| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA7515 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank Amsterdam |
| Zaaknummer: |
AWB
00/2868 NABW |
| Datum
uitspraak: |
26
juni 2000 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7 Abw (= 11
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; Ieren |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand, omdat de Koppelingswet
buiten
toepassing dient te worden gelaten zolang nog niet vaststaat dat de
betrokken Ierse alleenstaande ouder, die reeds vóór
inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was toegekend, geen
verblijfstatus toekomt waaraan een recht op bijstand gekoppeld is. Zij
dient derhalve ingevolge de Abw c.a. te worden gelijkgesteld met
een Nederlander. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorlopige voorziening
Rechtbank
Amsterdam AWB 00/2868 NABW
U I T S P R
A A K
inzake:
[verzoekster], geboren op [...] 1958,
wonende te [woonplaats], verzoekster,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam,
verweerder.
1. Aanduiding
bestreden besluit
Besluit van verweerder van 20 april 2000, nr. 50/5221/1 003.
2. Ontstaan en loop van het geding
Bij het bestreden besluit heeft verweerder meegedeeld dat de uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet van verzoekster met ingang van 19
mei 2000 wordt beëindigd.
Tegen dit besluit heeft mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, namens
verzoekster op 8 mei 2000, aangevuld bij brief van 23 mei 2000, bezwaar
gemaakt.
Bij brief van 15 mei 2000 heeft mr. W. de Vries, voornoemd, zich namens
verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een
voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 29 mei 2000 desgevraagd de op de zaak betrekking
hebbende stukken ter griffie ingezonden.
Het verzoek is op 9 juni 2000 ter zitting behandeld. Verzoekster heeft
zich doen vertegenwoordigen door mr. De Vries, voornoemd. Verweerder
heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborm, werkzaam bij
de gemeentelijke sociale dienst.
3. Motivering
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te
worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,
het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste
belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van
de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en
anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te
dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt
gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een
voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de
bodemprocedure.
Feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster heeft de Ierse nationaliteit. Zij is laatstelijk op 6 maart
1997 met haar twee kinderen, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1984,
en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1986, Nederland ingereisd. De
kinderen van verzoekster bezitten de Nederlandse nationaliteit. Sedert 10 maart 1991 ontving verzoekster een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw).
Deze uitkering is met ingang van 1 september 1998 beëindigd in verband
met de per 1 juli 1998 in werking getreden Wet van 26 maart 1998, Stb.
1998, 203, de zogenoemde Koppelingswet. Tegen deze beëindiging is bezwaar
gemaakt. Bij besluit van 13 november 1998 is het bezwaar gegrond
verklaard en is de bijstandverlening voortgezet.
Op 18 maart 1997 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om een
vergunning tot verblijf (VTV) met als doel "verblijf bij
minderjarige kinderen". Deze aanvraag is afgewezen. Nadat het
bezwaar tegen de afwijzing ongegrond was verklaard, heeft verzoekster
beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 23 juli 1999 is het
beroep ongegrond verklaard. Verzoekster heeft op 7 oktober 1999 een
nieuwe aanvraag voor een VTV ingediend.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten de uitkering
te beëindigen, omdat verzoekster niet langer een geldige verblijfstatus
heeft.
Standpunten van partijen
Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft aangevoerd
dat het bestreden besluit niet in rechte kan standhouden. Op de nieuwe
aanvraag voor een verblijfsvergunning is nog niet beslist. De stelling
in het besluit dat verzoekster niet langer een geldige verblijfstatus
heeft, is onjuist.
Zij heeft geen verblijfsrecht in de zin van artikel 1b, aanhef en onder
1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Ten opzichte van de situatie in november
1998 en in oktober 1999 is echter geen wijziging opgetreden. Toen
oordeelde verweerder nog dat het Europees verdrag voor sociale en medische
bijstand (EVSMB) tot voortzetting van de uitkering noopte in
afwijking van de bepalingen van de Koppelingswet. Met de enkele
verwijzing naar de ongewijzigde verblijfspositie van verzoekster en
zonder nadere motivering berust het bestreden besluit niet op een
draagkrachtige motivering. In het bestreden besluit is vermeld dat
verzoekster op 17 april 2000 niet is verschenen bij de sociale dienst om
een mondelinge toelichting te geven, waardoor de sociale dienst niet
over informatie beschikt die een andere beslissing mogelijk maakt. Bij
brief van 10 april 2000 is aan de sociale dienst naar voren gebracht dat
de beëindiging van de uitkering in strijd is met artikel 1 van het
EVSMB en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten (IVBPR). Op 14 april 2000 is vervolgens telefonisch
contact opgenomen met de behandelend medewerker van de sociale dienst
en is de vraag naar voren gebracht of een bezoek aan het kantoor nog wel
zinvol was. De medewerker had geen bezwaar tegen het afzien van een
gesprek met verzoekster, gelet op de brief van 10 april 2000 en de gang
van zaken bij een eerder bezoek in oktober 1999.
Ten tijde van het bestreden besluit verbleef verzoekster rechtmatig in
Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, nu zij
in afwachting is van haar aanvraag om toelating in Nederland. Gelet
hierop zijn de bepalingen in artikel 7 van de Abw
en artikel 1 van het
Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz strijdig met het
bepaalde in artikel 26 van het IVBPR.
