|
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
00/242 NABW V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. E.P. Groot, advocaat en procureur te Groningen,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Stadskanaal, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 1 februari 2000, nr. 1096, het
bezwaarschrift van eiser tegen hun besluiten van 30 juni 1999
ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 13 maart 2000
(met bijlagen), op in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep
ingesteld.
Verweerders hebben op 12 april 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 november 2000 hebben verweerders op verzoek van de
rechtbank verschillende nadere gedingstukken ingezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is gevoegd met de zaken met de nrs. AWB 00/243 NABW
V06 en AWB 00/244 NABW V06 behandeld ter zitting van de
enkelvoudige kamer van de rechtbank
van 9 februari 2001.
Eiser is aldaar in persoon verschenen, evenals [betrokkene 1] en [betrokkene
2]. Hun gemachtigde mr. E.P. Groot heeft voor hen het woord
gevoerd.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door J. Snijders.
2. Rechtsoverwegingen
De feiten
Eiser heeft van 1 juli 1991 tot 1 december 1991 en van 24 februari
1992 tot 1 juni 1999 een bijstandsuitkering ontvangen.
Aanvankelijk op grond van de op de (oude) Algemene Bijstandswet
gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww),
naderhand op grond van de (nieuwe) Algemene bijstandswet.
Eiser heeft in de betreffende periode steeds aan verweerders
gemeld dat hij geen inkomsten heeft en woont als kostganger.
Blijkens rapporten van 21 juni 1999 en 13 september 1999 van twee
opsporingsambtenaren, verbonden aan het Samenwerkingsverband
Sociale Recherche Oost Groningen, is vanwege een vermoeden van
bijstandsfraude onderzoek gedaan naar de situatie waarin eiser
verkeerde. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat eiser
met zowel mevrouw [betrokkene 1] als met mevrouw [betrokkene 2] in
de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding
heeft gevoerd.
Tevens is bij het onderzoek gebleken dat eiser in voormelde
periode heeft beschikt over vermogen, alsmede inkomsten heeft
genoten uit zelfstandige handel en het verlenen van kost en
inwoning aan anderen.
Bij besluit van 30 juni 1999 hebben verweerders vervolgens de aan
eiser toegekende uitkeringen ingevolge de Rww en de Abw
met ingang van 1 juli 1991 beëindigd en de van 1 juli 1994 tot 1
juni 1999 aan eiser verstrekte uitkeringen ten bedrage van
ƒ98.588,09 van hem teruggevorderd.
Bij een tweede besluit van 30 juni 1999 hebben verweerders eiser
hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van het van
[betrokkene 1] teruggevorderde bedrag aan uitkering van ƒ85.676,65.
Eiser heeft bij brief van 19 juli 1999 bezwaar gemaakt tegen beide
voormelde besluiten.
Bij hun thans bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van
eiser ongegrond verklaard.
Eiser kan zich ook met dit besluit niet verenigen op in het
beroepschrift nader uitgewerkte gronden. Deze gronden zullen
hierna voor zover nodig worden besproken.
Het van toepassing zijnde recht
Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet
(Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te
duiden als Abw) in werking getreden.
Op grond van artikel 3 van de Invoeringswet
herinrichting Algemene
Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200,
verder aan te duiden als IHABW) wordt de oude Algemene
Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder
aan te duiden als ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 luidde,
per die datum ingetrokken.
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw
betreft, de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet
van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), houdende onder meer
wijziging van de Abw, in werking getreden (hierna te noemen: de
Wet BMT).
Op grond van het eerste lid van artikel XVI
van de
Wet BMT wordt in de bevoegdheid van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank
en de gemeenten tot weigering van
uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de
datum van inwerkingtreding van deze
wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en
verrekening van hetgeen vóór die datum onverschuldigd is
betaald, geen wijziging gebracht.
Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J,
van de
Veegwet SZW 1998,
artikel 84, tweede lid, Abw
gewijzigd. Deze wijziging is op 31 december 1998 in werking
getreden.
