| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA8683 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
97/3984
ABW |
| Datum
uitspraak: |
2
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
34
en 38 Abw
(= 26 en 30
Wwb) / 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling; inwoning
bij ouder; gemeentelijke verordening |
| Essentie: |
Onterechte
verlaging gehuwdennorm met 20% wegens woningdeling met de moeder
van betrokkenen, omdat geen sprake is van het kunnen delen van alle
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Ook de
gemeentelijke verordening biedt geen basis voor zulk een
verlaging. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 97/3984
ABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant is mr. A. Balkema, advocaat te Utrecht, op bij
beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de
president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening
13 maart 1997 met toepassing van artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Bij brief van 4 juni 1997 heeft mr. Balkema, voornoemd, nog een nader
stuk toegezonden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad
op 19 januari 1999, waar voor appellant is verschenen mr. Balkema, voornoemd, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen
-
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. van den Bergh, werkzaam bij
de gemeente Utrecht.
II. Motivering
Op 20 september 1996 heeft appellant een aanvraag ingediend om een
uitkering op grond van de Algemene
bijstandswet (Abw). Hij heeft bij die gelegenheid aangegeven dat hij met zijn
echtgenote inwoont bij zijn moeder.
Bij besluit van 10 december 1996 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 20 september 1996 een bijstandsuitkering toegekend, zulks naar de
norm voor gehuwden van 21 jaar of ouder en, voor zover hier van belang,
onder toepassing van een verlaging van 20%. Gedaagde heeft hierbij
overwogen dat er een korting van ƒ390,72 plaatsvindt, omdat appellant
zijn noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander.
Namens appellant heeft mr. Balkema, meergenoemd, tegen dit besluit een
bezwaarschrift ingediend. Aangevoerd is dat de huur van de woning
ongeveer ƒ650,- bedraagt, waarvan appellant de helft betaalt; hij
verzoekt dan ook om een toeslag op de verleende uitkering.
Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond
verklaard. Gedaagde heeft daartoe, voor zover hier van belang, het
volgende overwogen:
"Zoals hierboven reeds gememoreerd, is de aanvraag voor een
periodieke bijstandsuitkering van uw cliënt met ingang van 20 september
1996 toegewezen, echter onder aftrek van ƒ390,72 per maand, omdat uw
cliënt de noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen.
Deze verlaging is gebaseerd op artikel 34 van de Algemene
bijstandswet (nAbw). Dit artikel geeft
ons de bevoegdheid de bijstandsnorm te verlagen voor zover
belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
heeft tengevolge van het kunnen delen van deze kosten met een ander.
Vast staat, dat uw cliënt zijn algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan kan delen met een ander, te weten zijn moeder. Met haar deelt
hij de kosten van de huur en die van gas, licht en water en dergelijke,
zoals u overigens zelf in uw verzoekschrift voor een voorlopige
voorziening hebt aangegeven. Wij zijn dan ook van oordeel dat de
bijstandsuitkering van uw cliënt op grond van artikel 34 van de
nAbw dient te worden verlaagd.
Voor het bedrag van de verlaging hebben wij aansluiting gezocht bij
hetgeen in de "Verordening toeslagen en verlagingen Algemene
bijstandswet" is bepaald met
betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen:
- alleenstaanden van 21 jaar of ouder die als onderhuurder
of kostganger inwonen bij hun ouders komen niet in aanmerking voor de
toeslag van 20% van de gehuwdennorm (artikel 2, tweede lid);
- de bijstandsnorm
voor gehuwden die als verhuurder of
kostgever woonkosten delen met hun ouders wordt verlaagd met 20% van de
gehuwdennorm (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, juncto tweede
lid)."
Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank,
voor zover hier relevant, het tegen het besluit van 20 februari 1997
ingestelde beroep ongegrond verklaard. De president heeft daartoe het
volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als
verweerder is aangeduid):
"Verweerder heeft met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel
a,
tweede volzin, van de verordening een korting op de bijstandsuitkering
van eisers toegepast van 20% en hierbij gebruik gemaakt van de in
artikel 34 van de Abw gegeven bevoegdheid de
bijstandsnorm
voor een
echtpaar te verlagen. Het in de verordening neergelegde verlagingsbeleid
van verweerder ten aanzien van gehuwden kan niet in strijd met artikel
34 van de Abw worden geacht.
Hoewel evengenoemd artikellid niet helemaal duidelijk is geredigeerd, kan
uit de toelichting en het geheel van de verordening worden afgeleid dat
de verlaging van de bijstandsnorm van 20% niet louter geldt voor
gehuwden die in de hoedanigheid van verhuurder of kostgever woonkosten
delen. Blijkens 3.5 van de toelichting op de verordening vinden de
verlagingen op grond van artikel 34 van de Abw
plaats in het geval dat
gehuwden niet alleen in een woning wonen. Hierbij wordt derhalve geen
onderscheid gemaakt tussen verhuurder/huurder respectievelijk
kostgever/kostganger. Bepalend is of er kosten kunnen worden gedeeld.
Voorts is in 3.6 van de toelichting op de verordening onder nummer 4
van het kopje Gehuwden vermeld dat wanneer gehuwden zelf onderhuurder of
kostganger zijn en aangetoond kan worden dat zij een commerciële
relatie met de hoofdhuurder of kostgever hebben, de basisnorm niet wordt
verlaagd. Hieruit is af te leiden dat de basisnorm wel wordt verlaagd
als de onderhuurder of kostganger geen commerciële relatie heeft.
Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat verweerder een onjuiste
toepassing heeft gegeven aan artikel 3, eerste lid onderdeel a, tweede
volzin, van de verordening. Het standpunt van eisers dat de verlaging van
de bijstandsuitkering blijkens de verordening uitsluitend plaatsvindt
ten aanzien van gehuwden die als verhuurder of kostgever woonkosten
delen, kan dan ook niet worden gevolgd."
Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Hij stelt zich, onder
verwijzing naar hetgeen eerder in bezwaar en in beroep is aangevoerd, op
het standpunt dat de door gedaagde ten aanzien van hem toegepaste
verordening in strijd is met de ter zake geldende dwingendrechtelijke
bepalingen van de Abw.
De Raad overweegt het volgende.
Op grond van artikel 30, aanhef en onder c, van de
Abw bedraagt ten
tijde hier van belang de bijstandsnorm
voor gehuwden ƒ1953,61 per
maand.
Ingevolge artikel 34 van de Abw
kunnen burgemeester en wethouders voor
gehuwden de bijstandsnorm
verlagen voor zover de belanghebbenden lagere
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
delen van deze kosten met een ander.
Artikel 38 van de Abw bepaalt dat het gemeentebestuur bij verordening
vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm
wordt verhoogd of
verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of
verlaging wordt bepaald.
Ter uitvoering van artikel 38 van de Abw
heeft de raad van de gemeente Utrecht op 30 november 1995 de Verordening
toeslagen en verlagingen Algemene Bijstandswet
(hierna: de verordening) vastgesteld.
Artikel 3 van de verordening, voor zover hier van belang, luidt als
volgt:
-1. De verlaging van de bijstandsnorm
bedraagt:
a. voor de gehuwden die op basis van een commerciële relatie als
verhuurder of kostgever woonkosten delen met een ander: 10% van de
gehuwdennorm;
of: indien de commerciële relatie niet kan worden aangetoond: 20% van
de gehuwdennorm;
b. voor de gehuwden die geen woonkosten hebben: 20% van de
gehuwdennorm.