De president wordt verzocht te bepalen dat verzoekster recht heeft op
een voorschot op een uitkering op grond van de Abw
volgens de voor haar
geldende bijstandsnorm alsmede dat verweerder wordt veroordeeld in de
kosten van deze procedure.
Ter zitting heeft verzoekster nog doen meedelen dat haar nieuwe aanvraag
om een verblijfsvergunning in oktober 1999 niet terstond is afgewezen op
grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht,
omdat er sprake was van
relevante nieuwe omstandigheden waaronder het feit dat één van de
kinderen van verzoekster onder toezicht is gesteld.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen recht heeft
op bijstand zolang haar verblijfstatus niet door de vreemdelingenpolitie
is veranderd.
Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat het bestreden besluit
gebaseerd is op de Circulaire van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid d.d. 17 februari 2000 naar aanleiding van de uitspraak
van het gerechtshof te Den Haag van 20 januari 2000, waarbij de uitspraak
van de president van de rechtbank te Den Haag
d.d. 7 oktober 1999 werd
vernietigd. In oktober 1999 is niet tot intrekking van de uitkering
overgegaan, omdat toen nog de instructie gold dat de uitkering in
gevallen als dat van verzoekster bij rechtmatig verblijf diende te
worden voortgezet.
Overwegingen
De president heeft het volgende overwogen.
Sinds de inwerkingtreding van de Koppelingswet
luidt artikel 7
Abw voor
zover hier van belang als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om
in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op
bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig
in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder
1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van de wet met een Nederlander
gelijk worden gesteld:
a. (..); of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen
gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te
hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vreemdelingenwet, tijdig
toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel
bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van
het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat
beroep is beslist.
De hiervoor genoemde algemene maatregel van bestuur is het
Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308, hierna:
het besluit).
Artikel 1b Vw luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in Nederland
slechts rechtmatig verblijf:
-1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating
als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd
met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap;
-2. (...);
-3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om
toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge
deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
-4. (...);
-5. (...).
Nu verzoekster niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit en er ten
aanzien van haar geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van
voormeld artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, kan zij aan het bepaalde in artikel
7, tweede lid, Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander
ontlenen. Tevens moet onder de gegeven omstandigheden en als vaststaand
worden aangenomen dat verzoekster aan het bepaalde bij of krachtens
artikel 7, derde lid, Abw evenmin een zodanige aanspraak
kan
ontlenen.
Verzoekster heeft zich beroepen op het discriminatieverbod dat onder
meer is neergelegd in artikel 1 EVSMB en in artikel 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
In navolging van de uitspraak van deze rechtbank
van 4 augustus 1999
(zie o.8. RSV Katern 1999. nr. 10), die betrekking had op de
kinderbijslagverzekering, is de president voorshands van opvatting dat
er in de in casu aan de orde zijnde bepalingen sprake is van een
onderscheid naar nationaliteit, hetgeen slechts is toegestaan indien
daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.
In de genoemde uitspraak is onder meer overwogen dat de met de Koppelingswet
nagestreefde beleidsdoelstellingen in beginsel een
rechtvaardigingsgrond opleveren voor een onderscheid naar nationaliteit
als het onderhavige en voorts dat die wet een geschikt, genuanceerd en
proportioneel middel vormt om de beoogde doelstellingen te
verwezenlijken. Tevens werd echter overwogen dat ten aanzien van
bepaalde categorieën van vreemdelingen een rechtvaardiging voor het
bedoelde onderscheid naar nationaliteit ontbreekt. Dit laatste geldt met
name ten aanzien van vreemdelingen die vóór het in werking treden van
de Koppelingswet reeds verzekerd waren ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet en die een uitspraak in beroep en/of een voorlopige
voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating
op een of andere wijze in Nederland mogen afwachten. Het afbouwen van de
door deze vreemdelingen opgebouwd rechtspositie (op het gebied van de
sociale verzekering) achtte de rechtbank eerst gerechtvaardigd vanaf het
ogenblik waarop vaststaat dat de vreemdeling inderdaad geen
verblijfstatus toekomt waaraan die socialeverzekeringsrechten - in casu
de kinderbijslagverzekering - gekoppeld is.
De president neemt de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank
over en legt ze ten grondslag aan zijn voorlopig oordeel in de
onderhavige zaak.
Verzoekster was reeds vóór de inwerkingtreding van de Koppelingswet
in
het genot van een bijstandsuitkering. Voor zover de Koppelingswet het
verlies van haar uitkering zou meebrengen, moest die wet
dus buiten
toepassing worden gelaten zolang nog niet vaststond dat haar geen
verblijfstatus toekwam waaraan een recht op bijstand gekoppeld is.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 juli 1999 verzoeksters
beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning ongegrond
verklaard. Daarmee kwam vast te staan dat haar geen verblijfstatus
toekwam waaraan een recht op bijstand gekoppeld is. Verweerder heeft
toen echter de uitkering van verzoekster niet beëindigd. Toen
verzoekster in oktober 1999 een nieuwe aanvraag voor een
verblijfsvergunning indiende, ontstond opnieuw een situatie waarin zij de
uitkomst van de procedure in Nederland mocht afwachten terwijl haar
bijstandsuitkering nog steeds doorliep.
Onder verwijzing naar de bovenaangehaalde uitspraak van 4 augustus 1999
van de meervoudige kamer van deze rechtbank acht de president het
aannemelijk dat het bestreden besluit niet in rechte zal kunnen
standhouden.
