| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / WAO |
x
LJN: |
x
AA8962 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
AWB
98/5574 ABW |
| Datum
uitspraak: |
18
oktober 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39,
40, 43 en 47
Abw / (= 35,
35, 31
en 32 Wwb)
/ 22 WAO |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; verhoging ex artikel 13 AAW/artikel 22 WAO; middelen;
inkomsten; inkomensbestanddeel; draagkracht |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor reis-, stageld-,
verzekerings-
en dieetkosten en meerkosten kledingslijtage, bewassing en
deelname maatschappelijk verkeer, omdat over voldoende middelen
wordt beschikt vanwege een ontvangen verhoging ex artikel 13
AAW/22 WAO voor kosten van oppassing en verzorging wegens
hulpbehoevendheid. Die verhoging dient, ofschoon mogelijk sprake
is van een omissie van de wetgever, tot de middelen te worden
gerekend en leidt tot draagkracht voor zover daarmee de
bijstandsnorm te boven wordt gegaan. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle AWB 98/5574 ABW
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiser A], eiser, en [eiseres B], eiseres, beiden wonende te [woonplaats
C], tezamen te noemen: eisers,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Almere, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 16 september 1998.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag d.d. 2 december 1997
om voortzetting ook over het jaar 1998 van bijzondere bijstand inzake
extra vergoeding deelname maatschappelijk verkeer, stageld en
verzekering voor de caravan, dieetkosten, kledingslijtagekosten en extra
bewassingskosten heeft verweerder bij besluit van 18 maart 1998
afwijzend beslist omdat eisers genoeg middelen hebben om de gevraagde
kosten zelf te dragen.
Namens eisers is op 28 april 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De
gronden zijn ingezonden bij schrijven van 19 mei 1998. Eiseres en de
toenmalige gemachtigde van eisers hebben gebruik gemaakt van de
gelegenheid de bezwaren nader toe te lichten tijdens een op 2 juli 1998
gehouden hoorzitting.
Bij besluit van 16 september 1998 heeft verweerder dit bezwaarschrift
gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft besloten dat eiser
vanaf 3 juli 1998 - de datum sedert welke hij een uitkering op grond van
de Algemene Ouderdomswet (AOW) geniet - in
aanmerking komt voor de gevraagde bijzondere bijstand. Uit verweerders
brief van 10 april 2000 blijkt dat in de toekenning ook de reiskosten
van en naar de caravan zijn begrepen. Deze kosten zijn vastgesteld op
ƒ0,19 per kilometer.
Voor wat betreft de periode van 1 januari 1998 tot 3 juli 1998 neemt
verweerder 50% van het inkomen dat eiser heeft boven de bijstandsnorm
- zijnde de verhoging van eisers uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op grond van artikel 13 van die wet - in
aanmerking voor de vaststelling van de draagkracht en de berekening van
de bijzondere bijstand.
Op 19 oktober 1998 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld. Op
22 oktober 1998 hebben eisers het beroepschrift aangevuld.
Verweerder heeft op 9 november 1998 een verweerschrift ingezonden.
Op 10 april 2000 heeft verweerder (desverzocht) nadere inlichtingen
verstrekt en een aantal (ontbrekende) stukken ingezonden.
Vervolgens is het beroep op 11 oktober 2000 ter zitting behandeld.
Eiseres is verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P. Versneij.
3. Motivering
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit in rechte kan worden gehandhaafd.
De rechtbank gaat bij de beantwoording
van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser had tot 3 juli 1998 een uitkering ingevolge de AAW, welke
uitkering met toepassing van artikel 13 van die wet sedert 10 december
1985 100% bedroeg. Dientengevolge was eisers inkomen hoger dan de bijstandsnorm.
Desondanks heeft verweerder over de periode tot en met het jaar 1997 aan
eiser bijzondere bijstand verleend zonder rekening te houden met het
feit dat eisers uitkering boven de bijstandsnorm uitkwam.
Verweerder meent achteraf dat dit ten onrechte is geschied en bij het
bestreden besluit beoogt verweerder deze fout voor (de eerste helft van)
het jaar 1998 te herstellen.
Omdat jarenlang - naar verweerders oordeel abusievelijk - door
verweerder geen rekening is gehouden met bedoelde inkomenscomponent,
heeft verweerder uit overwegingen van redelijkheid besloten niet het
volledige bedrag dat boven de bijstandsnorm uitkomt, doch slechts 50%
van dat bedrag mee in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de
draagkracht.
3.1. Wettelijk en/of juridisch kader
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw) heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd hoofdstuk
II, recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over
de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar
het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling
1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige
draagkracht.
Ingevolge het eerste lid van artikel 40 van
de
Abw nemen burgemeester en wethouders voor
de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in
beschouwing:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.
Ingevolge artikel 42 van de Abw
worden tot de middelen alle vermogens- en inkomstenbestanddelen gerekend
waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken.
Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Abw
worden tot de middelen van de belanghebbende mede de middelen gerekend
die ten behoeve van zijn levensonderhoud door een niet in de bijstand
begrepen persoon worden ontvangen.
Het tweede lid van artikel 43 geeft een
opsomming van middelen die niet behoren tot de middelen van de
belanghebbende.
Ingevolge artikel 47, eerste lid, onderdeel a,
van de
Abw wordt onder inkomen verstaan de op
grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen
middelen voor zover deze (onder andere) inkomsten uit socialezekerheidsuitkeringen
betreffen.
3.2. Standpunt eisers
Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte (50%
van) de op grond van artikel 13 van de AAW verstrekte uitkering bij de
vaststelling van de draagkracht in aanmerking heeft genomen.
Deze (verhoogde) uitkering is immers specifiek bestemd voor de extra
kosten van de thuiszorg.
