| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AB0950 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
99/1063
NABW 58 |
| Datum
uitspraak: |
9
april 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
4, 4a en 7a
ABW (= 21 en
22 Abw) (= 51
en –
Wwb) /
1:3, 8:71 en 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand, aanschafkosten woonwagen en inrichtingskosten;
geldlening; leenbijstand; niet-nakoming
aflossingsverplichtingen; hoofdelijk medeschuldenaar;
terugvordering; overeenkomst naar burgerlijk recht; civiel |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van de hoofdelijk medeschuldenaar, wegens
niet-nakoming van de aflossingsverplichtingen, van leenbijstand
voor de kosten van aanschaf en inrichting van een woonwagen,
omdat, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een
bestuursrechtelijk besluit, elke geldlening een overeenkomst
naar burgerlijk recht is en het bezwaar derhalve
niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 99/1063 NABW 58
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres]. wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Harderwijk,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 23 september 1999.
2. Feiten
Bij besluit van 5 maart 1975 is aan de (inmiddels overleden) echtgenoot
van eiseres bijstand verleend in de vorm van een lening tegen 5% rente,
ter voorziening in de aanschaf van een woonwagen ter vervanging van een
bestaande woonwagen. De lening bedroeg in totaal een bedrag van ƒ23.300,-, te weten een bedrag van
ƒ20.800,- ten behoeve van de
aanschaf en een bedrag van ƒ2500,- voor de inrichting van de
betreffende woonwagen. In verband daarmee is tussen de gemeente
Harderwijk en de echtgenoot van eiseres op 9 april 1975 een
overeenkomst, akte van geldlening geheten, gesloten, waarbij
laatstgenoemde zich heeft verbonden tot terugbetaling van voornoemd
geldbedrag. Tevens heeft eiseres zich bij die overeenkomst als
hoofdelijk medeschuldenares verbonden tot terugbetaling van al hetgeen
haar echtgenoot uit hoofde van vorenstaande overeenkomst aan verweerder
verschuldigd is of zal worden.
Vervolgens heeft eiseres op enig moment vóór 1998 verweerder
telefonisch laten weten dat de woonwagen medio 1997 was gesloopt en dat
haar kinderen inmiddels voor haar een nieuwe woonwagen hadden
aangeschaft. Verweerder is vervolgens gebleken dat eiseres inmiddels
eigener beweging was gestopt met het aflossen van voornoemde geldlening
en de woonwagen in strijd met het op 9 april 1975 overeengekomene niet
aan verweerder ter vernietiging was overgedragen.
Bij brief van 10 februari 1999 is daarop het restant bedrag van de
geldlening, te weten
ƒ17.569,60, van eiseres teruggevorderd op de grond dat de uit de
geldlening voortvloeiende betalingsverplichtingen niet dan wel in
onvoldoende mate zijn nagekomen. Het daartegen namens eiseres door mr.
H.A. van der Kleij, advocaat werkzaam bij het Buro
voor Rechtshulp te Zwolle, ingediende bezwaarschrift gedateerd 3 maart 1999 heeft
verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Procesverloop
Namens eiseres heeft mr. Van der Kleij voornoemd beroep ingesteld op de
in het aanvullend beroepschrift van 14 december 1999 vermelde gronden.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een
verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2001, waar eiseres in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.J. van
Bussel, ambtenaar der gemeente.
4. Motivering
4.1. De rechtbank ziet aanleiding allereerst te beoordelen of verweerder
het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht. In dit
verband dient de vraag te worden beantwoord of verweerders beslissing in
primo een besluit behelst in de zin van artikel
1:3, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb
wordt onder een besluit
verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt.
4.2. Op 5 maart 1975 heeft verweerder op grond van het toenmalige Besluit
bijstandverlening woonwagenbewoners van 16 mei 1974 (Stb. 1974, 359; hierna: het
besluit) aan de echtgenoot van eiseres bijstand in de
vorm van een geldlening toegekend voor de aanschaf van een woonwagen.
Ingevolge artikel 12, eerste lid, van genoemd besluit dient de bijstand
in de kosten van de aankoop van een woonwagen te worden verleend in de
vorm van een geldlening, tenzij bijstand in de vorm van borgtocht
mogelijk is. Op 9 april 1975 is in dit kader een overeenkomst tot
geldlening gesloten, waarbij eiseres en haar echtgenoot zich jegens
verweerder hoofdelijk hebben verbonden tot terugbetaling van een
geldbedrag ad ƒ23.300,- in wekelijkse termijnen van ƒ10,- en de
eigendom van de woonwagen aan verweerder is overgedragen onder
gelijktijdige in bruikleen verschaffing van die woonwagen aan de
echtgenoot van eiseres. Ingevolge punt 3 van de betreffende overeenkomst
is de leensom of het onafgeloste gedeelte daarvan terstond opeisbaar bij
wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de overeengekomen
aflossingen.
Naar het oordeel van de rechtbank dient deze in 1975 aangegane
overeenkomst tot geldlening te worden gekwalificeerd als een
overeenkomst naar burgerlijk recht. Dat deze overeenkomst is aangegaan
op grond van een besluit ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet
(ABW) doet aan de kwalificatie van die overeenkomst niet af.
De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad
van 26 maart 1999 (RSV 1999/197 en NJ 1999/445) waarin het navolgende is
overwogen:
"Waar de Algemene Bijstandswet in de artikelen 4, 4a en 7a in de
destijds geldende tekst sprak, en artikel 21 en
22 Abw thans spreken,
van bijstand in de vorm van een geldlening, had en heeft zij het oog op
de overeenkomst naar burgerlijk recht, hoezeer ook door de gemeente
aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, bij welke
overeenkomst deze de betrokkene een som geld ter leen is verstrekt. De
verbintenis van deze laatste om de door hem ter leen ontvangen som terug
te betalen, moet dan ook worden gekwalificeerd als een uit een
overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot een geven zoals bedoeld in
artikel 3:307 BW."