Naar het oordeel van de president weegt het belang van verzoekster bij
het toekennen van de gevraagde voorlopige voorziening zwaarder dan de
belangen betrokken bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden
besluit, zodat er aanleiding is het verzoek toe te wijzen.
Gelet op het voorgaande zal verweerder worden veroordeeld in de
proceskosten van verzoekster ten bedrage van
ƒ1420,-.
4. Beslissing
De president:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekster voorschotten zal verlenen ter
hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de
bekendmaking van verweerders beslissing op verzoeksters bezwaar tegen
het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage
van
ƒ1420,- (zegge: veertienhonderd twintig
gulden), te betalen door de
gemeente Amsterdam aan verzoekster;
- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het griffierecht ten bedrage van
ƒ60,-
aan verzoekster vergoedt.
Gewezen door mr. T. van Peijpe. fungerend president, in tegenwoordigheid van mr.
E.J. Lambo, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2000 door mr.
T. van Peijpe, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier,
De
president,
Afschrift verzonden op: 23 Juni 2000.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA8237 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Rotterdam |
| Zaaknummer: |
ABW
99/2235-GSS |
| Datum
uitspraak: |
13 september 2000 |
| Soort
procedure: |
verzet |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
6:15; 8:54
en 8:55 Awb |
| Trefwoorden: |
bezwaar;
niet-ontvankelijk; termijnoverschrijding; doorzendplicht;
bezwaarschrift; verzet |
| Essentie: |
Ten
onrechte is het beroep kennelijk ongegrond verklaard wegens
overschrijding van de bezwaartermijn, omdat de sociale dienst,
daar zij onderdeel uitmaakt van B&W en aan haar de
bevoegdheid is gemandateerd te beslissen op bijstandsaanvragen,
het bezwaarschrift diende door te zenden aan B&W. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Rotterdam ABW 99/2235-GSS
U I T S P R
A A K
als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht,
op het verzet van:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
gemachtigde: mr. E.S. Fikkert, advocaat te Rotterdam,
tegen:
de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2000 in het
geding tussen opposant en het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente Rotterdam over het besluit van dat
college van 24 augustus 1999.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 24 augustus 1999 heeft het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna:
verweerder) de bezwaren van opposant tegen twee besluiten van 3
april 1998, waarbij de aanvragen om bijzondere bijstand voor
kosten van respectievelijk Nozinan en multivitaminen zijn
afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft bij faxbericht van 7 oktober 1999 tegen dit besluit
(hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 2 februari 2000 bij uitspraak als bedoeld in
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) het
beroep ongegrond verklaard.
De gemachtigde van opposant heeft tegen deze uitspraak bij
faxbericht van 10 maart 2000 verzet gedaan en zij heeft daarbij
niet aangegeven dat zij gehoord wil worden.
2. Overwegingen
In deze verzetprocedure moet de rechtbank
de vraag beantwoorden of
zij bij de uitspraak van 2 februari 2000 het beroep van opposant
terecht met toepassing van artikel 8:54 van de
Awb vereenvoudigd
heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep
kennelijk ongegrond was. Dit oordeel was gebaseerd op de
overweging dat het bezwaar, ingediend bij een onbevoegde instantie
ondanks een correcte rechtsmiddelenclausule onder beide besluiten
van 3 april 1998, te laat is ingediend bij het bevoegde orgaan en
dat ook al was het aan het einde van de bezwaartermijn gemaakte
bezwaar door de onbevoegde instantie zo spoedig mogelijk
doorgezonden dit niet tot een ander oordeel had kunnen leiden.
In haar verzetschrift heeft de gemachtigde van opposant een beroep
gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat haar nooit is medegedeeld
dat het bezwaar zou zijn ingediend bij een onbevoegd orgaan.
Voorts heeft zij verwezen naar artikel
6:15, derde lid, onderdeel c,
van de Awb [oud,
red.].
Verweerder heeft in een brief van 16 maart 2000 gesteld dat hij
zich kan vinden in de uitspraak van de rechtbank
van 2 februari
2000. Verweerder heeft aangegeven nog steeds van mening te zijn
dat het beroep op artikel 6:15, derde lid,
onderdeel c, van de
Awb [oud,
red.] dient
te worden verworpen. Ten slotte heeft de gemachtigde van verweerder
de rechtbank verzocht zo mogelijk in te gaan op de problematiek
van de verschillende organen van hetzelfde openbaar lichaam en hij
heeft daarbij gewezen op uitspraken van deze rechtbank
geregistreerd onder nummers 95/4750 en 99/1624.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb
bedraagt de termijn voor het
indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel
6:8,
eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de
dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt.
Verweerder heeft de besluiten van 3 april 1998 op 9 april 1998 aan
opposant gezonden. Deze besluiten zijn daarmee overeenkomstig
artikel 3:41, eerste lid, van de Awb
bekend gemaakt aan degene tot
wie de besluiten zijn gericht.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is derhalve op
10 april 1998 aangevangen.
Artikel 6:9 van de Awb bepaalt dat een bezwaar- of beroepschrift
tijdig is ingediend indien het vóór het einde van de termijn is
ontvangen, en bij verzending per post, indien het vóór het einde
van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan één
week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het bezwaarschrift van opposant had verweerder ingevolge genoemde
artikelen uiterlijk op 21 mei 1998 dienen te ontvangen, dan wel
had uiterlijk op 21 mei 1998 door opposant ter post bezorgd dienen
te zijn.