Nu het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode van 1
juli 1994 tot 1 juni 1999 dient het recht op uitkering beoordeeld
te worden aan de hand van respectievelijk de ABW en de daarop
gebaseerde Rww, de Abw (oud) zoals
deze tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 luidde en de Abw (nieuw)
zoals deze vanaf 1 juli 1997 luidt en is gewijzigd per 31 december
1998.
Dat betekent dat de vraag naar het recht op de uitkering
beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 1, eerste lid,
ABW en artikel 7, eerste lid, Abw,
de vraag of er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding
aan de hand van artikel 5a ABW en artikel 3 Abw
en de vraag of eiser kon beschikken over middelen aan de hand van
de artikelen 8, 8a, 9 en 10, eerste en tweede lid,
Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) en hoofdstuk
IV, afdeling 3, Abw.
Voor beantwoording van de vraag of de inlichtingenverplichting is
geschonden, zijn bepalend artikel 30, tweede lid, ABW, artikel
65, eerste lid, Abw (oud) en artikel
65, eerste lid, Abw
(nieuw).
Met betrekking tot de herziening van de uitkering is van belang
het bepaalde in artikel 69, derde lid, Abw,
zoals dat vanaf 1 juli 1997 luidt.
De gronden voor terugvordering van de uitkering van eiser zijn
voor de periode tot 1 januari 1996 neergelegd in artikel 55 in
samenhang met artikel 57 ABW, voor de periode van 1 januari 1996
tot 1 juli 1997 in artikel 78 in
samenhang met
artikel 81 Abw
(oud) en voor de periode na 1 juli 1997 in artikel 78
in samenhang met artikel 81 Abw
(nieuw).
De gronden voor terugvordering van de aan [betrokkene 1]
verstrekte uitkering zijn voor de periode tot 1 januari 1996
neergelegd in 59a, tweede en derde lid, ABW, voor de periode van 1
januari 1996 tot 31 december 1998 in
artikel 84, tweede en derde lid, Abw
(oud) en voor de periode vanaf 31 december 1998 in
artikel 84, tweede en derde lid, Abw
(nieuw).
Beoordeling van het geschil
Het tijdstip van besluitvorming.
Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerders niet
tot herziening en terugvordering van de aan hem verleende
uitkering hadden mogen besluiten op een moment dat het
(strafrechtelijke) onderzoek nog niet was afgerond.
De rechtbank onderschrijft dit
standpunt niet. Op 30 juni 1999 beschikten verweerders over een
frauderapport van 21 juni 1999, waarin voldoende aanknopingspunten
waren te vinden voor herziening van de uitkering van eiser en een
daarop gebaseerde terugvordering.
Ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit beschikten
verweerders voorts over het hoofdproces-verbaal van de sociale
recherche van 13 september 1999. Weliswaar beschikten verweerders
en betrokkenen op dat moment nog niet over de aan het
hoofdproces-verbaal ten grondslag liggende processen-verbaal van
het verhoor van onder meer betrokkenen en getuigen, doch de
rechtbank zal hier geen gevolgen aan verbinden. Het belang van het
kunnen beschikken over de onderliggende processen-verbaal is
daarin gelegen dat betrokkenen kunnen nagaan of het
hoofdproces-verbaal een juiste weergave vormt van hetgeen uit de
onderliggende stukken blijkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat
eiser inmiddels wel beschikt over het volledige dossier en ook de
rechtbank heeft kennis genomen van de processen-verbaal van het
verhoor van betrokkenen. Daaruit is gebleken, en eiser heeft dit
ter zitting ook bevestigd, dat het hoofdproces-verbaal de
verklaringen van betrokkenen juist weergeeft.
De periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999.
