband - aangegeven geen bezwaar te hebben
tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit
in het geval dit wegens een motiveringsgebrek door de rechtbank
vernietigd zou worden. De rechtbank ziet geen reden om daartoe te
beslissen. De bezwarenprocedure ziet immers op een algehele
heroverweging van het primaire besluit en het is juist niet duidelijk of
de discussie binnen (de GSD-kamer van) de commissie indien deze uit drie
personen zou (hebben) bestaan, tot een zelfde advies zou leiden/hebben
geleid als thans in het bestreden besluit is overgenomen, terwijl
verweerder vervolgens nog dient te overwegen of hij een dergelijk advies
al dan niet overneemt.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die
eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze
uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de
proceskosten op ƒ1420,- aan kosten van door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in
de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat naar het oordeel van de rechtbank
in het besluit op bezwaar terecht aan de orde is gekomen dat ook de
positie van WNW betrokken dient te worden bij de beoordeling van eisers
aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een lening voor
bedrijfskapitaal. Eiser zal daaromtrent derhalve nadere informatie
dienen over te leggen.
De vraag of verweerder het vermogen van de aandeelhouder [aandeelhouder]
terecht bij de beoordeling van eisers aanvraag wenst te betrekken en
daaromtrent aan eiser nadere inlichtingen heeft verzocht, zal de
rechtbank - zeker nu het hier overwegingen ten overvloede betreft - in
het midden laten. Er bestaat namelijk thans onvoldoende duidelijkheid
over de relatie tussen de verschillende ondernemingen van eiser, te
weten zijn eenmanszaak en de besloten vennootschap. De rechtbank acht
het in dit verband vooralsnog niet juist om - zoals eiser lijkt voor te
staan - die vennootschap geheel buiten beschouwing te laten, nu hij
aanvoert het bedrijfskrediet alleen nodig te hebben voor zijn
eenmanszaak. Gelet op de deels overlappende doelomschrijvingen van de
beide bedrijven en het feit dat eiser in ieder geval directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschap is, kan bij een
beoordeling als de onderhavige niet zonder meer aan de financiële
situatie van die vennootschap voorbij worden gegaan. Of het vermogen van
[aandeelhouder] mede van belang is voor de beoordeling van eisers
aanvraag, zal onder andere afhangen van de verstrengeling van eisers
ondernemingen onderling en de eventuele verstrengeling van die
ondernemingen met [aandeelhouder].
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift
van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de gemeente Krimpen aan den IJssel aan eiser het door hem
betaalde griffierecht van ƒ55,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van ƒ1420,-
en wijst de gemeente Krimpen aan den IJssel aan als rechtspersoon die
deze kosten aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.I. Degeling.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve als
griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2000.
De griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en
verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn
voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan
met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is
verzonden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AA7084 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
98/1782 |
| Datum
uitspraak: |
8
november 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
30, 57 en 59a ABW (= 65,
81 en 84 Abw)
(= 17, 58
en 59 Wwb)
/ 69 Abw
(= 54 Wwb)
/ XVI Wet BMT
/ 1:3 Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
schending inlichtingenverplichting; terugvordering; hoofdelijke
aansprakelijkheid |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten.
Onvoldoende bekendheid met de Nederlandse taal en wetgeving
maken de schending van de inlichtingenverplichting niet
verschoonbaar. Beide echtgenoten zijn ter zake van de
terugvordering hoofdelijk aansprakelijk. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Arnhem 98/1782
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 26 augustus 1998.
2. Feiten en procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 1991 heeft verweerder eiseres en
[echtgenoot], echtgenoot van eiseres, met ingang van 8 juli 1991
een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de
norm voor een echtpaar toegekend.
Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder de verstrekte
bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari
1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte
uitkering van ƒ5608,34 bruto teruggevorderd.
Namens eiseres is op 10 maart 1998 tegen dat besluit bezwaar
gemaakt. Het bezwaar is behandeld op 5 augustus 1998 door de
bezwaarschriftencommissie Sociale Zaken. Eiseres is bij de
behandeling niet verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 5
augustus 1998 advies aan verweerder uitgebracht.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 augustus 1998 heeft
verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Namens eiseres heeft J. van Dorssen op 30 september 1998 tegen dit
besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 10 november 1998 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 oktober
1999, waar eiseres noch gemachtigde zijn verschenen en waar
verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door S.J.P.M. van
Oyen, werkzaam bij de gemeente.
3. Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,
waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 30 januari
1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan
doorstaan. In het besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder de
aan [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, naar de norm voor
gehuwden verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus
1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te
veel) verstrekte uitkering van ƒ5608,34 bruto teruggevorderd.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres de
inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de
Abw heeft geschonden. Doordat eiseres noch [echtgenoot] verweerder op
de hoogte heeft gesteld van het feit dat door eiseres inkomsten
zijn genoten uit werkzaamheden is ten onrechte bijstand verleend.
Deze ten onrechte verleende bijstand wordt op grond van het
bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de
Abw teruggevorderd. Voor
de terugbetaling is eiseres op grond van het bepaalde in artikel
84, eerste en vierde lid, van de Abw
hoofdelijk aansprakelijk.
Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres voert aan dat verweerder er geen rekening mee heeft
gehouden dat zij
in Nederland is gekomen zonder de Nederlandse taal te kennen en
niet bekend was met de regels die door verweerder worden
gehanteerd. Eiseres stelt dat haar echtgenoot in juli 1995 reeds
op de hoogte was van haar werkzaamheden in [plaats] per 1 augustus
1995. Eiseres voert aan dat door verweerder eerder controle had
moeten plaatsvinden. Voorts stelt eiseres dat zij in de periode 1
augustus 1995 tot februari 1996 geen controleformulieren heeft
getekend en in het geheel geen contact meer heeft gehad met de
heer [echtgenoot].