Eisers hebben zich beroepen op het antwoord van Staatssecretaris Tommel
op op 2 mei 1997 ingezonden vragen van de kamerleden Rabbae en Oedayraj
Singh Varma met betrekking tot de toeslag ex artikel 13 van de AAW en ex
artikel 22 van de WAO
(Kamerstukken II 1996-1997, Aanhangsel, nr. 1516). In het bijzonder is
door eisers gewezen op de zinsnede in het antwoord: "Vergoedingen
en tegemoetkomingen in kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten behoren worden in de Abw
niet tot de middelen van de belanghebbenden gerekend. De toeslag van
artikel 13 AAW en artikel 22 WAO
kan als een zodanige vergoeding worden beschouwd en zal dus bij de
bepaling van de draagkracht in beginsel niet als inkomen worden
meegeteld".
3.3. Standpunt verweerder
Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel
43, eerste lid, van de Abw en artikel 47
van de
Abw bij de vaststelling en berekening van
de draagkracht eisers inkomen boven de bijstandsnorm
in aanmerking moet worden genomen.
Naar verweerders oordeel leidt de visie dat bij de bepaling van de
draagkracht in beginsel de vergoeding op grond van artikel 13 AAW niet
als inkomen dient te worden meegeteld uitzondering in het geval een
beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan voor dezelfde soort kosten
als waarvoor de verhoogde AAW- of WAO-uitkering wordt verstrekt. Daarvan
is in het geval van eiser sprake. Verweerder is van oordeel dat in een
dergelijk geval slechts bijstand kan worden verstrekt indien de
betrokkene met zijn verhoogde WAO/AAW-inkomen niettegenstaande de
verhoging niet in staat is het totaal aan bijzondere kosten te
bestrijden.
Omdat verweerder eerder geen rekening heeft gehouden met eisers inkomen
uit de bedoelde verhoogde uitkering, heeft verweerder het redelijk
geacht om dit inkomensdeel slechts voor 50% in aanmerking te nemen.
3.4. Beoordeling van het beroep
Het geschil betreft de vraag of verweerder terecht van oordeel is dat
over de periode van 1 januari 1998 tot 3 juli 1998 eisers inkomen op
grond van de toepassing van artikel 13 van de AAW in aanmerking dient te
worden genomen bij de vaststelling van de draagkracht, waarbij
verweerder niet het gehele bedrag, doch slechts 50% daarvan in
aanmerking wil nemen in verband met het feit dat verweerder eerder in
het geheel geen rekening heeft gehouden met dit inkomen. Er is niet in
geschil dat het inkomen van eisers onder de in artikel 40,
eerste lid, onderdeel b, van de
Abw bedoelde grens ligt indien met de ex
artikel 13 van de AAW verhoogde uitkering geen rekening wordt gehouden
bij de vaststelling van de draagkracht.
De rechtbank stelt vast dat de
onderhavige materie voorheen onder de vigeur van de (oude) Algemene
Bijstandswet (ABW) was geregeld in artikel 12 van het zogenaamde
Bijstandsbesluit landelijke normering (Koninklijk besluit van 3 juli
1994, Stb. 1974, 418, verder: het Bln), waarin onder b
met zoveel woorden werd bepaald dat uitkeringen en vergoedingen voor of
tegemoetkomingen in specifieke kosten niet op de uitkering in mindering
worden gebracht.
Bij de inwerkingtreding van de (nieuwe) Algemene bijstandswet
(Abw) per 1 januari 1996 is (ook) het Bln vervallen en zijn de
betreffende regelingen in de wet zelf
ondergebracht.
In het hiervoor genoemde artikel 43, tweede
lid
Abw, dat regelt welke middelen niet tot de
middelen van de belanghebbende worden geregeld, is een bepaling als in
artikel 12, onderdeel b, Bln niet expliciet opgenomen.
Niet geheel duidelijk is of de wetgever hierbij een bewuste keuze heeft
gemaakt dan wel dat sprake is van een omissie.
Waar eiser zich in feite beroept op de bedoeling van de wetgever - zij
het dat Staatssecretaris Tommel zijn door eiser geciteerde uitspraak
niet deed in het kader van de totstandkoming van de Abw,
doch in het kader van een bespreking van artikel 13 AAW/22
WAO - heeft de rechtbank
ter zake van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel
43, tweede lid, het volgende geconstateerd.
Uit de memorie van toelichting bij de Abw
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nrs, 1-2) wordt met betrekking tot
de uitgangspunten van de nieuwe wet onder
meer gewezen op het beginsel van complementariteit en het
behoeftebeginsel. Uitgangspunt is dat de bijstand aanvult als de eigen
middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in het
noodzakelijke te voorzien. De bijstand dient te worden afgestemd op de
feitelijke behoefte aan het noodzakelijke zoals in het individuele geval
blijkt te bestaan. In verband daarmee is bijvoorbeeld ook geregeld dat
geen bijstand wordt verleend indien daadwerkelijk een beroep kan worden
gedaan op een voorliggende voorziening. Door het geheel van relevante
omstandigheden in ogenschouw te nemen, kan worden vastgesteld of recht
op bijstand bestaat.
In de toelichting op artikel 43 (in het ontwerp
artikel 45) wordt opgemerkt: "Vergoedingen of tegemoetkomingen die
worden ontvangen met het specifieke doel om te voorzien in kosten die
niet kunnen worden geacht tot de algemene noodzakelijke bestaanskosten
te behoren, worden evenmin tot de middelen gerekend. Hiertoe wordt ook
gerekend de vermindering of teruggave van loon- of inkomstenbelasting en
premies volksverzekeringen op grond van dergelijke buitengewone
uitgaven. Deze tegemoetkoming tot de middelen rekenen, zou immers
betekenen dat de belanghebbende de mogelijkheid wordt ontnomen
dergelijke kosten te bestrijden, terwijl anderen die niet bijstandsafhankelijk
zijn, maar overigens in dezelfde inkomenssituatie verkeren, daardoor wel
de mogelijkheid hebben dergelijke uitgaven te doen. Als in het kader van
de bijstandverlening met deze kosten rekening is gehouden, hetzij door
deze in mindering te brengen op het inkomen, hetzij door daarvoor
specifiek bijstand te verlenen, dient zo'n teruggave uiteraard wel in
aanmerking te worden genomen".
