| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / WAO / Awb |
x
LJN: |
x
AA9587 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
98/1889
NABW Z SCC |
| Datum
uitspraak: |
30
mei 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42,
47 en 82 Abw
(= 31, 32
en 58 Wwb) /
1:3,
6:2, 6:10,
6:20 en 7:10
Awb
|
| Trefwoorden: |
inkomsten;
WAO-uitkering met terugwerkende kracht; terugvordering bijstand;
brutoverrekening met Lisv (UWV); niet tijdig genomen besluit op
bezwaar; prematuur bezwaar |
| Essentie: |
Onterechte
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de feitelijke
terugvordering van bijstand wegens met terugwerkende kracht
toegekende WAO-uitkering, omdat is verzuimd (tijdig) een
terugvorderingsbesluit te nemen. Het terugvorderingsbedrag, dat
met het tegoed aan WAO-uitkering met het Lisv (bruto) is
verrekend, is juist vastgesteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 98/1889 NABW Z SCC
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sittard [zie gemeente Sittard-Geleen,
red.], verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit:
- het met een besluit als bedoeld in artikel
6:2, aanhef en
onder b, van de Awb gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het
bezwaarschrift van 30 juli 1998;
- het besluit van verweerder van 21 december 1998, kenmerk
128;
- het besluit van verweerder van 24 maart 1999, kenmerk 3655.
Datum van behandeling ter zitting: 4 april 2000.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 2 juni 1998 heeft de directeur van de Dienst Sociale Zaken
en Welzijn van de gemeente
Sittard aan GAK Nederland BV in verband met
de verrekening van een aan eiser toegekende uitkering krachtens de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een specificatie doen
toekomen van de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en
met 30 april 1998 verstrekte uitkering krachtens de Algemene bijstandswet
(Abw).
Tegen deze brief is namens eiser bij brief van 30 juli 1998 bezwaar
gemaakt door mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard.
Bij brief van 17 december 1998 is namens eiser bij de rechtbank beroep
ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30
juli 1998.
Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van
30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 14 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank
meegedeeld dat eiser zich niet met dit besluit kan verenigen.
Inmiddels had verweerder bij besluit van 7 december 1998 de aan eiser
over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 verstrekte uitkering
ten bedrage van ƒ9801,70 van eiser teruggevorderd. Daarbij is
aangegeven dat dit bedrag reeds werd verrekend met het GAK.
Bij brief van 21 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank
meegedeeld van mening te zijn dat het besluit van 7 december
1998 dient te worden meegenomen in de reeds bij de rechtbank aanhangige
procedure.
Bij brief van 20 januari 1999 heeft verweerder ter zake van het namens
eiser tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli
1998 ingestelde beroep een verweerschrift ingediend. Voorts heeft
verweerder de op deze procedure betrekking hebbende stukken ingediend.
Deze stukken zijn op 9 februari 1999 in afschrift aan de gemachtigde van
eiser gezonden.
Bij brief van 18 maart 1999 heeft verweerder een verweerschrift
ingediend ter zake van de inhoudelijke beoordeling van eisers beroep.
Voorts heeft verweerder de op deze beoordeling betrekking hebbende
stukken ingediend. Deze stukken zijn op 25 maart 1999 in afschrift aan
de gemachtigde van eiser gezonden.
Bij besluit van 24 maart 1999 heeft verweerder beslist op de door
verweerder als bezwaarschrift aangemerkte brief van 21 januari 1999.
Na de uitnodiging voor de zitting heeft verweerder bij brief van 4 april
2000 nog een aantal stukken ingediend. Hierop is namens eiser bij brief
van 13 april 2000 gereageerd.
Op verzoek van de gemachtigde van eiser is het onderhavige beroep
gevoegd behandeld met het beroep geregistreerd onder nummer 98/1696.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 4 april 2000. Eiser is bij voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder
is verschenen bij gemachtigde mr. S.E.H.M. Sniekers, werkzaam bij de gemeente
Sittard.
II. Overwegingen
II.1. Namens eiser is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een
beslissing op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.
Bij besluit van 21 december 1998, aan de gemachtigde van eiser verzonden
op 6 januari 1999, heeft verweerder alsnog op dit bezwaarschrift
beslist.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de door artikel 7:10 van de
Awb voorgeschreven termijn voor het beslissen op bezwaar ruimschoots heeft
overschreden. Hieraan kan niet afdoen dat, zoals door verweerder in het
verweerschrift van 20 januari 1999 is aangevoerd, verweerder aanvankelijk van oordeel was
dat de brief van 30 juli 1998 niet als bezwaarschrift kon worden
aangemerkt en evenmin dat, naar door verweerder is gesteld, de
behandeling van het bezwaar in overeenstemming met eiser gedurende
ongeveer anderhalve maand is aangehouden.
Namens eiser is dan ook terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is
van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een
besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder
b, van de Awb,
waartegen beroep bij de rechtbank openstaat.
Nu door verweerder bij besluit van 21 december 1998 alsnog op het
bezwaarschrift van 30 juli 1998 is beslist, dient dit beroep, wegens het
ontbreken van procesbelang, echter niet-ontvankelijk te worden
verklaard.
II.2. De rechtbank zal thans overgaan tot de beoordeling van het
bestreden besluit van 21 december 1998.