-2. Een commerciële relatie zoals bedoeld in het eerste lid kan niet
bestaan tussen ouders en hun kind.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38 de
Abw moet uit de verordening blijken voor welke categorieën er een verhoging
van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. De verordening dient een
zodanig karakter te hebben dat de belanghebbenden daaruit concreet
kunnen afleiden welke verhoging of verlaging in hun situatie geldt.
Uit de toelichting op de verordening leidt de Raad
af dat één van de
doelstellingen van het gemeentelijk toeslagenbeleid is het bieden van
overzicht en duidelijkheid voor cliënten. De Raad neemt aan dat deze
doelstelling eveneens van toepassing is op het beleid waar dit
betrekking heeft op de verlagingen als bedoeld in artikel 34 van de
Abw.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat, gelet op het bepaalde in het
tweede lid van artikel 3 van de verordening, in de thans aan de orde
zijnde situatie van appellant geen sprake is van een commerciële
relatie.
Voorts wordt niet gesteld dat zich hier de situatie voordoet van artikel
3, eerste lid, aanhef en onder b, te weten van "gehuwden die geen
woonkosten hebben".
Verder staat vast dat appellant niet kan worden aangemerkt als
verhuurder of kostgever. In aanmerking genomen de tekst van het eerste
lid, aanhef en onder a, van genoemde bepaling is de hierin, duidelijk,
beschreven situatie in het geval van appellant en zijn echtgenote dan
ook niet aan de orde.
Ter zitting heeft gedaagde aangegeven dat, gelet op de toelichting op de
verordening, het niet de bedoeling is om een onderscheid te maken tussen
gehuwden die de hoedanigheid hebben van verhuurder/kostgever en gehuwden
die als huurder of kostganger kunnen worden beschouwd.
De Raad
kan dit evenwel niet uit de toelichting afleiden, nog
daargelaten of, indien zulks wel het geval zou zijn geweest, één en
ander van belang is nu de tekst zelf van artikel 3 van de verordening op
dit punt niet onduidelijk is.
De president van de rechtbank
heeft in de aangevallen uitspraak voor
zijn oordeel dat in bovengenoemde hoedanigheden geen onderscheid moet
worden gemaakt, verwezen naar punt 3.5 van de toelichting op de verordening. Naar het oordeel van de
Raad
wordt met deze verwijzing
evenwel miskend dat hetgeen hier is vermeld slechts een algemene
weergave is van de door de gemeente Utrecht met betrekking tot onder
meer artikel 34 van de Abw
te maken keuzen, doch dat dit niet kan worden
beschouwd als een toelichting op het eerste lid van artikel 3 van de verordening dan wel op enig andere bepaling van deze
verordening.
De Raad
wijst er ook nog op dat gedaagde in het bestreden besluit
overweegt dat "voor het bedrag van de verlaging aansluiting (is)
gezocht bij hetgeen in de "Verordening..." is bepaald met
betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen". Ook hieruit
kan naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat van een
rechtstreekse herleiding van de situatie van appellant, dan wel van het
in zijn geval door gedaagde gehanteerde verlagingspercentage naar de verordening geen sprake is.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet alleen de verordening niet
beantwoordt aan de doelstelling van het bieden van overzicht en
duidelijkheid voor "cliënten", maar dat ook moet worden
vastgesteld dat artikel 3 van de verordening geen grondslag biedt voor
het toepassen van een verlaging van 20% op de aan appellant toegekende
uitkering. Ook anderszins biedt de verordening geen basis voor de in
geding zijnde verlaging.
Het bestreden besluit, voor zover hierbij is besloten tot een verlaging
van 20%, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.
De Raad
ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 10
december 1996 te vernietigen.
Ten overvloede overweegt de Raad
nog het volgende.
Blijkens het standpunt van gedaagde, zoals ter zitting toegelicht, dient
ingeval gehuwden inwonen bij hun ouder(s) op de uitkering een verlaging van 20% te worden toegepast.
Achtergrond hierbij is dat in een dergelijke situatie, naar de opvatting
van gedaagde, de woonkosten geheel met een ander kunnen worden gedeeld.
Overigens merkt de Raad
op dat noch in de verordening, noch in de
hierbij behorende toelichting het begrip "woonkosten" nader is
omschreven. Overigens is in artikel 34 alsook in
artikel 33 van de Abw
sprake van "algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan".
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw, waarbij de
Raad
in het bijzonder ziet op de uitkeringssystematiek zoals deze in de
Abw is neergelegd, heeft de wetgever met zoveel woorden aangegeven dat
de bijstand op een zodanig bedrag moet worden vastgesteld dat in de
noodzakelijke bestaanskosten is voorzien, zulks in verband met het
karakter van de bijstand als een van overheidswege gegarandeerde
bestaansvoorziening.
Uitgangspunt van de wetgever is voorts geweest dat in beginsel slechts
in het geval van degene die met zijn partner een gezamenlijke
huishouding voert alle algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
kunnen worden gedeeld.
In aanmerking genomen de door gedaagde in het geval van appellant
voorgestane verlaging van 20% wordt ervan uitgegaan dat de betrokkenen
de algemeen noodzakelijke bestaanskosten geheel met een ander, in dit
geval de moeder van appellant, kunnen delen.
Naar het oordeel van de Raad
kan in het geval dat een gehuwd kind bij
zijn ouder(s) inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel niet
worden uitgesloten, doch kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat
in een dergelijke situatie sprake is van het geheel kunnen delen van de
algemeen noodzakelijke bestaanskosten.
De Raad
acht termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Deze kosten worden begroot op ƒ1420,- voor in eerste aanleg verleende
rechtsbijstand en eveneens op ƒ1420,- voor in hoger beroep verleende
rechtsbijstand.
Beslist moet derhalve worden als volgt.
III. Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit van 20 februari 1997 alsmede het hieraan voorafgaande
besluit van 10 december 1996, voor zover hierbij is besloten tot een
verlaging van 20%;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Utrecht aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte griffierecht
van in totaal ƒ210,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr.
Ch.J.G. Olde
Kalter als leden, in
tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 2 maart 1999.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.)
I. de Hartog.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IHABW / Wwb / IWwb |
x
LJN: |
x
AA8691 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
97/3191
ABW |
| Datum
uitspraak: |
14
juli 1998 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
8, 65,
66
en 69 Abw
(= 7
IWwb,
17, 53a
en 54 Wwb)
/ 4 en
5
IHABW |
| Trefwoorden: |
zelfstandige; inlichtingenverplichting; herstel verzuim;
opschorting bijstand; beëindiging |
| Essentie: |
Terechte
opschorting en vervolgens beëindiging bijstand wegens het niet
voldoen aan de inlichtingenverplichting, omdat betrokkene
telkens niet de verlangde gegevens inzake activiteiten als
zelfstandige heeft verstrekt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 97/3191
ABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Soest, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. A. de Leon, advocaat en procureur te
Soest, op in het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 20 februari
1997 door de arrondissementsrechtbank te Utrecht tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 januari 1998 heeft gedaagde desgevraagd nog enige
stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad
op 2 juni 1998,
waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. G.A. Soebhag,
kantoorgenoot van mr. De Leon, voornoemd, en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door T.A. Willems-Dijkstra, werkzaam
bij de gemeente Soest.