Het voorlopig bezwaarschrift gedateerd 19 mei 1998 is per fax
ingediend bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de
gemeente Rotterdam en niet bij verweerder, terwijl onder de
besluiten van 3 april 1998 in overeenstemming met artikel 3:45 van
de Awb een correcte rechtsmiddelenclausule door verweerder is
vermeld. Door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geen
datum van ontvangst vermeld op genoemd faxbericht en het is door
deze dienst niet doorgezonden aan verweerder.
De gemachtigde van opposant heeft bij faxbericht van 15 juni 1998
bij verweerder een bezwaarschrift ingediend ter zake van de
besluiten van 3 april 1998. Blijkens het preadvies van kamer VI
van de Algemene Beroepscommissie van de gemeente Rotterdam is het
voorlopige bezwaarschrift van opposant op 13 juli 1999 door deze
commissie ontvangen.
In artikel 6:15, eerste lid, van de
Awb [oud,
red.] is bepaald dat het
bezwaar- of beroepschrift indien het wordt ingediend bij een
onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve
rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo
spoedig mogelijk wordt doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder
gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
Artikel 6:15, derde lid, van de Awb
[oud,
red.] luidt als volgt:
Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is
bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is
ingediend, indien:
a. geen juiste toepassing aan artikel
3:45 of artikel 6:23 is gegeven;
b. het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen
van een besluit; of
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het
geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het bezwaar van 19 mei 1998
ondanks een juiste rechtsmiddelenclausule onder de primaire
besluiten ingediend bij een verkeerde instantie, namelijk de
dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze dienst is geen
bestuursorgaan. Deze dienst maakt echter deel uit van de
verweerder, het is een dienst van verweerders
gemeente, en
verweerder heeft aan deze dienst de bevoegdheid gemandateerd om
namens hem op aanvragen als hier in geding te beslissen. Dit
betekent dat het bezwaar geacht moet worden bij verweerder te zijn
ingediend. Aan de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in
hoeverre artikel 6:15 van de Awb
[oud,
red.] in het onderhavige geval van
toepassing is, komt de rechtbank
gezien het vorenstaande niet meer
toe.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beroep ten onrechte
op grond van de aan het begin van deze rubriek genoemde
overwegingen met toepassing van artikel 8:54 van de
Awb ongegrond
is verklaard.
Om deze reden is het verzet gegrond, zodat de uitspraak waartegen
verzet was gedaan, vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de
stand waarin het zich bevond.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C.P. Goossens.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als
griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2000.
De griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA8239 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
99/1126
NABW |
| Datum
uitspraak: |
12
september 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65, 69
en 81 Abw
(= 17, 54
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
schending inlichtingenverplichting; terugvordering; herzieningsbesluit;
fraude |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten uit
uitzendwerk. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 99/1126 NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Apeldoorn, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 8 oktober 1999.
2. Feiten
Bij besluit van 9 juni 1999 heeft verweerder aan eiseres
medegedeeld dat ten onrechte betaalde bijstand over de periode van
30 maart 1998 tot en met 29 november 1998 tot een bedrag van
ƒ3624,62
bruto wordt teruggevorderd op grond van het bepaalde in
artikel 81, eerste lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw). Verweerder heeft deze terugvordering gebaseerd op de
constatering dat eiseres in genoemde periode in loondienst bij een
uitzendbureau heeft gewerkt zonder daarvan melding te maken aan de
gemeente.
Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt bij brief van
9 juli 1999 onder bijvoeging van een op 17 juni 1999 gedateerd
bezwaarschrift.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard, het besluit tot terugvordering gehandhaafd en
de toekenning van bijstand over genoemde periode alsnog met
toepassing van het bepaalde in artikel 69,
derde lid, van de
Abw herzien overeenkomstig de bij
het terugvorderingsbesluit gevoegde berekening.
3. Procesverloop
Namens eiseres heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond,
beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende
stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar eiseres
noch haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten
vertegenwoordigen door J.P. van der Sluis.
4. Motivering
4.1. De rechtbank merkt
allereerst op dat een besluit tot terugvordering van bijstand op
grond van artikel
81, eerste lid, van de Abw dient
te worden gebaseerd op een besluit tot intrekking of herziening
van de bijstandstoekenning, als bedoeld in artikel
69, derde lid, van de Abw.
Verweerder heeft in het onderhavige geval het primaire besluit tot
terugvordering genomen zonder een herzieningsbesluit te nemen. Bij
de thans bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder alsnog
aan het, bij die beslissing gehandhaafde, terugvorderingsbesluit
een herzieningsbesluit ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van
de rechtbank is hiermee het aan
verweerders primaire besluitvorming klevende gebrek op afdoende
wijze hersteld.
4.2. Het onderhavige herzieningsbesluit is op zichzelf genomen een
primair besluit, waartegen bezwaar bij verweerder dient te worden
gemaakt alvorens beroep bij de rechtbank
kan worden ingesteld. Om redenen van proceseconomie en gelet op de
inhoudelijke verwevenheid van de herziening en de terugvordering
acht de rechtbank het aangewezen thans ook het herzieningsbesluit
te beoordelen, in plaats van het beroep niet-ontvankelijk te
verklaren voor zover het (impliciet) tegen dit besluit is gericht
en het beroepschrift in zoverre door te zenden naar verweerder
teneinde het als bezwaarschrift in behandeling te nemen. De
rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de in beroep (impliciet)
tegen de herziening aangevoerde grief, inhoudende dat eiseres -
anders dan verweerder meent - heeft voldaan aan de
inlichtingenplicht ingevolge artikel 65
van de
Abw, ook reeds in bezwaar is
aangevoerd en dat verweerder deze grief bij de beslissing op
bezwaar reeds heeft beoordeeld.