De rechtbank overweegt als volgt.
Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996,
248, hierna: de Wet BMT) ten aanzien van de Algemene bijstandswet
(Abw) in werking getreden.
Ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de overgangsbepalingen van
deze wet wordt - voor zover hier van belang - in de bevoegdheid van
de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die
hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening
van hetgeen vóór die datum onverschuldigd is betaald, geen
wijziging gebracht. Krachtens het tweede lid blijft ten aanzien
van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn
bekendgemaakt het recht zoals dat vóór die datum gold van
toepassing.
Ingevolge laatstgenoemd artikellid geldt naar het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van een terugvorderingsbesluit dat op
of na 1 juli 1997 bekend is gemaakt de bestuursrechter de bevoegde
rechter is.
Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende primaire
besluit tot terugvordering is gedateerd 30 januari 1998, zodat
moet worden geconcludeerd dat de rechtbank
ter zake bevoegd is.
Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden heeft
besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot
toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de ten
onrechte verleende bijstand.
De herziening en terugvordering hebben betrekking op de periode 1
augustus 1995 tot 13 februari 1996, zijnde een periode voorafgaand
aan de inwerkingtreding van de Wet BMT op 1 juli 1997, zodat
aan de hand van het hiervoor weergegeven overgangsartikel moet
worden bepaald welke bepalingen van toepassing zijn.
Genoemd artikel XVI, eerste lid, dient, mede gelet op de
uitspraken van de Hoge Raad van 13 januari 1995, JABW 1995/233, en
3 maart 1995, JABW 1995/334, waarin een uitleg is gegeven aan het
vergelijkbare overgangsartikel VIII van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, aldus te worden opgevat dat indien de
terugvordering betrekking heeft op een periode vóór de
inwerkingtreding van de Wet
BMT, het materiële recht inzake de
bevoegdheid tot weigering, terugvordering en verrekening zoals dat
toen gold, van toepassing blijft. Uit het tweede lid volgt naar
het oordeel van de rechtbank a contrario dat ten aanzien van
besluiten die op of na 1 juli 1997 bekend zijn gemaakt, voor wat
betreft de wijze van weigering, terugvordering of verrekening, de Wet
BMT van toepassing is, ook als het gaat om vóór de
inwerkingtreding van de Wet
BMT ten onrechte of te veel betaalde
uitkeringen.
Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat op de
vraag of, en zo ja, hoeveel kan worden teruggevorderd de
terugvorderingsbepalingen van de Abw
zoals die luidden vóór 1 juli
1997 van toepassing zijn en dat voor wat betreft de procedure van
terugvordering de Wet
BMT van toepassing is.
Op 1 januari 1996 zijn de (nieuwe) bepalingen van de Abw
in
werking getreden, hetgeen met zich meebrengt dat op de onderhavige
periode verschillende wettelijke bepalingen van toepassing zijn.
Ten aanzien van de periode 1 augustus 1995 tot 1 januari 1996 zijn
dit onder meer de artikelen 30, tweede lid, 57, onderdeel d, en 59a,
eerste en derde lid, van de ABW (oud) - zoals deze artikelen luidden
van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996. Met betrekking tot de
periode 1 januari 1996 tot 13 februari 1996 zijn dit de artikelen
65, eerste en tweede lid, 81, eerste lid en
84 eerste en derde
lid, van de Abw, zoals deze artikelen luidden van 1 januari 1996
tot 1 juli 1997.
Voornoemde bepalingen bevatten - voor zover hier van belang - geen
materiële verschillen. Hieronder is de tekst van de bepalingen
zoals deze luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 weergegeven.
Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw
(30, tweede lid, van
de ABW) doet de belanghebbende op verzoek van burgemeester en
wethouders of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al
hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de
voortzetting daarvan. Krachtens het tweede lid maakt
belanghebbende voor de verstrekking van gegevens gebruik van een
door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Op grond van
artikel 81, eerste lid van de Abw
(57, onderdeel d, van de ABW) wordt
de bijstand teruggevorderd indien de verplichting, bedoeld in
artikel 65 (30 ABW), niet of niet behoorlijk is nagekomen, voor
zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte
of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Ingevolge artikel
84, eerste lid van de Abw (59a, eerste lid, van de ABW) worden,
indien bijstand als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is verleend
(gezinsbijstand), voor de toepassing van deze paragraaf als
belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen.
Krachtens het derde lid van artikel 84 van de
Abw (59a, derde lid,
van de ABW) zijn de in het eerste lid bedoelde personen hoofdelijk
aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte
kosten van bijstand.
Verweerders beslissing tot herziening van de aan eiseres en haar
echtgenoot toegekende uitkering beoogt naar het oordeel van de rechtbank
wijziging te brengen in de aanspraak op in het verleden
toegekende en reeds uitbetaalde bijstand. Een zodanig besluit
heeft als rechtsgevolg dat vast komt te staan dat in het verleden
ten onrechte bijstand is verleend en dat derhalve onverschuldigde
betaling heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is - overeenkomstig de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 juli 1994, RSV
1995/54 - van oordeel dat
een herzieningsbeslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3
van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens
beroep kan worden ingesteld.