In de brief van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid d.d. 2 november 1994 in het kader van de Invoeringswet herinrichting
ABW
verstuurd aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II
1994-1995, 22 545 en 22 614, nr. 44) wordt gesteld: "Artikel 45
[zie artikel 43, red.], tweede lid,
bepaalt overigens dat een vergoeding van verwervingskosten die een
bijstandsontvanger ontvangt niet als inkomen in aanmerking wordt genomen
evenals dat het geval is met vergoedingen voor of tegemoetkomingen in
andere bijzondere bestaanskosten. Waar de betrokkene reeds een
vergoeding voor bijzondere bestaanskosten ontvangt, dient deze bij de
inkomstenverrekening uiteraard buiten beschouwing te blijven, zodat de gemeente
niet genoodzaakt is daarvoor alsnog bijzondere bijstand te verlenen. De
in het wetsvoorstel opgenomen regeling ten aanzien van de
verwervingskosten past derhalve geheel in de systematiek die in de
nieuwe wet is gekozen - en sinds de decentralisatie van de bijzondere
bijstand en van de vrijlatingsbepalingen reeds praktijk is - ten aanzien
van kosten die de bijstandsontvanger niet kan worden geacht uit zijn
uitkering te kunnen voldoen: een eventueel ontvangen vergoeding blijft
buiten beschouwing, terwijl bijzondere bijstand wordt verleend als de
kosten voor rekening van de betrokkene zelf komen".
Met betrekking tot het door eiser aangehaalde antwoord van
Staatssecretaris Tommel, in 1997 gemaakt in het kader van artikel 13
AAW, waarop eiser zich beroept, merkt de rechtbank
op dat na de door eiser aangehaalde zinsnede uit het antwoord van de staatssecretaris
- "De toeslag van artikel 13 AAW en 22 WAO
(...) zal bij de bepaling van de draagkracht in beginsel niet als
inkomen worden meegeteld" - de volgende zinsnede luidt:
"Echter, indien beroep op de bijzondere bijstand wordt gedaan voor
dezelfde soort kosten als waarvoor de verhoogde AAW- of WAO-uitkering
wordt verstrekt, zal de gemeente zowel
met het feitelijke inkomen als met de feitelijke kosten rekening kunnen
houden".
Deze benadering stemt overeen met hetgeen in de memorie van antwoord ter
zake van onderdeel a van het tweede lid van artikel
43 - middelen die de belanghebbende ontvangt ten behoeve van het
levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon - wordt
gesteld: "Immers, gelet op de sluitstukfunctie van de bijstand,
vindt het kabinet het noodzakelijk om de bijstand af te stemmen op het
totaal van omstandigheden en mogelijkheden - de middelen inbegrepen -
die zich in gezinsverband voordoen. Daarbij ligt het niet in de rede om
bepaalde inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten".
Uit deze weergave blijkt dat uitgangspunt voor de verstrekking van
(bijzondere) bijstand is dat de eigen middelen en andere voorzieningen
niet toereikend zijn.
In de memorie van toelichting wordt gezegd dat vergoedingen of
tegemoetkomingen die worden ontvangen met het specifieke doel om te
voorzien in kosten die niet geacht kunnen worden tot de algemene
noodzakelijke bestaanskosten te behoren, niet tot de middelen worden
gerekend. Met zoveel woorden wordt vervolgens het in artikel
43, tweede lid, onderdeel d, neergelegde voorbeeld van
dergelijke middelen genoemd, te weten de vermindering of teruggave van
loon- of inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op grond van
dergelijke buitengewone uitgaven.
In de brief van de minister van 2 november
1994 wordt echter opgemerkt dat, waar de betrokkene reeds een vergoeding
ontvangt voor bijzondere bestaanskosten, deze bij de
inkomstenverrekening uiteraard buiten beschouwing moet blijven, zodat de gemeente
niet genoodzaakt is daarvoor alsnog bijzondere bijstand te verlenen.
Ook de staatssecretaris stelt in zijn
aangehaalde uitspraak dat indien bijzondere bijstand wordt gevraagd voor
kosten waarvoor de verhoogde AAW/WAO-uitkering
wordt verstrekt, de gemeente daarmee wel rekening zal houden.
Hieruit blijkt dat het de wetgever enerzijds voor ogen lijkt te hebben
gestaan om, net als dat onder het Bln het geval was, in beginsel niet
tot de middelen te rekenen vergoedingen en tegemoetkomingen voor
specifieke kosten die niet tot de algemene noodzakelijke kosten behoren,
doch dat het anderzijds niet de bedoeling is om de gemeente
bijzondere bijstand te doen verstrekken voor kosten waarvoor uit anderen
hoofde reeds een vergoeding wordt verkregen.
In dit verband merkt de rechtbank
overigens op dat verweerder ten onrechte in het verweerschrift stelt dat
in het geval van eiser sprake is van een situatie waarop de staatssecretaris
doelt, te weten een situatie waarin de bijzondere bijstand gevraagd
wordt voor dezelfde soort kosten als waarvoor de verhoging op grond van
artikel 13 AAW is bedoeld. De verhoging van de uitkering op grond van
artikel 13 AAW is immers, zoals uit de tekst van het artikel reeds
blijkt, bestemd voor de extra kosten die veroorzaakt worden door het
feit dat geregelde oppassing en verzorging nodig is als gevolg van
hulpbehoevendheid. De door eiser gevraagde bijzondere bijstand heeft,
zoals uit verweerders eigen opsomming blijkt, niet betrekking op
dergelijke kosten.
