| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2206 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/1106 ABW G V06 |
| Datum
uitspraak: |
20
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78c
Abw (= –
Wwb) / 3:2 Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; schuld; aflossing ineens;
afkoopsom; afkopen; restsom; restantschuld; rechterlijke
uitspraak; verjaring schuld; zorgvuldigheid |
| Essentie: |
Ten
onrechte is de door betrokkene verzochte afkoopsom voor zijn
schuld aan de gemeente vastgesteld op 75% van de restsom, omdat
is verzuimd de gedeeltelijke verjaring van de vordering in de
overwegingen te betrekken. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 00/1106 ABW G V06
U I T S P R A A K
inzake het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Stadskanaal, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 29 september 2000, nr. 10.417, afd.
beza, het bezwaarschrift van eiser gericht tegen hun besluit van 23
februari 2000, nr. 65346100/9953878/sz, 2000, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het besluit van 29 september 2000 bij beroepschrift
van 5 november 2000 beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 12 december 2000 de op de zaak betrekking hebbende
stukken aan de rechtbank toegezonden en voor hun verweer verwezen naar
het rapport van 24 mei 2000 naar aanleiding van het bezwaarschrift van
eiser.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de
rechtbank van 26 april 2001.
Eiser is niet verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mevr.
[vertegenwoordiger].
2. Rechtsoverwegingen
Feiten en standpunten van partijen
De gemeente Stadskanaal heeft op eiser twee vorderingen met een
totaalbedrag van ƒ16.481,83. De eerste vordering, ten bedrage van
ƒ15.280,98, is het restant van een vordering van ƒ17.920,98 die in 1985
is ontstaan als gevolg van het onjuist verstrekken van informatie door
eiser in het kader van de bijstandverlening. De tweede vordering, ten
bedrage van ƒ1200,85, stamt uit 1992 en is ontstaan door het
anderszins onverschuldigd uitbetalen van bijstand. De kantonrechter
heeft met betrekking tot de beide oorspronkelijke vorderingen
vastgesteld dat deze door eiser moeten worden terugbetaald. Tevens heeft
hij ter zake van de eerstgenoemde vordering een betalingsregeling
vastgesteld in die zin dat eiser vanaf 1 maart 1989 per maand ƒ100,-
moet aflossen.
Eiser heeft in 1999 bij het jaarlijkse onderzoek naar zijn
aflossingscapaciteit te kennen gegeven dat hij beide vorderingen zou
willen afkopen indien de afkoopsom binnen zijn financiële mogelijkheden
zou liggen.
Verweerders hebben in hun primaire besluit van 23 februari 2000
aangegeven dat slechts artikel 78c, eerste lid, onderdeel
d, Abw in casu van
toepassing is en eiser een afkoopsom van ƒ12.500,- aangeboden, zijnde
75% van de nog openstaande schuld.
Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij de aangeboden
afkoopsom veel te hoog vindt omdat zijn financiële polsstok niet verder
reikt dan ƒ3375,-.
Verweerders hebben in hun beschikking op bezwaar van 29 september 2000
de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en vastgehouden aan de
toepassing van artikel 78c, eerste lid, onderdeel
d, Abw en de afkoopsom van ƒ12.500,- in bezwaar gehandhaafd.
Beoordeling van het geschil
De Abw gaat uit van de terugvordering van ten onrechte ontvangen
bijstand. Van die terugvordering kan in de gevallen die zijn geregeld in
de artikelen 78 tot en met 78c Abw
worden afgezien.
Omdat er geen dringende redenen zijn aangevoerd zoals bedoeld in artikel
78, derde lid, Abw, er geen sprake is van een schuldregeling zoals
bedoeld in artikel 78a Abw
en de vordering het in artikel 78b Abw
bedoelde bedrag ruimschoots te boven gaat, komt slechts artikel
78c Abw
voor toepassing in aanmerking.