De rechtbank stelt voorop dat de inzet van de onderhavige
beroepsprocedure, alsmede van de met deze zaak gevoegd behandelde
procedure onder registratienummer 98/1696 [LJN AA9529, www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AA9529,
red.],
voor eiser is gelegen in het veilig stellen van de mogelijkheid om in
rechte op te komen tegen het verrekenen van een aan eiser alsnog over de
periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering met de door verweerder aan eiser over
deze periode verstrekte bijstand. Deze verrekening dient te worden
voorafgegaan door een met toepassing van artikel
82, aanhef en onder a,
van de Abw genomen terugvorderingsbesluit. Hieraan kan niet afdoen dat
eiser op 16 januari 1998 een machtiging heeft ondertekend op grond
waarvan de door hem eventueel in de toekomst te ontvangen gelden
ingevolge de WAO aan de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de
gemeente
Sittard
betaalbaar gesteld worden. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt
immers mee dat verweerder eiser, voordat verweerder tot de feitelijke
verrekening overgaat, van het hiertoe strekkende terugvorderingsbesluit
op de hoogte stelt, en hem daarmee in de gelegenheid stelt desgewenst
een rechtsmiddel tegen dit besluit aan te wenden.
II.3. In casu heeft de feitelijke verrekening van eisers Abw-uitkering
met de hem alsnog toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaatsgevonden in de maand juni 1998. Deze verrekening is voorafgegaan
door de in rubriek I vermelde brief van 2 juni 1998 van de directeur van
de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente
Sittard
aan GAK
Nederland BV. Eiser heeft deze brief via GAK Nederland BV ontvangen. Van
een aan eiser gericht, aan de feitelijke verrekening voorafgaand,
terugvorderingsbesluit is de rechtbank
niet gebleken.
II.4. Bij het bestreden besluit van 21 december 1998 heeft verweerder
het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe
heeft verweerder overwogen dat de brief van 2 juni 1998 kennelijk niet
aan eiser was gericht, aangezien deze geen nieuw besluit betrof, maar
een nadere uitwerking van de beschikking van 5 februari 1998, waarbij
aan eiser met ingang van 25 december 1997 bijstand werd verleend onder
cessie van de aan eiser nog toe te kennen
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verweerder is op grond hiervan van
oordeel dat de brief van 2 juni 1998 niet kan worden aangemerkt als een
besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat het tegen deze
brief gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is.
II.5. Naar het oordeel van de rechtbank
heeft verweerder aldus miskend
dat de brief van 2 juni 1998 weliswaar als zodanig niet als een besluit
in de zin van artikel 1:3 van de Awb
kan worden aangemerkt, maar dat
eiser naar aanleiding van deze brief redelijkerwijs kon menen dat door
verweerder reeds een besluit tot terugvordering van de aan hem verleende
bijstand was genomen, te meer nu, naar hiervoor is aangegeven, de thans
in geding zijnde terugvordering reeds in juni 1998 feitelijk is
gerealiseerd. De omstandigheid dat eiser tegen de verrekening bezwaar
heeft gemaakt, ruim voordat verweerder bij brief van 7 januari 1999
eiser op de hoogte heeft gesteld van het met de verrekening
samenhangende terugvorderingsbesluit, kan dan ook op grond van het
bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder
b, van de Awb niet
tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van 30 juli 1998
leiden.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank
van oordeel dat het besluit
van 21 december 1998 niet in rechte kan worden gehandhaafd.
II.6. Zoals in rubriek I is aangegeven, heeft de gemachtigde van eiser
bij brief van 21 januari 1999 de rechtbank
op de hoogte gesteld van het
besluit van 7 december 1998, waarbij verweerder de aan eiser over de
periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte
bijstandsuitkering alsnog met toepassing van artikel
82, aanhef en onder
a, van de Abw heeft teruggevorderd. Eiser heeft zich op het standpunt
gesteld dat deze beslissing dient te worden meegenomen in de bij de
rechtbank al lopende procedure, die haar oorsprong vindt in het namens
eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen door verweerder
op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.
Bij brief van 9 februari 1999 heeft de rechtbank
verweerder, onder
verwijzing naar de in rubriek I vermelde brief van eisers gemachtigde
van 14 januari 1999, verzocht een verweerschrift in te dienen ter zake
van het besluit van 21 december 1998. De rechtbank heeft daarbij miskend
dat verweerder ter zake reeds bij brief van 20 januari 1999 een
verweerschrift had ingediend.
Voor verweerder is de brief van de rechtbank
echter aanleiding geweest
om bij brief van 18 maart 1999 een verweerschrift in te dienen met
betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het namens eiser
ingestelde beroep.
Bovendien heeft verweerder bij besluit van 24 maart 1999 een beslissing
genomen op het namens eiser tegen het besluit van 7 december 1998
ingediend bezwaarschrift van 21 januari 1999. Daarbij wordt één en ander
nog verder gecompliceerd door het feit dat de gemachtigde van eiser zich
bij brief van dezelfde datum bovendien tot de rechtbank heeft gewend met
het verzoek het besluit van 7 december 1998 te betrekken in de lopende
beroepsprocedure.