Wat daar ook van zij, de rechtbank
stelt vast dat het uitgangspunt van de wetgever is geweest om alle
middelen in aanmerking te nemen bij de vraag of er grond bestaat voor
toekenning van bijstand. De wetgever heeft in het tweede lid van artikel
43 expliciet een aantal uitzonderingen genoemd. Een dergelijke
opsomming dient in beginsel als limitatief te worden beschouwd. De
verhoging van artikel 13 AAW is onder deze opsomming noch elders in de
wet als uitzondering te vinden.
Mogelijk is hier sprake van een omissie van de wetgever, doch voor zover
dat het geval mocht zijn, ziet de rechtbank niet de vrijheid om deze
omissie op basis van de mogelijke bedoeling van de wetgever op te heffen
in de zin als door eiser gewenst. Dit is immers een taak van de wetgever
zelf.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat verweerder terecht van oordeel is
bij de vaststelling van de draagkracht van eiser over 1998 de hem
ingevolge artikel 13 van de AAW toegekende verhoging in aanmerking dient
te worden genomen. Nu verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid zich
heeft beperkt tot het "meenemen" van slechts 50% van die
verhoging, heeft verweerder eiser zeker niet tekort gedaan.
De rechtbank acht geen termen aanwezig
één der partijen te veroordelen in de kosten die een andere partij in
verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten
maken.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mw. mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar
uitgesproken op 18 oktober 2000 in tegenwoordigheid van mw. I. Suter als
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan
hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de
datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een
kopie van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA9382 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
99/1242
ABW |
| Datum
uitspraak: |
14
september 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
69
en 81 Abw
(= 54 en 58
Wwb) / 6:18
en 6:19
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
zwartwerk; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; boete; drugshandel; ontneming wederrechtelijk
verkregen voordeel; evenredigheidsbeginsel |
| Essentie: |
Terechte
volledige terugvordering van (verzwegen) inkomsten uit
drugshandel, omdat de strafrechter reeds rekening heeft gehouden
met de terugvordering van bijstand bij de
vaststelling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel, zodat betrokkene niet dubbel wordt getroffen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 99/1242 ABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Harderwijk, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluiten
Besluiten van verweerder van 24 november 1999 en 9 februari 2000.
2. Feiten
Bij besluit van 18 juni 1999 heeft verweerder het recht op
bijstand van eiser over de periode van 1 september 1998 tot 1
december 1998 herzien en de verstrekte bijstand over die periode
teruggevorderd tot een bedrag van ƒ5228,60 (bruto). Tevens heeft
verweerder aan eiser een boete opgelegd van ƒ800,-. Verweerder
heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat uit
onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat eiser in
genoemde periode inkomsten heeft genoten uit handel in verdovende
middelen zonder daarvan melding te maken aan de gemeente.
Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt bij brief van 24
juni 1999.
Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerder het bezwaar
gedeeltelijk gegrond verklaard, het bedrag van de terugvordering
verlaagd naar ƒ4502,22 (bruto) en het bedrag van de boete
verlaagd naar ƒ675,-.
3. Procesverloop
Namens eiser heeft mr. J.M. Stam, advocaat te Apeldoorn, beroep
ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder
heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een
verweerschrift ingezonden.
Bij brief van 9 februari 2000 heeft verweerder de rechtbank
medegedeeld dat het bedrag van de terugvordering is gewijzigd in
ƒ3542,79 (bruto) en het bedrag van de boete is gewijzigd in ƒ550,-. Verweerder heeft een afschrift van deze brief verzonden aan
eisers gemachtigde.
Het beroep is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar eiser in
persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. van
Bussel.
4. Motivering
De rechtbank merkt allereerst op dat zij verweerders mededeling
van 9 februari 2000 aanmerkt als een besluit als bedoeld in
artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), zodat het
beroep op grond van artikel 6:19 van de
Awb mede tegen dit besluit
gericht is te achten. Met dit besluit is verweerder tegemoet
gekomen aan één van de in het beroepschrift aangevoerd grieven,
zoals ter zitting namens eiser is bevestigd.
Tussen partijen staat vast dat eiser in de geding zijnde periode
inkomsten ten bedrage van ƒ2758,06 (netto) heeft genoten uit
handel in verdovende middelen zonder daarvan melding te maken aan
verweerder. Eiser heeft aldus de op hem rustende
inlichtingenplicht geschonden met als gevolg dat hem over die
periode te veel bijstand is verleend.
Dit brengt met zich dat verweerder op grond van artikel
69, derde
lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet
(Abw)
gehouden is tot herziening van de bijstandverlening aan eiser
over bedoelde periode. Voorts is verweerder, gelet op het bepaalde
in artikel 81, eerste lid, van de Abw, in beginsel gehouden tot
terugvordering van de ten onrechte genoten bijstand.
Ingevolge artikel 78, derde lid, van de Abw
kan geheel of
gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn.
Onder verwijzing naar deze bepaling heeft eiser gesteld dat
verweerder bij de bepaling van het bedrag van de terugvordering
rekening had moeten houden met het vonnis van de strafrechter van
31 maart 1999 (parketnummer 06/080126-98), waarbij aan eiser de
verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van het
wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in verdovende
middelen in (onder meer) de hier in geding zijnde periode. Eiser
is van mening dat hij dubbel wordt getroffen, nu zijn inkomen uit
de drugshandel aanleiding heeft gegeven tot zowel een
terugvordering van bijstand als een strafrechtelijke
ontnemingsmaatregel.