Aangezien de echtgenoot van eiseres in 1975 uit hoofde van voornoemde
civielrechtelijke overeenkomst het nu verschuldigde bedrag heeft
ontvangen, wordt naar het oordeel van de rechtbank
ook de vraag of de in
die overeenkomst genoemde betalingsverplichtingen zijn overtreden,
alsmede de vraag of op die grond het onafgeloste gedeelte van de leensom
terstond opeisbaar is geworden, beheerst door de regels van het civiele
recht.
De omstandigheid dat met de inwerkingtreding van de Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet
BMT) per 1 juli 1997 de
mogelijkheid is geopend om verleende bijstand via de bestuursrechtelijke
weg terug te vorderen, doet aan voornoemd oordeel niet af. Met de Wet
BMT is immers niet beoogd de kwalificatie van een overeenkomst als de
onderhavige te wijzigen. Deze kwalificatie dient naar het oordeel van de
rechtbank bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag volgens welke
regels het terstond opeisbaar zijn van de leensom dient te worden
beoordeeld.
In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat verweerders
besluit tot bijstandverlening d.d. 5 maart 1975 niet de voorwaarden
bevat op de overtreding waarvan verweerder de onderhavige besluitvorming
baseert. Voorts is van belang dat de leenbijstand destijds uitsluitend
aan de echtgenoot van eiseres is toegekend, hetgeen naar het oordeel van
de rechtbank met zich meebrengt dat een terugvordering van die bijstand
van eiseres primair zijn grondslag vindt in de hoofdelijke
aansprakelijkheid waartoe eiseres zich middels de civielrechtelijke
overeenkomst van 9 april 1975 heeft verbonden.
Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders
beslissing in primo geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling inhoudt,
zodat er - gelet op het bepaalde in artikel
1:3, eerste lid, van de Awb - geen sprake is van een besluit in de zin van dat artikel.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, juncto
artikel 7:1,
eerste lid, van de Awb kan slechts tegen een besluit in de zin van
artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld.
Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit ten onrechte het
bezwaar van eiseres ontvankelijk verklaard. Gelet hierop komt het
bestreden besluit dan ook voor vernietiging in aanmerking. Met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de
Awb zal de rechtbank
het
bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de
Awb wordt geoordeeld dat in
het onderhavige geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke
rechter kan worden ingesteld.
4.3. De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding
verweerder te veroordelen in
de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft
moeten maken.
Met toepassing van het Besluit proceskosten
bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij
een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. Voorts kent de rechtbank ter
zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van ƒ46,91 toe.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk
en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het
vernietigde besluit;
- bepaalt dat de gemeente Harderwijk het betaalde
griffierecht van ƒ60,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand van
eiseres tot een bedrag van ƒ1420,-, te betalen door de gemeente
Harderwijk aan de griffier van de rechtbank
door storting op
bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van DS 547 Arrondissement
Zutphen te Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze
uitspraak genoemde registratienummer;
- veroordeelt verweerder in de overige proceskosten van eiseres tot een
bedrag van ƒ46,91, te betalen door de gemeente Harderwijk aan
eiseres.
Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken
op 9 april 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger
beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB1019 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/810 NABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
9
april 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14
en 59a ABW (=
63 en 84 Abw)
(= 40 en 59
Wwb) / 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting;
terugvordering van hoofdelijk aansprakelijke; woonplaats;
bevoegde gemeente |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van hoofdelijk aansprakelijk gestelde
eiseres, omdat betrokkene waarmee eiseres een gezamenlijke
huishouding zou hebben gevoerd in het geheel geen recht had op
bijstand jegens verweerders gemeente aangezien hij in een andere
gemeente woonplaats had. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 00/810 NABW
V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. W.H.C. Bulthuis,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Hoogezand-Sappemeer, verweerders,
gemachtigde: T. Veltman.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 4 juli 2000, verzonden 17 juli
2000, het bezwaar van eiseres van 5 april 2000 tegen hun besluit
van 29 februari 2000, waarbij zij van eiseres een bedrag van ƒ102.890,78 hebben teruggevorderd, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 8 augustus
2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep
ingesteld.
Verweerders hebben op 29 augustus 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 23 maart 2001.
Eiseres is aldaar niet verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door T. Veltman.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten en standpunten van partijen
De heer [betrokkene] heeft van 20 september 1982 tot en met 25
januari 2000 een uitkering ontvangen aanvankelijk op grond van de
(oude) Algemene Bijstandswet en de daarop gebaseerde Rww,
naderhand op grond van de nieuwe Algemene
bijstandswet. Hij stond
gedurende deze periode in de basisadministratie van de gemeente
Hoogezand-Sappemeer ingeschreven op het adres [adres betrokkene].
Op 24 januari 2000 zijn [betrokkene] en eiseres door de politie
aangehouden als verdachten van het plegen van een reeks inbraken
en diefstallen. Uit de verhoren inzake deze misdrijven kwam naar
voren dat [betrokkene] vrijwel dagelijks bij eiseres in
[woonplaats eisers] verbleef. Naar aanleiding hiervan heeft de
sociale recherche een onderzoek ingesteld. Op 10 februari 2000 is
een drietal getuigen gehoord omtrent de feitelijke verblijfplaats
van [betrokkene]. Op 16 februari 2000 zijn vervolgens [betrokkene]
en eiseres hierover gehoord.
Verweerders hebben besloten de uitkering van [betrokkene] met
ingang van 1 februari 1991 in te trekken; aangezien hij vanaf die
datum bij eiseres in [woonplaats eiseres] verbleef, had hij geen
recht op een bijstandsuitkering van de gemeente [woongemeente
betrokkene].
Verweerders achten eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor de ten
onrechte aan [betrokkene] betaalde bijstand en hebben bij besluit
van 29 februari 2000 over de periode van 1 maart 1995 tot en met
25 januari 2000 een bedrag van ƒ102.890,78 van eiseres
teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 4 april 2000 een bezwaarschrift
ingediend.
Op 7 juni 2000 is eiseres gehoord door de
bezwaarschriftencommissie, waarna deze verweerders heeft
geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit conform het
advies van de commissie het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren
gebracht dat verweerders ten onrechte en op onvoldoende gronden
hebben aangenomen dat eiseres een gezamenlijke huishouding heeft
gevoerd met [betrokkene]. Zij had een lat-relatie met hem.