II. Motivering
Appellant ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww). Hij is vanwege
gedaagde op grond van artikel 5, eerste lid, van de
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet
(hierna: Invoeringswet) opgeroepen voor een gesprek op 24 januari
1996. Tijdens dit gesprek is gebleken dat appellant voornemens was
om activiteiten als zelfstandige te gaan ontplooien. Aan
uitnodigingen voor een gesprek op 5 februari 1996 en voor een
tweetal testdagen heeft appellant geen gevolg gegeven. Vervolgens
is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 mei 1996.
Appellant heeft aan die oproep zonder bericht van verhindering
geen gevolg gegeven. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 17
juni 1996 appellants uitkering opgeschort. Appellant is daarbij
uitgenodigd vóór 28 juni 1996 een schriftelijke uiteenzetting te
geven, met schriftelijke bewijsstukken, met betrekking tot zijn
werkzaamheden als zelfstandige.
Bij primair besluit van 9 juli 1996 heeft gedaagde de uitkering
van appellant met toepassing van artikel 69, derde lid, van de
Algemene
bijstandswet (Abw)
beëindigd met
ingang van de datum dat de uitkering is opgeschort op de grond dat
appellant geen gevolg heeft gegeven aan oproepen om inlichtingen
te verstrekken die van belang zijn voor de voortzetting van de
uitkering.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 8 november 1996 de
bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
- voor zover hier
van belang - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagdes besluit om de
uitkering van appellant met ingang van 1 juni 1996 te beëindigen
in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag
bevestigend en overweegt als volgt.
Op 1 januari 1996 zijn de Abw en de Invoeringswet in werking
getreden.
Ingevolge artikel 3 in samenhang met artikel
1, aanhef en onder b,
van de Invoeringswet zijn de ABW en de daarop berustende besluiten
- zoals de Rww - per die datum ingetrokken.
Krachtens artikel 4, eerste lid, van de
Invoeringswet blijft de
ABW gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de
Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand
recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet
is geëindigd.
In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van
die wet is
bepaald dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW
eindigt zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval
naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, een nieuw besluit hebben genomen.
Op dit onderzoek naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van
de Abw ten aanzien van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde
persoon zal leiden, is op grond van het tweede lid van artikel 5
onder meer het bepaalde bij of krachtens de artikelen
65, 66,
eerste lid, en 69 van de Abw
van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw doet de
belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit
eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is
voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo
mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.
In artikel 66, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat burgemeester
en wethouders bepalen welke gegevens ten behoeve van de verlening
van bijstand dan wel van de voorzetting daarvan door de
belanghebbende in ieder geval dienen te worden overgelegd.
Artikel 69, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat, indien de
belanghebbende voor de verlening van bijstand van belang zijnde
gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking
verleent aan het onderzoek, burgemeester en wethouders het recht
op bijstand opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim
betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op
welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Krachtens artikel 69, tweede lid, doen burgemeester en wethouders
mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem
uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te
herstellen.
Ingevolge het derde lid van
Artikel 69 wordt de bijstand beëindigd
met ingang van de eerste dag van de periode waarover de bijstand
is opgeschort indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt
binnen de daarvoor gestelde termijn.
Zoals uit het vorenstaande blijkt, heeft gedaagde in het kader van
het in artikel 5, eerste lid, van de Invoeringswet bedoelde
onderzoek aan appellant verzocht nadere inlichtingen te
verstrekken met betrekking tot de door hem op 24 januari 1996
vermelde activiteiten als zelfstandige. Appellant betwist
weliswaar dat zijn mededelingen dienaangaande vanwege gedaagde in
de gedingstukken juist zijn weergegeven, maar de Raad
is van
oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant in
ieder geval heeft gemeld dergelijke activiteiten te (gaan)
ontplooien en stelt vast dat zulks door appellants gemachtigde ter
zitting niet is weersproken. Aangezien activiteiten als
zelfstandige onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor het recht op
bijstand was gedaagde naar het oordeel van de Raad op grond van de
artikelen 65 en 66, eerste lid, van de
Abw gerechtigd appellant te
verzoeken de hiervoor genoemde inlichtingen te verstrekken.
Uit het vorenstaande blijkt voorts dat aan appellant, nadat hij
zonder bericht van verhindering niet op de oproep voor een gesprek
op 29 mei 1996 was verschenen om de gevraagde informatie te
verstrekken, op dezelfde datum overeenkomstig het tweede lid van artikel 69, een termijn is geboden tot 28 juni 1996 om het verzuim
te herstellen. De Raad stelt vast dat niet is gesteld of gebleken
dat het niet verschijnen op genoemde oproep appellant niet te
verwijten valt of dat de aan appellant geboden hersteltermijn
ontoereikend was.
Nu appellant niet binnen de daarvoor gestelde termijn alsnog de
gevraagde inlichtingen heeft verstrekt, is de Raad
van oordeel dat
gedaagde terecht de uitkering van appellant overeenkomstig het
imperatieve voorschrift van artikel 69, derde lid, van de
Abw heeft beëindigd.
De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. Th.C. van
Sloten en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.T. Ehrencron als griffier en uitgesproken in het openbaar op
14 juli 1998.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) M.C.T. Ehrencron.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA8811 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Breda |
| Zaaknummer: |
83764/HA
RK 00-101 |
| Datum
uitspraak: |
1
december 2000 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
61b en 70 ABW / 82
Abw (=
58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
terugvordering ex ABW; vijfjarenvervaltermijn ex ABW |
| Essentie: |
Terechte
niet-ontvankelijkverklaring van de gemeente door de
kantonrechter, omdat de vijfjarenvervaltermijn ter zake van
terugvordering (ex ABW) was verstreken. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Breda 83764/HA
RK 00-101
B E S C H I K K I
N G
in de zaak van:
de gemeente Tilburg, appellante,
procureur: mr. A.J. Coppelmans,
tegen
[geïntimeerde] en [geïntimeerde], beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
niet verschenen.
1. Het verloop van het geding
Dit blijkt uit de navolgende processtukken:
het ter griffie op 1 mei 2000 ingekomen beroepschrift met
producties, waaronder de beschikking van de kantonrechter te
Tilburg van 2 maart 2000, gewezen onder kenmerk 147640-BZ-99/127;
het proces-verbaal van behandeling in raadkamer van deze rechtbank
van 27 oktober 2000 met daaraan gehecht de pleitnotities van mr.
Coppelmans.
Partijen worden aangeduid als de gemeente, [geïntimeerde] en [geïntimeerde]
2. Het geschil
Bij voornoemde beschikking heeft de kantonrechter
de gemeente
niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
De gemeente is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en
heeft daartegen twee grieven voorgedragen.
De gemeente heeft geconcludeerd tot vernietiging van de
beschikking van de kantonrechter en opnieuw
recht doende te
beslissen zoals in het petitum van het inleidende verzoekschrift
van 30 november 1999 is verzocht, kosten rechtens.
3. De beoordeling
3.1. De gemeente heeft tijdig hoger beroep ingesteld en
is in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep.