In de omstandigheid dat zodanig besluit niet past in het oude -
civielrechtelijke - stelsel van de ABW en in ieder geval niet was
vereist, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 april 1997, NJ
1997/499, heeft geoordeeld, ziet de rechtbank
- in navolging van de
CRvB in zijn uitspraak van 20 juli 1999, 98/3246, PS Actua van 9
september 1999, nr. 99 - niet langer aanleiding voor een
andersluidend oordeel.
De rechtbank is - anders dan verweerder kennelijk
meent - van oordeel dat de herziening niet kan worden gebaseerd op het
bepaalde in artikel 69, derde lid, van de
Abw, zoals dat artikel
luidt sedert 1 juli 1997. Bedoeld artikellid ziet op de herziening
of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en
betreft naar het oordeel van de rechtbank een (nieuwe) materiële
bepaling. Ingevolge eerder genoemde overgangsbepaling kan dit
artikellid derhalve niet de basis vormen voor een herziening van
de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering.
Nu herziening van een over een periode vóór 1 juli 1997
toegekende uitkering niet is vereist, maar wel is toegestaan, ziet
de rechtbank in de vermelding van artikel 69, derde lid, van de
Abw geen aanleiding om tot vernietiging van het bestreden besluit
over te gaan.
Niet in geschil is dat eiseres inkomsten uit werkzaamheden heeft
genoten en deze inkomsten niet aan verweerder heeft gemeld.
Vast staat dat eiseres de in artikel 65, eerste lid van de
Abw (30, tweede lid, van de ABW) opgenomen inlichtingenverplichting
niet is nagekomen. Eiseres heeft verweerder nimmer op de hoogte
gesteld van haar werkzaamheden en inkomsten. De omstandigheid dat
eiseres onvoldoende bekend was met de Nederlandse taal alsmede de
regels die door verweerder worden gehanteerd maakt dit verzuim
niet verschoonbaar. Het feit dat de echtgenoot van eiseres
evenmin aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan en de
bijstandsuitkering mogelijk heeft geconsumeerd, ontslaat eiseres
niet van de verplichting onverwijld mededeling te doen van feiten
en omstandigheden welke van invloed zijn op het recht op bijstand.
De bijstandsuitkering is aan eiseres en haar echtgenoot toegekend
en de inlichtingenverplichting rust derhalve op zowel eiseres als
haar echtgenoot.
Ingevolge het hierboven weergegeven artikel 84 van de
Abw (59a van
de ABW) zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling
van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder op goede
gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar
echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de
over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 (te veel)
verstrekte bijstandsuitkering van ƒ5608,34.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank
van oordeel dat de
stellingen van eiseres tegen het besluit van 26 augustus 1998 geen
doel treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet
gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden
besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te
worden verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank
geen termen aanwezig
toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Awb. Het hiervoor
overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, mr. W.P.C.G. Derksen en
mr. W.F. Bijloo, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 8
november 1999 door mr. H.A.W. Snijders, voornoemd, in
tegenwoordigheid van mr. G.H.W. Bodt als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op: 16 november 1999.
Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24
juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending
hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / BW |
x
LJN: |
x
AA7123 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
00/131
WET |
| Datum
uitspraak: |
28
augustus 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3 Abw (= 3
Wwb) / 6:106, 6:162 en 6:163 BW |
| Trefwoorden: |
schadevergoeding; immateriële schade; onrechtmatige daad; zuiver
schadebesluit; gezamenlijke huishouding; samenwoning;
medehuurder |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om vergoeding van geleden immateriële schade
tengevolge van een hartinfarct, naar eisers zeggen veroorzaakt
door de, zoals kwam vast te staan na bezwaar, onterechte
afwijzing van de bijstandsaanvraag van zijn medehuurster wegens
(vermeende) gezamenlijke huishouding met hem. Het
besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag is uitsluitend
gericht tot de bijstandsgerechtigde en kan als zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding
verplichtende onrechtmatige overheidsdaad tegenover eiser. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Zutphen
00/131 WET
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ermelo,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 20 januari 2000.
2. Feiten
Eiser heeft tezamen met mevrouw [medehuurder] (hierna:
[medehuurder]) op 24 juli 1998 een woning in Ermelo gehuurd. Op 4
augustus 1998 heeft eiser namens en ten behoeve van [medehuurder]
bij verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
aangevraagd.
Bij besluit van 15 september 1998 heeft verweerder deze aanvraag
afgewezen op de grond dat aannemelijk werd geacht dat
[medehuurder] een gezamenlijke huishouding voerde of zou gaan
voeren met eiser.
Naar aanleiding van het namens [medehuurder] gemaakte bezwaar
heeft verweerder voormeld besluit bij besluit van 3 november 1998
herroepen en alsnog een bijstandsuitkering aan [medehuurder]
toegekend met ingang van 24 juli 1998. Verweerder heeft daarbij
erkend dat hij ten onrechte had aangenomen dat sprake was van een
gezamenlijke huishouding tussen [medehuurder] en eiser.
Bij brief van 21 juli 1999, nader toegelicht in een gesprek op 19
augustus 1999, heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van
immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van
de handelwijze van de gemeente met betrekking tot de
bijstandsaanvraag van [medehuurder].
Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerder dit verzoek om
schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard.
3. Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde
gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende
stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 18 juli 2000, waar eiser
is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.A. Oosterveer en G.L. Hoek.
4. Motivering
Evenals in de uitspraak van 14 april 2000, reg.nr. 99/750 BELEI,
omtrent een ander verzoek om schadevergoeding van eiser in verband
met de bijstandverlening aan [medehuurder] gaat de rechtbank
ervan uit dat eiser ook bij het onderhavige verzoek het oog heeft
gehad op schade welke naar zijn mening is veroorzaakt door
verweerders besluit van 15 september 1998, waarbij de
bijstandsaanvraag van [medehuurder] werd afgewezen.
