| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Awb / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB1315 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6377
NABW |
| Datum
uitspraak: |
27
februari 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
8:75 Awb |
| Trefwoorden: |
proceskostenveroordeling
bestuursorgaan |
| Essentie: |
Terechte
proceskostenveroordeling van de gemeente door de rechtbank,
omdat de CRvB het uitgangspunt
hanteert dat, indien de rechtbank een bestreden besluit
vernietigt, het bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten
behoort te worden veroordeeld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/6377
NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Noordwijkerhout, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Den Haag op 12 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Bij brief van 6 januari 2000 heeft mr. E.H. de Milliano-Machielse,
advocaat te Katwijk, zich als gemachtigde van gedaagde gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 januari 2001, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Houtsma, werkzaam bij de gemeente
Noordwijkerhout, terwijl gedaagde en haar gemachtigde met
voorafgaand bericht niet zijn verschenen.
II. Motivering
De Raad verwijst voor een meer uitvoerige
weergave van de feiten naar de aangevallen uitspraak en volstaat met de
vermelding van de in hoger beroep van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Bij besluit van 13 augustus 1998 heeft appellant onder meer het recht
van gedaagde op een bijstandsuitkering over de periode van 1 januari
1994 tot 1 juli 1998 herzien en een bedrag van
ƒ31.291,23 als ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd. Bij
besluit van 22 december 1998 zijn de tegen het primaire besluit van 13
augustus 1998 ingediende bezwaren deels gegrond en deels ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft, voor zover hier
van belang, het namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van
22 december 1998 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat
de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven en appellant veroordeeld in
de proceskosten van gedaagde ad ƒ1420,-. De rechtbank is, onder
verwijzing naar 's Raads uitspraak van 27
juli 1999, onder meer gepubliceerd in RSV 1999/255, tot het oordeel
gekomen dat aan het besluit van 22 december 1998, voor zover dit
betrekking heeft op perioden vóór 1 juli 1997, ten onrechte bepalingen
van de Algemene bijstandswet (Abw), zoals
die luiden sinds 1 juli 1997 ten grondslag zijn gelegd en dat dit
besluit dient te worden vernietigd wegens het ontbreken van een
deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank heeft voorts aanleiding
gevonden met toepassing van artikel 8:72,
derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit in stand te laten, omdat zij van oordeel is dat
appellant op grond van de vóór 1 juli 1997 toepasselijke bepalingen
van de Algemene Bijstandswet en de Abw bevoegd was om tot de in dit
besluit vervatte herziening en terugvordering over te gaan.
In hoger beroep keert appellant zich uitsluitend tegen de beslissing van
de rechtbank ter zake van de
proceskosten. Appellant acht deze veroordeling in de kosten
onbegrijpelijk en meent dat de rechtbank ongemotiveerd en in strijd met
de redelijkheid en billijkheid tot deze beslissing is gekomen. In dit
verband heeft appellant erop gewezen dat niet is gebleken dat de
onjuiste wettelijke grondslag van het besluit op bezwaar de aanleiding
is geweest voor het instellen van beroep en dat toepassing van de juiste
bepalingen niet heeft geleid tot een inhoudelijk ander besluit. Voorts
acht appellant de proceskostenveroordeling in strijd met de
rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid en heeft hij in dat verband
verwezen naar ’s Raads
eerder genoemde uitspraak van 27 juli 1999.
De Raad
overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van
de
Awb - voor zover hier van belang - is de rechtbank
bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een
andere partij in verband met de behandeling van het beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken.
Blijkens onder meer zijn uitspraak van 27 februari 1997, gepubliceerd in
Rawb 97/140, hanteert de Raad
bij de beoordeling van de toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, van de Awb door de
rechtbank
het uitgangspunt
dat, indien de rechtbank een bestreden besluit vernietigt, het
bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten behoort te worden
veroordeeld. Slechts in uitzonderlijke gevallen is afwijking van dit
uitgangspunt gerechtvaardigd.
De Raad
ziet geen aanleiding om de door de rechtbank
uitgesproken proceskostenveroordeling, welke met dit uitgangspunt in
overeenstemming is en om die reden ook geen nadere motivering behoeft,
voor onjuist te houden. Voorts is de Raad van oordeel dat de
omstandigheid dat gedaagde niet zelf bezwaar heeft gemaakt tegen de
onjuiste wettelijke grondslag van het bestreden besluit en dat dit
besluit niettemin gerechtvaardigd is gebleken indien daarbij op de
juiste bepalingen acht wordt geslagen niet zodanig uitzonderlijk is dat
- in afwijking van voormeld uitgangspunt - een proceskostenveroordeling
achterwege moest blijven. Hierbij tekent de Raad aan dat zijn hiervoor
genoemde uitspraak van 27 juli 1999 in dit verband niet maatgevend is.
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor zover
aangevochten voor bevestiging in aanmerking.
III. Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
bepaalt dat van de gemeente
Noordwijkerhout een recht van
ƒ675,-
wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van
den Hurk en
mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27
februari 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB1608 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Haarlem |
| Zaaknummer: |
AWB 00-8725 NABW H V00 G14 Kv en 00-8726 NABW H V00 G14 Kv |
| Datum
uitspraak: |
17 januari 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
11
en 17
Abw
(= 16 en 15
Wwb) /
7:12, 8:85
en 8:86
Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
onrechtmatig verblijf; bijstand voor kind; dringende redenen;
voorliggende voorziening; ondertoezichtstelling; mishandeling;
Blijf-van-mijn-lijfhuis; Bureau Jeugdzorg; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing van bijstand voor de zoon van betrokken niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdende vreemdeling, omdat
sprake is van dringende redenen nu onder meer is gebleken dat
moeder en kind zijn mishandeld door de ex-echtgenoot en niet
aannemelijk zal zijn dat tot ondertoezichtstelling, zijnde een
voorliggende voorziening, zal worden overgegaan. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Haarlem AWB 00-8725
NABW H V00 G14 Kv en 00-8726 NABW H V00 G14 Kv
U I T S P R
A A K
op een verzoek om voorlopige voorziening (artikel 8:81
Awb) en tevens in de hoofdzaak (artikel 8:86
Awb) in de zaak van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A.M. Ansink, advocaat te Zaandam,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zaanstad, verweerder.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster]
respectievelijk B&W Zaanstad.
1. De loop van het geding
Voor de loop van het geding verwijst de president naar de volgende
zich in het griffiedossier bevindende stukken, partijen bekend:
het verzoekschrift van 7 december 2000, met bijlagen,
het beroepschrift van 7 december 2000, met bijlagen,
de door B&W Zaanstad overgelegde op het geding betrekking
hebbende stukken,
de door de gemachtigde van [verzoekster] op 15 en 16 januari 2001
nader in geding gebrachte stukken,
het verhandelde ter zitting op 17 januari 2001, alwaar
[verzoekster] in persoon is verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde voornoemd. B&W Zaanstad is verschenen bij mr. Ph.
Arnold.