Wettelijk kader
Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12
april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in
werking getreden.
Op grond van artikel 3 van de Invoeringswet
herinrichting Algemene
Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200, verder aan te
duiden als IHABW) wordt de oude Algemene Bijstandswet (Wet van 13
juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW), zoals
die wet tot 1 januari 1996 luidde, per die datum ingetrokken.
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw
betreft, de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de
Wet BMT) in werking getreden. Daarbij zijn verschillende
bepalingen van de Abw gewijzigd.
In artikel XVI, eerste lid, van de Wet
BMT is bepaald dat in de
bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens
gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot
terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum
onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht.
Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J, van de
Veegwet SZW 1998
artikel 84, tweede lid, Abw gewijzigd. Deze wijziging is op 31
december 1998 in werking getreden.
Dit betekent dat de gronden voor terugvordering van de uitkering
voor de periode van 1 maart 1995 tot 1 januari 1996 zijn
neergelegd in de artikelen 55, 57 en 59a ABW, voor de periode van
1 januari 1996 tot 1 juli 1997 in de artikelen
78, 81 en 84
Abw oud en voor de periode na 1 juli 1997 in de
artikelen 78 en 81 Abw
nieuw, artikel 84 Abw
oud (tot 1 januari 1999) en nieuw (vanaf 1
januari 1999).
Beoordeling van het geschil
De rechtbank stelt vast dat verweerders de terugvordering van
eiseres hebben gebaseerd op artikel 59a, tweede lid, ABW en
artikel 84, tweede en derde lid, Abw.
Op grond van deze artikelen worden de ten onrechte gemaakte kosten
van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen
bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden
indien de bijstand als gezinsbijstand (aan gehuwden) had moeten
worden verleend.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn genoemde artikelen in casu
echter niet van toepassing. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Indien [betrokkene] in de periode van 1 maart 1995 tot en met 25
januari 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met
eiseres - wat hier ook van zij - was hij niet woonachtig in de gemeente
Hoogezand-Sappemeer, doch in de gemeente [woongemeente
betrokkene]. Hij
zou dan ingevolge artikel 14 ABW en artikel
63, eerste lid, Abw over deze periode in het geheel geen recht op bijstand hebben
gehad jegens verweerders. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de
bijstand in dat geval als gezinsbijstand had moeten worden
verleend, zoals de artikelen 59a, tweede lid, ABW en 84, tweede en
derde lid, Abw eisen.
Gelet hierop ontbeert het besluit tot terugvordering een
wettelijke grondslag.
Het beroep van eiseres moet daarom gegrond worden verklaard. Het
bestreden besluit zal worden vernietigd.
De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit
van 29 februari 2000 te herroepen, onder gegrondverklaring van het
tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift van eiseres.
Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dient ingevolge
artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden
bepaald dat het
door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente
Hoogezand-Sappemeer aan eiseres wordt vergoed.
De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet
van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die
in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente
Hoogezand-Sappemeer aan als de rechtspersoon die de
kosten moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht
bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ710,-, zoals nader
aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep van eiseres gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 4 juli
2000;
- bepaalt, onder gegrondverklaring van het tegen dat
besluit gerichte bezwaarschrift, dat het besluit van 29 februari
2000 wordt herroepen;
- bepaalt dat de gemeente
Hoogezand-Sappemeer eiseres
het betaalde griffierecht ad ƒ60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres
gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op ƒ710,-, en
bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer deze kosten dient te
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door deze uitgesproken
op 9 april 2001, in tegenwoordigheid van W.J.C. Pije als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 9 april 2001.
Bijlage: Staat van
kosten.
De rechtbank
wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB1261 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Dordrecht |
| Zaaknummers: |
AWB
00/188 en AWB 00/189 |
| Datum
uitspraak: |
23
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt. 7, 14a,
65,
69
en 81
Abw (= 11, –, 17, 54
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; terugvordering; schending
inlichtingenverplichting; boeteoplegging; Koppelingswet; EVSMB;
gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; last tot
uitzetting; Turken |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand wegens, na inwerkingtreding van de
Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat
betrokkene ingevolge het EVSMB wel rechtmatig verblijf hield nu
de vreemdelingendienst haar nimmer heeft geïnformeerd over de
last tot uitzetting en aldus bij gebreke van die last het
rechtmatig verblijf is blijven voortduren. Onterechte
boeteoplegging wegens het niet melden aan de gemeente van de
uitspraak van de rechtbank strekkende tot ongegrondverklaring
van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om verlenging
van de verblijfsvergunning, omdat er geen sprake is van te veel
of ten onrechte betaalde bijstand als gevolg van de schending
van de inlichtingenverplichting. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Rechtbank
Dordrecht AWB 00/188 en
AWB 00/189
U I T S P R
A A K
in de zaak van:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sliedrecht, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 12 juli 1999, verzonden op 15 juli 1999, kenmerk
MGA/8099, heeft verweerder de uitkering van eiseres krachtens de Algemene bijstandswet
(verder te noemen: Abw) over de periode van
26 januari 1999 tot 1 mei 1999 ingetrokken en per 1 mei 1999
beëindigd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 juli 1999 een
bezwaarschrift als bedoeld in artikel
7:1, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ingediend bij
verweerder.
Bij besluit van 16 november 1999, verzonden op 16 november 1999,
kenmerk Rvi/8099, heeft verweerder besloten het over de periode
van 26 januari 1999 tot 1 mei 1999 bruto aan eiseres verstrekte
bedrag aan uitkering van ƒ5463,30 van eiseres terug te vorderen
en haar een boete op te leggen van ƒ875,-.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 december 1999 een
bezwaarschrift als bedoeld in artikel
7:1, eerste lid, van de Awb
ingediend bij verweerder.
Bij besluit van 15 februari 2000, verzonden op 18 februari 2000,
kenmerk KV/8099, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen
het besluit van 16 november 1999 deels gegrond en deels ongegrond
verklaard (AWB 00/188)
Bij besluit van 22 februari 2000, verzonden op 25 februari 2000,
kenmerk KV/8099, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen
het besluit van 12 juli 1999 ongegrond verklaard (AWB 00/189)
Tegen deze besluiten heeft eiseres bij op dezelfde datum ingekomen
brief van 28 maart 2000 een beroepschrift ingediend bij de
arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de
rechtbank).