Dienaangaande overweegt de rechtbank
dat, wat er ook zij van de
procesrechtelijke verwarring die uit deze gang van zaken spreekt,
partijen kennelijk de bedoeling hebben gehad om ook de inhoudelijke
besluitvorming met betrekking tot de jegens eiser toegepaste verrekening
aan de rechtbank voor te leggen. Ook de rechtbank acht het om
proceseconomische redenen aangewezen het besluit op bezwaar van 24 maart
1999 in de beoordeling te betrekken. De rechtbank acht dit met het oog
op artikel 6:20 van de Awb
verantwoord, nu bij dit besluit het
inhoudelijk oordeel is gegeven, tegen het uitblijven waarvan het
inleidende beroepschrift van 17 december 1998 was gericht.
II.7. De rechtbank staat dan ook thans voor de vraag of het bestreden
besluit van 24 maart 1999 in rechte kan worden gehandhaafd. De rechtbank
overweegt als volgt.
Gelet op het bepaalde in de artikel 82, aanhef en onder a, juncto de
artikelen 42 en 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Abw is de rechtbank
van oordeel dat verweerder de aan eiser over de periode van 26
december 1997 tot 1 mei 1998 toegekende bijstand terecht van eiser heeft
teruggevorderd, nu achteraf aan eiser over deze periode een WAO-uitkering is
toegekend.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder en het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) terecht toepassing hebben gegeven
aan de Circulaire van de SVR [Sociale Verzekeringsraad, de
rechtsvoorganger van het Lisv, red.] van 18 april 1994, nr. 982. Zoals in de aan
deze uitspraak gehechte uitspraak van heden met registratienummer
98/1696 [LJN AA9529, www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AA9529,
red.] is
overwogen, is het Lisv terecht overgegaan tot een brutoverrekening van
de aan eiser toegekende WAO-uitkering met de aan eiser door verweerder
verleende bijstand.
De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden
voor het oordeel dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet
juist zou zijn vastgesteld. Voor zover namens eiser is aangevoerd dat in
het teruggevorderde bedrag ten onrechte een bedrag van ƒ350,- aan
voorschotten is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag ziet op een aan eiser
bij besluit van 20 januari 1998 verstrekt voorschot, dat reeds in
februari 1998 bij de uitbetaling van de Abw-uitkering over de maand
december 1997 is verrekend, zodat dit bedrag niet meer betrokken is bij
de verrekening met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser.
Op grond van het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 24 maart
1999 ongegrond.
II.8. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de
kosten die eiser in
verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig
beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 alsmede tegen het besluit van 21 december 1998
redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt
vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel
2, eerste
lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen
2,5 punten met een waarde van ƒ710,- toe (0,5 punt voor de indiening
van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het
bezwaarschrift van 30 juli 1999, 1 punt ter zake van het beroep tegen het
besluit van 21 december 1998 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting)
en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van
het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve
2,5 x ƒ710,- x 1 = ƒ1775,-.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75 van
de Awb wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin
van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de
Awb aan te merken niet tijdig
beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk;
2. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december
1998 gegrond en vernietigt dit besluit;
3. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999
ongegrond;
4. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht
ten bedrage van ƒ55,- wordt vergoed door de gemeente
Sittard;
5. veroordeelt verweerder in de kosten van de
beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
ƒ1775,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de
gemeente Sittard aan eiser.
Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier
en in het openbaar uitgesproken op 30
mei 2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde
griffier.
w.g. C. Kavelaars
w.g. R.E. Bakker
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak
het rechtsmiddel hoger beroep open bij de
Centrale
Raad van Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid
om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een
voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Awb / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA9691 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/313 NABW V01 |
| Datum
uitspraak: |
16
januari 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
6:9 en 7:3
Awb |
| Trefwoorden: |
bezwaar;
niet-ontvankelijk; verschoonbare termijnoverschrijding;
bezwaarschrift; niet tijdig; indienen; verzendtheorie;
terpostbezorging; abnormaal gedrag bezorgdienst |
| Essentie: |
Onterechte
niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens
termijnoverschrijding, omdat de overschrijding verschoonbaar is
nu het aan de postbezorging is te wijten dat het bezwaarschrift
niet tijdig is ontvangen. Met abnormaal gedrag van de
bezorgdienst - het bezwaarschrift werd ten onrechte retour
gezonden - hoefde eiseres geen rekening te houden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 00/313 NABW V01
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerders hebben bij besluit van 24 februari 2000 het door
eiseres tegen het besluit van 5 juli 1999 gemaakte bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft eiseres beroep ingesteld.
Eiseres vordert vernietiging van de beslissing.
Verweerders hebben stukken ingezonden en een verweerschrift
ingediend.
Partijen hebben de beschikking gekregen over de gedingstukken.
De voorzitter heeft het vooronderzoek gesloten en heeft de verdere
behandeling van het beroep verwezen naar een zitting van de
enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken.
De griffier heeft partijen uitgenodigd ter zitting te verschijnen
onder mededeling van plaats en tijdstip van de zitting. Daarbij is
erop gewezen dat tot tien dagen vóór de zitting nog nadere
stukken door partijen mogen worden ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 3 januari 2001.
Eiseres is in persoon verschenen. Voor verweerders is verschenen
mr. K.D. van Loo, juridisch medewerkster van de Dienst Sozawe van
de gemeente Groningen.