3.2. Tussen partijen staat het volgende vast:
- gedurende de periode van 12 juli 1993 tot en met 29
mei 1994 zijn door [geïntimeerde] inkomsten uit en in verband met
werkzaamheden genoten, waarvan door hem geen dan wel onvolledig
mededeling is gedaan aan de gemeente;
- over voormelde perioden was aan [geïntimeerde]
en [geïntimeerde] een bijstandsuitkering toegekend;
- bij brief van 27 februari 1996 is [geïntimeerde]
medegedeeld dat is besloten tot terugvordering van de genoten
bijstand;
- bij verzoekschrift van 30 november 1999,
op dezelfde datum ingekomen ter griffie van het kantongerecht
te Tilburg, heeft de gemeente gevorderd dat de kantonrechter zal
bepalen dat [geïntimeerde] en [geïntimeerde] de over voormelde
periode gemaakte kosten van bijstand aan haar zal terugbetalen,
één en ander zoals gespecificeerd in voormeld verzoekschrift.
3.3. Vanwege de samenhang tussen de grieven worden zij
gezamenlijk behandeld.
3.4. Met haar grieven betoogt de gemeente dat de
kantonrechter
haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard
in haar verzoek. Zij stelt zich op het standpunt dat de
kantonrechter een onjuiste vervaltermijn heeft gehanteerd. Zij
stelt daartoe dat toepassing van de op een geval als het
onderhavige van kracht zijnde regeling met zich brengt dat de
kantonrechter ingevolge artikel X van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, het per 1 augustus 1992 geldende artikel 61d,
eerste lid, ABW had moeten toepassen, welke bepaling door de wetgever niet is
voorzien van een uitgestelde werking. Verder voert zij aan dat
niet alleen een letterlijke, maar ook een redelijke wetstoepassing
met zich brengt dat voormeld artikel moet worden toegepast. Zij
voegt aan het voorgaande nog toe dat het kunnen toepassen van
artikel 61d ABW een aanmerkelijke verlichting betekent voor het
bestuursapparaat, alsmede dat als komt vast te staan dat de
gemeente in al die gevallen waarin zij uitsluitend beschikt over
een terugvorderingsbeschikking verhaal in rechte had moeten
zoeken, dat kan betekenen dat zij één à twee miljoen gulden als
oninbaar moet afboeken.
3.5. Onderhavig geschil dient in beginsel te worden
beoordeeld op grond van de ABW, zoals deze gold in de periode van
1 augustus 1992 tot 1 januari 1996.
artikel 70 Algemene Bijstandswet (hierna ABW), zoals
dit artikel gold in voormelde periode, bepaalt: ”De
rechtsvordering tot verhaal vervalt na verloop van vijf jaar nadat
de kosten zijn gemaakt”.
Artikel 61d, eerste lid, ABW, zoals dit artikel gold vanaf 1
augustus 1992 tot 1 januari 1996, bepaalt: ”Behoudens in de gevallen, bedoeld in de
artikelen 58 en 59, worden kosten van bijstand die meer dan vijf
jaar vóór de datum van verzending van de beschikking tot
terugvordering zijn gemaakt niet teruggevorderd”.
Tot 1 augustus 1992 hield de procedure tot
terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering in
het nemen van een besluit ter zake door de gemeente, gevolgd door
het indienen van een verzoekschrift ter zake bij de kantonrechter,
die het aan de gemeente terug te betalen bedrag vaststelde. Tegen
het besluit van de gemeente kon geen bezwaar of beroep worden
ingesteld. Ingevolge het tot 1 augustus 1992 geldende artikel 70
ABW diende de gemeente op straffe van verval van haar
vorderingsrecht uiterlijk vijf jaar nadat de kosten van bijstand
waren gemaakt haar verzoekschrift bij de kantonrechter in te
dienen.
Bij Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, werd de ABW
gewijzigd, onder meer door invoering van een
administratiefrechtelijke procedure ter zake de terugvordering van
bijstandsuitkering (de artikelen 55 tot en met 61i ABW). Deze procedure
hield in dat tegen het terugvorderingsbesluit bezwaar kon worden
gemaakt bij de gemeente, waarna
beroep kon worden ingesteld bij Geduputeerde Staten en -
vervolgens -
bij de Kroon. Nadat voormeld besluit aldus formele rechtskracht
had gekregen, kon de gemeente ter uitvoering van haar besluit een
verzoekschrift bij de kantonrechter indienen. Op grond van artikel
X van het overgangsrecht, behorende tot voornoemde Wet van 15
april 1992, is echter bepaald dat deze procedure tot een nader bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet in werking zal treden,
alsmede dat de terugvorderingsprocedure zoals deze tot 1 augustus
1992 gold tot dat nader te bepalen tijdstip haar werking zou
behouden. Bij voormeld artikel X is echter wel per 1 augustus 1992
in werking getreden artikel 61d, eerste en tweede lid, ABW en is
tegelijkertijd voormeld artikel 70 ABW komen te vervallen. De
vervaltermijn van voormeld artikel 61d, eerste lid, ABW hield in dat
kosten van bijstand gemaakt meer dan vijf jaar vóór de datum van
verzending van de terugvorderingsbeschikking niet meer konden
worden teruggevorderd.
3.6. Op grond van voormeld artikel X van het
overgangsrecht is een situatie geschapen waarbij enerzijds het
oude verhaalsrecht van toepassing is gebleven, doch anderzijds
voor de vervaltermijn met betrekking tot het recht op
terugvordering wordt aangeknoopt bij een door de gemeente te nemen
beschikking welke de aanvang vormt van een mogelijke
administratiefrechtelijke beroepsprocedure, terwijl die
beroepsprocedure nog niet van toepassing is en dergelijke
beschikkingen dus niet kunnen worden genomen. Dit laatste blijkt
ook uit de voormelde brief van de gemeente van 27 februari 1996,
waarin is vermeld dat tegen de - bij die brief medegedeelde
beslissing tot - terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering
geen bezwaarschrift kan worden ingediend. Onverkorte toepassing
van artikel 61d, eerste lid, ABW in situaties als de onderhavige leidt
ertoe dat na het nemen van een beschikking als bedoeld in dit
wetsartikel de terugvorderingstermijn zou worden gestuit zonder
dat de betrokkene enige invloed kan uitoefenen op het moment
waarop de rechter kennisneemt van het geschil. Immers, tegen die
beschikking staat geen bezwaar- en beroepsprocedure open. Voorts
is voormelde kennisname tot 1 januari 1996 gekoppeld gebleven aan
de indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 63 ABW, zoals
die bepaling luidde tot 1 januari 1996. Een dergelijke situatie
wordt in strijd geacht met de rechtszekerheid en de
rechtsgelijkheid. Waar niet uit de wet(sgeschiedenis) blijkt van
de reden van de wetgever om, met ingang van 1 augustus 1992,
voormelde artikel 70 ABW te vervangen door voormeld artikel 61d,
eerste lid, BW, zonder invoering van de wettelijke context waarin
laatstgenoemde bepaling is geplaatst (het administratief beroep),
brengt, ter wille van genoemde rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid, een redelijke wetstoepassing met zich dat in
gedingen als de onderhavige artikel 70 ABW van toepassing dient
te blijven, nu artikel 61d ABW immers geheel op de niet-ingevoerde
beroepsprocedure is toegesneden. Bij het voorgaande is verder nog
in aanmerking genomen dat, in verband met de wijziging van de ABW
per 1 januari 1996, alsmede de wijziging van de ABW [Abw,
red.] per 1 juli
1997, uit de wetsgeschiedenis niet is gebleken van een bepaalde
bedoeling van de wetgever in relatie tot het voorgaande, omtrent
het handhaven van het tot artikel 87 [artikel
87 Abw, red.] vernummerde artikel 61d ABW
(per 1 januari 1996), respectievelijk het laten vervallen van
artikel 87 ABW [artikel 87 Abw,
red.] (per 1 juli 1997). Aan het voorgaande doet niet af
de stelling van de gemeente dat de rechter haar in geval van
langdurig stilzitten geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk in
haar vordering kan verklaren, noch haar stelling omtrent de
(financiële) gevolgen voor haar bestuursapparaat van het, in
situaties als de onderhavige, kunnen toepassen van artikel 61d
ABW.