De zaak is op 13 februari 2001 behandeld door een meervoudige
kamer.
Eiseres is ter zitting verschenen en heeft zich doen bijstaan door
mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht.
Verweerder is niet verschenen.
2. Overwegingen
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijken de volgende
feiten en omstandigheden.
Eiseres heeft de Turkse nationaliteit. Zij verblijft sinds 1
oktober 1993 in Nederland. Op 12 oktober 1993 is haar een
vergunning tot verblijf bij haar echtgenoot verleend. Na
verbreking van het huwelijk is haar op 9 maart 1995 een vergunning
tot verblijf verleend voor het verrichten van arbeid, al dan niet
in loondienst, geldig tot 9 maart 1996.
Op 19 maart 1996 heeft eiseres een aanvraag ingediend om
verlenging van haar verblijfsvergunning. Tegen de afwijzing
daarvan heeft zij bezwaar en beroep aangetekend. Eiseres heeft
voorts een voorlopige voorziening verzocht, ertoe strekkende de
uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep was beslist.
Bij uitspraak van 6 januari 1999 heeft de rechtbank te Den Haag
het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van
dezelfde datum is het verzoek om voorlopige voorziening van
eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 26 januari 1999
heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de korpschef van de
politieregio Zuid-Holland-Zuid (voor zover nodig) een last tot
uitzetting van eiseres verstrekt. De vreemdelingendienst heeft
eiseres nimmer geïnformeerd over de last tot uitzetting.
Eiseres ontving sinds 11 april 1996 van verweerder een uitkering
krachtens de Abw.
De rechtbank neemt deze feiten en omstandigheden als uitgangspunt
bij de beoordeling van beide aan de orde zijnde zaken.
2.1. AWB 00/189
Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet, welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is
getreden. Tengevolge van het in werking treden van deze wet is
onder andere artikel 7 van de Abw
en met name het bepaalde in het
tweede lid gewijzigd.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het
eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (verder
te noemen: Vw).
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur
hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld
in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor toepassing van
deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen
waarin de vreemdeling na rechtmatig in Nederland verblijf te
hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft
aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating,
totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het
Besluit gelijkstelling
Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het besluit) wordt voor de
toepassing van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de
vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vw:
a. vóór die beëindiging van dit verblijf een aanvraag
heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde
lid, en 33c van de Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel
6:11 van de Awb toepassing
heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld
tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef
en onder 1, van de Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de in het eerste lid bedoelde
gelijkstelling zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het
beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij
de uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw genieten
vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf op grond
van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als
gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in
strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de beëindiging
en de intrekking van de bijstanduitkering van eiseres gehandhaafd,
omdat eiseres op de in geding zijnde data niet langer behoorde tot
de personenkring van de Abw. Verweerder heeft voorts gesteld dat
eiseres zich niet kan beroepen op het Europees verdrag inzake
sociale en medische bijstand (verder te noemen: EVSMB), aangezien
zij op de in geding zijnde data niet beschikte over een verblijfs-
of soortgelijke vergunning en er toen een last tot uitzetting
tegen haar van kracht was. Dat eiseres nimmer op de hoogte is
gesteld van de last tot uitzetting laat het voorgaande onverlet,
aangezien het eiseres op grond van de uitspraak van de rechtbank
redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zij was
uitgeprocedeerd en geen geldige verblijfsvergunning (meer) had,
aldus verweerder.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft - voor zover
hier van belang - gesteld dat haar bijstandsuitkering ten onrechte
is beëindigd, nu zij op de in geding zijnde data rechtmatig in
Nederland verbleef in de zin van artikel 11 EVSMB.
De rechtbank overweegt als volgt.
Niet in geschil is dat eiseres op de in geding zijnde data niet
behoorde tot de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de
invoering van de Koppelingswet geldt.
Eiseres heeft zich beroepen op de bepalingen van het EVSMB, dat in
artikel 1 bepaalt dat onderdanen van de verdragsstaten die zich
rechtmatig ophouden in één van de andere verdragsstaten en die
niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op
sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen.
Ingevolge artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB wordt het
verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van één der
verdragssluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit
verdrag beschouwd zolang ten aanzien van hen een verblijfs- of
andere soortgelijke vergunning van kracht is die op grond van de
wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het
verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt
rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel
tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd,
tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.
Het EVSMB is van toepassing op deze zaak.
Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat haar verblijf op de in
geding zijnde data als rechtmatig in de zin van artikel 11, onderdeel a,
van het EVSMB moet worden aangemerkt.
Het rechtmatig verblijf van eiseres in vorenbedoelde zin was
aangevangen op 12 oktober 1993, toen zij een vergunning tot
verblijf verkreeg. Op de in geding zijnde data was er, bij gebreke
van een deugdelijke bekendmaking aan eiseres, geen sprake van een
geldige last tot uitzetting. Uit artikel 11, onderdeel b, van
het EVSMB moet worden afgeleid dat het rechtmatig verblijf van
eiseres in de zin van dit verdrag bij gebreke van een geldige last
tot uitzetting is blijven voortduren.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, tweede en derde lid, van
de Abw en artikel 1 van
het besluit wegens strijd met het artikel
1 EVSMB ten aanzien van eiseres buiten toepassing moeten blijven.
Het bestreden besluit moet om deze reden worden vernietigd. Het
beroep moet gegrond worden verklaard.
2.2. AWB 00/188
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw doet de
belanghebbende aan burgmeester en wethouders op verzoek of
onverwijld uit eigener beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, of op het
bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Ingevolge artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de
Abw herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van
bijstand indien - voor zover hier van belang - het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65,
eerste lid, heeft geleid tot een ten onrechte of een te hoog
bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 81, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat bijstand die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de
belanghebbende wordt teruggevorderd.
Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de
Abw leggen burgemeester
en wethouders, indien de belanghebbende de verplichting, bedoeld
in artikel 65, eerste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen
door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, hem een
boete op van ten hoogste ƒ5000,-.