Nu de gestelde schadeoorzaak aldus is gelegen in een besluit dat
vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht, is de beslissing op het schadeverzoek aan te merken
als een zuiver schadebesluit dat eveneens vatbaar is voor bezwaar
en beroep op grond van die wet. Verweerder heeft het bezwaar van
eiser derhalve terecht ontvankelijk geacht.
Eiser wenst vergoeding van immateriële schade omdat hij - zo
begrijpt de rechtbank - zich ernstig gegriefd voelt door het feit
dat bij de beslissing op de bijstandsaanvraag van [medehuurder]
geen geloof is gehecht aan hetgeen door hem in het kader van de
behandeling van die aanvraag naar voren werd gebracht, namelijk
dat hij en [medehuurder] ieder een eigen huishouden zouden gaan
voeren in de gezamenlijk gehuurde woning. Voorts heeft de kwestie
volgens eiser zodanige spanningen bij hem teweeggebracht dat hij
op 19 september 1998 in het ziekenhuis moest worden opgenomen met
een hartinfarct.
De vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding dient te
worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek (BW).
In artikel 6:162 BW is bepaald dat hij die jegens een ander een
onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend,
verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te
vergoeden.
Ingevolge artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot
schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot
bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
Deze bepalingen hebben betrekking op zowel materiële als immateriële
schade.
Het besluit van 15 september 1998 betreft een beslissing in het
kader van de Algemene bijstandswet (Abw) op een aanvraag van
[medehuurder], welke beslissing uitsluitend tot haar is gericht.
De bepalingen van de Abw strekken tot bescherming van de belangen
van de bijstandsbehoevende, in dit geval [medehuurder], en niet
tot bescherming van de belangen van anderen, zoals eiser. Voor
zover bij het besluit van 15 september 1998 normen c.q. bepalingen
van de Abw zijn geschonden, strekken deze normen derhalve niet tot
bescherming tegen schade zoals eiser die meent te hebben geleden.
Dat eiser optrad als gemachtigde van [medehuurder] maakt dit niet
anders. Ook de omstandigheid dat verweerder aannam dat
[medehuurder] een gezamenlijke huishouding met eiser voerde of zou
gaan voeren, betekent niet dat daaruit een rechtstreeks belang van
eiser bij verweerders besluit ontstond.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:163 BW kan derhalve de
afwijzing van de onderhavige bijstandsaanvraag als zodanig niet
leiden tot een verplichting tot schadevergoeding aan eiser. Anders
gezegd, de beslissing tot afwijzing van de aanvraag kan als
zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding
verplichtende onrechtmatige daad tegenover eiser.
Daarnaast brengt ook het feit dat verweerder bij het nemen van die
beslissing kennelijk geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend
aan verklaringen van eiser niet met zich dat verweerder
onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser. Dat verweerder niet
op de woorden van eiser is afgegaan, maar op andere gegevens, zoals
de gezamenlijke huurovereenkomst van eiser en [medehuurder] en de
omstandigheid dat zij zich bij de aanvraag van een
huisvestingsvergunning als partners presenteerden, houdt nog niet
in dat eiser - zoals hij in dit geding onder meer heeft gesteld -
is beschuldigd van oplichting of fraude.
Ook overigens heeft de rechtbank in de grieven van eiser geen
aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat verweerder
tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld bij het nemen van de
beslissing van 15 september 1998.
Nu niet kan worden gezegd dat verweerder onrechtmatig heeft
gehandeld tegenover eiser, is verweerder niet gehouden tot
enigerlei schadevergoeding aan eiser en dus ook niet tot
vergoeding van immateriële schade. Het beroep dient derhalve
ongegrond te worden verklaard.
Ten overvloede merkt de rechtbank
op dat - afgezien van het
voorgaande - er naar haar oordeel geen sprake is van een geleden
immaterieel nadeel van zodanige aard dat er aanleiding zou kunnen
zijn voor een vergoeding aan eiser, gelet op het bepaalde in
artikel 6:106 BW. Verweerder had niet het oogmerk om enig leed toe
te brengen aan eiser, terwijl in redelijkheid niet staande kan
worden gehouden dat eiser in zijn eer of goede naam is geschaad
dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast door de wijze
waarop de onderhavige bijstandsaanvraag is afgehandeld. Voor zover
er een verband kan worden gelegd tussen verweerders beslissing van
15 september 1998 en een hartinfarct bij eiser, gaat het te ver om
te stellen dat eiser door die beslissing lichamelijk letsel heeft
opgelopen.
Voor een veroordeling in proceskosten zijn geen termen aanwezig.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar
uitgesproken op 28 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA7188 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
00/50
NABW Z BUC |
| Datum
uitspraak: |
9
augustus 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
17 en 39 Abw
(= 15
en 35 Wwb)
/
3:2,
7:12 en 8:52 Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten ouderbijdrage; LBIO; kostenbesparing;
voorliggende voorziening; zorgvuldigheid; motivering; versnelde
behandeling |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van ouderbijdrage
(eigen bijdrage) in de kosten van verblijf van eiseresses zoon
in een semi-residentiële inrichting. Aangezien de zoon geen
maaltijden gebruikt in de inrichting is de gemeente ten onrechte
uitgegaan van kostenbesparing. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 00/50 NABW Z BUC
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van
de gemeente Heerlen, verweerder.