3.7. Het vorenoverwogene brengt met zich dat de grieven
falen en dat de beschikking van de kantonrechter
te Tilburg wordt
bekrachtigd.
4. De beslissing
De rechtbank:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter
te Tilburg
van 2
maart 2000, gewezen onder kenmerk 147640-BZ-99/127.
Deze beschikking is gewezen door mrs. Kooijman, Van Oijen en Van
den Beld en uitgesproken ter openbare terechtzitting op vrijdag 1
december 2000.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA8926 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Amsterdam |
| Zaaknummer: |
AWB
00/3025 NABW |
| Datum
uitspraak: |
4
september 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14a
en
65
Abw (= –
en 17
Wwb) / 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
boete;
sanctie; schending inlichtingenverplichting; niet verschijnen op
heronderzoeksgesprek; bewijslast verzending en ontvangst
oproeping; poststuk; beëindiging bijstand; terugvordering; niet-tijdig bezwaar |
| Essentie: |
Onterecht
opgelegde boete wegens tweemaal niet verschijnen op een
heronderzoeksgesprek, omdat de gemeente niet kan bewijzen dat de twee
oproepingen daadwerkelijk zijn verzonden en ontvangen, welke
oproepingen betrokkene stelt niet te hebben ontvangen. De
beëindiging en terugvordering van de bijstand kan niet meer
ongedaan worden gemaakt, daar betrokkene tegen de betreffende
besluiten geen bezwaar heeft gemaakt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Amsterdam AWB 00/3025 NABW
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats],
eiser;
tegen
het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente Diemen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 25 april 2000, nummer 01 BG710/000338.
2. Ontstaan
en loop van het geding
Bij brief van 26 januari 2000 is eiser door verweerder in kennis
gesteld van het voornemen om aan eiser een administratieve boete
op te leggen, aangezien eiser niet heeft voldaan aan zijn
inlichtingenverplichting op grond van artikel
65, eerste lid, van
de Algemene
bijstandswet (Abw) door tweemaal niet te reageren op
een oproep om te verschijnen op een heronderzoeksgesprek.
Bij besluit van 9 februari 2000 heeft verweerder aan eiser een
boete opgelegd van ƒ275,-.
Tegen dit besluit heeft eiser op 28 februari 2000 een
bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser
ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2000
gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 24 mei 2000
bij deze rechtbank beroep ingesteld.
Het beroep is op 4 september 2000 ter openbare zitting van deze
rechtbank behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is
niet verschenen.
3. Motivering
Eiser heeft vanaf 1 september 1998 een bijstandsuitkering op grond
van de Abw ontvangen.
Bij brief van 16 augustus 1999 is eiser door verweerder opgeroepen
voor een heronderzoeksgesprek bij verweerders sociale dienst op 31
augustus 1999. Eiser is op dit gesprek niet verschenen. Vervolgens
heeft de sociale dienst eiser bij brief van 31 augustus 1999
nogmaals opgeroepen voor een heronderzoeksgesprek op 9 september
1999. Op dit gesprek is eiser evenmin verschenen.
Aangezien eiser tweemaal niet op het heronderzoeksgesprek is
verschenen, heeft verweerder vervolgens bij besluit van 10
september 1999 de bijstandsuitkering van eiser per 1 augustus 1999
beëindigd. Bij besluit van 28 september 1999 heeft verweerder de
bijstandsuitkering van eiser over de maand augustus 1999
teruggevorderd. Eiser heeft tegen deze twee besluiten bezwaar
gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en beide
primaire besluiten gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen geen beroep
ingesteld.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht op
grond van artikel 14a van de Abw
aan eiser een boete van ƒ275,-
heeft opgelegd.
Eiser heeft aangevoerd dat hij de oproepen voor een
heronderzoeksgesprek niet heeft ontvangen. De oorzaak hiervan kan
liggen in het feit dat eiser in een studentenflat woont en een
gemeenschappelijke brievenbus heeft. Verder pasten de sleutels van
de andere brievenbussen eveneens op deze brievenbus. Eiser heeft
in augustus en september 1999 meerdere poststukken niet ontvangen.
Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen de besluiten van
verweerder om zijn uitkering te beëindigen en terug te vorderen
geen beroep heeft ingesteld. Om principiële redenen heeft eiser
wel tegen het bestreden besluit beroep ingesteld omdat hij geen
leugenaar is, aldus eiser.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift betoogd dat de gevolgen
van een niet optimale postontvangst voor risico van eiser dienen
te komen en eiser hiervoor een oplossing dient te vinden.
Aangezien eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van
verweerder met betrekking tot de beëindiging en terugvordering
van zijn bijstandsuitkering, maakt verweerder hieruit op dat eiser
zich kan vinden in de beëindiging en terugvordering, aldus
verweerder.
De rechtbank
oordeelt als volgt.
Verweerder heeft verwezen naar het feit dat eiser geen beroep
heeft ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar van verweerder
met betrekking tot de beëindiging en de terugvordering van de
bijstandsuitkering van eiser. Deze beslissingen zijn eveneens
gegrond op het voornoemde feit dat eiser tweemaal niet op een
heronderzoeksgesprek is verschenen en eiser derhalve niet heeft
voldaan aan zijn inlichtingenverplichting ingevolge artikel 65 van
de Abw.
De rechtbank
begrijpt dat verweerder zich hier beroept op het feit
dat deze laatste twee beslissingen en de daaraan ten grondslag
liggende feiten inmiddels formele rechtskracht hebben verkregen,
zodat deze feiten in de onderhavige procedure eveneens als
vaststaand dienen te worden aangenomen.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het bestreden besluit
aan eiser de punitieve sanctie van een boete heeft opgelegd, welke
sanctie kan worden aangemerkt als een criminal charge in de zin
van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM).
Gelet op het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in
artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de daaraan in de
jurisprudentie ontleende rechten voor de verdediging, is de
rechtbank van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten
grondslag liggende feiten en omstandigheden in de onderhavige
procedure opnieuw door de rechtbank dienen te worden beoordeeld en
vastgesteld.
Voorts vloeit uit het punitieve karakter van de opgelegde sanctie
voort dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te
maken dat eiser zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel
65,
eerste lid, van de Abw
heeft geschonden door tweemaal niet op een
heronderzoeksgesprek te verschijnen.
Aangezien eiser heeft ontkend dat hij de twee oproepen voor het
heronderzoeksgesprek heeft ontvangen en verweerder in deze
procedure niet heeft aangetoond dat deze oproepen daadwerkelijk
aan eiser zijn verzonden en door hem zijn ontvangen, is de
rechtbank van oordeel dat verweerder niet in zijn bewijs is
geslaagd. Derhalve kan het feit dat eiser de oproepen niet heeft
ontvangen niet aan hem worden tegengeworpen.