Naar het oordeel van de rechtbank
levert de door eiser bedoelde
omstandigheid niet een dringende reden op welke noopt tot een
geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering van ten onrechte
ontvangen bijstand. De rechtbank wijst erop dat de strafrechter
met een terugvordering van bijstand hetzij reeds bij de
vaststelling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel, hetzij nadien met toepassing van artikel 577b,
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering rekening kan
houden.
Opmerking verdient dat het hier gegeven oordeel aansluit bij het
door de Centrale
Raad van Beroep
in zijn uitspraak van 15 oktober
1999, USZ 1999/333, gegeven oordeel, inhoudende - kort samengevat
- dat herziening en terugvordering van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met verzwegen inkomsten
ter zake waarvan tevens een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel
is opgelegd, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit
van 24 november 1999 gegrond is te achten voor zover het betreft
de daarbij vastgestelde bedragen van de terugvordering en de
boete. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de
proceskosten van eiser.
Ter zake van verleende rechtsbijstand wordt 1 punt toegekend voor
de indiening van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 1999
gegrond voor zover het betreft de vaststelling van de bedragen van
de terugvordering en de boete;
vernietigt dit besluit in zoverre;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
gelast verweerders gemeente aan eiser het betaalde griffierecht
van ƒ60,- te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag
van ƒ710,- ter zake van verleende rechtsbijstand, welk bedrag
door verweerders gemeente dient te worden betaald.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar
uitgesproken op 14 september 2000 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet Rea |
x
LJN: |
x
AA9387 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Almelo |
| Zaaknummer: |
00/125
NABW Z1 A |
| Datum
uitspraak: |
11
september 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
113
Abw (= 9
Wwb) |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; arbeidsverplichtingen; Melkert-I-baan; gesubsidieerde
baan; meewerken aan inschakeling in de arbeid; noodzakelijke
scholing of opleiding; passende arbeid; arbeidsgehandicapte |
| Essentie: |
Terechte
oplegging maatregel, omdat niet (voldoende) is voldaan aan de
verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid
(i.c. een Melkert-I-baan) belemmerd en de verplichting om mee te
werken aan een noodzakelijke scholing of opleiding.
Een
ongemotiveerde houding van een sollicitant ten opzichte van een
niet-passende functie (betrokkene blijkt arbeidsgehandicapt te
zijn) is in het algemeen geen reden een
maatregel op te leggen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Almelo 00/125 NABW Z1 A
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. E.G. Blankestijn,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Haaksbergen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 13 januari 2000.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Eiser en zijn partner [partner] ontvangen een bijstandsuitkering
berekend naar de norm voor een echtpaar. Bij brief van 8 oktober
1998 is eiser opgeroepen voor een sollicitatiegesprek voor een
zogeheten Melkert-I-baan bij de sector [sector], afdeling
[afdeling], van de gemeente
Haaksbergen. Genoemd sollicitatiegesprek
heeft plaatsgevonden, maar eiser is vervolgens als een ongeschikte
kandidaat aangemerkt omdat hij slecht gemotiveerd zou zijn.
Op 18 februari 1999 heeft een heronderzoeksgesprek tussen eiser en
verweerder plaatsgevonden. Eiser is vervolgens op 22 februari 1999
door verweerder aangemeld bij het Centrum voor Beroepenoriëntatie
en Beroepsoefening (CBB) te Enschede voor een cursus "[cursus]".
Eiser is echter door het CBB niet opgenomen voor deelname aan
genoemde cursus.
Bij besluit van 11 mei 1999 heeft verweerder aan eiser met ingang
van 1 mei 1999 een maatregel opgelegd inhoudende de weigering van
de bijstandsuitkering voor 100% gedurende één maand. Dit omdat
eiser nalatig zou zijn geweest door het niet aanvaarden van
passende arbeid en het niet meewerken aan een scholing of
opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in
arbeid.
Bij besluit van 1 juni 1999 heeft verweerder het besluit van 1 mei
1999 gedeeltelijk herzien door in plaats van een maatregel
inhoudende de weigering van de uitkering voor 100% gedurende één
maand een weigering van 25% van de uitkering gedurende vier
maanden op te leggen.
Op 21 juni 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de besluiten van
11 mei 1999 en 1 juni 1999. Ter zake van dit bezwaar is hij op 10
september 1999 door verweerder gehoord.
In het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) heeft eiser op 25 juli 1999 een
medisch onderzoek ondergaan. Dit onderzoek is verricht door
verzekeringsarts M.L.S. Spronsen. Eiser is vervolgens aangemerkt
als arbeidsgehandicapt in de zin van de Wet Rea.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser
tegen de besluiten van 11 mei 1999 en 1 juni 1999 gegrond
verklaard en de opgelegde maatregel inhoudende de weigering van de
uitkering voor 25% gedurende vier maanden ingetrokken, maar daarbij
besloten om aan eiser een maatregel op te leggen inhoudende de
weigering van de uitkering voor 20% gedurende één maand. Daarbij
heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de
aangeboden Melkert-I-baan geen passende arbeid voor eiser is, zodat
geen sprake kan zijn van een weigering van passende arbeid
door eiser. Wel is verweerder van mening dat eiser zich door zijn
opstelling tijdens het sollicitatiegesprek niet heeft gehouden aan
de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid
belemmert. Verweerder is bovendien van mening dat eiser door zich
op het standpunt te stellen alleen een vrijblijvende cursus te
willen doen en geen beroepstraining, niet heeft gehouden aan de
verplichting om mee te werken aan een scholing of opleiding die
noodzakelijk wordt geacht voor inschakeling in de arbeid.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Namens
hem is daarom op 17 februari 2000 een beroepschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van
15 augustus 2000, alwaar eiser is verschenen vertegenwoordigd door
zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door W.M. Vrieze en G. Hoogeveen, ambtenaren in
dienst van de gemeente
Haaksbergen.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 13
januari 2000 waarbij eisers bezwaar tegen de besluiten van 11 mei
en 1 juni 1999 gegrond is verklaard en de opgelegde maatregel is
vervangen door een maatregel inhoudende de weigering van de
bijstandsuitkering voor 20% gedurende één maand, in rechte in
stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw) bepaalt
dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer
verplicht is om passende arbeid te aanvaarden, om na te laten
hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert en om mee te werken
aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor
de inschakeling in de arbeid dan wel aan andere aangewezen
activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
Ingevolge het tweede lid van artikel 113
Abw wordt onder passende
arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden
van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan
worden gevergd.