Datum van het bestreden besluit: 7 december 1999.
Kenmerk: 01.21/990273B-AJ.
Datum van behandeling ter zitting: 28 juni 2000.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft
verweerder het namens eiseres ingediende bezwaarschrift tegen
verweerders besluit van 5 maart 1999 inzake de weigering van
toekenning van bijzondere bijstand ongegrond verklaard en
laatstgenoemd besluit onverkort gehandhaafd.
Tegen eerstvermeld besluit heeft de gemachtigde van eiseres, mw.
mr. E.B.A. Ferwerda, advocaat te Heerlen, bij schrijven van 10
januari 2000 beroep ingesteld. Het beroep is bij brieven van 21
maart 2000 en 20 april 2000 nader toegelicht.
Verweerder heeft bij schrijven van 9 februari 2000 een
verweerschrift ingediend.
De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden stukken alsmede het
verweerschrift zijn op 15 februari 2000 in afschrift aan de
gemachtigde van eiseres gezonden.
Door de gemachtigde van eiseres is bij brief van 26 april 2000 een
verzoek om versnelde behandeling ingediend. Gelet op hetgeen
daartoe is aangevoerd, heeft de rechtbank het verzoek op grond van
het bepaalde in artikel 8:52 van de
Awb bij beschikking van 2 mei
2000 toegewezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 28 juni 2000, alwaar namens eiseres is
verschenen mr. Ferwerda, voornoemd. Verweerder heeft zich doen
vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.T.M. Jacobs, ambtenaar ter
gemeentesecretarie.
II. Overwegingen
II.1. Eiseres ontvangt vanwege verweerders gemeente een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande ouder. Haar drie kinderen X, Y en Z, respectievelijk
geboren op [...] 1992, [...] 1994 en [...] 1996, wonen bij
eiseres.
Zoon X verblijft sedert 8 februari 1999 op werkdagen na school in
het P-centrum te Q, een zogeheten semi-residentiële inrichting.
Eiseres is voor het verblijf in deze semi-residentiële inrichting
een ouderbijdrage (eigen bijdrage) van ƒ82,50 per maand
verschuldigd aan het Rijk casu quo het Landelijk Bureau Inning
Ouderbijdragen.
Eiseres heeft op 23 februari 1999 bij verweerder een aanvraag
ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van voornoemde
ouderbijdrage en voor taxikosten ten behoeve van de ritten van X
van school naar het P-centrum en vandaar naar huis, één en ander
voor de periode van 8 februari 1999 tot 8 februari 2000.
Bij besluit van 5 maart 1999, verzonden op 15 april 1999, is aan
eiseres meegedeeld dat haar aanvraag om bijzondere bijstand in de
kosten van de ouderbijdrage is afgewezen, omdat niet is gebleken
dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39 van
de Abw. Daarbij is onder meer verwezen naar het besparingsprincipe
(dat verband houdt met de opgelegde ouderbijdrage) en de
omstandigheid dat eiseres ten behoeve van X kinderbijslag
ontvangt. Bij voornoemd besluit is tevens aan eiseres meegedeeld
dat aan haar bijzondere bijstand voor eerder genoemde taxikosten
wordt verleend; de bijstand zal na overlegging van de maandelijks
door haar in te dienen kwitanties worden verleend. De
draagkrachtperiode is daarbij vastgesteld van 1 februari 1999 tot
1 februari 2000.
Tegen de in voornoemd besluit vervatte weigering om bijzondere
bijstand toe te kennen ter zake van de ouderbijdrage heeft de
Socialistische Partij, afdeling [...], namens eiseres bij
schrijven van 24 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend bij
verweerder. Namens eiseres zijn bij schrijven van 13 juni 1999 de
gronden van het bezwaar ingediend. De bezwaren richten zich met
name tegen het door verweerder gehanteerde besparingsprincipe in
de situatie van eiseres.
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is eiseres in de
gelegenheid gesteld om haar bezwaren op 4 augustus 1999 ter
hoorzitting nader toe te lichten, van welke gelegenheid haar
toenmalige gemachtigde gebruik heeft gemaakt. Van het verhandelde
ter hoorzitting is een verslag gemaakt, dat zich bij de stukken
bevindt.
II.2. Bij het thans bestreden besluit van 7 december 1999 heeft
verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en zijn
besluit van 5 maart 1999 onverkort gehandhaafd.
Verweerder hanteert blijkens het bestreden besluit als
uitgangspunt dat, indien er een ouderbijdrage verschuldigd is,
ervan wordt uitgegaan dat sprake is van bespaarde kosten voor de
ouder(s). De hoogte van de ouderbijdrage is afgeleid van de
gemiddelde kosten per maand per kind van een gezin met twee
kinderen met een netto-inkomen naar de bijstandsnorm voor een
alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, inclusief
vakantietoeslag. De ouderbijdrage dient, aldus verweerder, deels
uit het inkomen van de ouder(s) - waarbij het besparingsprincipe
van toepassing is - en deels uit de kinderbijslag
- indien daar
recht op bestaat - bekostigd te worden.
Voor de ouderbijdrage kan op grond van verweerders beleid ter zake
derhalve (slechts) bijzondere bijstand worden verleend, indien:
- het inkomen gemiddeld minder bedraagt dan het (bijstands)inkomen
van een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, of
- geen aanspraak bestaat op kinderbijslag voor het
desbetreffende kind.
Nu eiseres een bijstandsuitkering naar de norm voor een
alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder geniet en voorts kinderbijslag
voor X ontvangt en er niet is gebleken van
bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het desbetreffende
beleid moet worden afgeweken, is de aanvraag terecht afgewezen,
aldus verweerder.