4.3. Gelet op de gedingstukken ziet de rechtbank
geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft
aangenomen dat eiseres in de geding zijnde periode regelmatig
werkzaamheden heeft verricht via een uitzendbureau en daarmee het
loon heeft verdiend dat bij de herberekening van de
bijstandsuitkering in aanmerking is genomen. Gezien de kopieën
van de maandelijks door eiseres ingeleverde
inlichtingenformulieren (ROF-en [rechtmatigheidsonderzoeksformulieren,
red.]) deelt de rechtbank voorts het standpunt van
verweerder dat eiseres niet op behoorlijke wijze mededeling heeft
gedaan van bedoelde werkzaamheden en inkomsten. De rechtbank kan
zich verenigen met de dienaangaande bij het bestreden besluit
gegeven motivering.
4.4. De rechtbank is dan ook met
verweerder van oordeel dat eiseres ter zake van bedoelde
werkzaamheden en inkomsten niet behoorlijk heeft voldaan aan haar
inlichtingenplicht ingevolge
artikel 65 van de Abw.
Verweerder heeft derhalve terecht en op goede gronden besloten tot
herziening van de bijstand overeenkomstig de gemaakte
herberekening.
4.5. Op grond van artikel 81, eerste
lid, van de
Abw is verweerder in beginsel
gehouden tot terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand.
Op grond van artikel 78, derde lid, van
de
Abw kan geheel of gedeeltelijk van
terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
Van het bestaan van dringende redenen als hier bedoeld is de rechtbank
niet gebleken. De in het aanvullend beroepschrift aangevoerde
stelling dat eiseres in een precaire financiële situatie verkeert,
is niet nader toegelicht en niet onderbouwd. Voorts valt niet in
te zien dat de verzwijging van de inkomsten niet aan eiseres
verwijtbaar zou zijn, nu elke argumentatie hieromtrent ontbreekt.
4.6. Ook overigens is de rechtbank
niet gebleken dat verweerder ten onrechte tot de in geding zijnde
terugvordering is overgegaan. Het beroep dient dus ongegrond te
worden verklaard.
4.7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar
uitgesproken op 12 september 2000 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA8349 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Almelo |
| Zaaknummer: |
00/312
NABW Z1 A |
| Datum
uitspraak: |
5
oktober 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt. 55 en 58 ABW (= 78 en
82
Abw) (= 58
en 58 Wwb)
/
1:3 en 6:11
Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
boedelscheiding; voorschot; echtscheiding; terugvordering;
leenbijstand; geldlening; bezwaar; verschoonbare
termijnoverschrijding |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van (leen)bijstand wegens (verzwegen) vermogen
uit boedelscheiding. Het feit dat het ontvangen vermogen eerst
een voorschot betreft en er nog onzekerheid bestaat over het nog
niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding, staat aan
terugvordering niet in de weg. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Almelo 00/312 NABW Z1 A
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: D. Greveling, werkzaam bij Greveling Rechtshulp te
Hengelo,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Hengelo, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 7 maart 2000, verzonden op 8 maart
2000.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Bij besluit van 19 september 1995 heeft verweerder aan eiseres met
ingang van 17 juli 1995 een periodieke uitkering op grond van de
Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend naar de norm voor een
alleenstaande. Bij brief van gelijkluidende datum heeft verweerder
eiseres meegedeeld dat de uitkering over de periode 17 juli 1995
tot aan de datum van de feitelijke ontbinding van het huwelijk van
eiseres als boedelschuld zal worden ingebracht bij de
boedelnotaris. Daarbij is voorts meegedeeld dat de uitkering die
wordt verstrekt na de feitelijke ontbinding van het huwelijk van
eiseres zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit
de boedelscheiding.
Bij besluit van 13 september 1995 is aan eiseres een uitkering
toegekend in de vorm van een renteloze geldlening van
ƒ3500,-
voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Ook bij dit
besluit is eiseres meegedeeld dat de uitkering van haar zal worden
teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de
boedelscheiding.
Op 14 februari 1996 is de echtscheiding ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie (GBA).
De ABW-uitkering van eiseres is met ingang van 1 januari 1997
omgezet in een uitkering op grond van Algemene bijstandswet
(Abw).
Naar aanleiding van een melding op 10 december 1996 dat eiseres
zou samenwonen, is een onderzoek ingesteld. Uit het ingestelde
onderzoek is vervolgens gebleken dat eiseres uit de verkoop van de
echtelijke woning op 10 april 1996, respectievelijk 16 juli 1996,
een bedrag van
ƒ4370,28, respectievelijk
ƒ8151,-, heeft
ontvangen. Daarnaast heeft zij van haar ex-echtgenoot op 23
oktober 1996
ƒ7907,40 per kas ontvangen. Van deze ontvangsten
heeft eisers geen melding gedaan aan verweerder.
Op 23 juni 1997 heeft eiseres bij de uitvoeringsinstelling GAK
Nederland BV een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd,
die haar met terugwerkende kracht tot 23 juni 1996 is toegekend.
Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft verweerder eiseres
meegedeeld dat een bedrag van
ƒ11.128,68 van haar wordt
teruggevorderd. Daarbij is tevens meegedeeld dat dit besluit een
uitvoering is van reeds in 1995 genomen terugvorderingsbesluiten,
zodat geen bezwaar en beroep mogelijk is.
Op 12 februari 1999 heeft verweerder de kantonrechter te Enschede
verzocht om een zogenaamde executoriale titel voor zijn vordering
ad
ƒ11.128,68 op eiseres. Bij beschikking van 28 juli 1999 heeft
de kantonrechter de vordering vastgesteld op het vorengenoemde
bedrag. Tegen deze uitspraak is eiseres in hoger beroep gegaan bij
deze rechtbank, sector burgerlijke zaken. Bij beschikking van 3
november 1999 heeft de rechtbank de kantonrechter onbevoegd
verklaard kennis te nemen van het verzoek van de gemeente
d.d. 12
februari 1999.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 8 november
1999, verzonden op 16 november 1999, een nieuw besluit genomen. Bij
dat besluit wordt evenals bij het besluit van 31 augustus 1998 een
bedrag van ƒ11.128,68 van eiseres teruggevorderd, waarbij zij
thans wel in de gelegenheid wordt gesteld om binnen zes weken na
datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift in te
dienen. Tevens heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het eerdere
op 31 augustus 1998 afgegeven besluit is komen te vervallen.
Namens eiseres is op 28 december 1999 een bezwaarschrift ingediend
tegen verweerders besluit van 8 november 1999.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren ter
hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid
is op 8 februari 2000 gebruik gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 7 maart 2000 is het bezwaarschrift
van eiseres ongegrond verklaard.
Blijkens het namens eiseres op 19 april 2000 ingediende
beroepschrift kan zij zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 16 mei 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van
14 september 2000, waar eiseres is verschenen bij haar
gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen
door P. Paalman.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 7 maart
2000, waarbij de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 8
november 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan
blijven.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) wordt onder besluit verstaan: een
schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het begrip
rechtshandeling is kenmerkend dat het gaat om handelen gericht op
rechtsgevolg.
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb
bedraagt de termijn voor het
indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, in
verbinding met artikel 3:41 van de Awb, vangt die termijn aan met
ingang van de dag na die waarop het besluit is toegezonden of
uitgereikt aan de belanghebbende(n).
Op grond van het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de
Awb
is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór
het einde van de termijn is ontvangen.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de
Awb
blijft ten
aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of
beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan
achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de
indiener in verzuim is geweest.
De rechtbank
stelt vast dat verweerder op 8 november 1999 een
tweede besluit, gelijkluidend aan het besluit van 31 augustus
1998, heeft genomen. Een zelfde nieuw besluit, met juiste
rechtsmiddelenverwijzing, levert naar het oordeel van de rechtbank
geen besluit op in de zin van artikel 1:3 van de
Awb. Het is niet
op enig ander zelfstandig rechtsgevolg gericht dan dat reeds was
beoogd met het besluit van 31 augustus 1998.
Voor zover het beroepschrift van eiseres is gericht tegen de
beslissing op bezwaar van 7 maart 2000, waarbij het bezwaarschrift
van 28 december 1999 tegen het besluit van 8 november 1999
ongegrond is verklaard, dient het beroep gegrond te worden
verklaard. Immers verweerder had het bezwaarschrift tegen dat
besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Voor zover het bezwaarschrift van eiseres van 28 december 1999 is
gericht tegen het besluit van 31 augustus 1998 is de rechtbank
van
oordeel dat hoewel dit niet is ingesteld binnen de termijn als
bedoeld in artikel 6:7 Awb
niet-ontvankelijkverklaring van het
bezwaarschrift achterwege dient te blijven. De door verweerder
gezaaide verwarring door de mogelijkheid van bezwaar en beroep
tegen het besluit van 31 augustus 1998 expliciet uit te sluiten,
levert naar het oordeel van de rechtbank een verschoonbare
termijnoverschrijding op.
Na de uitspraak van de rechtbank op 3 november 1999 had eiseres zo
snel mogelijk - in het algemeen binnen een termijn van veertien
dagen - alsnog bezwaar moeten instellen tegen het besluit van 31
augustus 1998. Door het schrijven van verweerder van 8 november
1999, verzonden op 16 november 1999, mocht zij echter verwachten
de volle termijn te hebben en kan redelijkerwijs niet worden
geoordeeld dat zij hiermee in verzuim is geweest.
Daarbij neemt de rechtbank
mede in aanmerking dat namens eiseres
ter zitting is verklaard dat zij het schrijven van verweerder van
8 november 1999 eerder had ontvangen dan de uitspraak van de
rechtbank van 3 november 1999.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank
met zijn
schrijven van 8 november 1999 niet beoogd de werking van het
terugvorderingsbesluit van 31 augustus 1998 ongedaan te maken,
maar heeft uitsluitend beoogd de in de uitspraak van de rechtbank
van 3 november 1999 aangegeven rechtsgang van bezwaar en beroep
mogelijk te maken. Op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat
het besluit van 31 augustus 1998 is ingetrokken.