Ingevolge artikel 3 van het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz,
hierna het noemen het Maatregelenbesluit Abw, worden het niet dan
wel in onvoldoende mate meewerken aan een noodzakelijk geachte
scholing of opleiding en het niet voldoen aan de verplichting om
na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert,
aangemerkt als gedragingen van de derde categorie. Artikel 5 van
het Maatregelenbesluit Abw bepaalt dat bij een gedraging van de
derde categorie 20% van de uitkering gedurende één maand wordt
geweigerd.
Eiser bestrijdt dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om
na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert alsmede
dat hij in onvoldoende mate zou hebben meegewerkt aan een
noodzakelijk geachte scholing of opleiding.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser de verplichting om
mee te werken aan scholing noodzakelijk voor de inschakeling in
de arbeid heeft overtreden. Dit blijkt uit de rapportage van het
CBB Enschede van 29 maart 1999 en uit het verslag van de
hoorzitting van 10 september 1999. Eiser zou een noodzakelijk
geachte en passende cursus volgen, maar toen hem bleek dat er
sprake was van een beroepstraining in plaats van een vrijblijvende
cursus, zag eiser deze cursus naar eigen zeggen niet meer zitten.
Deze gedraging van eiser valt onder de derde categorie van artikel 3 van het
Maatregelenbesluit Abw en leidt in samenhang met
artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van
dat besluit tot een weigering
van 20% van de bijstand gedurende één maand.
De rechtbank is niet gebleken dat de verwijtbaarheid aanleiding
zou moeten geven tot het opleggen van een andere maatregel en
evenmin is de rechtbank gebleken van dringende redenen die zouden
nopen af te zien van een maatregel.
Het bestreden besluit is tevens gebaseerd op de ongemotiveerde
houding van eiser tijdens een sollicitatiegesprek voor een
Melkertbaan. Achteraf bleek dat deze baan vanwege medische
beperkingen niet passend was. De rechtbank
merkt daarover op dat
een ongemotiveerde houding van een sollicitant ten opzichte van
een niet-passende functie in het algemeen geen reden is een
maatregel op te leggen. De vraag of eiser zich zodanig negatief
heeft opgesteld dat die opstelling desondanks kan leiden tot een
gedeeltelijke weigering van de bijstand laat de rechtbank in het
midden nu het bestreden besluit inhoudende een weigering van de
bijstand van 20% gedurende één maand ook gedragen
wordt doordat eiser zelf heeft besloten af te zien van
bovenvermelde beroepstraining.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat het
bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.
Beslist wordt derhalve als volgt:
4. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank Almelo,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2000 door
mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van mr. S.M.M. Bordenga
als griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger
beroep open bij de Centrale
Raad van Beroep
te Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA9416 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/133 NABW V13 |
| Datum
uitspraak: |
5
januari 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
107
en 113 Abw
/ (= 9 en 9
Wwb) |
| Trefwoorden: |
arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; redenen van
sociale aard; zorgtaak; kinderen; pleegzorg |
| Essentie: |
Terechte
oplegging arbeidsverplichtingen voor 20 uur per week, omdat de
partner reeds volledig is ontheven van de arbeidsverplichtingen
en de negen pleegkinderen, voor wier zorgbehoefte eiser
gedeeltelijk ontheffing is verleend, overdags op school zitten.
Het onbetaald blijven van deze vorm van
pleegzorg dient niet op de Abw te worden afgewenteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 00/133 NABW V13
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
mr. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 17 december 1999, kenmerk
HIE241046M01/6/JZ/DZ/SZ99.88243, het bezwaar van eiser tegen hun
besluit van 16 februari 1999 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 26 januari
2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep
ingesteld.
Verweerders hebben op 25 februari 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 28 november 2000.
Eiser is aldaar in persoon verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door J. Bolks en R.J.
van der Veen.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten
Bij besluit van 16 februari 1999 is aan eiser en zijn partner met
ingang van 8 februari 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend naar de norm voor gehuwden.
Daarbij is de partner van eiser vrijgesteld van de verplichtingen,
genoemd in artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f,
Abw,
omdat zij gedurende ten minste twaalf jaar niet georiënteerd is
geweest op de arbeidsmarkt en voorts ouder is dan 40 jaar. In
verband met de zorg voor - in elk geval - negen minderjarige
pleegkinderen die eiser en zijn partner op zich hebben genomen,
zijn evenbedoelde verplichtingen aan eiser slechts voor 20 uur per
week opgelegd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 maart 1999 bezwaar
aangetekend.
Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders dit bezwaar
ongegrond verklaard.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft - samengevat -
aangevoerd dat verweerders hem om redenen van sociale aard - de
zorg voor de pleegkinderen - geheel van de arbeidsverplichtingen
hadden moeten vrijstellen. Verweerders hebben naar eisers mening
onvoldoende rekening gehouden met zijn belang dat, zo heeft hij
betoogd, mede een maatschappelijk belang is.
Verweerders zijn daarentegen - samengevat - van mening dat zij
door eiser gedeeltelijk van de arbeidsverplichtingen vrij te
stellen en een arbeidsverplichting van 20 uur per week op te
leggen voldoende rekening met de bijzondere omstandigheden van
eiser hebben gehouden.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
In artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f,
Abw is
ten aanzien van degene die voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking een aantal
verplichtingen opgenomen ter verkrijging van arbeid in
dienstbetrekking.