Partijen hebben hun standpunt uiteengezet en desgevraagd nadere
inlichtingen verschaft.
De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald
dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan binnen zes weken.
2. Rechtsoverwegingen
De rechtbank legt de volgende feiten en rechtsoverwegingen aan
haar beslissing ten grondslag.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerders
van 5 juli 1999. Zij heeft dit gedaan door indiening van een
bezwaarschrift. Zij heeft ervoor gekozen dit bezwaarschrift in te
dienen door dit per post te verzenden.
Blijkens de envelop waarmee het bezwaarschrift is verzonden heeft
eiseres het bezwaarschrift gericht tot het juiste bestuursorgaan,
met vermelding van het juiste postadres en met voldoening aan alle
eisen die voor postbezorging gelden (frankering).
Blijkens de stempeling van de enveloppe van het bezwaarschrift
heeft eiseres dit stuk ter verzending aangeboden bij de
postbezorging op de laatste dag van de bezwaartermijn (16 augustus
1999). Daarmee heeft eiseres voldaan aan de eerste eis voor
tijdigheid van indiening van een bezwaarschrift: een
bezwaarschrift dat per post wordt verzonden, moet geacht worden
tijdig ingediend te zijn indien het vóór het einde van de
bezwaartermijn ter post is bezorgd.
Na de bezorging ter post is er kennelijk een fout gemaakt bij de
postbezorging. Het bezwaarschrift is niet bij verweerders
afgeleverd, maar geretourneerd aan eiseres. De stempel die op de
envelop is geplaatst en hiermee kennelijk verband houdt, is deels
niet leesbaar en geeft, voor zover wel leesbaar, geen andere
verklaring dan dat hier sprake is van falen van de bezorgdienst.
Toen eiseres het bezwaarschrift geretourneerd kreeg, was de
termijn van één week als bedoeld in het tweede lid van artikel
6:9
Awb verlopen; althans was het niet meer mogelijk om het
bezwaarschrift nog tijdig in te dienen.
Uiteindelijk is het bezwaarschrift ingediend door dit af te geven
te bestemder plaatse.
Verweerders hebben geoordeeld dat niet is voldaan aan de eis dat
een per post verzonden bezwaarschrift, dat tijdig ter post is
bezorgd, ontvangen moet zijn binnen één week na afloop van de
bezwaartermijn. Voorts hebben verweerders geoordeeld dat er geen
sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat het
risico dat de postbezorgdienst fouten maakt voor rekening van
degene komt die kiest voor indiening van een bezwaarschrift door
verzending per post.
Verweerders achtten deze opvatting niet voor twijfel vatbaar en
hebben daarom afgezien van het horen van eiseres: met toepassing
van onderdeel a van artikel 7:3
Awb is het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres bestrijdt deze beslissing en de daaraan door verweerders
ten grondslag gelegde opvatting. Daartoe heeft zij onder meer
gesteld dat het onterecht is dat een fout van de PTT onder haar
verantwoordelijkheid wordt geschoven, nu de PTT zelf erkent dat in
zo'n 10 procent van de gevallen niet wordt voldaan aan de eisen
van een correcte postbezorging.
Met het arrest van 16 oktober 1991, Vakstudienieuws 1991/3139,
heeft de Hoge Raad beslist dat het
feit dat een beroepschrift
eerst na het einde van de beroepstermijn wordt ontvangen niet
leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep indien de
termijnoverschrijding het gevolg is van een in de sfeer van de PTT
gelegen omstandigheid van zodanig abnormale aard dat deze niet aan
de verzender kan worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat deze maatstaf ook geldt bij de
toepassing van het tweede lid van artikel 6:9
Awb en derhalve ook
in het onderhavige geval.
De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van een in de
sfeer van de postbezorgdienst gelegen omstandigheid die tot
overschrijding van de termijn van een week heeft geleid.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat het retourneren van het
bezwaarschrift niet had behoren te geschieden, nu dit aan alle
eisen voldeed die aan ter post bezorgde stukken gesteld worden.
Het retourneren wijkt daarmee af van de norm; met andere woorden:
is - in de termen van de HR - abnormaal. Met abnormaal gedrag van de
bezorgdienst hoefde eiseres geen rekening te houden. Er is dan ook
sprake van een niet voor rekening van eiseres te brengen
termijnoverschrijding.
Verweerders hadden dan ook niet tot niet-ontvankelijkverklaring
mogen overgaan.
Bovendien was het misplaatst om het bepaalde in onderdeel a van
artikel 7:3 Awb toe te passen.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het beroep gegrond is en het
bestreden besluit vernietigd dient te worden met verdere
bepalingen.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 februari 2000;
- bepaalt dat verweerders opnieuw dienen te beslissen
op het door eiseres ingediende bezwaarschrift, met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de gemeente Groningen tot vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht van ƒ60,-.
Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2001
door mr. A.H.J. Lennaerts, rechter, in tegenwoordigheid van K.A.
Faber, griffier.
De griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 16 januari 2001:
Partijen kunnen binnen zes weken na de dag van verzending van deze
uitspraak daartegen beroep instellen bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, door verzending van een
beroepschrift.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA9801 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
00/796
NABW |
| Datum
uitspraak: |
23
januari 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
113 Abw (= 9
Wwb)
|
| Trefwoorden: |
arbeidsverplichtingen;
ontheffing; vrijstelling; medisch onderzoek; keuring; advies;
verlies van procesbelang |
| Essentie: |
Niet-ontvankelijkverklaring
beroep wegens verlies van procesbelang, omdat de gemeente
inmiddels aan het bezwaar is tegemoet gekomen door - naar
aanleiding van medisch advies - betrokkene wederom volledig te
ontheffen van de arbeidsverplichtingen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 00/796 NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zutphen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 27 juni 2000.
2. Feiten
Eiseres ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw).
Bij besluit van 29 maart 2000 heeft verweerder besloten aan
eiseres, die tot dat moment volledig was ontheven van die
verplichtingen, de verplichtingen op te leggen als bedoeld in
artikel 113, eerste lid, van de Abw. Tegen dat besluit heeft
eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar
gedeeltelijk gegrond verklaard en besloten eiseres “niet de
volledige arbeidsverplichting op te leggen, maar tot september 2000
te beginnen met een oriëntatiefase in overleg met de
trajectconsulent”.
3. Procesverloop
Namens eiseres heeft mw. mr. A. van Bon-Moors, advocaat te
Nijmegen, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift
vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking
hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Desgevraagd
heeft verweerder deze stukken nadien aangevuld.
Het beroep is behandeld ter zitting van 9 januari 2001, waar
eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mw. mr. Van
Bon-Moors voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen
door de heren B.H.P.G. Buiting en A.G. Roesink.
4. Gronden
De rechtbank overweegt het volgende.
Naar ter zitting namens verweerder is toegelicht houdt het
bestreden besluit in een gedeeltelijke ontheffing van de
verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de
Abw.
De periode tot de zomervakantie 2000 is aangemerkt als oriëntatiefase,
waarin van eiseres slechts werd verlangd dat zij het
vrijwilligerswerk dat zij als handwerkbegeleidster voor maximaal 4
uur per week reeds verrichtte op de vrije school “[school]” te
[woonplaats] zou voortzetten. In september 2000 zou een evaluatie
plaatsvinden en vervolgens zou een nieuw traject worden
vastgelegd.
Ter zitting is gebleken dat die beoogde evaluatie, evenals nadere
besluitvorming, is uitgebleven in afwachting van door verweerder
inmiddels gevraagd medisch advies.
Desgevraagd is daarop namens verweerder ter zitting verklaard dat
het bestreden besluit aldus moet worden begrepen dat vanaf
september 2000 geldt dat eiseres (weer) volledig is ontheven van
de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de
Abw.
Verder is namens verweerder verklaard dat eiseres zich tot
september 2000 heeft gehouden aan de ingevolge het bestreden
besluit voor haar geldende verplichtingen.
Gelet daarop komt de rechtbank
tot de conclusie dat eiseres, die
blijkens haar beroep meent volledig vrijgesteld te moeten worden
van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de
Abw,
geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van
dat beroep.
Bezwaren tegen het door verweerder mogelijk in de toekomst (weer)
geheel of gedeeltelijk opleggen van de arbeidsverplichting dienen
in het kader van de daartoe strekkende toekomstige besluitvorming
aan de orde te komen.
Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het griffiegeld zal door verweerders gemeente aan eiseres dienen
te worden vergoed, nu het instellen van het beroep noodzakelijk is
geweest om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de precieze
strekking van verweerders besluitvorming. Om dezelfde reden is er
aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres
in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
Met toepassing van het Besluit proceskosten
bestuursrecht kent de rechtbank
ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe,
waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als
hierna is aangegeven.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de gemeente Zutphen het betaalde
griffierecht van ƒ60,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres
tot een bedrag van ƒ1420,-, te betalen door de gemeente Zutphen.
Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar
uitgesproken op 23 januari 2001 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA9884 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Amsterdam |
| Zaaknummer: |
99/4165
NABW 20 |
| Datum
uitspraak: |
18
april 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7 Abw (= 11
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging gezinsbijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling
met Nederlander; verblijfsvergunning; Belgen |
| Essentie: |
Terechte
wijziging bijstand naar de alleenstaandennorm, omdat de niet
over een verblijfsvergunning beschikkende Belgische echtgenote
van eiser geen recht op bijstand heeft nu zij ingevolge de
Koppelingswet niet langer met een Nederlander kan worden
gelijkgesteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Amsterdam 99/4165
NABW 20
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Amsterdam, verweerder.
I. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 19 maart 1999, nr. EST 1999/630 (5864.966).
II. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder de aan eiser en
[echtgenote] naar de norm van een gezin toegekende
bijstandsuitkering gewijzigd in een uitkering naar de norm van een
alleenstaande met ingang van 29 december 1998.
Tegen dit besluit is namens eiser door mr. S.D. Lugt, advocaat te
Amsterdam, op 28 januari 1999 bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift
ongegrond verklaard en het besluit in eerste aanleg gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft mr. Lugt, voornoemd, op 3 mei 1999 beroep
op nader aan te voeren gronden ingesteld bij de rechtbank.
Bij brief van 2 juli 1999 heeft mr. Lugt de nadere gronden van het
beroep aan de rechtbank gezonden.