Aangezien eiser volgens opgave van gemachtigde van verweerders ter
zitting in ieder geval sinds 1995 niets meer op de beide vorderingen
heeft afgelost, zijn de bepalingen van artikel 78c, eerste lid, onderdeel
a
en onderdeel b, Abw
niet van toepassing. Dat betekent dat in dit geval
slechts geheel of gedeeltelijk van terugvordering zou kunnen worden
afgezien indien niet aannemelijk is dat eiser alsnog tot aflossing zal
overgaan zoals is bepaald in artikel 78c, eerste lid, onderdeel
c, Abw
of
indien eiser een bedrag van ten minste 50% van de restsom in één keer
zal aflossen, zoals is bedoeld in artikel 78c, eerste lid, onderdeel
d, Abw.
Door eiser zijn geen omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid
dat het niet aannemelijk is dat hij op enig moment aflossingen op de
beide vorderingen zal verrichten. Verweerders hebben zich volgens de
rechtbank dan ook met recht op het standpunt gesteld dat het afzien van
de terugvordering niet op artikel 78c, eerste lid, onderdeel
c, Abw
gebaseerd kan worden.
Verweerders hebben in het verlengde hiervan terecht geoordeeld dat
slechts op basis van artikel 78c, eerste lid, onderdeel
d, Abw
van
gedeeltelijke terugvordering zou kunnen worden afgezien.
Eiser is blijkens zijn beroepschrift van opvatting dat hoewel hij ook
dat bedrag niet kan betalen, hem op basis van artikel
78c, eerste lid,
onderdeel d, Abw
een aanbod van 50% van de openstaande vorderingen had
moeten worden gedaan.
Verweerders hebben echter terecht vastgesteld dat 50% de minimale
afkoopsom is en dat verweerders ten aanzien van de hoogte van de
afkoopsom voor het overige beleidsvrijheid hebben. De rechtbank kan
verweerders echter niet volgen in de wijze waarop de hoogte van de
afkoopsom is bepaald.
Artikel 3:324, eerste lid in samenhang met het derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de bevoegdheid tot de tenuitvoerlegging
van een rechterlijke uitspraak verjaart door verloop van vijf jaar voor
wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere
termijn moet worden betaald. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van
15 november 1988 bepaald dat eiser de vordering van ƒ17.920,98,
waarvan de ƒ15.280,98 de restvordering is, met ingang van 1 maart 1989
maandelijks ƒ100,- moet aflossen. Dat betekent dat intussen een
aanzienlijk deel van deze vordering is verjaard.
Verweerders hadden naar het oordeel van de rechtbank uit een oogpunt van
zorgvuldigheid bij het bepalen van de omvang van de afkoopsom de
gevolgen van de gedeeltelijke verjaring van de vordering van ƒ15.280,98 in hun overwegingen moeten
betrekken. De rechtbank is daarom
van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorbereid op de wijze
zoals is bedoeld in artikel 3:2 Awb.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond moet worden
verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
Griffierechten
Nu het beroep van eiser ten dele gegrond wordt verklaard, dient
ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb
tevens te worden bepaald dat
het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente
Stadskanaal aan eiser wordt vergoed.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 september 2000, nr.
10.417 afd. beza, gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 september 2000, nr. 10.417 afd. beza;
- bepaalt dat de gemeente Stadskanaal eiser het betaalde griffierecht ad
ƒ60,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door
hem uitgesproken
op 20 juni 2001, in tegenwoordigheid van K.A. Faber als griffier.
Afschrift verzonden op: 20 juni 2001.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen
zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger
beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA
in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2256 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
98/6242 Abw |
| Datum
uitspraak: |
5
april 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7,
20, 42, 51,
52, 65, 69
en 81 Abw
(= 7, 50+34,
31, 34, 34,
17, 54
en 58 Wwb)
/ 7:12
en 8:57 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
eigen woning; verdere bezwaring; hypotheek; vermogensvrijlating;
vermogensgrens; schending inlichtingenverplichting; beëindiging
bijstand; terugvordering; groot onderhoud; vrije besteding
vermogen; spaargeld; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging en terugvordering bijstand wegens (ten behoeve van
groot onderhoud) beschikbaar vermogen uit verdere bezwaring
(hypothecaire lening) van de eigen woning (niet te beschouwen
als spaargeld, maar wel vrij besteedbaar), omdat geen rekening
is gehouden met vrij te laten vermogen gebonden in de eigen
woning. Voor zover nog sprake is van in aanmerking te nemen
vermogen, heeft betrokkene haar inlichtingenverplichting
geschonden en kan bij een nieuw te nemen besluit de bijstand
worden beëindigd en teruggevorderd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage AWB 98/6242 Abw
U I T S P R
A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zoeterwoude, verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Eiseres ontvangt sedert 1 januari 1987 een bijstandsuitkering,
laatstelijk berekend naar de norm voor een alleenstaande, in de
vorm van een geldlening onder verband van hypotheek (nader te
noemen: krediethypotheek).