Op grond van artikel 107, eerste lid, Abw
kunnen burgemeester en
wethouders besluiten dergelijke verplichtingen niet op te leggen,
dan wel daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen
waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van
medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en
het doel van de bijstand.
Beoordeling van het geschil
Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerders eiser om
redenen van sociale aard, als bedoeld in artikel
107, eerste lid, Abw, volledig van de
arbeidsplicht hadden moeten ontheffen.
De rechtbank stelt voorop dat het hier een discretionaire
bevoegdheid van verweerders betreft. Het gebruik dat van deze
bevoegdheid is gemaakt, dient de rechtbank daarom terughoudend te
toetsen.
Blijkens het beleidsinstructieboek van de gemeente Groningen
"Marge is Regel" wordt in ieder geval een volledige
ontheffing verleend aan belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar [57,5
jaar of ouder, red.] en
aan belanghebbenden ouder dan 40 jaar [40 jaar of ouder, red.]
die als partner van een
kostwinner twaalf jaar of langer enkel de zorg voor de huishouding
op zich hebben genomen. Daarnaast geldt op grond van artikel
107,
tweede lid, Abw geen arbeidsplicht voor alleenstaande ouders met
de volledige zorg voor kinderen jonger dan vijf jaar.
Voor degene die niet aan één van deze eisen voldoet, geldt in
beginsel een volledige beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt.
Nu eiser niet aan de in het beleid genoemde criteria voldoet,
geldt voor hem derhalve krachtens de regelgeving en het daarop
gebaseerde beleid in beginsel de volledige arbeidsverplichting.
Verweerders hebben eiser evenwel in verband met de zorg voor de
pleegkinderen met toepassing van artikel 107, eerste lid,
Abw gedeeltelijk ontheven van de krachtens
de wet geldende
arbeidsverplichtingen.
Het staat vast dat de partner van eiser op grond van het
onderhavige beleid reeds volledig van de arbeidsplicht is
vrijgesteld, zodat mag worden aangenomen dat zij - in ieder geval
voor een belangrijk deel - de zorg van de pleegkinderen op zich
kan nemen. Verder heeft eiser ter zitting desgevraagd bevestigd
dat de kinderen overdag naar school gaan. De kinderen met een
handicap of leermoeilijkheden worden met een busje opgehaald en
weer thuis gebracht.
Onder deze omstandigheden en mede gelet op één van de aan de Abw
ten grondslag liggende uitgangspunten dat een ieder zelf
verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het
bestaan, oordeelt de rechtbank het niet onredelijk dat verweerders
eiser niet geheel, doch gedeeltelijk van de op grond van de wet
geldende arbeidsverplichtingen hebben ontheven.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat het door eiser gesignaleerde
maatschappelijke probleem van het tekort aan pleeggezinnen en -
daarmee samenhangend - het onbetaald blijven van deze vorm van
pleegzorg naar haar oordeel niet op de Abw dient te worden
afgewenteld.
Gelet op het vorenoverwogene hebben verweerders na afweging van de
betrokken belangen in redelijkheid het bestreden besluit kunnen
nemen.
Het beroep van eiser moet daarom ongegrond worden verklaard.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. Laman, rechter, en in het openbaar door
haar uitgesproken op 5 januari 2001, in tegenwoordigheid van A.
Wiardi als griffier.
De griffier, wnd.,
De
rechter,
Afschrift verzonden op: 5 januari 2001.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA9549 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
AWB
00/2229 NABW |
| Datum
uitspraak: |
13
december 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
67,
74 en 80 Abw
(= 43, 52
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
voorschotten;
terugvordering; mondelinge intrekking bijstandsaanvraag;
schriftelijke intrekking |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van voorschotten wegens mondelinge intrekking van
de bijstandsaanvraag, omdat een aanvraag alleen schriftelijk kan
worden ingetrokken. Het uitblijven van een reactie van
betrokkene op de schriftelijke bevestiging van het
telefoongesprek waarbij de aanvraag is ingetrokken, doet daar
niet aan af. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle AWB
00/2229 NABW
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
en
het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Almere, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 28 januari 2000, nummer 97170530,
waarbij het besluit van 6 december 1999 (verzonden 10 december
1999 (nr. 97170530/19033784), is gehandhaafd.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerder een bedrag van ƒ2450,- aan verstrekte voorschotten
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) van eiser teruggevorderd.
Tegen dit besluit is op 17 december 1999 een bezwaarschrift
ingediend.
Het bezwaarschrift is bij het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Op 22 februari 2000 is tegen het bestreden besluit beroep
ingesteld.
Verweerder heeft op 17 april 2000 een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 6 december 2000 ter zitting behandeld.
Eiser is verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M.W. Meyer,
juridisch medewerker van de gemeente
Almere.
3. Motivering
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan
worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk
van de vraag of verweerder terecht is overgegaan tot
terugvordering van aan eiser naar aanleiding van zijn aanvraag d.d.
8 juni 1999 verstrekte voorschotten Abw-uitkering ten bedrage van
ƒ2450,-.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit
van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser heeft bij verweerder op 8 juni 1999 een aanvraag om bijstand
ingediend. Het advies van de behandelend consulent om eiser per 8
juni 1999 bijstand toe te kennen, is op 7 september 1999 door de
beslissingsambtenaar geretourneerd in verband met vragen omtrent
het recht op bijstand. Vervolgens heeft de behandelend consulent
eiser bij brief gedateerd 12 oktober 1999 verzocht telefonisch
contact op te nemen voor het maken van een afspraak. Eiser heeft
dat gedaan op 17 oktober 1999. Uit hetgeen eiser meedeelde, heeft
de behandelend ambtenaar opgemaakt dat eiser zijn aanvraag wenst
in te trekken. Zulks is vervolgens bevestigd in een brief aan
eiser d.d. 16 november 1999.