Het tweede lid bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd
op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien
het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte
of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, afzien van het
opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan
met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het
niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het
niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de dag waarop
eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Het vierde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders kunnen
besluiten af te zien van het opleggen van een boete indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge het zevende lid worden bij algemene maatregel van
bestuur regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede
lid.
Ingevolge artikel 2 van het Besluit tarieven administratieve
boeten Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het besluit) nemen
burgemeester en wethouders bij de toepassing van artikel
14a,
eerste lid, van de Abw de bepalingen van dit besluit in acht,
onverminderd artikel 14a, tweede lid, van de
Abw.
Artikel 3, eerste lid, van het besluit bepaalt dat de boete wordt
vastgesteld op 15% van het fraudebedrag, met dien verstande dat
zij op ten minste ƒ100,- wordt gesteld.
Ingevolge artikel 5 van het
besluit wordt de boete vastgesteld op
ƒ100,- indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichting zonder financiële gevolgen is gebleven.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van
eiseres gegrond verklaard voor zover zij waren gericht tegen
schending van de inlichtingenplicht ter zake van de last tot
uitzetting, omdat was gebleken dat eiseres hiervan nimmer op de
hoogte was gesteld. Voor het overige heeft verweerder zijn besluit
tot terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde bijstand en
tot oplegging van een boete in verband met schending van de
inlichtingenplicht door eiseres gehandhaafd. Verweerder heeft
daartoe overwogen dat het voor haar redelijkerwijs duidelijk moet
zijn geweest dat de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6
januari 1999 invloed zou kunnen hebben op haar recht op bijstand.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft betwist dat zij
haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
De rechtbank overweegt als volgt.
In geschil is slechts de schending van de op eiseres rustende
inlichtingenplicht ter zake
van de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6 januari 1999.
Naar het oordeel van de rechtbank
heeft verweerder terecht gesteld
dat eiseres deze inlichtingenplicht heeft geschonden. De uitspraak
is een voor haar recht op een uitkering krachtens de Abw
relevant
feit, dat zij had moeten melden aan verweerder. Uit de stukken
blijkt ook dat zij dit wist, althans had moeten weten. Verweerder
heeft bij besluit van 1 oktober 1998 aan het recht van eiseres op
een bijstandsuitkering de verplichting verbonden dat zij
verweerder onverwijld op de hoogte stelt inzake de behandeling van
en de uitspraak in de procedure omtrent haar verblijfsvergunning.
Eiseres heeft niet betwist dat zij deze verplichting kende.
Daargelaten of een dergelijke verplichting aan het recht van
bijstand kan worden verbonden, blijkt hieruit dat eiseres in ieder
geval had moeten weten dat eventuele ontwikkelingen in haar
vreemdelingrechtelijke procedure, zoals de uitspraak van 6 januari
1999, relevant waren voor haar recht op bijstand en aan verweerder
moesten worden gemeld.
Nu eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden, was
verweerder gehouden de als gevolg daarvan te veel of ten onrechte
betaalde bijstand terug te vorderen alsmede een boete op te
leggen.
Het oordeel in de zaak 00/189 leidt echter tot de conclusie dat er
geen sprake is van te veel of ten onrechte betaalde bijstand als
gevolg van de schending van de op eiseres rustende
inlichtingenplicht.
Hieruit volgt dat de aan de orde zijnde terugvordering en de
boeteoplegging niet in stand kunnen blijven wegens strijd met
artikel 14a, derde lid, en artikel
81, eerste lid, van de Abw en artikel 5 van
het besluit. Het bestreden besluit dient derhalve te
worden vernietigd en het beroep dient gegrond te worden verklaard.
2.3. AWB 00/188 en AWB 00/189
Nu het beroep in beide zaken gegrond wordt verklaard, dient
verweerder ingevolge artikel 8:74,
eerste lid, van de
Awb het door eiseres in deze zaken
betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel
8:75, eerste lid, van de Awb te
veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling
van deze beroepszaken redelijkerwijs heeft moeten maken. De
rechtbank heeft de kosten in verband met de door een derde
beroepsmatig in deze zaken verleende rechtsbijstand beperkt tot
ƒ1420,-, nu er sprake was van één beroepschrift en
gelijktijdige behandeling van deze zaken op één zitting en nu
voorts gesteld kan worden dat er sprake is van samenhangende zaken
als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. Niet is gebleken dat eiseres andere proceskosten
heeft moeten maken.
Omdat eiseres een zogeheten toevoeging is verleend, dient voormeld
bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank
te worden
betaald.
De rechtbank beslist als volgt.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Dordrecht:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de gemeente
Sliedrecht het door eiseres betaalde
griffierecht ten bedrage van in totaal ƒ120,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband
met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft
moeten maken, welke kosten worden begroot op ƒ1420,- ter zake
van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- bepaalt dat de betaling van het bedrag van ƒ1420,-, ter zake
van beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te
Dordrecht wordt gedaan;
- wijst de gemeente Sliedrecht aan als de rechtspersoon die
voormelde kosten moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. H.T.J.F. Verhappen, voorzitter van de
meervoudige kamer, en mrs.
J.C. Gerritse en L. de Loor-Alwin, rechters, en door de voorzitter
en mr. B. Hamburger, griffier, ondertekend.
Uitgesproken in het openbaar op: 23 maart 2001.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het
instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een
beroepschrift bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500
DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van
deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB1262 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Dordrecht |
| Zaaknummer: |
AWB
99/175 |
| Datum
uitspraak: |
23
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7
Abw
(= 11 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; Marokkanen |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de
Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat
ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag
worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de
uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn (eerste)
aanvraag voor een verblijfsvergunning. Er is i.c. geen sprake
van een op redelijke
en objectief te rechtvaardigen gronden gebaseerd onderscheid naar
nationaliteit, zodat betrokkene dient te worden gelijkgesteld
met een Nederlander. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Dordrecht AWB 99/175
U I T S P R
A A K
in de zaak van:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sliedrecht, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 6 juli 1998, kenmerk 10/84784, heeft verweerder de
uitkering van eiser krachtens de Algemene
bijstandswet (verder te
noemen: Abw) met ingang van 1 juli 1998 ingetrokken.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 juli 1998 een
bezwaarschrift als bedoeld in artikel
7:1, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ingediend bij
verweerder.