2. De vaststaande feiten
Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting stelt de president in dit geding de volgende
feiten vast:
a. [verzoekster] verblijft sedert 19 juni 1996 in
Nederland. Zij is gehuwd geweest met de heer [ex-echtgenoot]
(Nederlandse nationaliteit) en beschikte destijds over een
vergunning tot verblijf in het kader van gezinshereniging. Uit het
huwelijk is op [datum] 1994 een zoon geboren. De zoon (hierna:
[zoon]) heeft de Nederlandse nationaliteit. In november 1997 is
[verzoekster] met haar zoon vertrokken uit de echtelijke woning en
heeft zij haar toevlucht gezocht in het [opvangcentrum]. Per 21
augustus 1998 is het huwelijk ontbonden.
b. Tot 7 november 1998 was [verzoekster] in het bezit
van een verblijfsvergunning met als doel het vinden van arbeid in
loondienst. Een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning
is bij besluit van 8 april 1999 afgewezen en het daartegen
ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Op 7 juli 2000 heeft
[verzoekster] een nieuwe aanvraag ingediend om een vergunning tot
verblijf om humanitaire redenen (in verband met de zorg voor een
minderjarig kind en het gevoerde beleid ter zake van mishandelde
vrouwen). De aanvraag is buiten behandeling gesteld wegens het
ontbreken van een machtiging voorlopig verblijf. Hiertegen is
bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend, welke nog
niet zijn behandeld.
c. B&W Zaanstad heeft de bijstandsuitkering van
[verzoekster] met ingang van 1 mei 2000 beëindigd wegens het niet
beschikken over een geldig verblijfsdocument.
d. Op 14 juni 2000 heeft [verzoekster] een aanvraag
ingediend om bijstand ter voorziening in de noodzakelijke
bestaanskosten ten behoeve van haar minderjarige zoon. Deze
aanvraag is bij besluit van 29 juni 2000 afgewezen. Bij besluit op
bezwaar van 16 november 2000, verzonden 23 november 2000 (hierna:
het bestreden besluit) zijn, onder wijziging van de gronden, de
bezwaren ongegrond verklaard.
3. Het verzoek om een voorlopige voorziening
[Verzoekster] verzoekt de president het bestreden
besluit met onmiddellijke ingang te schorsen en te bepalen dat aan
[verzoekster] op en na 7 december 2000 bijstand wordt toegekend
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ten behoeve van haar
zoon.
B&W Zaanstad heeft getoetst of er zeer dringende
reden op grond van artikel 11 Abw zijn om tot
bijstandverlening
over te gaan. B&W Zaanstad stelt allereerst dat, nu er
aanleiding is voor een maatregel van justitiële
kinderbescherming, er vanuit een oogpunt van bijstandverlening
geen sprake kan zijn van zeer dringende redenen. Voorts stelt
B&W Zaanstad dat, gelet op de handhaving van het ouderlijk
gezag na echtscheiding, het financieel onvermogen van
[verzoekster] geen dringende reden kan opleveren. B&W Zaanstad
wijzen erop dat de beschuldigingen van mishandeling door de vader
op geen enkele wijze met bewijzen wordt gestaafd en [verzoekster]
ook akkoord is gegaan met het in stand laten van het gezamenlijke
ouderlijke gezag.
[Verzoekster] stelt dat het bestreden besluit geen
stand kan houden. Volgens [verzoekster] is B&W Zaanstad ten
onrechte tot de conclusie gekomen dat zeer dringende redenen die
tot bijstandverlening nopen, ontbreken. In tegenstelling tot
hetgeen B&W Zaanstad stelt, is er volgens [verzoekster] geen
aanleiding voor het treffen van een maatregel van justitiële
kinderbescherming. Door het Bureau Jeugdzorg is aangegeven dat er
geen sprake kan zijn van de dergelijke maatregel omdat in dit
geval de moeder ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt
treft. Wat betreft de positie van de vader wijst [verzoekster] op
de verklaring van het Blijf-van-mijn-lijfhuis en Bureau Jeugdzorg
Zaanstreek/Waterland. Zij voert verder aan dat zij zich uit angst
voor een reactie niet tegen de gezagskwestie en de omgangsregeling
heeft durven verzetten en er bovendien van uitging dat het slechts
papieren afspraken zouden zijn omdat de vader in wezen nooit
belangstelling heeft getoond voor zijn zoon. Zij wijst erop dat
de vader de afgelopen twee en een half jaar geen contact heeft
gezocht met zijn zoon en evenmin anderszins van belangstelling
blijk heeft gegeven. [Verzoekster] meent daarmee genoegzaam
duidelijk te hebben gemaakt dat er sprake is geweest van
mishandeling van het kind en contacten met de vader de belangen
van het kind zouden kunnen schaden.
4. Beoordeling van het verzoek
Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak
Ingevolge artikel 8:81 van de
Awb kan de president van
de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86
Awb heeft de president na
behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige
voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van
de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
De president, gehoord partijen, is van oordeel dat in
dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de hoofdzaak, zodat in zoverre geen beletsel
bestaat voor toepassing van artikel 8:86
Awb.
Overwegingen
De president stelt voorop dat B&W Zaanstad de
voorliggende aanvraag terecht heeft getoetst aan artikel 11
Abw.
Dit artikel geeft de bevoegdheid aan B&W Zaanstad om ten
behoeve van [zoon], waarvan vaststaat dat hij geen zelfstandig
recht op bijstand heeft, financiële steun te verlenen wanneer
zich daartoe dringende redenen voordoen.
Het geschil spitst zich hier allereerst toe op de
vraag of de aanwezigheid van een veronderstelde voorliggende
voorziening, namelijk een maatregel van justitiële
kinderbescherming, aan bijstandverlening in de weg staat. De
president is van oordeel dat aard en doel van deze maatregel tot
gevolg heeft dat hier niet van een aan de bijstand als passend en
toereikend te beschouwen voorliggende voorziening kan worden
gesproken. Bovendien is de toepassing van deze maatregel niet
daadwerkelijk aangewend en is op grond van de overgelegde
informatie ook niet aannemelijk dat tot ondertoezichtstelling zal
worden overgegaan. Er kan daarom niet gesproken worden van een
voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17
Abw.
De president ziet zich voorts gesteld voor de vraag of
in dit geval de handhaving van het gezamenlijke ouderlijke gezag -
en dus de mogelijkheid tot het (mede) kunnen bijdragen aan de
opvoeding/verzorging door de vader - aan bijstandverlening in de
weg staat. B&W Zaanstad stellen niet zomaar op de verklaringen
van de moeder te kunnen afgaan, zonder de vader daarbij te
betrekken. B&W Zaanstad meent in dit verband dat [verzoekster]
haar bewering dat de vader zich schuldig heeft gemaakt aan
mishandeling op geen enkele wijze met bewijzen heeft ondersteund.
B&W Zaanstad acht daarbij met name van belang dat
[verzoekster] geen aangifte heeft gedaan van mishandeling.
De president kan B&W Zaanstad hierin niet volgen.
Het komt de president op grond van de voorhanden zijnde
verklaringen van het [opvangcentrum] en het Bureau Jeugdzorg wel
aannemelijk voor dat er sprake is geweest van een situatie van
mishandeling. De president neemt daarbij in aanmerking dat
[verzoekster] en haar zoon, zo blijkt uit de verklaring van 28
juli 2000 van het [opvangcentrum], daar met behulp van de politie
zijn binnengekomen. In zoverre kan, naar het oordeel van de
president van [verzoekster] en haar zoon niet in redelijkheid
gevergd worden dat er contact wordt gezocht met de vader. Dat de
vader niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit is
betrokken, mag [verzoekster] niet worden tegengeworpen. De
president merkt verder op aan de instandlating van het gezamenlijk
gezag over het kind niet die betekenis toe te kennen als
verweerder doet. Op grond van de thans geldende wettelijke
bepalingen is de instandlating van het gezamenlijke gezag door
beide ouders regel en wordt slechts bij uitzondering anders
beslist. Ook dient in de afweging te worden betrokken het gegeven
dat de vader al geruime tijd geen contact heeft gezocht met zijn
zoon en ook anderszins niet heeft laten blijken belangstelling te
hebben voor zijn zoon.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het bestreden
besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag
gelegde motivering en op grond van artikel
7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.
De president overweegt voorts dat toepassing van
artikel 11 Abw aan de orde kan zijn indien vaststaat dat sprake is
van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden op geen
enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van de
bijstand onvermijdelijk is. De president tekent daarbij aan dat
blijkens de memorie van toelichting het ontbreken van de noodzakelijke middelen om in
het bestaan te voorzien op zich nog geen dringende redenen
oplevert.