Verweerder heeft desgevraagd op 26 oktober 1999 de op de zaak
betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.
Eiser heeft op 11 januari 2000 een aantal stukken aan de rechtbank
gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 25 januari 2000, alwaar
eiser, daartoe opgeroepen, in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. Lugt, voornoemd. Verweerder heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, juridisch medewerkster
van de gemeentelijke sociale dienst van de gemeente
Amsterdam.
III. Motivering
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit in rechte kan standhouden. Bij de beantwoording van die
vraag gaat de rechtbank uit van de volgende uit de gedingstukken
en ter zitting gebleken feiten.
Feiten
Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en is sedert 24 april
1990 gehuwd met [echtgenote] (verder te noemen: [echtgenote]), die
de Belgische nationaliteit heeft.
Verweerder heeft bij besluit van 13 december 1994 de aan eiser en
[echtgenote] toegekende bijstandsuitkering naar de norm van een
gezin gewijzigd in een uitkering naar de norm van een
alleenstaande omdat uit een door de Dienst Vreemdelingenpolitie
verstrekte verklaring is gebleken dat [echtgenote] niet (langer)
met instemming van het gezag in Nederland verblijft.
Bij besluit op bezwaar van 16 juni 1995 heeft verweerder het tegen
voornoemde besluit door eiser ingediende bezwaar gegrond
verklaard. Verweerder heeft overwogen dat gelet op de situatie van
eiser en [echtgenote], beiden zijn verslaafd en [echtgenote] is
seropositief, er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld
in artikel 84, vierde lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW),
zodat aanleiding bestond om ook bijstand ten behoeve [echtgenote]
te verlenen.
De GG&GD [Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, red.]
heeft verweerder bij brief van 24 september 1996
meegedeeld dat [echtgenote] vanaf 19 september 1996 blijvend
arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 17 oktober 1996 heeft verweerder aan eiser en
[echtgenote] een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend naar de norm van een gezin.
Uit door verweerder op 5 november 1998 geraadpleegde gegevens is
gebleken dat [echtgenote] niet beschikte over een verblijfstitel.
Verweerder heeft daarop [echtgenote] uitgenodigd nadere informatie
te verschaffen, onder meer omtrent haar verblijfsstatus. Deze
informatie is door eiser en [echtgenote] op 20 november 1998
verstrekt.
De Dienst Vreemdelingenpolitie heeft op 25 november 1998
desgevraagd aan verweerder het volgende meegedeeld omtrent de
verblijfsstatus van [echtgenote]: "De door de vreemdeling
getoonde bescheiden zijn niet (meer) correct. De systemen van de
GBA [gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, red.]
en de DVAS [Decentraal Vreemdelingen Administratie Systeem, red.]
blijken de juiste gegevens weer te geven. U kunt
zich derhalve richten op de GBA-titel. U wordt verzocht de
vreemdeling naar onze dienst te verwijzen".
Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder de aan eiser
toegekende bijstandsuitkering met ingang van 29 december 1998
gewijzigd in een uitkering naar de norm voor een alleenstaande.
Verweerder heeft daarbij overwogen dat [echtgenote] geen
verblijfsstatus heeft als bedoeld in artikel 7 van de
Abw.
Eiser heeft op 28 januari 1999 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond
verklaard en het besluit in primo gehandhaafd. Verweerder heeft
daarbij - zakelijk weergegeven - overwogen: [echtgenote] heeft de
Belgische nationaliteit en dient gelet op de duur van haar
verblijf ingevolge de Regeling bescheiden rechtmatig verblijf (de
regeling) te beschikken over een E-document. [Echtgenote] beschikt
en beschikte niet over een geldig verblijfsdocument, zodat ervan
uit kan worden gegaan dat zij niet rechtmatig in Nederland
verblijft ingevolge artikel 1b, aanhef en onder a, van de
Vreemdelingenwet (Vw). De situatie van artikel
1, eerste lid, van
het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw,
Ioaw en Ioaz (het besluit) is hier niet aan de orde, zodat eiseres ook niet aan
artikel 7, derde lid, van de Abw
recht op bijstand kan ontlenen.
Standpunten van partijen
Eiser
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van [echtgenote]
zodanige noodzaak tot bijstandverlening bestaat dat de
voorwaarde van het hebben van een geldige verblijfsstatus niet
meer gesteld mag worden. Het onderzoek dat verweerder naar deze
noodzaak heeft ingesteld, is bovendien onzorgvuldig geweest.
Verweerder
Verweerder heeft gepersisteerd bij het bestreden besluit.
Overwegingen
De rechtbank overweegt als volgt.
Het bestreden besluit berust op de zogenaamde Koppelingswet
(Stb.
1998, 204), die met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden.
Vanaf die datum luidt artikel 7 Abw
als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. (...); of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen
waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te
hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1,
van de Vreemdelingenwet,
tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd,
dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating,
totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Artikel 1b Vw luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in
Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op
grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij
deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om
toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen,
terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking
ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing
uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op
de aanvraag is besloten
De rechtbank stelt vast dat [echtgenote] niet op grond van een
besluit tot toelating in Nederland verblijft. Evenmin kan zij aan
enige regeling van het Gemeenschaps- en/of het Beneluxrecht een
recht op verblijf ontlenen.