Bij besluit van 2 februari 1999, verzonden op 8 februari 1999,
kenmerk 990260 WEL, heeft verweerder de bezwaren van eiser
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 maart 1999,
ingekomen op 18 maart 1999, een beroepschrift ingediend bij de
arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de
rechtbank).
De zaak is op 13 februari 2001 behandeld door een meervoudige
kamer.
Eiser is niet ter zitting verschenen. Hij heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. J.J. Teeninga.
Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde mr. T.J.A.
Franssen, ambtenaar der gemeente.
2. Overwegingen
Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet, welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is
getreden. Tengevolge van het in werking treden van deze wet is
onder andere artikel 7 van de Abw
en met name het bepaalde in het
tweede lid gewijzigd.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het
eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (verder
te noemen: Vw).
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur
hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld
in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor toepassing van
deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen
waarin de vreemdeling na rechtmatig in Nederland verblijf te
hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft
aangevraagd dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating,
totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het
Besluit gelijkstelling
Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het
Gelijkstellingsbesluit)
wordt voor de toepassing van de Abw met een Nederlander
gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw:
a. vóór die beëindiging van dit verblijf een aanvraag
heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde
lid, en 33c van de Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel
6:11 van de Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt
of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de
zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de in het eerste lid bedoelde
gelijkstelling zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het
beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij
de uitzetting ingevolge de vreemdelingenwet of op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
Ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw genieten
vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf op grond
van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als
gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in
strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw bepaalt dat vreemdelingen
in Nederland slechts rechtmatig verblijf genieten in afwachting
van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette
toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel
op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van
een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege
dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de intrekking van
eisers uitkering krachtens de Abw per 1 juli 1998 gehandhaafd,
omdat eiser op die datum niet langer behoorde tot de kring van
belanghebbenden als bedoeld in artikel 7 van de
Abw en evenmin
onder de werking van het Gelijkstellingsbesluit viel. Verweerder
heeft voorts gesteld dat eisers beroep op artikel 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(verder te noemen: IVBPR) en op artikel 14 van het Europees verdrag
tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder te noemen:
EVRM)
juncto artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet opgaat.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij heeft daartoe gesteld
dat het bestreden besluit primair in strijd is met artikel 26 van
het IVBPR, subsidiair met artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1
Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser de
Marokkaanse nationaliteit heeft. Hij verblijft sinds 1990 in
Nederland. Eiser was op het in geding zijnde tijdstip in procedure
in verband met zijn eerste, in augustus 1996 ingediende aanvraag
voor een vergunning tot verblijf. Eiser was toen in afwachting van
een uitspraak op het door hem ingestelde beroep en het door hem
ingediende verzoek om voorlopige voorziening.
Eiser heeft vanaf 5 oktober 1997 van verweerder een uitkering
krachtens de Abw ontvangen. Daarvoor heeft hij tot mei 1994 in de
bouw gewerkt en heeft hij achtereenvolgens uitkeringen ingevolge
de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen.
Niet in geschil is dat eiser op de in geding zijnde datum viel
buiten de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de invoering
van de Koppelingswet geldt.
Eiser heeft zich primair beroepen op artikel 26 van het IVBPR, dat
luidt:
“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie
aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband
verbiedt de wet discriminatie naar welke aard dan ook en
garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen
discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur,
geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of
andere status”.
Met eiser is de rechtbank
van oordeel dat het door de Koppelingswet
gemaakte onderscheid dient te worden gekwalificeerd
als een onderscheid naar nationaliteit en niet, zoals verweerder
heeft betoogd, slechts naar verblijfsstatus. De sinds de invoering
van de Koppelingswet aan het recht op een uitkering krachtens de Abw
gekoppelde voorwaarde dat betrokkene een bepaalde
verblijfstitel bezit, kan naar haar aard slechts worden
tegengeworpen aan vreemdelingen. De toepassing ervan houdt
derhalve een rechtstreeks onderscheid naar nationaliteit in. Dat
niet alle vreemdelingen door dit onderscheid worden getroffen,
doet aan het voorgaande niet af.
De rechtbank
staat vervolgens voor de vraag of dit onderscheid
naar nationaliteit wordt gerechtvaardigd door redelijke en
objectief te rechtvaardigen gronden.
Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank
voorop dat
het feit dat er in de Koppelingswetbepalingen sprake is van
rechtstreeks onderscheid naar nationaliteit, één van de in artikel
26 van het IVBPR met name genoemde vormen van discriminatie,
betekent dat het primair aan de wetgever is de afwezigheid van
discriminatie en dus de aanwezigheid van redelijke en objectieve
gronden ter rechtvaardiging van dit onderscheid aan te tonen. Dit
betekent voorts dat zware eisen dienen te worden gesteld aan de
motivering van dit onderscheid. De rechtbank volgt hierin de
jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep
(verder te noemen:
CRvB) bij toetsing aan artikel 26 van het IVBPR, zoals deze bijvoorbeeld blijkt uit een uitspraak van de CRvB van 4 november
1993, AB 1994/213.
Blijkens de parlementaire stukken (Kamerstukken
II 1994-1995, 24 233, nr. 3)
worden met de Koppelingswet twee doeleinden nagestreefd.
1. Het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk
hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten
doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij
geen verblijfspositietoets wordt aangelegd. In de parlementaire
stukken is aangegeven dat het uitblijven van een horizontaal en
consequent gehanteerde verblijfspositietoets de realisering van
het principe van het geïntegreerde vreemdelingenbeleid, dat
inhoudt dat wie als vreemdeling in Nederland wil verblijven
toelating moet aanvragen en dat wie niet is toegelaten Nederland
onverwijld dient te verlaten, frustreert. Met dat beginsel is niet
te verenigen dat de vertrekplichtige vreemdelingen niettemin
uitkeringen, ontheffingen, verstrekkingen, voorzieningen en
dergelijke zouden kunnen verkrijgen, aldus de wetgever.