II.3. Blijkens het beroepschrift en de aanvullingen daarop kan
eiseres zich niet met verweerders besluit op bezwaar van 7 december 1999 verenigen.
Namens eiseres is daarbij aangevoerd dat X net als ieder ander
kind gewoon naar school gaat en hij na schooltijd naar het
P-centrum moet voor begeleiding. Alle maaltijden gebruikt hij
echter gewoon thuis. Er is dus geen enkele besparing tengevolge
van de plaatsing in het P-centrum, maar er zijn wel extra kosten,
te weten de door eiseres te betalen ouderbijdrage. Er is dan ook
in dit geval sprake van noodzakelijke bestaanskosten tengevolge
van bijzondere, individuele omstandigheden waarin de algemene
bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven
gaan. Verweerder heeft ten onrechte niet gekeken naar de
individuele omstandigheden van het onderhavige geval en is slechts
uitgegaan van meergenoemd besparingsprincipe.
Eiseres heeft voorts verwezen naar de uitspraak van de rechtbank
te Assen van 16 oktober 1996 (JABW 1997/6), naar de uitspraak van
de president van die rechtbank
van 25 april 1996 (JABW 1996/139)
en naar de uitspraken van de rechtbank te
Maastricht, bekend onder
de reg.nrs. AWB 98/1720 en 98/1875.
II.4. In het verweerschrift is verwezen naar het in verweerders
beleid neergelegde besparingsprincipe, dat voortvloeit uit het op
artikel 41a van de Wet op de jeugdhulpverlening gebaseerde Besluit
bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige
jeugdhulpverlening (Stb. 1995, 226). Het is dus niet de gemeente
die bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand
vaststelt dat betrokkene een besparing op het haar ter beschikking
staande budget heeft als gevolg van het verblijf van X in een
semi-residentiële inrichting; de besparing vloeit van rechtswege
voort uit de toepasselijke landelijke regelgeving, aldus
verweerder.
II.5. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het
bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het geschil spitst
zich daarbij toe op de vraag of verweerder de aanvraag voor
bijzondere bijstand voor de kosten van de ouderbijdrage terecht en
op goede gronden heeft afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
II.5.1. Ingevolge artikel 6 van de Abw
wordt in deze wet verstaan
onder:
a. algemene bijstand: de bijstand die wordt verstrekt
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan;
b. bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt
indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden
tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene
bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven
gaan;
c. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten
deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan
wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter
bekostiging van specifieke uitgaven.
Artikel 7, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat iedere Nederlander
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op
bijstand van overheidswege.
Artikel 17, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat geen recht op
bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Artikel 39, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat de alleenstaande of
het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet
beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan
en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm
en de aanwezige
draagkracht.
Artikel 40, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat burgemeester en
wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of
gedeeltelijk in beschouwing nemen:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2
en 3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 41a, eerste lid, van de Wet op
de jeugdhulpverlening zijn onderhoudsplichtige ouders aan het Rijk
een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf
van hun kind(eren) in een op grond van die wet voor bekostiging in
aanmerking gebrachte voorziening.
Ingevolge het bepaalde in artikel 41a, tweede lid, van de Wet op
de jeugdhulpverlening wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de
leeftijd van de jeugdige en naar de aard van de verzorging en het
verblijf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van het Besluit bijdragen
justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening
(Besluit van 26 april 1995, Stb. 1995, 226) bedraagt de
ouderbijdrage in de kosten van verzorging en verblijf als bedoeld
in artikel 41a van de Wet op de jeugdhulpverlening indien het
semi-residentiële hulpverlening betreft voor een kind van 6 tot
en met 11 jaar ƒ82,50 per maand.
In een brief aan de Tweede Kamer van de Staatssecretarissen van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van
Justitie (Kamerstukken II 1994-1995,
22 060, nr. 13) is toegelicht op welke wijze de hoogte van de
ouderbijdrage is bepaald voor de residentiële hulpverlening. Die
toelichting vermeldt dat de hoogte van de eigen bijdrage van de
ouder(s) deels is afgeleid uit een berekening van de gemiddelde
kosten welke per maand voor een kind worden gemaakt in een eenoudergezin
met twee kinderen dat op bijstandsniveau moet leven. De berekening
zelf is niet kenbaar gemaakt. De eigen bijdrage is opgebouwd uit
de voor het kind te ontvangen kinderbijslag en uit een deel (tot
maximaal de helft) van de (niet kenbaar) berekende besparing. Voor
de semi-residentiële hulpverlening is de uitkomst van deze
exercitie gedeeld door twee. Niet is vermeld waarom deze
delingsfactor is gekozen.
II.5.2. Allereerst is in het onderhavige geval van belang of
sprake is van een voorliggende voorziening die, gezien haar aard
en doel, toereikend en passend moet worden geacht.
Nu de Wet op de jeugdhulpverlening de opvang van het kind van
eiseres bekostigt, moet naar het oordeel van de rechtbank
worden
aangenomen dat voornoemde wet moet worden beschouwd als een
voorliggende voorziening in de zin van artikel
17, eerste lid, van
de Abw.
De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 17 van de
Abw
niet
in de weg staat aan de mogelijke vergoeding op grond van de Abw
van de door eiseres in het kader van voornoemde wet verschuldigde
eigen bijdrage. De rechtbank acht zich hierbij gesteund door de
eerder vermelde uitspraken van de (president van de) rechtbank te
Assen van 16 oktober 1996 en 25 april 1996.