De rechtbank
overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet
(ABW), zoals die luidde ten tijde hier in het geding, wordt aan
iedere Nederlander die hier in zodanige omstandigheden verkeert of
dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand
verleend door burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 4 ABW kan bijstand in de behoefte aan
bedrijfskapitaal en aan duurzame goederen worden verleend in de
vorm van een geldlening of borgtocht.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, ABW worden bij
de beoordeling van de mate waarin een persoon beschikt over
middelen onder meer buiten beschouwing gelaten een bescheiden
vermogen dat geen bepaalde bestemming heeft.
Ingevolge artikel 55, eerste lid, ABW worden kosten van bijstand
door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels
van deze paragraaf [de betreffende paragraaf van de ABW, red.].
Ingevolge het derde lid kan van terugvordering geheel of
gedeeltelijk worden afgezien indien gelet op de omstandigheden van
persoon en gezin daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge artikel 58, tweede lid, ABW worden kosten van bijstand
verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken
op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt,
van de betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens
die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt.
Verweerder heeft bij besluiten van 13 september 1995,
respectievelijk 19 september 1995, eiseres (bijzondere) bijstand
toegekend, waarbij haar is meegedeeld dat deze bijstand van haar
zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de
boedelscheiding indien en voor zover het bedrag hiervan uitstijgt
boven het vrij te laten vermogen, in casu ƒ9300,-.
Vaststaat dat aan eiseres uit de boedelscheiding in totaal
ƒ20.428,68 is betaald. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij
besluit van 31 augustus 1998 in totaal
ƒ11.128,68 van eiseres
teruggevorderd, zijnde de in de periode van 14 februari 1996 tot
23 juni 1996 uitgekeerde bijstand ad
ƒ7731,68 en het resterende
bedrag van de geldlening ad
ƒ3397,-.
Eiseres stelt dat de aan haar betaalde bedragen van in totaal
ƒ20.428,68 bij wege van voorschot op de boedelscheiding aan haar
zijn betaald.
Daarbij is eiseres van mening dat de bijstand pas van haar kan
worden teruggevorderd als de boedelscheiding heeft plaatsgevonden.
Nu er nog geen boedelscheiding heeft plaatsgevonden, ontbreekt naar
de opvatting van eiseres de daarvoor vereiste grondslag aan
verweerders terugvorderingsbeslissing. Hiernaast heeft eiseres
gesteld dat er sprake is van schulden in plaats van vermogen.
Verweerder is van mening dat de uitbetaalde bedragen zijn aan te
merken als aan eiseres toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Volgens verweerder zijn het gelden voortkomende uit het huwelijk
van eiseres met haar ex-echtgenoot die op voorhand reeds zijn
verdeeld. Het feit dat de boedelscheiding nog niet totaal is geëffectueerd,
doet volgens verweerder daaraan niet af.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan
dat eiseres daadwerkelijk over de vorengenoemde
vermogensbestanddelen kon beschikken en het bescheiden vermogen is
overtroffen. Dat de boedelscheiding nog niet geëffectueerd, is
doet aan het voorgaande niet af. De onzekerheid over het nog niet
vaststaande aandeel in de boedelscheiding hoeft naar het oordeel
van de rechtbank in de onderhavige situatie aan terugvordering
niet in de weg te staan.
Daarbij is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de gestelde
schulden niet worden gestaafd door enig bewijsmateriaal.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat
verweerder op goede gronden
ƒ11.128,68 aan bijstand van eiseres
heeft teruggevorderd. Niet is gebleken van dringende redenen die
aan de terugvordering in de weg zouden staan.
Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank
het, gelet op
het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb,
billijk verweerder te
veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten
maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de
kosten van rechtsbijstand ad
ƒ1420,-.
Beslist wordt derhalve als volgt:
4. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank Almelo,
Recht doende:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit
voor zover de bezwaren tegen het besluit van 8 november 1999
gegrond zijn verklaard;
verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen het
besluit van 8 november 1999;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten,
welke kosten worden bepaald op
ƒ1420,-, door verweerders
gemeente te betalen aan eiseres;
verstaat dat verweerders gemeente aan eiseres het griffierecht ad
ƒ60,- vergoedt.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2000 door mr.
J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger
beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep
te Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA8506 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
98/8780
NABW |
| Datum
uitspraak: |
27
juli 1999 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
58 ABW (= 82
Abw) (= 58 Wwb)
/ 8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
erfenis; terugvordering |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens ontvangen erfenis. De periode
waarover wordt teruggevorderd vangt aan op de dag van overlijden
van de erflater. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 98/8780
NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Apeldoorn, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Zutphen onder dagtekening 13 november 1998 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 juni 1999, waar appellant in persoon is
verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
A. Speijers, werkzaam bij de gemeente
Apeldoorn.
II. Motivering
Aan de gedingstukken ontleent de Raad
de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant ontving van 18 februari 1993 tot 20 april 1995 van
gedaagde een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers (Rww) naar de norm voor een alleenstaande woningdeler
van 23 jaar of ouder. Op laatstgenoemde datum overleed zijn
moeder; de Rww-uitkering van appellant werd voortgezet naar de
norm voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder.
In verband met de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet
(Abw) is vanwege
gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de
toepassing van die wet ten aanzien van appellant zal leiden. Dit
onderzoek resulteerde in een besluit van 9 december 1996, waarbij
met ingang van 1 december 1996 aan appellant uitkering ingevolge
de Abw werd toegekend naar de norm voor een alleenstaande van 21
jaar of ouder en een toeslag. De Abw-uitkering van appellant werd
beëindigd ingaande 6 januari 1997 wegens werkaanvaarding.