Vaststaat dat [verzoekster] niet beschikt over
voldoende middelen. Haar bijstandsuitkering is ingaande 1 mei 2000
beëindigd omdat zij niet (langer) rechtmatig verblijf hield in
Nederland in de zin van artikel 1b van de Vreemdelingenwet. Zij
kan op diezelfde grond evenmin aanspraak maken op kinderbijslag
voor [zoon]. Het is [verzoekster] ook niet toegestaan in Nederland
te werken en dus is zij niet in staat zelf inkomen te genereren.
Voorts is gesteld - en niet weersproken - dat de vader geen
draagkracht heeft. Hij ontvangt een bijstandsuitkering, zodat een
vordering tot alimentatie geen kans van slagen heeft. Zoals
hiervoor overwogen, kan in verband met [zoon]’s belangen niet
gevergd worden dat de vader in de opvoeding/verzorging wordt
betrokken en is dit naar moet worden aangenomen ook feitelijk niet
aan de orde. Ter zitting is verder gebleken dat [verzoekster] en
haar zoon vanaf mei 2000 hebben geleefd van door een
maatschappelijk werkster ingezamelde giften van kerken. Deze
giften zullen in de loop van deze maand worden stopgezet.
De president constateert dat [verzoekster] en haar
zoon al geruime tijd in behoeftige omstandigheden verkeren en tot
op heden in staat zijn geweest via giften de allerbenodigste
levensbehoeften te verkrijgen. Het stopzetten van die giften zal
naar verwachting voor [zoon] een bedreigende situatie opleveren.
Uit de verklaring van mevrouw Beuk van het Bureau Jeugdzorg van 28
augustus 2000 begrijpt de president verder dat een hulpaanbod
(daarbij wordt gedacht aan gespecialiseerde gezinsverzorging en
deelname van [zoon] aan het project “Spel aan huis”) voor
[zoon]s ontwikkeling onontbeerlijk is, maar dit alleen kans van
slagen heeft wanneer er een stabiele situatie voor [zoon] en zijn
moeder ontstaat en daarvoor is nodig dat het gezin over financiële
middelen beschikt. Bovendien kan op korte termijn geen concreet
behandelaanbod worden gedaan omdat daartoe de middelen
(ziektekostenverzekering) ontbreken.
De concrete omstandigheden in ogenschouw nemend, komt
het de president voor dat in de onderhavige situatie artikel 11
Abw
in casu toepasbaar lijkt. De president neemt daarbij tevens in
aanmerking dat, gelet op de aannemelijke mishandeling van moeder
en kind, de kans van slagen in de vreemdelingenrechtelijke
procedure tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, gelet op
het thans bestaande beleid, bepaald niet kansloos moet worden
geacht. Verondersteld mag worden dat de verblijfsrechtelijke
procedure binnen niet al te lange tijd zal zijn afgerond.
De president ziet hierin aanleiding met toepassing van
het bepaalde in artikel 8:85,
tweede lid, aanhef en onder
c, van de Awb te bepalen dat ten behoeve van [zoon] bij wijze van voorlopige
voorziening bijstand wordt toegekend zoals hieronder in het dictum
aangegeven.
5. Beslissing
De president:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit van 16 november 2000;
verstaat dat verweerder een nieuw besluit neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
draagt verweerder op ten behoeve van [zoon] met ingang
van de datum van deze uitspraak bij wijze van voorlopige
voorziening bijstand te verlenen overeenkomstig de norm als
bepaald in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Abw, tot
uiterlijk zes weken na de datum van het nieuw te nemen besluit op
bezwaar;
veroordeelt verweerder in de kosten van het geding,
aan de zijde van [verzoekster] begroot op ƒ1420,-, te betalen
door de gemeente
Zaanstad
aan de griffier;
gelast dat de gemeente Zaanstad het door [verzoekster]
betaalde griffierecht van ƒ60,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gewezen door mr. F.F.W. Brouwer, fungerend
president, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2001, in
tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Deze uitspraak betreft zowel het verzoek om voorlopige voorziening
als de bodemzaak. Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige
voorziening staat geen hoger beroep open. Wel kan hoger beroep
worden ingesteld tegen deze uitspraak voor zover die ziet op de
bodemzaak, door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA te Utrecht, binnen zes
weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van deze
uitspraak door de griffier.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB1792 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
00/362
NABW |
| Datum
uitspraak: |
23
januari 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
6,
13, 39, 69,
81 en 84
Abw (= 5,
11, 35, 54,
58 en 59
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; maandlasten hypotheek; woonkostentoeslag; woonlasten;
intrekking bijzondere bijstand; terugvordering; aanwending voor
ander doel; besteding; hoofdelijke aansprakelijkheid;
onverschuldigde betaling |
| Essentie: |
Terechte
intrekking en terugvordering bijzondere bijstand wegens het niet
aanwenden van de woonkostentoeslag (ƒ2579,74
per maand voor hypotheeklasten totdat de woning - binnen één
jaar - zou zijn verkocht) voor het doel waarvoor deze was
verleend. Zowel betrokkene als haar ex-partner zijn hoofdelijk
aansprakelijk. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 00/362 NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Epe,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 29 februari 2000.
2. Feiten
Bij besluit van 16 juni 1998 heeft verweerder aan eiseres en haar
toenmalige partner, de heer [ex-partner] (hierna: [ex-partner]),
met ingang van 1 maart 1998 algemene bijstand toegekend naar de
norm voor gehuwden. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder
tevens aan eiseres en [ex-partner] met ingang van 1 maart 1998,
voor de duur van maximaal één jaar, periodieke bijzondere
bijstand ter voorziening in de hoge woonlasten (woonkostentoeslag)
toegekend tot een bedrag van ƒ2579,74 per maand.
Bij brief van 28 juli 1999 heeft de Rabobank Apeldoorn verweerder
medegedeeld dat sedert 30 januari 1998 geen maandelijkse
betalingen zijn verricht op de door deze bank aan eiseres en
[ex-partner] verstrekte hypothecaire geldlening.
Bij besluit van 16 augustus 1999 heeft verweerder:
voormeld besluit tot toekenning van bijzondere bijstand ter
voorziening in de woonlasten over de periode van 1 maart 1998 tot
en met 28 februari 1999 ingetrokken;
de als gevolg van deze intrekking ten onrechte ontvangen bijstand
ten bedrage van ƒ30.956,88 teruggevorderd van eiseres;
van eiseres een bedrag van ƒ2592,- teruggevorderd ter zake van
ten onrechte betaalde bijstand over de periode 1 maart 1999 tot en
met 31 maart 1999, aangezien over die periode abusievelijk de
bijzondere bijstand in de woonlasten is doorbetaald.
Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij het thans
bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond
verklaard.
3. Procesverloop
Namens eiseres heeft mr. F.J. Bosma, advocaat te Apeldoorn, beroep
ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een
verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 24 oktober 2000, waar
eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bosma
voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mevrouw G.H. Knoef.
4. Motivering
4.1. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of verweerder
terecht is overgegaan tot intrekking van het besluit tot
toekenning van periodieke bijzondere bijstand ter voorziening in
de woonlasten c.q. woonkostentoeslag.
Verweerder heeft deze intrekking bij het primaire besluit van 16
augustus 1999 gebaseerd op artikel 69,
derde lid, onderdeel b, van de
Algemene bijstandswet (Abw) en
daarbij overwogen dat de woonkostentoeslag niet is aangewend voor
het doel waarvoor deze is verleend, namelijk het voldoen aan de
maandelijkse hypothecaire betalingsverplichtingen aan de Rabobank.
Eiseres heeft aangevoerd dat in de beschikking tot toekenning van
de woonkostentoeslag verschillende voorwaarden zijn opgenomen,
doch niet de voorwaarde dat deze bijstand daadwerkelijk moet
worden besteed aan het verrichten van betalingen aan de Rabobank.