2. Het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen
een schijn van volkomen legaliteit kunnen verwerven. Daarmee
wordt, blijkens de parlementaire stukken, in het bijzonder gedoeld
op het verschijnsel dat in procedure zijnde vreemdelingen in de
loop van de procedure gaandeweg in staat blijken een zodanige
sterke rechtspositie op te bouwen, of de schijn van een dergelijke
positie, dat zij na afloop van de procedure zo goed als
onuitzetbaar blijken.
Naar het oordeel van de rechtbank
vormen deze doeleinden samen in
beginsel en in het bijzonder voor nieuwe gevallen redelijke en
objectieve gronden ter rechtvaardiging van het in de Koppelingswet
gemaakte onderscheid naar nationaliteit, waarbij de rechtbank er
uitdrukkelijk op wijst dat naar haar oordeel er alleen dan sprake
is van voldoende rechtvaardigingsgronden voor het tengevolge van
de Koppelingswet gemaakte onderscheid indien beide doeleinden aan
de orde zijn.
De rechtbank stelt evenwel vast dat er vreemdelingen zijn ten
aanzien van wie de weergegeven doeleinden niet beiden opgaan. Het
gaat om vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven in de
zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw alsmede
vreemdelingen die de uitspraak op het door hen ingestelde beroep
en/of verzoek om voorlopige voorziening op de één of andere wijze
in Nederland mogen afwachten en die voorts enerzijds, gelet op de
duur van hun verblijf in Nederland en op hun werk- en/of
uitkeringsgeschiedenis, reeds beschikken over de in de
parlementaire stukken aangeduide schijn van legaliteit en voor wie
anderzijds (nog) geen sprake is van de in de parlementaire stukken
aangeduide vertrekplicht, nu zij in procedure zijn in verband met
hun eerste aanvraag en (nog) niet zeker is dat hen geen
verblijfsrecht toekomt in Nederland. De rechtbank doelt in dit
verband niet op vreemdelingen die in procedure zijn in verband met
de afwijzing van een beslissing op een herhaalde aanvraag tot
voortgezet verblijf of toelating.
Voor de hierboven aangeduide vreemdelingen bevatten de
parlementaire stukken ook overigens onvoldoende argumenten ter
rechtvaardiging van het in de Koppelingswet
gemaakte onderscheid
naar nationaliteit. Geconcludeerd moet derhalve worden dat ten
aanzien van deze vreemdelingen geen sprake is van een op redelijke
en objectief te rechtvaardigen gronden gebaseerd onderscheid naar
nationaliteit, hetgeen in strijd moet worden geacht met artikel 26
van het IVBPR.
Eiser is een van de hiervoor aangeduide vreemdelingen.
Uit het voorgaande volgt dat de in deze zaak aan de orde zijnde
bepalingen van de Koppelingswet ten aanzien van eiser buiten
toepassing moeten blijven wegens strijd met artikel 26 van het
IVBPR. Het bestreden besluit kan om deze reden niet in stand
blijven en eisers beroep moet gegrond worden verklaard.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank
niet toe aan bespreking
van eisers subsidiaire grief.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder ingevolge
artikel 8:74, eerste lid, van de Awb
het door eiser in deze zaak
betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel
8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser
in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs
heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn begroot op ƒ1420,-.
Niet is gebleken dat eiser andere proceskosten heeft moeten maken.
De rechtbank beslist als volgt.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Dordrecht:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de gemeente Dordrecht het door eiser betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met
de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten
maken, welke kosten worden begroot op ƒ1420,- ter zake van door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst de gemeente Dordrecht aan als de rechtspersoon die voormelde
kosten moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. H.T.J.F. Verhappen, voorzitter van de
meervoudige kamer, en mrs.
J.C. Gerritse en L. de Loor-Alwin, rechters, en door de voorzitter
en mr. B. Hamburger, griffier, ondertekend.
Uitgesproken in het openbaar op: 23 maart 2001.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het
instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een
beroepschrift bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500
DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van
deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB1309 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/799 NABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
25
april 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
20,
24 en 68 Abw
(= 50, 48
Wwb en 4:3
Awb) / 6:2
Awb |
| Trefwoorden: |
krediethypotheek;
niet vrij te laten ander vermogen; geldlening; overeenstemming
over taxateur |
| Essentie: |
Terechte
verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening waarbij
rechtmatig is afgezien van het vestigen van een
krediethypotheek, omdat sprake is van niet vrij te laten ander
vermogen. Het beroep is echter gegrond, daar de gemeente heeft
verzuimd met betrokkene te overleggen over de aan te wijzen
taxateur. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 00/799 NABW
V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders,
gemachtigde: mr. F.J. Veenstra.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 3 juli 2000 het bezwaar van
eiseres van 29 oktober 1998 tegen hun besluit van 25 september
1998 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 6 augustus
2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep
ingesteld.
Verweerders hebben op 17 augustus 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank
toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 februari 2001 heeft eiseres de rechtbank het
advies van haar rechtskundig adviseur doen toekomen.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 9 maart 2001.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen en is bijgestaan door de
heer J.W.C. de Boer.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. F.J.
Veenstra.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten en standpunten van partijen
Over de periode van 1 juli 1996 tot 1 november 1997 heeft eiseres
van verweerders een uitkering ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw). Omdat eiseres de door haar bewoonde woning in
eigendom heeft, is in het toekenningsbesluit van 23 september 1996
aan de uitkering de voorwaarde verbonden dat eiseres, indien
daartoe aanleiding mocht zijn, haar medewerking verleent aan het
vestigen van een krediethypotheek.
Op 15 januari 1997 is door de Dienst SOZAWE aan de Dienst
Informatie en Administratie, afdeling taxaties (DIA), een opdracht
tot taxatie van de woning van eiseres gegeven. Naar aanleiding van
de taxatie op 1 april 1997 is de waarde van de woning vastgesteld op ƒ102.000,- en de waarde van het (niet vrij te laten) vermogen van
eiseres op ƒ24.695,68.
Bij besluit van 25 september 1998 hebben verweerders bepaald dat
de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 juli 1996
tot en met 11 juli 1997, ter hoogte van een bedrag van ƒ24.695,68, de vorm heeft van een geldlening. Verweerders hebben
hierbij besloten af te zien van het vestigen van een
krediethypotheek, omdat de uitkering van eiseres op dat moment
reeds was beëindigd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 29 oktober 1998 een
bezwaarschrift ingediend.