Ter zitting hebben eiser, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]
aangegeven dat niet langer wordt betwist dat zij in de in het
geding zijnde periode steeds hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben gehad; vanaf 1 juli 1994 aan [adres eiser] en vanaf eind
1996 op het adres [adres eiser]. Verder hebben zij gezamenlijk de
kosten van de huishouding gedragen en ook op andere wijze voorzien
in elkaars verzorging. Bovendien is op eiser en [betrokkene 2] het
bepaalde in artikel 3, vierde lid,
aanhef en onder a,
Abw
van toepassing.
Eiser, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben ter zitting verder
verklaard dat zij niet langer bestrijden dat zij vanaf 1996 over
voldoende inkomsten hebben beschikt om te kunnen voorzien in de
kosten van hun samenlevingsverband. De terugvorderingen over de
periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 worden door hen daarom
niet langer betwist.
Het beroep van eiser zal dan ook voor zover het betreft de periode
van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 ongegrond worden verklaard.
De periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996.
De herziening van zijn uitkering over de periode van 1 juli 1994
tot 1 januari 1996 en de daarop gebaseerde terugvordering blijft
eiser wel bestrijden. Hij heeft gesteld dat over die periode niet
voldoende inkomsten zijn verworven om de terugvordering van alle
over die periode verstrekte bijstand te rechtvaardigen.
Uit de hiervoor weergegeven verklaring van eiser vloeit voort dat
hij erkent dat hij de inlichtingenverplichting als bedoeld in
artikel 30, tweede lid, ABW heeft geschonden, zowel wat betreft de
wijze waarop hij samenwoont als de beschikbare middelen over deze
periode.
In het geval van schending van de inlichtingenverplichting mag
evenwel, wanneer naderhand bij het onderzoek de situatie met
betrekking tot inkomen en vermogen van betrokkenen duidelijk
wordt, althans bij een zorgvuldig onderzoek duidelijk kan worden,
niet zonder meer tot intrekking van de uitkering worden
overgegaan, maar dient op basis van de verkregen gegevens het
recht op uitkering alsnog te worden vastgesteld.
In dit geval heeft het onderzoek van de sociale recherche
voldoende gegevens opgeleverd om achteraf het recht op bijstand te
kunnen beoordelen. Derhalve moet de vraag worden beantwoord of
eiser aanspraak op aanvullende bijstand zou hebben gehad indien
hij op de voorgeschreven wijze melding zou hebben gemaakt van alle
voor de bijstandverlening relevante feiten en omstandigheden
gedurende de onderhavige periode.
Naar het oordeel van de rechtbank
moeten aan de situatie waarin betrokkenen destijds verkeerden en
nog steeds verkeren voor de toepassing van de ABW de volgende
conclusies worden verbonden. Eiser en [betrokkene 2] vormen een
gezamenlijke huishouding en hebben in beginsel aanspraak op
gezinsbijstand naar de norm voor gehuwden. Verder vormen ook eiser
en [betrokkene 1] een gezamenlijke huishouding en hebben ook zij
in beginsel aanspraak op gezinsbijstand naar de norm voor
gehuwden. Daarentegen vormen [betrokkene 2] en [betrokkene 1],
gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid, ABW (zie
thans artikel
3, tweede lid, aanhef en onder a, Abw)
geen gezamenlijke huishouding, omdat zij bloedverwanten in de
eerste graad zijn.
De rechtbank acht het gezien artikel 1, tweede lid, ABW (zie thans
de artikelen 13, tweede lid, Abw
en 34 Abw),
redelijk ervan uit te gaan dat ieder van de betrokkenen aanspraak
heeft op maximaal 50% van het normbedrag voor gehuwden, zodat zij
gezamenlijk aanspraak hebben op maximaal 150% van het normbedrag
voor gehuwden. Vervolgens moet op de voorgeschreven wijze rekening
worden gehouden met de middelen in de vorm van inkomsten en
vermogen waarover de betrokkenen hebben kunnen beschikken. In dat
verband tekent de rechtbank aan dat het vrij te laten vermogen in
de situatie waarin betrokkenen verkeren, moet worden vastgesteld
op drie keer de helft van het normbedrag voor gehuwden, derhalve
op totaal 150% van het normbedrag voor gehuwden.