II.5.3. De rechtbank overweegt voorts dat de vraag of en in
hoeverre de verschuldigde eigen bijdrage op grond van de Abw
kan
worden vergoed met name moet worden beantwoord aan de hand van
het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de
Abw.
De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op het ter zitting
desgevraagde standpunt van verweerder ter zake, de uit de plaatsing
van X in de semi-residentiële inrichting voortvloeiende kosten -
zijnde de door eiseres verschuldigde ouderbijdrage - gerekend
moeten worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.
II.5.4. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of sprake
is van individuele omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten
niet uit de normuitkering en de aanwezige draagkracht kunnen
worden voldaan.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
In dit kader is van belang of daadwerkelijk sprake is van de door
verweerder veronderstelde besparing.
Vaststaat dat X ten tijde hier van belang thuis woonde, dat het
slechts naschoolse opvang betrof en dat de maaltijden thuis
gebruikt werden. Verweerder heeft, mede gezien het feit dat X
slechts een gering deel van de dag in het P-centrum verbleef, naar
het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat
in dit concrete geval daadwerkelijk sprake was van
kostenbesparing. De rechtbank verwijst hierbij voorts naar de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
van 7 december 1999 (JABW
2000/21).
Verweerder heeft, nu een draagkrachtberekening toegespitst op de
kosten van de onderhavige ouderbijdrage ontbreekt, voorts
onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de in geding zijnde kosten uit
de normuitkering en de aanwezige draagkracht van eiseres konden
worden voldaan.
Uit de gedingstukken blijkt overigens dat verweerder bij de
beoordeling van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de
taxikosten ervan uit is gegaan dat ten tijde hier van belang géén
sprake was van draagkracht.
Verweerder heeft de afwijzing van de gevraagde bijstand gebaseerd
op zijn beleid dat slechts tot het toekennen van bijzondere
bijstand wordt overgegaan indien het inkomen gemiddeld minder
bedraagt dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21
jaar of ouder of geen aanspraak bestaat op kinderbijslag
voor het
desbetreffende kind.
Door deze handelwijze heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank
de individuele toets die artikel
39, eerste lid, van de Abw
voorschrijft, miskend.
Door verweerders gemachtigde is dienaangaande ter zitting
aangevoerd dat geen aanleiding bestond om tot een individuele
beoordeling van de omstandigheden van eiseres over te gaan, nu de
Algemene Kinderbijslagwet als voorliggende voorziening voor de
ouderbijdrage geldt. De rechtbank
kan verweerder hierin niet
volgen en verwijst in dit kader naar hetgeen hierboven onder
II.5.2. door de rechtbank is overwogen.
De rechtbank merkt voorts ten overvloede op dat door verweerder
(ook) is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat eiseres drie
kinderen verzorgt, terwijl voor de berekening van de ouderbijdrage
- zoals hierboven is uiteengezet - is uitgegaan van een gezin met
twee kinderen.
II.5.5. Gezien het bovenstaande moet geconcludeerd worden dat
verweerder heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de
Awb
neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel
7:12,
eerste lid, van de Awb
verwoorde motiveringsbeginsel.
Gelet op hetgeen is overwogen, kan het bestreden besluit in rechte
geen stand houden. Het beroep is derhalve gegrond.
II.6.6. Voorts acht de rechtbank
termen aanwezig om verweerder met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep
bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het
bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit
proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter
zake van de verrichte
proceshandelingen 2 punten met een waarde van ƒ710,- per punt
toe voor de indiening van het beroepschrift en voor het
verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet
op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld
(wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende
rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x ƒ710,- x 1 = ƒ1420,-.
Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de
kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb
te worden
betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75
van de Awb
wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op
het bezwaarschrift van 24 mei 1999 met inachtneming van deze
uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- wordt vergoed door de
gemeente Heerlen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de
beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres
begroot op ƒ1420,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te
betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van de
arrondissementsrechtbank te Maastricht.
Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt in tegenwoordigheid van mr. C.M.
Bunschoten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9
augustus 2000 door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van
voornoemde griffier.
w.g. C.M. Bunschoten
w.g. W.L.J. Voogt
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 9 augustus 2000.
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes
weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de
mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te
verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA7322 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
99/351
NABW 58 |
| Datum
uitspraak: |
24
augustus 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78c
en 87 Abw
(= – en 60
Wwb) |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; dringende redenen;
fraudeschuld |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om af te zien van verdere terugvordering na
vijf jaren aflossing op een schuld wegens bijstandsfraude, omdat
geen sprake is van dringende redenen. Uitgangspunt
is dat zoveel mogelijk van de
schuld moet worden terugbetaald. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 99/351 NABW 58
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ermelo,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 23 maart 1999.
2. Feiten
Eiser ontvangt van de zijde van verweerder sedert 1 maart 1991 een
bijstandsuitkering. In verband met verzwegen inkomsten over de
periode van 1 maart 1991 tot 1 mei 1993 heeft de kantonrechter te
Harderwijk bij beschikking van 21 december 1995 vastgesteld dat
eiser aan verweerder een bedrag ad ƒ30.779,32 verschuldigd is.
Vanaf 1 juli 1993 is verweerder vervolgens overgegaan tot
maandelijkse inhoudingen op de aan eiser verstrekte bijstand.
Voorts is het vakantiegeld jaarlijks op de vordering in mindering
gebracht, waarbij laatstelijk van de vordering een bedrag van ƒ24.832,17 resteerde.