Hieruit vloeit voort dat eiser evenmin kan worden verweten dat hij
niet op de heronderzoeksgesprekken is verschenen. Dit betekent dat
in het geval van eiser geen sprake is van een schending van de
inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw,
zodat verweerder op grond van artikel 14a van de
Abw
niet kon
overgaan tot het opleggen van een administratieve boete aan eiser.
Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard.
De rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel
8:72, vierde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), zelf in de zaak
voorzien. Aangezien eiser - zoals hierboven is overwogen - de
oproepen voor de heronderzoeksgesprekken niet heeft ontvangen en
dit gebrek bij de heroverweging van het bestreden besluit niet
meer kan worden gerepareerd, zal tevens de primaire beschikking
van 9 februari 2000 worden ingetrokken.
Op grond van het bepaalde in artikel
8:74, eerste lid, van de Awb,
dient het door eiser gestorte griffierecht van ƒ60,- te worden
vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een
proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Awb,
aangezien niet is gebleken van proceskosten aan de zijde van eiser
die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank beslist als volgt.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
trekt in het besluit van verweerder van 9 februari 2000;
bepaalt dat de gemeente Diemen het gestorte griffierecht van ƒ60,- (zegge: zestig gulden) aan eiser vergoedt.
Gewezen door mr. H.C. Naves, rechter, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.R.
Osinga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2000.
De griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het
bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak
hoger beroep instellen bij de Centrale
Raad van Beroep
te Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA8961 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
99/3825
ABW |
| Datum
uitspraak: |
19
januari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14,
42, 47, 65
en 106 Abw
(= 18, 31,
32, 17
en 55 Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten; uitgesteld inkomen; koopsompolis met
lijfrenteclausule; ontslag; afkopen; afkoopsom; schending
inlichtingenverplichting; terugvordering; afzien van maatregel |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand, omdat de vanwege ontslag
overeengekomen koopsompolis met lijfrenteclausule -
vergelijkbaar met een in
contanten uitbetaalde schadeloosstelling wegens ontslag -
uitgesteld inkomen vertegenwoordigd dat kan worden afgekocht.
Schending van de inlichtingenverplichting heeft i.c. niet tot
een maatregel geleid. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage 99/3825 ABW
U I T S P R
A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) inzake:
[eiseres], geboren [...] 1943, wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Rijnsburg, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Het besluit van verweerder van 23 maart 1999, kenmerk 91870288/sszw.
2. Zitting
Datum: 23 december 1999.
Eiseres is niet verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Hest,
ambtenaar bij de gemeente Rijnsburg.
3. Feiten
Eiseres is op 1 januari 1974 in dienst getreden als gezinshelpster
bij bejaarden, thans genoemd thuishulp A, bij (thans) de Stichting
Z, gevestigd te Y (hierna: de Stichting). Laatstelijk was eiseres
werkzaam gedurende 18 uur per week.
Aan eiseres is met ingang van 4 juni 1982 een aanvullende
uitkering krachtens de toenmalige op de (oude) Algemene
Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers (Rww) toegekend.
In verband met de inwerkingtreding per 1 januari 1996 van de
(nieuwe) Algemene
bijstandswet (Abw) heeft op 23 januari 1996 een
herbeoordeling van het recht van eiseres op bijstand
plaatsgevonden. Blijkens de naar aanleiding hiervan door een
medewerker van de afdeling Sociale Zaken (afdeling SZ) opgestelde
rapportage heeft eiseres in dat kader aangegeven dat zij
binnenkort stopt met werken omdat zij bepaalde taken volgens de
Stichting niet meer naar behoren uitvoert.
In de rapportage is vermeld dat eiseres de afdeling SZ op de
hoogte zal houden en dat moet worden gelet op de
inkomstenverklaringen. Tevens is een "heronderzoek
inschrijving GAB" gepland in april 1996 en een regulier
heronderzoek in januari 1997.
Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 maart 1996 de Rww-uitkering van eiseres beëindigd en haar per 1 maart 1996 een
uitkering op grond van de Abw toegekend naar de norm voor een
alleenstaande.
Op 4 februari 1997 heeft een heronderzoek naar het recht van
eiseres op bijstand plaatsgevonden. In de naar aanleiding hiervan
opgestelde rapportage d.d. 5 februari 1997 is geconstateerd dat de
in vorengenoemde rapportage d.d. 23 januari 1996 geplande
heronderzoeken kennelijk niet zijn ingesteld. Uit het heronderzoek
is naar voren gekomen dat het dienstverband van eiseres met de
werkgever inmiddels is verbroken. Eiseres heeft daarbij gezegd dat
er een procedure tegen de Stichting loopt. Zij heeft een groot pak
met allerlei stukken met betrekking tot haar ontslag laten zien.
Geconcludeerd is dat er een onderzoek zal moeten komen naar het
ontslag en de gevolgen daarvan, waartoe ook opdracht is gegeven.
In een rapportage van 4 november 1997 is geconstateerd dat het in
vorengenoemde rapportage d.d. 5 februari 1997 opgedragen onderzoek
naar het ontslag van eiseres door een misverstand niet is
uitgevoerd en dat dat alsnog moet gebeuren. Hiertoe is eiseres bij
brief d.d. 26 november 1997 uitgenodigd voor een gesprek op 2
december 1997 met een bijstandsmaatschappelijk werker. Dit heeft
ertoe geleid dat eiseres stukken met betrekking tot de beëindiging
van het dienstverband aan de afdeling SZ heeft overgelegd en dat
door de afdeling SZ aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de
werkgever en een financieel adviesbureau. Onder deze stukken
bevindt zich een brief van de Stichting d.d. 16 februari 1996,
waarbij deze met gebruikmaking van de daartoe door de directeur
van het Arbeidsbureau Y verleende toestemming vorengenoemde
arbeidsverhouding met eiseres met ingang van 6 juli 1996 heeft beëindigd.
Uit bedoelde stukken blijkt dat de Stichting in dat verband met
eiseres is overeengekomen dat:
- ten gunste van haar bij
Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij NV (hierna:
NN) een koopsompolis met lijfrenteclausule ter waarde van ƒ25.000,- zal worden afgesloten, welke ingaande 1 maart 2008 bij
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot uitkering komt;
- een
koopsompolis ad ƒ8917,04 ter afdekking van pensioenverlies zal
worden afgesloten; en
- een bedrag van ƒ5000,- netto aan haar
zal worden overgemaakt.
Bij besluit d.d. 13 oktober 1998 heeft verweerder, voor zover hier
van belang, aan eiseres meegedeeld dat:
- de koopsompolis ad ƒ8917,04 buiten beschouwing zal worden
gelaten, aangezien dit is gericht op het bieden van compensatie
van gederfd aanvullend pensioen na het bereiken van de 65-jarige
leeftijd;
- het contant betaalbaar gestelde bedrag ad ƒ5000,- wordt
aangemerkt als een immateriële schadevergoeding als bedoeld in
artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw
en derhalve eveneens
buiten beschouwing zal worden gelaten;
- de koopsompolis ter waarde van ƒ25.000,- wordt aangemerkt als
een middel in de zin van artikel 42 van de
Abw en, nu zij
inkomenskarakteristieken in zich draagt, gezien artikel 47 van de
Abw, bij de beoordeling van het recht op bijstand volledig in
ogenschouw dient te worden genomen.