Uit zowel het besluit van 30 juni 1999 als het bestreden besluit
maakt de rechtbank op dat
verweerders ervan uit zijn gegaan dat het samenlevingsverband van
eiser, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] maximaal aanspraak zou
kunnen maken op de norm voor gehuwden (100%). De rechtbank heeft
uit de stukken niet kunnen opmaken op welke wijze het vrij te
laten vermogen voor betrokkenen is vastgesteld.
Verder hebben verweerders voor wat betreft de periode van 1 juli
1994 tot 1 januari 1996, afgezien van een schatting van de
inkomsten van eiser uit handel en reparatie van ƒ250,00
per maand en inkomsten uit inwoning gedurende een beperkt aantal
maanden, geen berekening gemaakt van de inkomsten en het vermogen
van eiser.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank één en
ander onjuist. Omdat op voorhand niet zonder meer valt uit te
sluiten dat eiser een deel van de periode van 1 juli 1994 tot 1
januari 1996 recht had op een aanvullende bijstandsuitkering,
hadden verweerders over deze periode het recht van eiser op
(aanvullende) bijstand moeten beoordelen, alvorens tot
besluitvorming over te gaan.
De slotsom moet daarom luiden dat verweerders het bestreden
besluit voor wat betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari
1996 niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben voorbereid en
genomen.
Het beroep van eiser zal in zoverre gegrond worden verklaard.
Ingevolge artikel 55 in samenhang met 57, aanhef en onder d,
ABW wordt, indien de verplichting, bedoeld in artikel 30, tweede
lid, ABW, door de belanghebbende niet of niet behoorlijk is
nagekomen, de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de
betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Zoals hiervoor is overwogen, zijn verweerders ten onrechte niet
nagegaan of eiser over een gedeelte van de periode van 1 juli 1994
tot 1 januari 1996 mogelijk nog recht had op een aanvullende
bijstandsuitkering. Daardoor staat niet vast tot welk bedrag eiser
te veel uitkering is betaald.
De terugvordering ontbeert daarom, voor zover het betreft de
periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996, een feitelijk juiste
grondslag.
Derhalve zal het beroep van eiser op dit onderdeel eveneens
gegrond worden verklaard.
De terugvordering van de aan [betrokkene 1] verstrekte uitkering.
Krachtens artikel 59a, tweede lid, ABW en artikel
84, tweede lid, Abw
worden, indien de bijstand als gezinsbijstand (aan gehuwden) had
moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de
belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk
is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede
teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening
van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
De in het tweede lid van genoemde bepalingen bedoelde personen
zijn op grond van het derde lid hoofdelijk aansprakelijk voor de
terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
Zoals in de uitspraak van heden met het nr. AWB 00/244 NABW V06 is
vastgesteld, is de terugvordering van de te veel aan [betrokkene
1] betaalde bijstand over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni
1999 niet in geschil. Verweerders hebben derhalve terecht de over
deze periode aan [betrokkene 1] te veel betaalde uitkering van
haar teruggevorderd.
Nu eiser en [betrokkene 1] gedurende de periode waarop deze
terugvordering betrekking heeft een gezamenlijke huishouding
vormden, zodat bij de verlening van bijstand aan [betrokkene 1]
met zijn middelen rekening had moeten worden gehouden, hebben
verweerders de aan [betrokkene 1] over deze periode verstrekte
bijstand terecht mede van eiser teruggevorderd.
Voor wat betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996
heeft de rechtbank in de zaak
met het nr. AWB 00/244 NABW V06 echter vastgesteld dat de
uitkering van [betrokkene 1] ten onrechte is ingetrokken zonder na
te gaan in hoeverre [betrokkene 1] mogelijk nog aanspraak op
aanvullende bijstand zou kunnen maken over een deel van deze
periode.