3.1. Standpunt eiser
Eiser stelt dat hij recht heeft op een Abw-uitkering gedurende de
maanden juni en juli 1999. Met het vinden van een fulltimebaan
per 1 augustus 1999 eindigt uiteraard dat recht en hij heeft
daarvan volgens de regels melding gemaakt aan verweerder. Eiser
verzoekt verweerder op te dragen de kosten van inschrijving bij
het ziekenfonds voor zijn rekening te nemen.
3.2. Standpunt verweerder
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn aanvraag om Abw-uitkering
d.d. 8 juni 1999 heeft ingetrokken. Dit is eiser bij
brief van 16 november 1999 bevestigd. Hierop heeft eiser niet
gereageerd.
Verweerder stelt dat beoordeling van het recht op bijstand niet in
de aanhangige terugvorderingsprocedure past nu eiser zijn aanvraag
heeft ingetrokken en het, alleen al door het tijdsverloop, niet of
nauwelijks meer is te controleren of betrokkene voldoet aan het
recht op uitkering.
3.3. Beoordeling van het beroep
In geschil is de vraag of verweerder terecht zijn besluit heeft
gehandhaafd om van eiser de aan hem verstrekte voorschotten aan
bijstand ad ƒ2450,- terug te vorderen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 80 van de Abw
vorderen burgemeester en
wethouders een ingevolge artikel 74 verleend voorschot terug van
de belanghebbende voor zover zij na onderzoek vaststellen dat over
de betrokken periode geen recht op bijstand bestaat.
Verweerder heeft de vaststelling dat eiser over de maanden juni
en juli 1999 geen recht op bijstand heeft, gebaseerd op de
intrekking van de aanvraag.
In beginsel terecht, want aangezien ingevolge artikel 67 van de
Abw het recht op bijstand alleen wordt vastgesteld op aanvraag kan
zonder aanvraag geen recht worden vastgesteld. In die situatie is
de vaststelling juist dat er geen recht op bijstand is.
Echter in dit geval bestrijdt eiser dat hij zijn aanvraag heeft
ingetrokken. Derhalve ligt de vraag ter beantwoording voor of
verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zijn
aanvraag heeft ingetrokken.
Artikel 67 van de Abw bepaalt dat het recht op bijstand wordt
vastgesteld op schriftelijk aanvraag. Alleen een aanvraag die aan
die voorwaarde voldoet, behoeft in behandeling te worden genomen en
kan leiden tot vaststelling van het recht op bijstand.
Omgekeerd geldt dat een schriftelijk ingediende aanvraag alleen
als ingetrokken kan worden beschouwd en om die reden buiten
verdere behandeling kan worden gelaten indien die intrekking
eveneens schriftelijk is geschied.
Een andere opvatting kan leiden tot situaties dat mondeling gedane
mededelingen door de ontvanger ervan worden begrepen als een
intrekking terwijl die mededeling niet zo bedoeld is, waarbij de
aanvrager, geconfronteerd met de vaststelling dat zijn aanvraag
als ingetrokken wordt beschouwd, in bewijsproblemen geraakt.
Dat kan niet worden ondervangen door, zoals verweerder heeft
gedaan, de aanvrager een schriftelijk bevestiging te sturen van
een als intrekking opgevatte telefonische mededeling en uit het
feit dat er geen reactie volgt af te leiden dat de aanvraag
inderdaad als ingetrokken kan worden beschouwd. Door deze
handelwijze wordt degene die een aanvraag heeft ingediend die voldoet
aan de wettelijke vereisten en waarvan niet bedoeld is die in te
trekken immers gedwongen tot extra, niet in de wet voorziene
stappen, wil hij die aanvraag behandeld zien.
Wel toelaatbaar zou zijn dat naar aanleiding van een telefonische
mededeling die is begrepen als een intrekking van een aanvraag,
aan de betrokkene een intrekkingsverklaring ter ondertekening
wordt toegezonden, waarbij, bij het uitblijven van reactie, de
conclusie moet zijn dat de aanvraag niet als ingetrokken kan
worden beschouwd. Deze handelwijze is door verweerder echter niet
gevolgd.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank
tot het oordeel
dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eisers
aanvraag is ingetrokken en derhalve eveneens ten onrechte heeft
vastgesteld dat eiser over de maanden juni en juli 1999 geen recht
op bijstand heeft. Er is dan ook geen grond om met toepassing van
artikel 80 van de Abw de over de genoemde periode verstrekte
voorschotten van eiser terug te vorderen.
Het beroep treft mitsdien doel en het bestreden besluit komt voor
vernietiging in aanmerking wegens strijd met genoemde
wetsbepaling.
Verweerder zal opnieuw op het bezwaarschrift hebben te beslissen
met inachtneming van deze uitspraak.
Ter voorlichting van eiser zij opgemerkt dat met deze uitspraak
niet is vastgesteld dat hij recht heeft op bijstand over de
maanden juni en juli 1999, maar slechts dat terugvordering van de
voorschotten niet kan worden gebaseerd op intrekking van zijn
aanvraag.
Op het verzoek van eiser te bepalen dat verweerder de kosten van
de inschrijving bij het ziekenfonds zal betalen, zal de rechtbank
niet ingaan nu het geschil niet daarover handelt.
De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de
kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het
beroep heeft moeten maken.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming
van deze uitspraak;
bepaalt dat de gemeente Almere aan eiser het griffierecht ad
ƒ60,- vergoedt.
Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op
13 december 2000 in tegenwoordigheid van mw. G. Ballast als
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld
binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak
door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden
aan de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|