De nalatenschap van appellants moeder is op 16 juni 1997 verdeeld
onder de erfgenamen; het erfdeel dat appellant toekwam bedroeg
ƒ45.034,21.
Bij besluit van 6 februari 1998 heeft gedaagde de aan appellant
verstrekte bijstand over de periode van 20 april 1995 tot 6 januari 1997 teruggevorderd tot een bedrag van
ƒ9868,19 en wel - naar ter zitting is bevestigd - op grond van
de artikelen 78, eerste lid, en 82, aanhef en onder
a, van de
Abw.
Naar het oordeel van gedaagde zijn er geen dringende redenen
aanwezig om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Nadat appellant bezwaar had gemaakt, heeft gedaagde bij het
bestreden besluit van 12 juni 1998 het bezwaarschrift ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen
laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar
het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde een juiste toepassing
gegeven aan de wettelijke bepalingen; er zijn volgens de
rechtbank geen aanknopingspunten om het bedrag van de
terugvordering voor onjuist te houden.
Appellant heeft in hoger beroep het besluit tot terugvordering
bestreden; zijns inziens was de bijstandsuitkering over genoemde
periode bedoeld om van te leven en niet om terug te betalen.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet van
25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid), wordt in de bevoegdheid van
gedaagde tot terugvordering en verrekening van hetgeen vóór de
datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de
bijstandswetgeving: 1 juli 1997) onverschuldigd is betaald geen
wijziging gebracht. Uit genoemd artikellid volgt naar het oordeel
van de Raad dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op
verleende bijstand over een periode die geheel ligt vóór 1 juli
1997 ten materiële beoordeeld moeten worden aan de hand van het
vóór 1 juli 1997 vigerende recht. Dat betekent dat, voor zover de
verleende bijstand ziet op een tijdvak waarin op de belanghebbende
de ABW nog van toepassing was, moet worden bezien of de bepalingen
die bij of krachtens de ABW gedurende het betreffende tijdvak
hebben gegolden de basis voor de terugvordering konden vormen.
Daarvan te onderscheiden is het tijdvak waarin de Abw
op de
belanghebbende van toepassing was: de bij of krachtens die wet
totstandgekomen regels zoals die in dat tijdvak golden, zijn dan
het beoordelingskader voor de vraag of het besluit tot
terugvordering van verleende bijstand over dat tijdvak op goede
gronden berust.
In situaties dat een terugvorderingsbesluit ziet op verleende
bijstand over een periode die begint vóór en die eindigt na 1 juli
1997 is het vorenstaande eveneens van toepassing met betrekking
tot de vóór 1 juli 1997 gelegen periode; voor de resterende, na
1 juli 1997 gelegen periode gaat het om de bepalingen bij of
krachtens de Abw zoals die luiden sedert die datum.
Blijkens het bestreden besluit ziet de onderhavige terugvordering
op bijstand verleend over de periode van 20 april 1995 tot 6
januari 1997. Van de over die periode aan appellant verleende
bijstand ingevolge de ABW (van 20 april 1995 tot 1 december 1996) respectievelijk ingevolge de Abw
(van 1 december 1996 tot 6 januari 1997) wordt een gedeelte
teruggevorderd en wel - zoals hierboven is vastgesteld - op basis
van artikel 82, aanhef en onder a, van de
Abw. Dat laatste is niet
juist voor zover het de ingevolge de ABW verleende bijstand
betreft. Dat besluit komt dan ook wegens strijd met de wet voor
vernietiging in aanmerking.
De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met
toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen
besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad
bevestigend. Hij
overweegt daartoe het volgende.
Artikel 58, tweede lid, van de ABW (tekst sedert 1 augustus 1992) bepaalt dat kosten van bijstand verleend over een
periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen
aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de
betrokkene worden teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens
die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt.
Voor zover die middelen overeenkomstig artikel 7 buiten beschouwing
zouden zijn gelaten indien zij reeds bij de aanvang van de periode
ter beschikking van betrokkene zouden hebben gestaan, blijft
terugvordering achterwege.
De Raad stelt vast dat appellant vanaf 16 juni 1997 kon beschikken
over zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder. Op het
bedrag dat appellant aldus toekwam heeft gedaagde in mindering
gebracht een viertal schulden en het bedrag van het vrij te laten
bescheiden vermogen voor een alleenstaande, zoals geldend op het
moment van ontstaan van de aanspraak.
Gedaagde was gerechtigd om het aldus gevonden bedrag van
ƒ9868,19, dat aanmerkelijk lager is dan het totaal van de aan
appellant verleende bijstand ingevolge de ABW over de periode van
20 april 1995 tot 1 december 1996, van hem terug te vorderen op
grond van het voormelde tweede lid van artikel 58 van de ABW.
Appellant heeft de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet
betwist en ook niet de wijze van terugbetaling aangevochten.
De Raad, die ten slotte geen termen aanwezig acht om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
gelast de gemeente Apeldoorn het betaalde griffierecht in beroep
ad
ƒ55,-
en in hoger beroep ad
ƒ160,- (in totaal
ƒ210,-) aan
appellant te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. H.J. Simon als leden, in
tegenwoordigheid van mr. F.W. Houtman als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 27 juli 1999.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) F.W. Houtman.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|