Tijdens het heronderzoek van 2 maart 1998 is gebleken dat eiseres
door het afsluiten van een tweede hypotheek bij de Rabobank op 12
januari 1998 over een vermogen beschikte of kon beschikken van
ƒ49.409,75.
Bij besluit van 16 april 1998 heeft verweerder besloten het recht
op uitkering met ingang van 12 januari 1998 in te trekken,
aangezien eiseres op die datum voldoende middelen had om zelf in
de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. De te veel
ontvangen uitkering over de periode 12 januari 1998 tot en met 31
maart 1998 ten bedrage van ƒ1667,50 netto wordt bij het besluit
teruggevorderd. Voorts wordt het middels krediethypotheek geleende
bedrag ad ƒ33.050,- direct opgeëist.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 april 1998 een
bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eiseres is gehoord omtrent haar bezwaren door de Commissie voor de
behandeling van bezwaar- en beroepschriften (nader te noemen: de
Commissie) op 8 juni 1998.
Deze commissie heeft advies uitgebracht aan verweerder. De
Commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te
verklaren.
Op 6 juli 1998 wordt voorts op verzoek van verweerder door de
afdeling Sociale Zaken van de gemeente Zoeterwoude
een advies uitgebracht. Deze afdeling adviseerde verweerder het
bezwaar voor zover gericht tegen de intrekking en de
terugvordering van de bijstandsuitkering ongegrond te verklaren en
voor zover gericht tegen de opeisbaarheid van de krediethypotheek
gegrond te verklaren.
Bij besluit van 16 juli 1998 (nader te noemen: het bestreden
besluit) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de
Commissie en overeenkomstig het advies van de afdeling Sociale
Zaken van de gemeente
Zoeterwoude, de bezwaren van eiseres voor zover gericht tegen
de directe opeisbaarheid van de geldlening gegrond en voor het
overige ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 augustus 1998,
ingekomen bij de rechtbank op 24
augustus 1998, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
overgelegd en tevens bij brief van 24 september 1998 een
verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 11 juni 1999 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes,
advocaat te Leiden.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.R.H.
Munir-Evers.
Tijdens de behandeling van het beroep ter zitting is het onderzoek
geschorst en heeft de rechtbank
verweerder in de gelegenheid gesteld nadere informatie te
verstrekken.
Gegeven de daartoe verleende toestemming van partijen, heeft de
rechtbank op grond van artikel 8:57
van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en
heeft zij het onderzoek gesloten.
II. Motivering
1. In geschil is thans nog:
(1) de beëindiging van de bijstandsuitkering van eiseres met
ingang van 12 januari 1998;
(2) de terugvordering van de aan eiseres verstrekte bijstand over
de periode 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998.
Ten grondslag aan deze besluitvorming ligt het standpunt van
verweerder dat eiseres per 12 januari 1998 de beschikking heeft
verkregen over een bedrag van ƒ49.409,75 aan middelen als bedoeld
in de artikelen 7 en 42
van de
Algemene bijstandswet
(Abw). Eiseres heeft dit bedrag verkregen uit een nieuwe hypotheek
op haar eigen woning.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiseres deze
hypothecaire lening ten onrechte niet aan hem heeft gemeld.