Op 11 april 2000 heeft de directeur Ondersteuning van de Dienst
SOZAWE verweerders geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Eiseres is naar aanleiding van haar bezwaarschrift op 8 juni 1999
alsmede - na nadere rapportage door de Dienst SOZAWE in verband met
haar schuldpositie - op 30 mei 2000 gehoord door de
bezwaarschriftencommissie. Deze heeft verweerders geadviseerd te
handelen conform het advies van de directeur Ondersteuning.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit het bezwaar
ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren
gebracht dat verweerders niet bevoegd zijn de bijstandsuitkering
te verstrekken als een geldlening; deze is haar immers toegekend
onder de voorwaarde van een eventuele krediethypotheek en een
krediethypotheek wordt in de Abw uitdrukkelijk onderscheiden van
een geldlening (artikel 20 Abw, respectievelijk
artikel 24 Abw).
Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het besluit om de bijstand als
een geldlening te verstrekken dermate lang op zich heeft laten
wachten dat verweerders hiermee in strijd met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur handelen.
Ten slotte maakt eiseres bezwaar tegen de getaxeerde waarde van de
woning.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij op goede gronden
een deel van de verstrekte bijstand als geldlening hebben
aangemerkt. Een krediethypotheek is immers een geldlening onder
verband van hypotheek en door afstand te doen van het
(verdergaand) recht om een hypotheek te vestigen, doen verweerders
geen afstand van het (minder vergaand) recht om de bijstand als
een geldlening te verstrekken.
Verweerders zijn voorts van mening dat hun recht om de bijstand
als een geldlening te verstrekken niet is vervallen door het feit
dat het betreffende besluit lang op zich heeft laten wachten; dit
is onder meer te wijten aan systeemtechnische problemen en het
feit dat de DIA de aanvraag voor een taxatie in eerste instantie
niet heeft ontvangen.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere
Nederlander
die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Krachtens artikel 20, eerste lid, Abw
heeft de belanghebbende die
eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met
bijbehorend erf recht op bijstand voor zover tegeldemaking,
bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel,
van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in
redelijkheid niet kan worden verlangd. Op grond van het tweede lid
van dit artikel heeft de bijstand - indien aan een aantal
voorwaarden is voldaan - de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het
Besluit
krediethypotheek bijstand is de geldlening ten hoogste de waarde
van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering,
verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te
laten vermogen als bedoeld in artikel 20, derde lid,
Abw.
Krachtens artikel 2, tweede lid, van het
Besluit
krediethypotheek bijstand vindt ter vaststelling van de waarde van de woning
taxatie plaats door een beëdigd taxateur voor onroerende zaken
die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de
belanghebbende wordt aangewezen.
Beoordeling van het geschil
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat
verweerders artikel 20 Abw
ten grondslag hebben gelegd aan hun
besluit om een gedeelte van de aan eiseres betaalde bijstand in de
vorm van een geldlening te verstrekken. Dit artikel maakt het
mogelijk bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening onder
verband van hypotheek, oftewel een krediethypotheek.
Met verweerders is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit
dat verweerders hebben afgezien van het vestigen van een hypotheek niet met zich brengt dat de bijstand op grond van
genoemd artikel niet in de vorm van een geldlening kan worden
verstrekt; verweerders hebben slechts afstand gedaan van hun recht
op zekerheid voor deze geldlening.
De rechtbank stelt voorts vast dat verweerders in het onderhavige
geval in twee fasen op de bijstandsaanvraag van eiseres hebben
beslist. Bij besluit van 23 september 1996 hebben zij aan eiseres
een uitkering toegekend, doch hierbij in afwachting van de taxatie
van de woning voorlopig in het midden gelaten in welke vorm deze
zou worden verleend. Op 25 september 1998 hebben verweerders
vervolgens besloten dat de verstrekte bijstand over de periode van
1 juli 1996 tot en met 11 juli 1997 de vorm heeft van een
geldlening.
Ingevolge artikel 68, eerste lid, Abw
dienen verweerders binnen
acht weken na ontvangst van de aanvraag vast te stellen of er
recht op bijstand bestaat. Het vaststellen van de vorm waarin de
uitkering wordt verleend, moet als een wezenlijk onderdeel van het
vaststellen van het recht op bijstand worden beschouwd. Gelet
hierop is in casu eerst na plusminus twee jaar een volledige
beslissing genomen op de aanvraag van eiseres, waardoor de
beslistermijn ruim is overschreden.
Daar ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b,
Awb het niet tijdig
beslissen voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over
bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, had eiseres
vanaf het moment van overschrijden van de beslistermijn de
mogelijkheid hiertegen bezwaar en vervolgens beroep aan te
tekenen. Hoewel onbenut gelaten, brengt deze mogelijkheid met zich
mee dat eiseres zich in het kader van het onderhavige beroep niet
met succes kan beroepen op het feit dat het besluit d.d. 25 september 1998 te lang op zich heeft laten wachten; zij had
hiertegen reeds lang kunnen opkomen.
Met betrekking tot het taxeren van de woning van eiseres overweegt
de rechtbank ten slotte het volgende.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het
Besluit
krediethypotheek bijstand dient de waarde van een woning te worden vastgesteld door
een taxateur die door verweerders in overeenstemming met de
belanghebbende is aangewezen. In casu hebben verweerders de DIA
opdracht gegeven tot taxatie. Nu de rechtbank niet is gebleken dat
zij hierover hebben overlegd met eiseres, hebben zij in strijd met
genoemd wettelijk voorschrift gehandeld. Dit is reden voor de
rechtbank om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden
besluit te vernietigen.
Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dient ingevolge
artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden
bepaald dat het
door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente
Groningen aan haar wordt vergoed.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van verweerders van
3 juli 2000;
- bepaalt dat de gemeente Groningen
eiseres het
betaalde griffierecht ad ƒ60,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door deze uitgesproken
op 25 april 2001, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als
griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 25 april 2001.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|