Daarbij komt nog, aldus eiseres, dat de werkelijke woonlasten
ƒ3816,68 bedroegen, zodat de woonkostentoeslag niet toereikend
was om de bank te kunnen betalen. Voorts heeft eiseres gesteld dat
feitelijk de betalingen aan de Rabobank wel zijn verricht, zij het
op een later tijdstip, namelijk in mei 1999 door middel van
verrekening met de opbrengst uit de verkoop van de woning.
De rechtbank overweegt als
volgt.
Ingevolge artikel 6, onderdeel b,
van de
Abw wordt verstaan onder bijzondere
bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere
omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke
kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet
en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de
Abw heeft de alleenstaande of het
gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt
over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan
en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm
en de aanwezige draagkracht.
In artikel 69, derde lid, van de Abw
is bepaald dat een besluit tot toekenning van bijstand wordt
herzien of ingetrokken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting als bedoeld in artikel 65,
eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is verleend.
Ingevolge artikel 69, vijfde lid, van de
Abw kan, indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking worden afgezien.
Bijzondere bijstand op grond van artikel 39,
eerste lid, van de
Abw wordt, zoals verweerder terecht
heeft gesteld, steeds verleend voor een specifiek doel, namelijk
ter voorziening in specifieke kosten welke worden aangemerkt als
bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Zodanige
bijzondere bijstand wordt derhalve niet ter vrije besteding
verleend. Wordt de bijzondere bijstand in een voorkomend geval
niet aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend maar voor
een ander doel, dan kunnen de kosten waarvoor de bijstand is
verleend naar het oordeel van de rechtbank
achteraf gezien niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten
van het bestaan. In dat geval moet dan worden geconcludeerd dat de
bijzondere bijstand ten onrechte is verleend.
In het onderhavige geval is de bijzondere bijstand c.q.
woonkostentoeslag verleend ter (gedeeltelijke) voorziening in de
maandelijkse woonlasten voortvloeiend uit de hypothecaire
betalingsverplichtingen van eiseres en [ex-partner] aan de
hypotheekhouder, in dit geval de Rabobank te Apeldoorn. Het staat
vast dat de woonkostentoeslag in de periode waarvoor deze is
toegekend in het geheel niet voor dat doel is aangewend en
kennelijk aan andere zaken is besteed. Gelet hierop moet - in het
licht van hetgeen hiervoor in algemene zin is overwogen - worden
geoordeeld dat de maandelijkse hypothecaire verplichtingen
achteraf gezien niet behoorden tot de noodzakelijke kosten van het
bestaan van eiseres en [ex-partner]. Dat in mei 1999 alsnog de
verschuldigde maandelijkse termijnen aan de bank zijn betaald door
verrekening met de opbrengst van de verkoop van de woning, maakt
dit niet anders.
Nu de opbrengst van de verkoop hiervoor is aangewend, kan niet
worden gezegd dat de verstrekte bijzondere bijstand alsnog bij de
verkoop van de woning is aangewend ter voorziening in de
woonlasten.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bijzondere bijstand
c.q. woonkostentoeslag ten onrechte is verleend en wel “anderszins”
als bedoeld in artikel 69, derde lid,
aanhef en onder b, van de Abw. Het toekenningsbesluit dient dan ook in
beginsel op grond van deze bepaling te worden ingetrokken.
De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van het
toekenningsbesluit met ingang van een in het verleden liggend
tijdstip in dit geval niet in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel is te achten. De rechtbank overweegt
daartoe dat eiseres en [ex-partner] redelijkerwijs hadden kunnen
begrijpen dat de woonkostentoeslag diende te worden besteed aan de
voldoening van de maandelijkse hypothecaire verplichtingen aan de
bank, aangezien de toeslag onmiskenbaar juist voor dat doel werd
toegekend. Dat in het toekenningsbesluit niet een uitdrukkelijk
daarop toegespitste voorwaarde is opgenomen, kan aan dit oordeel
niet afdoen. Voorts is in dit verband niet van belang dat het
bedrag van de woonkostentoeslag lager was dan het bedrag van de
maandelijkse woonlasten.
Van het bestaan van dringende redenen als bedoeld in artikel
69,
vijfde lid, van de Abw
is de rechtbank niet gebleken. Verweerder
is derhalve terecht op grond van artikel 69, derde lid, onderdeel b,
van de Abw
overgegaan tot intrekking van het toekenningsbesluit.
De bij het bestreden besluit door verwijzing naar het advies van
de bezwaarcommissie gegeven aanvullende motivering, inhoudende dat
eiseres en [ex-partner] de inlichtingenplicht hebben geschonden
door niet aan verweerder mede te delen dat de woonkostentoeslag
aan andere doelen werd besteed, kan hier verder buiten beschouwing
blijven.
4.2. Aan de orde is vervolgens het besluit tot terugvordering van
de als gevolg van het intrekkingsbesluit ten onrechte ontvangen
bijstand. Eiseres is van mening dat verweerder deze bijstand niet
van haar, maar uitsluitend van [ex-partner] dient terug te
vorderen. De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de
Abw
wordt bijstand die
als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de
belanghebbende teruggevorderd.
Uit artikel 84, eerste en derde lid, in verbinding met
artikel 13,
tweede lid, van de Abw
vloeit voort dat personen aan wie bijstand
als gezinsbijstand is verleend hoofdelijk aansprakelijk zijn voor
de terugbetaling indien deze bijstand ten onrechte is verleend.
Op grond van artikel 78, derde lid, van de
Abw
kan, indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk
van terugvordering worden afgezien.
De onderhavige bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag is aan
eiseres en [ex-partner], die toen een gezin vormden, gezamenlijk
en bijgevolg als gezinsbijstand verleend. Eiseres en [ex-partner]
zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk, zodat de ten onrechte
ontvangen bijstand van ieder van hen volledig kan worden
teruggevorderd. Naar verweerder heeft verklaard is ook ten aanzien
van [ex-partner] een terugvorderingsbesluit genomen.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor
het oordeel dat dringende redenen aanwezig zijn om af te zien van
terugvordering van eiseres. Zodanige redenen kunnen niet gevonden
worden in de omstandigheid dat [ex-partner] de contacten met
verweerder onderhield en eiseres van de uitkomst van die contacten
niet op de hoogte zou hebben gesteld, noch in de omstandigheid dat
eiseres geen enkele invloed op de besteding van de bijzondere
bijstand zou hebben gehad. Dergelijke omstandigheden liggen in
haar risicosfeer en dienen dan ook voor haar rekening te blijven.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht en
op goede gronden heeft besloten de ten onrechte ontvangen bijstand
(ook) geheel van eiseres terug te vorderen.
4.3. Ten slotte is in geschil de terugvordering van de bijstand van
ƒ2592,- die over de maand maart 1999 aan eiseres en [ex-partner]
is betaald als gevolg van het abusievelijk doorbetalen van de
toegekende woonkostentoeslag.
Verweerder heeft deze terugvordering gebaseerd op artikel
81,
tweede lid, van de Abw,
waarin is bepaald dat hetgeen anderszins - dat wil zeggen anders
dan bedoeld in het eerste lid - onverschuldigd is betaald, wordt
teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had
kunnen begrijpen. Volgens verweerder had eiseres redelijkerwijs
kunnen begrijpen dat sprake was van onverschuldigde betaling, nu
in het toekenningsbesluit van 16 juni 1998 uitdrukkelijk is
vermeld dat de bijzondere bijstand met ingang van 1 maart 1998
voor maximaal één jaar wordt verleend.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat de
verstrekking van de woonkostentoeslag zou worden gecontinueerd tot
het transport van de woning kon plaatsvinden, aangezien het niet
was gelukt om de woning binnen één jaar daadwerkelijk te
verkopen. Eiseres mocht dan ook aannemen, zo heeft zij gesteld,
dat de toekenning stilzwijgend was verlengd, nu er feitelijk na 1
maart 1999 werd doorbetaald.