Bij schrijven van 12 november 1998 is namens eiser verzocht van
verdere terugvordering af te zien. Bij besluit van 30 november
1998 heeft verweerder geweigerd van verdere terugvordering af te
zien.
Namens eiser is tegen het besluit van 30 november 1998 bezwaar
gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering
gehandhaafd, waarbij verweerder heeft aangegeven slechts in het
kader van een schuldbemiddeling of schuldsanering van alle
schulden van eiser onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk van
terugvordering af te willen zien. Ten slotte heeft verweerder onder
toepassing van artikel 87, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet (Abw) het aflossingsbedrag ingaande 1 augustus 1998
op ƒ75,- vastgesteld, waarbij vanaf 1 april 1999 maandelijks ƒ60,- op de bijstand wordt ingehouden en bij de uitbetaling van de
vakantie-uitkering het restant van ƒ15,- per maand zal worden
ingehouden.
3. Procesverloop
Namens eiser is door mevr. mr. M.E. Butter, advocaat te Ermelo,
beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een
verweerschrift ingezonden. Door partijen zijn nog medische
rapporten in geding gebracht.
Het beroep is behandeld ter zitting van 23 augustus 2000, waar
voor eiser is verschenen mr. P.J. Graafstal. Verweerder heeft zich
laten vertegenwoordigen door mevr. G.L. Hoek.
4. Gronden
4.1. Ingaande 1 augustus 1998 is de Wet herziening debiteurenbeleid
(Wet van 9 april 1998, Stb. 278) [Wet
terugvordering en verhaal in verband met herziening van het
debiteurenbeleid, red.] in werking getreden. In verband
hiermee zijn de terugvorderingsbepalingen in de Algemene bijstandswet
(Abw) datum [met ingang van die datum, red.] gewijzigd. Artikel
78c, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Abw bepaalt sinds 1 augustus 1998 dat
burgemeester en wethouders kunnen besluiten van terugvordering of
van verdere terugvordering af te zien (onder meer) indien de
belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan.
4.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er in zijn geval
dringende redenen zijn om van verdere terugvordering af te zien
aangezien hij vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft
voldaan, hij tengevolge van medische behandelingen hoge lasten
heeft en hij door de terugvordering ernstige psychische problemen
ervaart.
4.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat de onderhavige
terugvordering ontstaan is onder de werking van de Algemene Bijstandswet
(ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 gold. Gelet
op het ter zake geldende overgangsrecht wordt de onderhavige
terugvordering derhalve in beginsel beheerst door de bepalingen
van de (oude) ABW.
Hoewel in het kader van de Wet herziening debiteurenbeleid [Wet
terugvordering en verhaal in verband met herziening van het
debiteurenbeleid, red.] door de
wetgever slechts wijziging is gebracht in de
terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, is de
rechtbank van
oordeel dat een redelijke uitleg van de ter zake geldende
wettelijke bepalingen met zich meebrengt dat ten aanzien van
besluiten als de onderhavige, waar het gaat om de
tenuitvoerlegging van een onder de ABW tot stand gekomen
terugvorderingsbesluit, het nieuwe (Abw-)recht van toepassing is.
De rechtbank acht in dit verband van belang dat de Wet herziening
debiteurenbeleid gezien zijn doelstelling met name ook heeft
beoogd tot een efficiënt en doelmatig incassobeleid te komen met
betrekking tot oudere (onder de ABW ontstane) vorderingen.
Gelet hierop heeft verweerder eisers verzoek terecht getoetst aan
de Abw-bepalingen zoals die sinds 1 augustus 1998 zijn komen
luiden.
4.4. Verweerders standpunt dat er in eisers geval vooralsnog geen
aanleiding bestaat gebruik te maken van de hem toekomende
bevoegdheid om van verdere terugvordering af te zien, kan daarbij
de - beperkte - rechterlijke toetsing doorstaan.
Verweerder heeft in dit verband terecht overwogen dat de
versoepeling van de terugvorderingsbepalingen blijkens de
wetsgeschiedenis met name ziet op situaties waarin incasso
onmogelijk is geworden of met zeer veel nadelige effecten gepaard
gaat. Uitgangspunt blijft daarbij dat zoveel mogelijk van de
schuld moet worden terugbetaald. Verweerder heeft voorts in
redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat er geen dringende
redenen zijn om in eisers geval van dit uitgangspunt af te wijken,
gelet op het feit dat eisers hoge medische kosten deels door het ziekenfonds worden
vergoed en voor het overige uit de bijzondere
bijstand kunnen worden bestreden. Ook de overige lasten van eiser
beziend heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank
in
redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat die lasten niet
dusdanig hoog zijn te achten dat dit een reden zou moeten vormen
van verdere terugvordering af te zien.
Met betrekking tot eisers stelling dat de terugvordering voor hem
dermate uitzichtloos is dat dit tot ernstige psychische problemen
heeft geleid, heeft verweerder voorts het standpunt ingenomen dat,
gelet op de inhoud van de overgelegde medische rapporten, bij
eiser reeds sprake was van ernstige psychiatrische problematiek
voordat de in geding zijnde terugvordering was ontstaan.
Verweerder kan in dit verband gevolgd worden in zijn standpunt dat
niet aannemelijk is dat de door verweerder gedane inhoudingen de
enige en directe oorzaak zijn van de bij eiser bestaande
psychiatrische problematiek. Van belang in dit verband is ten
slotte nog dat in verband met een aantal op eisers uitkering
rustende beslagen stopzetting van verweerders inhoudingen niet zal
leiden tot een verbetering van eisers financiële positie op de
korte termijn.
4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar
uitgesproken op 24 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|