In beroep heeft eiseres primair aangevoerd dat verweerder in het
bestreden besluit ten onrechte niet gemotiveerd heeft aangegeven
waarom er is afgeweken van het advies van de Commissie van 8 juni
1998. Voorts heeft eiseres gesteld dat het geld waarover zij
beschikte heeft aangewend teneinde achterstallig onderhoud aan
haar woning te laten verrichten. Eiseres is van mening dat de
waardestijging van de woning buiten beschouwing dient te worden
gelaten op grond van artikel 52, eerste
lid, onderdeel d, Abw.
Tevens is eiseres van mening dat volgens gemeentelijk beleid een
hypothecaire lening wegens waardestijging van de woning, na
overleg met de gemeente, kan
worden toegestaan [kan worden aangewend, red.] ter
verbetering van de woning. Volgens eiseres is het enige verwijt
dat haar kan worden gemaakt het feit dat zij vooraf geen overleg
heeft gepleegd met de gemeente.
2. Met betrekking tot de grief van eiseres dat verweerder in
het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven
waarom er is afgeweken van het advies van de Commissie overweegt
de rechtbank als volgt.
In het advies van de afdeling Sociale Zaken staat naar het oordeel
van de rechtbank afdoende gemotiveerd aangegeven om welke redenen
het eerdere advies van de Commissie niet kan worden gevolgd.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het advies van de
afdeling Sociale Zaken. Naar het oordeel van de rechtbank is in
verband hiermee in het bestreden besluit voldoende kenbaar gemaakt
op grond waarvan van het advies van de Commissie wordt afgeweken.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het beroep op deze grond
gegrond te oordelen.
3. De rechtbank heeft
vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder terecht het door
eiseres geleende bedrag als middelen als bedoeld in artikel 42
van de Abw
heeft
aangemerkt.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de
Abw
wordt aan degene die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt
om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,
bijstand verleend.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de
Abw,
bestaat recht op bijstand voor de eigenaar van een door hemzelf
bewoonde woning, voor zover verdere bezwaring, anders dan
ingevolge dit artikel, van het in de woning gebonden vermogen in
redelijkheid niet kan worden verlangd.
Uit de motivering van het bestreden besluit valt af te leiden dat
verweerder dit bedrag aanmerkt als vermogen als bedoeld in de
artikelen 42 in samenhang met 51
van de Abw.
Aangezien tegenover het door eiseres ontvangen bedrag een schuld
aan de geldverstrekkende bank van ten minste hetzelfde bedrag is
komen te staan, is het totale vermogen van eiseres in ieder geval
niet toegenomen.
In zoverre schiet de motivering van het bestreden besluit dus te
kort.
Desondanks heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank
terecht het bedrag aangemerkt als middelen in de zin van artikel
42 van de Abw.
Eiseres heeft dit bedrag namelijk verkregen door de tot haar
vermogen als bedoeld in artikel 42 van
de Abw behorende woning verder te
bezwaren. Daardoor heeft zij een deel van haar in deze woning
gebonden vermogen vrijgemaakt.
In aanmerking genomen dat eiseres geheel op eigen initiatief tot
deze verdere bezwaring is overgegaan, kan er geen grond zijn voor
het oordeel dat de verdere bezwaring middels een hypothecaire
lening in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, van
de Abw.
Vrijgemaakt vermogen uit een eigen woning is geen spaargeld, zodat
het beroep van eiseres op artikel 52,
eerste lid, onderdeel d, van de Abw
faalt.
Aangezien de in deze bepaling gegeven opsomming van buiten
aanmerking te laten vermogensbestanddelen limitatief is, bestaat
geen rechtsgrondslag voor analoge toepassing ervan op de
overwaarde van een eigen woning zoals door eiseres bepleit.
Of en waaraan eiseres de vrijgekomen middelen feitelijk heeft
uitgegeven doet niet ter zake, aangezien de Abw
geen grondslag biedt voor het buiten beschouwing laten van
middelen op grond van de feitelijk daaraan door de betrokkene
gegeven besteding.
4. Omtrent de beëindiging van de bijstandverlening aan
eiseres overweegt de rechtbank
het volgende.
Uit het vorenstaande volgt dat, gelet op de artikelen 7
en
20, eerste lid, van de Abw,
in onderlinge samenhang, eiseres in beginsel geen recht meer had
op bijstand nu zij door verdere bezwaring van haar woning over
middelen van bestaan was komen te beschikken.