De rechtbank kan eiseres hierin
niet volgen. De toekenning van de woonkostentoeslag is niet met
ingang van 1 maart 1999 verlengd, terwijl voorts niet is gebleken
dat van de zijde van verweerder enigerlei toezegging in die
richting is gedaan. Ook overigens valt niet in te zien dat eiseres
erop mocht vertrouwen dat de verstrekking van de woonkostentoeslag
na 1 maart 1999 zou worden gecontinueerd, dan wel dat de
doorbetaling na 1 maart 1999 berustte op een verlenging van de
toekenning met ingang van die datum.
De rechtbank deelt het standpunt
van verweerder dat eiseres redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat
de betaling over de maand maart 1999 op een vergissing berustte en
derhalve onverschuldigd plaatsvond. Verweerder heeft dit bedrag
dan ook terecht op grond van voormelde bepaling teruggevorderd.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78,
derde lid, van de Abw
is de rechtbank ook
voor wat betreft deze terugvordering niet gebleken.
4.4. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Er is geen
aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K van Duijvendijk en in het openbaar
uitgesproken op 23 januari 2001 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB1797 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/608 NABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
21
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
69
en 81
Abw (= 54
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijstandsnorm; toepasselijke bijstandsnorm; onjuiste leeftijd;
herziening bijstand; terugvordering; inschrijving in GBA;
persoonsgegevens |
| Essentie: |
Terechte
herziening en terugvordering van bijstand wegens toepassing van
de onjuiste bijstandsnorm, omdat betrokkene niet in 1967, maar
in 1978 is geboren en derhalve niet de norm voor een
alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder van toepassing is, maar
die voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. De gegevens
in de GBA zijn niet zonder meer doorslaggevend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 00/608 NABW V06
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. S.S. Ilahi,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Appingedam,
verweerders,
gemachtigde: A. Jager.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 12 april 2000, verzonden op 17
april 2000, het bezwaar van eiseres van 26 oktober 1999 tegen hun
besluit van 7 september 1999, waarbij haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) over de periode van 1 september 1996
tot 19 april 1999 is herzien, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 29 mei 2000
op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 5 september 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 9 maart 2001.
Voor eiseres is aldaar haar gemachtigde, mr. S.S. Ilahi,
verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door A. Jager.
2. Rechtsoverwegingen
Feiten en standpunten van partijen
Bij besluit van verweerders van 7 oktober 1996 is eiseres met
ingang van 1 september 1996 een bijstandsuitkering toegekend naar
de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. Eiseres
stond ten tijde van dit besluit in de gemeentelijke
basisadministratie van Appingedam ingeschreven onder de naam [GBA-naam],
geboren [datum] 1967, doch zij gaf verweerders aan in
werkelijkheid te zijn [eiseres], geboren [datum] 1978. Verweerders
zijn bij het toekennen van de uitkering uitgegaan van de door haar
zelf aangedragen persoonsgegevens.
Na een verzoek hiertoe door de gemachtigde van eiseres hebben
verweerders bij besluit van 30 september 1998 de uitkering van
eiseres vanaf 1 september 1996 herzien. De bijstandsuitkering is
op basis van de persoonsgegevens opgenomen in de gemeentelijke
basisadministratie voortgezet naar de norm voor een alleenstaande
ouder van 21 jaar of ouder. Tevens hebben verweerders een
nabetaling aan eiseres verricht.
Na een door eiseres gestarte gerechtelijke procedure met als inzet
de wijziging van haar persoonsgegevens is eiseres per 19 april
1999 in de basisadministratie van de gemeente
Appingedam ingeschreven als [eiseres], geboren [datum] 1978.
Naar aanleiding hiervan hebben verweerders bij besluit van 26 mei
1999 de uitkering van eiseres aldus herzien dat deze vanaf 19
april 1999 tot 15 mei 1999 is voortgezet naar de norm voor een
alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. Verweerders hebben
vervolgens bij beschikking van 7 september 1999 de uitkering van
eiseres over de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999
herzien; eiseres had volgens verweerders over deze periode recht
op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande
ouder jonger dan 21 jaar, terwijl haar uitkering was gebaseerd op
een leeftijd van 21 jaar of ouder. Verweerders hebben bij dit
laatste besluit tevens aangekondigd de te veel ontvangen bijstand
te zullen terugvorderen.
Eiseres heeft tegen het besluit van 7 september 1999 op 26 oktober
1999 een bezwaarschrift ingediend.
Op 23 februari 2000 is eiseres gehoord door de
bezwaarschriftencommissie, waarna deze verweerders heeft
geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit het bezwaar
ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren
gebracht dat verweerders - zoals zij zelf ook stellen - voor de
uitvoering van de Abw dienen uit te gaan van de in de
basisadministratie vastgelegde gegevens. Nu de persoonsgegevens
van eiseres in de basisadministratie niet met terugwerkende kracht
zijn gewijzigd, heeft eiseres over de periode van 1 september 1996
tot 19 april 1999 terecht een uitkering ontvangen naar de norm
voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat de uitkering van
eiseres terecht is herzien vanaf 1 september 1996, daar er bij de
uitvoering van de Abw niet kan worden uitgegaan van verschillende
geboortedata bij een en dezelfde persoon.
Wettelijk kader
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw
betreft, de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de
Wet BMT) in werking getreden. Daarbij zijn verschillende
bepalingen van de Abw gewijzigd.
In artikel XVI, eerste lid, van de Wet
BMT is bepaald dat in de
bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens
gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot
terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum
onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht.
Aangezien het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode
van 1 september 1996 tot 19 april 1999 zijn op dit geschil
achtereenvolgens van toepassing de bepalingen van de Abw, zoals
deze luidden tot 1 juli 1997, en de bepalingen van de Abw, zoals
deze luiden vanaf 1 juli 1997.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw, heeft iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Artikel 29, tweede lid, onderdeel a, Abw
geeft de hoogte van de
bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar.
Artikel 30, eerste lid, onderdeel b, Abw
geeft de hoogte van de
bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder.
Op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, zoals dit
sinds 1 juli 1997 luidt, herzien burgemeester en wethouders een
besluit tot toekenning van bijstand of trekken zij dat in indien
de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Beoordeling van het geschil
Verweerders hebben de uitkering van eiseres over de periode van 1
september 1996 tot 19 april 1999 herzien naar aanleiding van het
wijzigen van haar geboortedatum in de persoonsgegevens van de
gemeentelijke basisadministratie per 19 april 1999. Vaststaat dat
eiseres gedurende deze periode ten onrechte in de
basisadministratie stond ingeschreven als [GBA-naam], geboren
[datum] 1967. Er moet voorts van worden uitgegaan dat de thans
opgenomen persoonsgegevens - waarbij als geboortedatum [datum] 1978
is vermeld - de juiste zijn; eiseres heeft hierover onder ede een
verklaring afgelegd, welke is aan te merken als een brondocument
als bedoeld in de Wet op de gemeentelijke basisadministratie.
De uitkering die eiseres in de periode van 1 september 1996 tot 19
april 1999 heeft ontvangen, correspondeert met haar leeftijd zoals
die gedurende deze periode was opgenomen in de gemeentelijke
basisadministratie. Nu echter voor de toepassing van de Abw
de
gegevens in de basisadministratie niet zonder meer doorslaggevend zijn en in casu is komen vast te staan dat de
geboortedatum vermeld in de basisadministratie niet haar
werkelijke geboortedatum was, hebben verweerders de uitkering van
eiseres voor de betreffende periode op goede gronden herzien.
Het beroep van eiseres moet daarom ongegrond worden verklaard.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door deze uitgesproken op 21 maart 2001, in tegenwoordigheid van G.