Daardoor staat niet vast tot welk bedrag [betrokkene 1] te veel
uitkering is betaald.
De terugvordering ontbeert daarom, voor zover het betreft de
periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996, een feitelijk juiste
grondslag.
Om die reden zal het beroep van eiser ook voor wat betreft dit
onderdeel gegrond worden verklaard.
De invorderingskosten.
Met betrekking tot de passages over de invorderingskosten in de
besluiten van 30 juni 1999 is de rechtbank
van oordeel dat deze passages niet zelfstandig op rechtsgevolg
zijn gericht en daarmee geen onderdeel vormen van het bestreden
besluit. Deze passages informeren eiser over de mogelijke gevolgen
die voortvloeien uit het bepaalde in artikel 87, Abw
in samenhang met artikel 14f,
zevende lid, Abw
in het geval de te veel betaalde bijstand niet tijdig wordt
terugbetaald. Ter zake kan te zijner tijd zo nodig afzonderlijk
een bezwaar- en beroepsprocedure worden gevolgd. Het beroep van
eiser is in zoverre ongegrond.
Conclusie.
Het beroep van eiser is ongegrond voor wat betreft de herziening
van zijn uitkering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni
1999 en de daarop gebaseerde terugvordering. Zijn beroep is
eveneens ongegrond voor zover het betreft de terugvordering op hem
van de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 te veel
aan [betrokkene 1] betaalde bijstand, alsmede voor zover het
betreft de passage over de invorderingskosten.
Daarentegen is zijn beroep gegrond voor wat betreft de herziening
van zijn uitkering over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari
1996 en de daarop gebaseerde terugvordering. Het beroep is ook
gegrond voor zover het betreft de terugvordering van de te veel
aan [betrokkene 1] betaalde bijstand over de periode van 1 juli
1994 tot 1 januari 1996.
Het bestreden besluit dient op die onderdelen te worden vernietigd
wegens strijd met artikel 3:2 Awb
en artikel 7:12, eerste lid, Awb.
Griffierecht en proceskosten
Nu het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, dient
ingevolge artikel 8:74, eerste lid,
Awb tevens te worden bepaald dat het
door eiser betaalde griffierecht ad
ƒ60,00 door de
gemeente Stadskanaal aan eiser wordt vergoed.
De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet
van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die
in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
redelijkerwijs ten behoeve van eiser zijn gemaakt en wijst de
gemeente Stadskanaal aan als de rechtspersoon die deze kosten aan
de griffier moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht
bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ1441,58, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak
gevoegde bijlage.
De rechtbank tekent hierbij aan dat de vergoeding voor de kosten
van rechtsbijstand mede strekt tot vergoeding van de kosten van
rechtsbijstand in de zaken AWB 00/243 NABW V06 en AWB 00/244 NABW
V06, nu deze zaken zijn aan te merken als samenhangende zaken als
bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond, voor zover het betreft de
herziening van de uitkering van eiser over de periode van 1 juli
1994 tot 1 januari 1996 en de daarop gebaseerde terugvordering,
alsmede voor zover het betreft de terugvordering op eiser van de
over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 te veel aan
[betrokkene 1] betaalde bijstand;
- vernietigt het besluit van verweerders van 1 februari 2000,
voor zover het betreft de herziening van de uitkering van eiser
over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 en de daarop
gebaseerde terugvordering, alsmede voor zover het betreft de
terugvordering op eiser van de over de periode van 1 juli 1994 tot
1 januari 1996 te veel aan [betrokkene 1] betaalde bijstand;
- bepaalt dat de gemeente
Stadskanaal eiser het betaalde griffierecht ad
ƒ60,00
vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiser
gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
ƒ1441,58
en bepaalt dat de gemeente Stadskanaal deze kosten aan de griffier
dient te betalen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door hem uitgesproken
op 23 februari 2001, in tegenwoordigheid van H. Siebers als
griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 23 februari 2001.
De rechtbank wijst erop dat
partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van
verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen
instellen bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|