Op grond hiervan heeft verweerder bij genoemd besluit aan de
verdere verlening van bijstand de voorwaarde verbonden dat eiseres
binnen één maand na dagtekening van deze beschikking tot afkoop
van de koopsompolis ad ƒ25.000,- overgaat en de daaruit
ontvangen gelden, na aftrek van de over de afkoop verschuldigde
belastinggelden, aan verweerder ter beschikking stelt ter
verrekening van de aan eiseres verstrekte bijstand.
Voorts heeft verweerder in genoemd besluit geconstateerd dat
eiseres in het verleden de op grond van de ABW, c.q. Abw,
op haar
rustende inlichtingenverplichting niet correct is nagekomen en
overwogen dat verweerder aanleiding heeft gezien, gegeven de
individuele omstandigheden, geen maatregel op grond van artikel 14
van de Abw toe te passen.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief d.d. 24 november 1998
bezwaar gemaakt bij verweerder. Omtrent dit bezwaar is eiseres
gehoord door de Onafhankelijke Adviescommissie voor de behandeling
van bezwaar- en beroepschriften (de commissie) op 4 januari 1998.
Deze commissie heeft op 11 januari 1998 aan verweerder geadviseerd
het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit d.d. 13 oktober
1998 te handhaven. De commissie heeft in haar advies overwogen dat
de vraag bestaat of het van behoorlijk bestuur getuigt om, gegeven
de omstandigheden van het geval, 2,5 jaar na dato bij de
beoordeling van het verdere recht van eiseres op bijstandverlening alsnog consequenties te verbinden aan de
financiële aanspraken die in 1996 door de voormalig werkgever aan
eiseres zijn verleend. Gelet op hetgeen ter hoorzitting naar voren
is gekomen, acht de commissie het niet onaannemelijk dat ten tijde
van het ontslag van eiseres door de gemeente is nagelaten op basis
van de toen bekende gegevens over het ontslag alsnog een
zelfstandig onderzoek uit te voeren. Indien de gemeente dit
onderzoek reeds in juli 1996 had gepleegd, had naar het oordeel van
de commissie voorkomen kunnen worden dat 2,5 jaar later alsnog
de koopsompolis ten bedrage van ƒ25.000,- van eiseres wordt
teruggevorderd.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond
verklaard.
In dat besluit heeft verweerder naar aanleiding van de hiervoor
weergegeven overwegingen van de commissie zich op het standpunt
gesteld dat er geen redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat hem
onbehoorlijk bestuur kan worden verweten. Hiertoe heeft verweerder
overwogen dat de zakelijke weergave van het verhandelde ter
hoorzitting geen getrouw en volledig beeld geeft van die
hoorzitting en dat verweerder van mening blijft dat eiseres niet
tijdig de benodigde informatie heeft verstrekt.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres bij brief d.d. 3 mei
1999 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingezonden.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire
besluit d.d. 13 oktober 1998, waarbij verweerder aan
(voortzetting) van de aan eiseres op grond van de Abw
verleende
bijstand de voorwaarde heeft verbonden dat zij binnen één maand na
dagtekening van dat besluit tot afkoop van de koopsompolis ad ƒ25.000.-
overgaat en de daaruit ontvangen gelden, na aftrek van
de over de afkoop verschuldigde belastinggelden, aan verweerder
ter beschikking stelt ter verrekening van de aan haar verstrekte
bijstand. Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft
bevestigd, heeft verweerder hierbij toepassing gegeven aan het
bepaalde in artikel 106 van de Abw. Ingevolge die bepaling, voor
zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de
bijstand verplichtingen verbinden die strekken tot vermindering of
beëindiging van de bijstand.
Dit geding is toegespitst op de vraag of verweerder vorengenoemde
voorwaarde terecht onder toepassing van voormeld artikel 106
aan
de (voortzetting van de) bijstand aan eiseres heeft verbonden.
Anders dan eiseres gezien het beroepschrift blijkbaar
veronderstelt, is geen sprake van een besluit waarbij de
bijstandsuitkering van eiseres met toepassing van artikel
69,
derde lid, van de Abw is herzien op de grond
dat zij de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van die wet op haar rustende
inlichtingenplicht niet is nagekomen. Hetgeen eiseres in dat
verband in beroep naar voren heeft gebracht, vat de rechtbank aldus
op dat zij zich op het standpunt stelt dat zij in verband met de
omzetting van haar Rww-uitkering in een uitkering op grond van de Abw
alle met de beëindiging van haar dienstbetrekking verband
houdende bescheiden aan de afdeling SZ heeft overgelegd en dat
verweerder derhalve handelt in strijd met de rechtszekerheid door
2,5 jaar later vorengenoemde voorwaarde alsnog aan de haar
toegekende bijstand te verbinden.
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde is verweerder van
mening dat de in geding zijnde voorwaarde strekt tot vermindering
van de aan eiseres toegekende bijstand, zodat, gelet op artikel
106 van de Abw, de bevoegdheid aanwezig was om deze voorwaarde aan
het verlenen van bijstand aan eiseres te verbinden. Hiertoe heeft
verweerder overwogen dat de door de Stichting ten behoeve van
eiseres afgesloten koopsompolis met lijfrenteclausule ter waarde
van ƒ25.000,- uitgesteld inkomen als bedoeld in artikel
47,
tweede lid, van de Abw
vertegenwoordigt, dat op grond van die
bepaling in aanmerking moet worden genomen naar de periode waarin
dit is verworven. Verweerder meent dat sprake is van een
vergoeding door de Stichting aan eiseres wegens door haar tengevolge van de beëindiging van de dienstbetrekking gederfd loon.
Verweerder meent steun voor dit standpunt te kunnen ontlenen aan
de voorwaarden waaronder de koopsom blijkens de polis is
afgesloten en aan een brief van de belastingdienst
d.d. 14 maart
1996. Verweerder acht het niet onredelijk van eiseres te vergen
dat zij tot afkoop van de polis overgaat.
Indien de tot afkoop strekkende verplichting niet zou worden
opgelegd, zou eiseres zich na het bereiken van de leeftijd van 65
jaar, in een periode waarin zij niet langer is aangewezen op
bijstand, middelen verwerven die gerelateerd zijn aan een ten
tijde van de bijstandverlening verbroken dienstbetrekking en zich
aldus in de toekomst verrijken ten koste van de gemeenschap.
Ook overigens heeft verweerder geen redenen gezien op grond
waarvan zou moeten worden afgezien van het verbinden van de in
geding zijnde voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan
eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden
op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige koopsom ad ƒ25.000,- met
lijfrenteclausule uitgesteld arbeidsinkomen,
verband houdend met de beëindigde dienstbetrekking bij de
Stichting, vertegenwoordigt, welk inkomen op grond van artikel
47,
tweede lid, van de Abw in aanmerking moet worden genomen.