Nu [echtgenote] voorts niet beschikt over de Nederlandse
nationaliteit en er ten aanzien van haar geen sprake is van
rechtmatig verblijf in de zin van voormeld artikel Ib, onder 1,
Vw,
kan zij aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid,
Abw geen
aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander ontlenen.
[Echtgenote] kan evenmin aan het bepaalde bij of krachtens artikel
7, derde lid, Abw een zodanige aanspraak ontlenen. Het feit dat
[echtgenote] op 23 november 1999 een aanvraag voor een vergunning
tot verblijf heeft gedaan, maakt dat niet anders. Immers dit feit
dateert van na het moment waarop het bestreden besluit betrekking
heeft en kan derhalve niet in dit geding worden betrokken.
Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit
in rechte geen stand kan houden, dient het beroep ongegrond te
worden verklaard. Daarbij tekent de rechtbank
nog aan dat de Abw
(vide artikel 11, tweede lid, van de Abw), anders dan vóór de
invoering van de Koppelingswet, geen ruimte laat om rekening te
houden met de bijzondere omstandigheden waarin [echtgenote] zich
bevindt.
De rechtbank acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:74, tweede lid, of artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
IV. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mrs. H.C. Naves, voorzitter, C.J. Polak en H.P.M.
Meskers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Klomp, griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2000 door mr. H.C.
Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier,
De voorzitter,
Afschrift verzonden op: 16 juni 2000:
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het
bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep
instellen bij de Centrale
Raad van Beroep
te Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB0226 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummers: |
AWB
00/1600 NABW VV en AWB 00/1599 NABW |
| Datum
uitspraak: |
23
januari 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
63
Abw (= 40
Wwb) /
8:86
Awb
|
| Trefwoorden: |
woonplaats;
domicilie; bevoegde gemeente; weigering bijstand; geen
wettelijke grondslag onderzoek sociale recherche;
opsporingsonderzoek; stelselmatige observaties |
| Essentie: |
Onterechte
weigering bijstand wegens het niet woonplaats hebben in de
gemeente van aanvraag, omdat het aan het bestreden besluit ten
grondslag liggende onderzoek van de sociale recherche een
wettelijke grondslag mist nu betrokkene ten tijde van de aanvang
van de observaties geen bijstand ontving, noch een aanvraag om
bijstand had ingediend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Maastricht AWB
00/1600 NABW VV en AWB 00/1599 NABW
U I T S P R
A A K
met toepassing van artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van
artikel 8:81 van deze wet, in het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sittard-Geleen, als rechtsopvolger van het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Geleen, verweerder.
Toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 5
december 2000.
Kenmerk: dossiernr. 39071501 reg.nr. 2000/2939.
Behandeling ter zitting: donderdag 18 januari 2001.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5
december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van
de (voormalige) gemeente Geleen (verder te noemen: het college) de
bezwaren van eiseres tegen het besluit van het college van 27 juni
2000, waarbij de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering is
afgewezen, ongegrond verklaard.
Tegen eerstgenoemd besluit is door de gemachtigde van eiseres, dr.
mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij brief van 18
december 2000 beroep ingesteld. Bij brief van gelijke datum heeft
de gemachtigde van eiseres de president van deze rechtbank
verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld
in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de
Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van
eiseres gezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de president op 18
januari 2001, waar eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen.
Namens verweerder is de heer J. Delahaye verschenen.
II. Overwegingen
II.1. In artikel 8:81 van de Awb
is bepaald dat indien tegen een
besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de president van de
rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.
Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de
Awb is gedaan
terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel
8:86, eerste lid, van de Awb kan de president alsdan onmiddellijk
uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van
het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Op deze bevoegdheid van de president zijn partijen gewezen in de
kennisgeving van behandeling ter zitting.
Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het
verzoek ter zitting is de president van oordeel dat nader
onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook
overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich
tegen de toepassing van het bepaalde in artikel
8:86, eerste lid,
van de Awb verzetten. De president doet dan ook onmiddellijk
uitspraak in de hoofdzaak.
II.2. Eiseres ontving van de zijde van de gemeente Geleen een
uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm
voor een alleenstaande. Bij besluit van 3 maart 2000 heeft het
college het recht op uitkering van eiseres met ingang van 1
januari 1998 beëindigd en eiseres meegedeeld - kort gezegd - dat is
komen vast te staan dat eiseres in de periode van 1 januari 1998
tot en met 8 februari 2000 haar woonplaats buiten de gemeente van
het college had en er derhalve voor eiseres in die periode geen
recht op uitkering van de zijde van de gemeente Geleen bestond.
Het college heeft daarbij tevens meegedeeld een bedrag van ƒ50.771,92 van eiseres terug te vorderen. Tegen dit besluit heeft
eiseres bezwaar en beroep ingesteld, op welk beroepschrift thans
nog niet is beslist. Een verzoek tot het treffen van een
voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase is bij uitspraak van
de president van 4 mei 2000 afgewezen.
Op 29 mei 2000 heeft eiseres zich met een nieuwe aanvraag om een
bijstandsuitkering tot het college gewend, welk verzoek bij
besluit van 27 juni 2000 is afgewezen, omdat eiseres haar
woonplaats niet in de gemeente Geleen zou hebben.