Rammeloo als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 21 maart 2001.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Ioaw / Abw / Wwb / Pemba / Awb |
x
LJN: |
x
AB1806 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Utrecht |
| Zaaknummer: |
SBR
99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW |
| Datum
uitspraak: |
28
februari 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5 en 60
Ioaw / 24
Abw (=
48 Wwb) / 1:3,
6:15 en 8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
grondslag;
nettogrondslag; bijstandsnorm; aanvullende bijstand;
leenbijstand; geldlening; belastingmaatregel; Pemba;
buitengewone lasten; eerste uitkeringsspecificatie
als appellabel besluit; doorzending beroepschrift aan bevoegde
orgaan |
| Essentie: |
Niet-ontvankelijkverklaring
beroep tegen de afwijzing van aanvullende bijstand om niet op de
Ioaw-uitkering (nodig vanwege een inkomensval veroorzaakt door
een belastingmaatregel als gevolg van de invoering van de Pemba),
omdat eerst bezwaar diende te worden gemaakt; de rechtbank zendt
het beroepschrift door aan verweerder. Het bezwaar tegen de
vaststelling van de hoogte van de Ioaw-uitkering verklaart de
rechtbank alsnog niet-ontvankelijk, omdat niet tijdig bezwaar is
gemaakt tegen de eerste uitkeringsspecificatie waarop de lagere
uitkering stond vermeld. Voor het overige is terecht ter
aanvulling van het inkomen tot de bijstandsnorm leenbijstand
verstrekt in plaats van bijstand om niet en wordt betrokkene
niet tekort gedaan nu zijn inkomen na (gedeeltelijke)
verrekening van de belastingteruggave met de leenbijstand nooit
onder de bijstandsnorm kan uitkomen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Utrecht SBR 99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW
U I T S P R
A A K
in de gedingen tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht,
verweerder.
1. Verloop van de procedure
Bij besluit van 14 juli 1998, verzonden op 20 juli 1998, heeft
verweerder eisers bezwaarschrift, gericht tegen de hoogte van de
uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) vanaf 1
januari 1998 tot en met 31 december 1998, ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is op 27 augustus 1999 namens eiser beroep bij
deze rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief
van 18 oktober 2000 aangevuld.
Bij brief van 11 oktober 1999 heeft verweerder de op de zaak
betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.
Dit geding is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR
99/1714 ABW.
Bij besluit van 16 augustus 2000, verzonden op 23 augustus 2000,
heeft verweerder eisers bezwaren tegen het besluit van 27 juli
1999, waarbij aan eiser met ingang van 1 januari 1999 bijstand in
de vorm van een geldlening is toegekend als aanvulling op het
inkomen tot het wettelijk minimum, ongegrond verklaard.
Op 3 oktober 2000 is namens eiser beroep tegen dit besluit
ingesteld bij de rechtbank.
Bij brief van 27 oktober 2000 heeft verweerder de op de zaak
betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.
Namens eiser is bij brief van 24 november 2000 een reactie gegeven
op het verweerschrift. Tevens zijn bij die gelegenheid nog enkele
stukken aan de rechtbank overgelegd.
Dit geding is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR
00/1899 NABW.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 december
2000, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde, mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. Verweerder
is verschenen bij gemachtigden Chr. van den Berg en H.C. Hoogendam,
beiden werkzaam bij verweerders
gemeente.
2. Overwegingen
Feiten
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank
de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser ontvangt maandelijks een uitkering ingevolge de Ioaw. Op
deze uitkering wordt eisers uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in mindering gebracht. Bij
brief van 30 november 1998 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de
hoogte van de aan hem uitbetaalde uitkering ingevolge de Ioaw over
de periode vanaf januari 1998 tot op het moment van schrijven,
omdat deze uitkering sinds januari 1998 verlaagd is. Eiser
verzoekt om met terugwerkende kracht tot en met januari 1998 een
aanvulling te verstrekken tot het wettelijk sociaal
minimum.
Op 14 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond
verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder eiser meegedeeld zijn
brief van 30 november 1998 (tevens) als aanvraag voor aanvullende
bijstand in de vorm van leenbijstand met betrekking tot de periode
1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 aan te merken.
Bij besluit van 27 juli 1999 heeft verweerder aan eiser
leenbijstand toegekend vanaf 1 januari 1999.
Namens eiser is hiertegen bij brief van 7 september 1999 bezwaar
gemaakt.
Op 18 november 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar
eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit van 16
augustus 2000 afgegeven.
Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW
In dit geding staat de rechtbank voor de beantwoording van de
vraag of verweerder terecht en op goede gronden eisers bezwaren
tegen de hoogte van zijn Ioaw-uitkering ongegrond heeft verklaard
en heeft geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor aanvullende
bijstand over het jaar 1998.
In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt
dat de uitkering ingevolge de Ioaw correct en overeenkomstig de
wettelijke bepalingen is vastgesteld. Door een per 1 januari 1998
ingevoerde belastingmaatregel is eisers inkomen vanaf die datum
inderdaad lager dan de voor eiser geldende
bijstandsnorm. Als
gevolg van deze rijksmaatregel heeft verweerder besloten om bij
wijze van uitzondering op aanvraag aanvullende bijstand toe te
kennen en wel in de vorm van leenbijstand. Verweerder heeft in het
hier bestreden besluit van 14 juli 1999 overwogen dat eiser met
zijn brief van 30 november 1998 kennelijk heeft beoogd alsnog in
aanmerking te komen voor aanvullende periodieke bijstand van 1
januari 1998 tot 1 december 1998. Gelet op de omstandigheid dat
eiser over het jaar 1998 reeds via de belastingdienst de nadelige
gevolgen van de per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel
ongedaan heeft kunnen maken, acht verweerder het niet juist dat
alsnog over het jaar 1998 aanvullende bijstand wordt verleend.
Namens eiser is in beroep betoogd dat vanaf 1 januari 1998 het
maandelijkse totale netto-inkomen van eiser beneden het
bijstandsniveau ligt, hetwelk het gevolg is van de invoering per
die datum van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba). Door deze
maatregel heeft een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de
bruto-nettotrajecten van inkomens. Namens eiser is aangevoerd dat
eiser voor het jaar 1998 een T-biljet heeft ingevuld, doch dat
daarmee de terugval in zijn inkomen niet volledig wordt
gecompenseerd. Voor het deel dat niet gecompenseerd wordt, dient
naar de mening van eiser aanvullende bijstand te worden verleend.
Eisers brief van 30 november 1998 dient als een aanvraag voor
aanvullende bijstand te worden beschouwd.
Ter zitting is namens eiser nog gesteld dat het niet verweerders
zaak is of eiser nu wel of niet een belastingteruggave ontvangt.
Voorts heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat verweerder de
door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
voorgestelde werkwijze zou moeten volgen, te weten dat verweerder
naast de Ioaw-uitkering ook de uitbetaling van eisers uitkering op
grond van de WAO voor zijn rekening neemt.
Ten slotte is namens eiser ter zitting nog aangegeven dat eisers
netto-inkomsten in het jaar 1998 met inbegrip van de
belastingteruggave over dat jaar net boven het sociaal minimum
liggen.
Verweerder heeft hier tegenin gebracht dat eiser formeel geen
aanvraag heeft ingediend voor aanvullende bijstand over het jaar
1998, doch slechts bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de
toegekende Ioaw-uitkering. Ter zitting heeft verweerder hier nog
aan toegevoegd dat een beroepsprocedure niet kan worden gebruikt
om een niet-ingediende aanvraag om bijstand met terugwerkende
kracht geëffectueerd te krijgen. Daarnaast heeft verweerder in
beroep gesteld dat eiser uiteindelijk aan netto-inkomsten meer
heeft ontvangen dan waar hij in het kader van de Algemene bijstandswet
(Abw) recht op zou hebben.