Terecht heeft verweerder daartoe betekenis toegekend aan de brief
van de belastingdienst aan de Stichting
d.d. 14 maart 1996 en de
voorwaarden waaronder de koopsompolis met lijfrenteclausule is
afgesloten. Uit genoemde brief blijkt immers dat de
belastingdienst daarbij de op grond van die polis te zijner tijd
aan eiseres toe te kennen periodieke uitkeringen op verzoek van de
Stichting heeft aangemerkt als een aanspraak op periodieke
uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon in de zin
van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1994, onder de voorwaarde dat op de polis wordt
aangetekend dat de uitkeringen worden aangemerkt als loon uit
vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke
beloning. Een dergelijke voorwaarde is blijkens de gedingstukken
feitelijk ook in de polisvoorwaarden opgenomen. De rechtbank merkt
in dit verband verder nog op dat in de polisvoorwaarden tevens
uitdrukkelijk is vermeld dat de verzekering verband houdt met een
door verzekerde binnen het Rijk uitgeoefende dienstbetrekking. Op
grond van deze feiten kan aan de waarde van de polis het karakter
van inkomen in verband met arbeid, zijnde de dienstbetrekking van
eiseres met de Stichting, naar het oordeel van de rechtbank niet
worden ontzegd. Vaststaat dat de koopsompolis kan worden
afgekocht: blijkens een brief van NN aan eiseres d.d. 5 juni 1998
bedraagt de afkoopwaarde per 1 april 1998 ƒ28.842,-. Nu het
afkoopbedrag feitelijk eerst na daadwerkelijke afkoop en in dit
opzicht derhalve achteraf, dat wil zeggen na de beëindiging van
de dienstbetrekking met de Stichting, aan eiseres wordt
uitbetaald, moet het als zodanig in verband met die
dienstbetrekking tot uitkering komend inkomen als uitgesteld in de
zin van artikel 47, tweede lid, van de Abw
worden beschouwd.
Mede gelet op de hoogte van de afkoopwaarde van de polis, betekent
dit derhalve dat bij verrekening van dit inkomen met de aan
eiseres toegekende bijstand over de daarvoor op grond van
evengenoemde bepaling in aanmerking te nemen periode eiseres geen
recht kan doen gelden op bijstand, althans de bijstand dient te
worden verminderd.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het
standpunt gesteld dat de in geding zijnde voorwaarde strekt tot
vermindering of beëindiging van de bijstand. Verweerder was
derhalve op grond van artikel 106 van de
Abw bevoegd de in geding
zijnde voorwaarde te verbinden aan de voortzetting van de bijstand
aan eiseres.
De rechtbank stelt voorts vast dat evengenoemde bevoegdheid, gelet
op het bepaalde in artikel 106, voormeld, van discretionaire aard
is. De wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt,
dient derhalve door de rechtbank terughoudend te worden getoetst.
In hetgeen namens eiseres is aangevoerd en overigens uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren is
gekomen, ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat
verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het
verbinden van de in geding zijnde voorwaarde aan het verlenen van
bijstand aan eiseres.
Uit de hiervoor in rubriek 3 van deze uitspraak weergegeven
rapportages blijkt dat de afdeling SZ herhaaldelijk heeft
verzuimd uitvoering te geven aan geplande heronderzoeken. Deze
nalatigheid kan kwalijk anders dan als onzorgvuldig worden
gekwalificeerd. Indien de afdeling SZ de geplande heronderzoeken
wel zou hebben ingesteld, zou het bestaan van de onderhavige
koopsompolis wellicht eerder dan thans het geval is geweest aan
het licht zijn gekomen en eiseres eerder met de gevolgen daarvan
voor de voortzetting van de aan haar toegekende bijstand zijn
geconfronteerd.
Eén en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank
echter niet
met zich dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel door bij het bestreden besluit alsnog aan
de bijstandverlening de in geding zijnde voorwaarde te verbinden.
Hiertoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de Abw
blijkens het bepaalde in artikel 47, tweede lid, verweerder in
beginsel verplicht tot het in aanmerking nemen van uitgesteld
inkomen als bedoeld in dat artikel. Naar het oordeel van de
rechtbank is in dit geval geen sprake van zo uitzonderlijke
omstandigheden dat op deze verplichting in het kader van de
toepassing van artikel 106 van de Abw
inbreuk zou moeten worden
gemaakt. In dit verband merkt de rechtbank op dat haar met
betrekking tot de onderhavige koopsompolis de vergelijking
opdringt met een door de werkgever aan een ex-werknemer in
contanten uitbetaalde schadeloosstelling wegens ontbinding van een
arbeidsovereenkomst. Een dergelijke vergoeding moet als regel
worden geacht te zijn bestemd voor de bestaansvoorziening na
ontbinding van de arbeidsverhouding en als zodanig bij de
beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Niet valt
in te zien waarom bij een constructie als de onderhavige
betrokkene zou moeten worden bevoordeeld ten koste van een
uitkering uit de algemene middelen in de vorm van een ongekorte
bijstandsuitkering. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat
eiseres in het kader van het heronderzoek d.d. 23 januari 1996
weliswaar aan de afdeling SZ heeft gemeld dat zij binnenkort zou
stoppen met werken, maar dat zij nadien verweerder niet uit eigen
beweging tijdig op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen
ter zake, c.q. de in dat verband met de Stichting gemaakte
afspraken. Zij was op grond van artikel 65, eerste lid, van de
Abw wel gehouden dit te doen. Vorengenoemde onzorgvuldigheid van
verweerder ontslaat eiseres niet van de in dit artikel neergelegde
inlichtingenplicht. Overigens heeft zij blijkens de rapportage d.d.
23 januari 1996 ook toegezegd dat zij de afdeling SZ op de hoogte
zou houden met betrekking tot de beëindiging van haar
dienstbetrekking bij de Stichting.
Anders dan eiseres heeft gesteld, is de rechtbank
uit de
gedingstukken niet gebleken dat eiseres overeenkomstig de op haar
rustende inlichtingenplicht verweerder onverwijld op de hoogte
heeft gesteld van de voor de vaststelling van haar recht op
bijstand van belang zijnde gegevens met betrekking tot de in het
kader van de beëindiging van haar dienstbetrekking gemaakte
financiële afspraken.
De rechtbank ziet in de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting, waar eiseres, noch haar gemachtigde zijn verschenen,
onvoldoende grond voor het oordeel dat eiseres in verband met haar
beperkte geestelijke vermogens in het geheel niet begreep dat één
en ander van belang zou zijn in het kader van de aan haar
toegekende bijstand, althans dat zij buiten staat was te
onderkennen dat zij er goed aan zou doen in verband met de gang
van zaken rond de beëindiging van haar dienstverband zich met het
oog op de beoordeling van het recht op bijstand ter behartiging
van haar belangen te laten bijstaan door een derde. Hierbij is van
belang dat zij zowel in het kader van de beëindiging van de
dienstbetrekking als de bijstandverlening de hulp van ene mevrouw
X heeft ingeroepen.
Overigens is hiermee niet gezegd dat, indien zou zijn komen vast
te staan dat eiseres niet kan worden aangerekend dat zij bedoelde
inlichtingen niet uit eigen beweging en tijdig heeft verschaft,
dit zonder meer tot het oordeel zou hebben geleid dat verweerder
niet in redelijkheid tot het verbinden van de in geding zijnde
voorwaarde zou hebben kunnen besluiten, dan wel dat dit in strijd
met de rechtszekerheid zou moeten worden geacht.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
6. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
7. Rechtsmiddel
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto
artikel 6:24 Awb
kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze
uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep
instellen bij de Centrale
Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar
uitgesproken op 19 januari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de
Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden: 21 januari 2000.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|