Tegen dit besluit is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend
dat bij het thans bestreden besluit van 5 december 2000 ongegrond
is verklaard.
II.3. Het college heeft daarbij - kort gezegd - het standpunt
ingenomen dat de door de sociale recherche verrichte waarnemingen
geen ander oordeel toelaten dan dat de woning van eiseres die zij
in B huurt niet voor permanente woning wordt benut en dat zij
kennelijk nog steeds in Maastricht woont. Op grond van het
bepaalde in artikel 63 van de Abw
komt de aanvraag van eiseres dan
ook niet voor inwilliging in aanmerking, aldus het college
II.4. Namens eiseres is het standpunt ingenomen dat de gang van
zaken tijdens de bezwaarfase in strijd is met een eerlijke
procesgang, nu het vermoeden is gewekt dat de bezwaar- en adviescommissie (verder de commissie) tijdens de hoorzitting op 3
oktober 2000 op één of andere wijze weet had van het bestaan van
een rapportage die eiseres niet kende.
Voorts is aangevoerd dat de rapportage van de sociale recherche
van 2 november 2000 het thans bestreden besluit niet kan dragen.
Uit het rapport blijkt volgens eiseres niet onomstotelijk dat
eiseres niet woont op het door haar aangegeven adres in de
gemeente Geleen. Uit de observaties kunnen volgens de gemachtigde
van eiseres niet worden afgeleid of eiseres al of niet thuis was
op de genoemde momenten. Ten slotte is namens eiseres gewezen op de
overlegde telefoonrekeningen en op de verklaring van haar buren.
II.5. Dienaangaande overweegt de president dat de grondslag voor
het thans bestreden besluit van 5 december 2000 is gelegen in het
rapport van de sociale recherche van 2 november 2000. Blijkens het
voorblad van dit rapport is de rapportage tot stand gekomen in het
kader van een onderzoek naar fraude.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter verklaard
dat de observaties niet hebben plaatsgevonden in het kader van een
opsporingsonderzoek, maar dat de sociale recherche er zelf
behoefte aan had te volgen hoe de situatie rond eiseres zich zou
ontwikkelen, één en ander met het oog op een mogelijke toekomstige
aanvraag.
Ook de president gaat ervan uit dat de observaties niet hebben
plaatsgevonden in het kader van een opsporingsonderzoek, nu immers
niet is gebleken van toestemming van de officier van justitie als
bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering voor
het stelselmatig volgen of observeren van eiseres, hetgeen in casu
heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat op het moment dat de
observaties zijn aangevangen op 20 maart 2000, geen sprake was of
kon zijn van verdenking van fraude van eiseres, nu eiseres ten
tijde van de aanvang van de observaties immers geen uitkering
ontving, noch een aanvraag om een bijstandsuitkering had
ingediend.
De president is dan ook van oordeel dat, nu het hier geen
opsporingsonderzoek betreft, de observaties zoals weergegeven in
de rapportage van 2 november 2000 handelingen zijn die aan
verweerder kunnen worden toegeschreven. Voorts is de president van
oordeel dat het verrichten van stelselmatige observaties zodanig
zwaar is dat dit slechts kan geschieden op basis van een
wettelijke bepaling. Nu niet is gebleken van een wettelijke
grondslag voor het verrichten van die observaties door of namens
verweerder is de president van oordeel dat de rapportage van 2
november 2000 niet ten grondslag kan worden gelegd aan het thans
bestreden besluit. Het thans bestreden besluit ontbeert derhalve
een deugdelijke motivering en komt mitsdien voor vernietiging in
aanmerking. Gelet hierop komt de president niet toe aan een
bespreking van de overige grieven van eiseres.
Nu de president onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:86
van de Awb uitspraak doet in de hoofdzaak, dient het voorliggend
verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden
afgewezen.
II.6. Voorts acht de rechtbank
termen aanwezig om verweerder met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep
bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het
bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 2,5 punt met een waarde van ƒ710,- toe voor de
indiening van het verzoekschrift, het beroepschrift en het
verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet
op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld
(wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 2,5 x ƒ710,- x 1 = ƒ1775,-. Nu aan eiseres ter zake
van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de
rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel
8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van
deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74,
8:75
en 8:84 van de Awb
wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
2. draagt verweerder op binnen zes weken na verzending
van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het
bezwaarschrift van 1 augustus 2000 met inachtneming van deze
uitspraak;
3. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige
voorziening af;
4. bepaalt dat aan eiseres de door haar betaalde
griffierechten ten bedrage van ƒ120,- worden vergoed door de
gemeente Sittard-Geleen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de
beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres
begroot op ƒ1775,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te
betalen door de gemeente Sittard-Geleen aan de griffier van de
arrondissementsrechtbank te Maastricht.
Aldus gedaan door mr. R.C.A.M. Philippart in tegenwoordigheid van
mr. M.J.H.T. Peters als griffier en in het openbaar uitgesproken
op 23 januari 2001 door mr. Philippart voornoemd in
tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. M. Peters
w.g.
Philippart
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de
uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij
de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002 DA Utrecht. De termijn
voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de
datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in
artikel 21 van de Beroepswet juncto
artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening
staat geen rechtsmiddel open.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|