Verweerder heeft nog betoogd dat de door de Minister van
SZW
voorgestelde werkwijze erg tijdrovend is. Verweerder onderkent
echter de problemen voor mensen zoals eiser. Daarom is verweerder
bereid leenbijstand te verstrekken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de Ioaw-uitkering
Als gevolg van de Pemba-operatie heeft er met ingang van januari
1998 een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-nettotrajecten van inkomens. De oorzaken hiervan zijn (a) een lagere
overhevelingstoeslag, het vervallen van de WAO-premie als
werknemerspremie en het vervallen van de premie ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en (b) een extra
verhoging van het belastingvrije bedrag. De Ioaw-grondslagen
worden zodanig vastgesteld dat deze, rekening houdend met het
toepasselijke bruto-nettotraject, netto gelijk zijn aan de in de
wet genoemde nettobedragen. Het gewijzigde
bruto-nettotraject leidt tot lagere Ioaw-grondslagen. Daardoor resulteert na de
verrekening met het andere inkomen een lagere bruto-Ioaw-uitkering. Bij de bepaling van de in te houden loonheffing
kan het voorgaande tot gevolg hebben dat geen van beide inkomens
groot genoeg is om het volledige belastingvrije bedrag daarop in
mindering te brengen. Het resultaat kan zijn dat het totale netto-inkomen lager is dan beoogd.
Dit stemt overeen met hetgeen eiser in zijn bezwaarschrift van 30
november 1998 heeft gesteld, te weten dat zijn Ioaw-uitkering al
sinds januari 1998 verlaagd is.
Tot besluiten in de zin van artikel 1:3 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen te worden gerekend besluiten die
wijziging beogen te brengen in de aanspraak op in het verleden
toegekende en reeds uitbetaalde uitkeringen. De rechtbank
is van
oordeel dat de uitkeringsspecificatie van januari 1998 moet worden
aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu deze specificatie ertoe
strekt dat aan eiser een uitkering ingevolge de Ioaw wordt
toegekend die in verband met de invoering van de Pemba
afwijkt
van de Ioaw-uitkering die eiser voordien werd verstrekt.
De uitkeringsspecificaties over de maanden februari 1998 en
volgende zijn naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een
informatieve weergave van de berekening van de aan eiser
toegekende uitkering ingevolge de Ioaw en leveren dan ook geen
besluiten in de zin van artikel 1:3 van de
Awb op.
Eiser kon derhalve slechts tegen de uitkeringsspecificatie van
januari 1998 bezwaar maken. De betreffende specificatie dateert
van 17 januari 1998, zodat eiser zijn bezwaren uiterlijk 1 maart
1998 aan verweerder had dienen kenbaar te maken. Nu eiser eerst
bij brief van 30 november 1998 bezwaar heeft gemaakt tegen de
vaststelling van de hoogte van de aan hem toegekende
Ioaw-uitkering vanaf januari 1998 tot dan toe, moet de conclusie
luiden dat dit bezwaarschrift tardief is ingediend.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank
tot het oordeel dat
verweerder eiser in zijn bezwaren tegen de vaststelling van de
hoogte van diens Ioaw-uitkering sinds januari 1998
niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu verweerder eiser ten
onrechte heeft ontvangen in diens desbetreffende bezwaren kan het
op de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de Ioaw ziende gedeelte van het bestreden besluit niet in stand
blijven. In verband hiermee dient eisers beroep, voor zover
betrekking hebbend op dit aspect, gegrond te worden
verklaard.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om ten aanzien van
dit gedeelte van het bestreden besluit met toepassing van het
vierde lid van artikel 8:72 van de Awb
zelf in de zaak te
voorzien.
Met betrekking tot de aanvraag om aanvullende bijstand
De rechtbank kan verweerder niet volgen waar hij in beroep stelt
dat eiser formeel geen aanvraag heeft ingediend voor aanvullende
bijstand over het jaar 1998, doch slechts bezwaar heeft gemaakt
tegen de hoogte van de toegekende uitkering krachtens de Ioaw.
Immers heeft eiser in zijn brief van 30 november 1998 (tevens)
verzocht om met terugwerkende kracht tot en met januari 1998 een
aanvulling te verstrekken tot het wettelijk sociaal
minimum.
Bovendien heeft verweerder in het hier bestreden besluit overwogen
dat eiser met zijn brief van 30 november 1998 kennelijk heeft
beoogd alsnog in aanmerking te komen voor aanvullende periodieke
bijstand van 1 januari 1998 tot 1 december 1998. Verweerder heeft
deze aanvraag echter afgewezen onder de overweging dat, gelet op
de omstandigheid dat eiser over het jaar 1998 reeds via de belastingdienst de nadelige gevolgen van de per 1 januari 1998
ingevoerde belastingmaatregel ongedaan heeft kunnen maken,
verweerder het niet juist acht dat alsnog over het jaar 1998
aanvullende bijstand wordt verleend.
De rechtbank concludeert dan ook dat eiser wel een aanvraag om
aanvullende bijstand heeft gedaan over de periode januari tot
december 1998, op welke aanvraag verweerder ook beslist heeft. Nu
het hier echter een primair besluit betreft, dient, vooraleer deze
zaak aan de rechtbank ter beoordeling kan worden voorgelegd,
hiertegen eerst bezwaar te worden gemaakt. De rechtbank kan eiser
in het namens hem ingestelde beroep tegen de afwijzende beslissing
ten aanzien van eisers aanvraag om een aanvulling op zijn Ioaw-uitkering over het jaar 1998 dan ook niet ontvangen. Het bij
de rechtbank ingediende beroepschrift dient op de voet van artikel
6:15 van de Awb te worden doorgezonden aan
verweerder.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het
beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 AWB oordeelt de rechtbank
dat er aanleiding is om verweerder te veroordelen in de
kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing
van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ1420,-
als kosten van verleende rechtsbijstand en op ƒ5,- als
reiskosten.
Gelet op de reden van vernietiging van het thans bestreden besluit
dient het verzoek om schadevergoeding in de vorm van renteschade
te worden afgewezen.
Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW
Bij dit besluit heeft verweerder zijn besluit van 27 juli 1999 tot
het aan eiser verlenen van bijstand in de vorm van leenbijstand
gehandhaafd.
Namens eiser is in beroep aangevoerd dat op grond van artikel
24a [artikel 24, red.],
aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet
(Abw) leenbijstand
kan worden verstrekt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal
beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien. Eiser stelt in de eerste
plaats dat er geen sprake is van een redelijk korte termijn. Eiser
zal in het jaar 2000 aangifte moeten doen over het jaar 1999,
hetgeen op zijn vroegst medio 2000 zal leiden tot teruggave. Een
termijn van meer dan één jaar is geen korte termijn. Daarnaast
meent eiser dat hoe dan ook een deel van de leenbijstand zal
moeten worden omgezet in bijstand om niet, hetgeen betekent dat er
sowieso geen sprake is van het redelijkerwijs beschikken over
voldoende middelen van bestaan.
Voorts heeft eiser betoogd dat hij jaarlijks een
belastingteruggave ontvangt in verband met een buitengewone
lastenaftrek vanwege het onderhouden van familieleden in Marokko.
Namens eiser is een kopie van de aangifte over 1999 met en zonder
buitengewone lastenaftrek overgelegd. Zonder die lastenaftrek is
er geen sprake van een teruggave, met aftrek bedraagt het terug te
ontvangen bedrag ƒ505,-.
Ter zitting is aan het vorenstaande namens eiser nog toegevoegd
dat het verweerder niet aangaat of eiser belasting terugkrijgt of
niet.
Blijkens het hier bestreden besluit stelt verweerder zich op het
standpunt dat bijstand in de algemene bijstandskosten om niet
wordt verstrekt, tenzij de Abw
anders voorschrijft. In sommige
gevallen is de gemeente verplicht en in andere gevallen heeft ze
de vrijheid om bijstand in de vorm van een geldlening te
verstrekken. In het onderhavige geval heeft verweerder ervoor
gekozen bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken ter
hoogte van het verschil tussen de
bijstandsnorm
en de werkelijke
inkomsten op grond van de Ioaw en WAO. Afhankelijk van de hoogte
van de belastingteruggave dient de leenbijstand door eiser te
worden terugbetaald of kan de leenbijstand voor een deel of
volledig worden omgezet in bijstand om niet. Voorts verdient het
verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening de voorkeur
boven het verlenen van bijstand om niet, omdat dit fiscaal gezien
voordeliger is voor eiser. Leenbijstand wordt fiscaal niet belast,
in tegenstelling tot bijstand om niet.
In beroep is namens verweerder nog naar voren gebracht dat als uit
de definitieve belastingaanslag blijkt dat eiser aan netto-inkomsten in 1999 meer heeft ontvangen dan de hem toekomende
nettobijstandsnorm
dat meerdere dan met de verstrekte leenbijstand zal
worden verrekend. Als eiser als gevolg van buitengewone lasten met
zijn netto-inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm
geraakt, zal aan de hand van de definitieve belastingaanslag
worden bezien of met de opgevoerde lasten wel of geen rekening
moet worden gehouden. Verweerder meent dat het niet zo kan en mag
zijn dat de gemeenschap in de vorm van bijstandverlening opdraait
voor buitengewone lasten die in het kader van bijstandverlening
niet noodzakelijk zijn.
Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat hij heeft
aangenomen dat er sprake is van het ingevolge artikel 24 van de
Abw
"redelijkerwijs kunnen aannemen dat de belanghebbende op
korte termijn over voldoende middelen zal beschikken" vanwege de
vooronderstelling dat, hoewel hij bijna elke maand minder dan de
bijstandsnorm ontvangt, eiser op jaarbasis qua netto-inkomsten wel
minimaal op het sociaal minimum zit. Dit zou te maken hebben met
het feit dat eiser jaarlijks in de maand mei zijn vakantiegeld op
grond van de WAO krijgt uitbetaald, hetgeen een hoger percentage
betreft dan het vakantiegeld ingevolge de Ioaw.
Ten slotte is ter zitting door verweerder nog aangevoerd en
middels een berekening toegelicht dat eisers netto-inkomen over
het jaar 1999, ook als geen rekening wordt gehouden met zijn
buitengewone lasten, hoger ligt dan waar hij ingevolge de Abw
recht op zou hebben.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Abw heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege. Het tweede lid van dit artikel stelt
gelijk met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, de hier te
lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van
de Vreemdelingenwet.
Artikel 13, tweede lid, van de Abw
bepaalt dat burgemeester en
wethouders ten aanzien van de personen die een gezin vormen de
bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de
omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.
Op grond van artikel 19 van de Abw
wordt bijstand verleend om
niet, tenzij in deze wet anders is bepaald.
Ingevolge artikel 24 van de Abw
kan bijstand (eveneens) worden
verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien - voor
zover hier van belang - redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal
beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien.
Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, heeft er als
gevolg van de invoering van de Pemba met ingang van 1 januari
1998 een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-nettotrajecten van inkomens, leidend tot lagere Ioaw-grondslagen.
Wanneer iemand naast zijn uitkering krachtens de Ioaw nog andere
inkomsten heeft, zoals in het geval van eiser, kan het gevolg zijn
dat bij de bepaling van de in te houden loonheffing geen van beide
inkomens groot genoeg is om het volledige belastingvrije bedrag
daarop in mindering te brengen. Het resultaat kan dan zijn dat het
maandelijkse netto-inkomen lager is dan beoogd.
De norm van de Ioaw is dezelfde als de
bijstandsnorm
krachtens de Abw. Door de Pemba-operatie kan de netto-uitkering ingevolge de
Ioaw echter een andere uitkomst geven dan de bijstandsnorm
ingevolge Abw. Ook in het onderhavige geval is sprake van een
maandelijkse netto-uitkering die lager is dan de bijstandsnorm. Op
jaarbasis evenwel liggen de netto-inkomsten van eiser net boven
het sociaal minimum. Partijen kunnen niet exact aangeven waar dit
door veroorzaakt wordt, maar men vermoedt dat dit te maken heeft
met de vakantietoeslag (krachtens de WAO). Wat hiervan ook zij,
tussen partijen is niet in geding dat eisers uitkeringen ingevolge
de Ioaw en de WAO tezamen op jaarbasis netto niet onder de
bijstandsnorm liggen.
Partijen verschillen evenmin van mening over het feit dat eiser
maandelijks meestal een netto-uitkering ontvangt die onder de voor
hem geldende bijstandsnorm ligt. Ter compensatie verleent
verweerder eiser aanvullende bijstand in de vorm van leenbijstand
tot de voor eiser geldende bijstandsnorm.
Aangezien eisers maandelijkse tekorten ten opzichte van de
bijstandsnorm blijkbaar worden gecompenseerd door de
vakantietoeslag die eiser ontvangt, ligt het naar het oordeel van
de rechtbank in de rede de door verweerder te verlenen
c.q.
verleende leenbijstand te verrekenen met hetgeen eiser als gevolg
van die vakantietoeslag boven de bijstandsnorm krijgt uitgekeerd.
De rechtbank oordeelt evenwel dat de door verweerder gekozen
oplossing om de leenbijstand jaarlijks te verrekenen na een
eventuele belastingteruggave aan eiser - hoewel minder voor de
hand liggend - ook een mogelijkheid is. Eiser wordt hierdoor
immers, in vergelijking met het verrekenen met de jaarlijkse
vakantietoeslag, niet tekort gedaan.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verweerder heeft
aangegeven dat de leenbijstand afhankelijk van de hoogte van de
belastingteruggave (deels) dient te worden terugbetaald dan wel
gedeeltelijk of volledig wordt omgezet in bijstand om niet. Door
deze benadering kan het nimmer zo zijn dat eisers inkomsten op
jaarbasis onder de voor hem geldende bijstandsnorm komen te
liggen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat bijstandverlening
niet, zoals namens eiser wordt betoogd, kan geschieden op de grond
dat eisers inkomsten als gevolg van de invoering van de Pemba
lager uitvallen dan voorheen. Bijstand wordt verleend in die
gevallen dat personen onder het sociaal minimum (dreigen te)
geraken, niet als sprake is van een terugval in inkomen.
Het vorengaande leidt ertoe dat in de namens eiser aangevoerde
grieven geen grond is gelegen het bestreden besluit te
vernietigen. Aangezien de rechtbank
ook overigens niet is gebleken
dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven, dient
het beroep ongegrond te worden verklaard.
Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de
proceskosten te veroordelen.
Er dient als volgt te worden beslist.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Utrecht,
recht doende:
ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714
ABW:
verklaart het beroep, voor zover dit ziet op het gedeelte van het
bestreden besluit waarin verweerder zich uitspreekt over de
vaststelling van de hoogte van de aan eiser toegekende uitkering
ingevolge de Ioaw, gegrond;
vernietigt dit gedeelte van het bestreden besluit;
verklaart eiser in zijn bezwaren tegen dit gedeelte van het
bestreden besluit alsnog niet-ontvankelijk;
verklaart eiser in zijn beroep, voor zover dit betrekking heeft op
eisers aanvraag om aanvullende bijstand, niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ60,- aan hem vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten
bedrage van ƒ1425,-, te betalen door de gemeente
Utrecht;
ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 00/1899
NABW:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Barkel-van Berchum, lid van de
enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari
2001.
De griffier, G.J. van Ingen,
De rechter, mr. J. Barkel-van Berchum,
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van
bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij
de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|