Verweerder heeft reeds daarom in beginsel terecht de
bijstandverlening aan eiseres gestaakt vanaf de dag waarop zij
over deze middelen is komen te beschikken, 12 januari 1998.
5. Omtrent de terugvordering van de betaalde bijstand over de
periode van 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 overweegt de rechtbank
het volgende.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw
doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek
of uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden
waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het
recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het
bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Artikel 69, derde lid, van de Abw
bepaalt onder meer dat burgemeester en wethouders een besluit tot
toekenning van bijstand herzien indien een verplichting als
bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand.
Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de
Abw
wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
69, derde lid, ten onrechte is verleend van de belanghebbende
teruggevorderd.
Vaststaat dat eiseres van de verdere bezwaring van de woning en
van de daarmee verkregen middelen geen melding heeft gemaakt aan
verweerder, zodat zij artikel 65, eerste
lid, van de Abw heeft geschonden.
Dat zij deze middelen niet als inkomen beschouwde - hetgeen op
zichzelf juist is - maakt dit niet anders, aangezien artikel
65, eerste lid, van de Abw
blijkens de bewoordingen een inlichtingenplicht op de
bijstandsgerechtigde legt die aanzienlijk ruimer is dan louter het
melden van inkomen.
Aangezien eiseres in beginsel geen aanspraak meer had op bijstand
vanaf 12 januari 1998 volgt hieruit dat verweerder bevoegd en in
beginsel verplicht was de uitkering van eiseres krachtens artikel
69, eerste en vierde lid, in samenhang met artikel 7
van de Abw,
te beëindigen en tevens krachtens artikel
69, derde lid, onderdeel a, van de Abw
de bijstandsuitkering van eiseres te herzien en in te trekken,
behoudens dringende redenen als bedoeld in artikel
69, vijfde lid, van de Abw.
Deze laatste bevoegdheid geldt slechts voor zover eiseres ten
onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.
6. Uit de door verweerder gegeven motivering blijkt dat hij ervan
uitgaat dat het door eiseres vrijgemaakte gedeelte van haar
vermogen geheel de grens van het vrij te laten vermogen te boven
gaat. Hierbij heeft verweerder getoetst aan de artikelen 51
tot en met 54 van de Abw.
Uit niets blijkt evenwel dat verweerder rekening heeft gehouden
met de bijzondere regels die zijn gesteld in respectievelijk
krachtens artikel 20, derde
respectievelijk zevende lid, van de Abw
met betrekking tot vermogen dat gebonden is in een eigen woning.
De omstandigheid dat bij de aanvang van de bijstandverlening al
rekening is gehouden met het vrij te laten vermogen als bedoeld in
(thans) artikel 54 van de Abw
sluit immers niet uit dat (een deel van) het nu door eiseres
vrijgemaakte vermogen valt beneden de in
artikel 20, derde lid, van de Abw
gestelde grens aan het bij de middelentoets te betrekken vermogen
dat gebonden is in een eigen woning.
Daarom staat niet vast dat het gehele door eiseres uit de
hypothecaire lening verkregen bedrag bij de middelentoets
betrokken moet worden. In dat geval dienen deze middelen toch
geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te worden gelaten bij de
toetsing van haar recht op bijstand aan de artikelen 7
en
20 van de Abw.
In dat geval is de bijstand geheel of gedeeltelijk ten onrechte
beëindigd en ontbrak op grond van artikel
69, derde lid, van de Abw
een grondslag voor terugvordering van alle of een deel van de na
12 januari 1998 betaalde bijstand.
7. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit
onvoldoende kenbaar en draagkrachtig is gemotiveerd.
Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te
worden vernietigd wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Awb.
8. Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank
op dat deze uitspraak niet uitsluit dat zal blijken dat een deel
van het vrijgemaakte vermogen door verweerder terecht bij de
middelentoets is betrokken, zodat de bijstand toch terecht per 12
januari 1998 is beëindigd en voor zover reeds betaald terecht is
teruggevorderd.
9. De rechtbank acht voorts
termen aanwezig verweerder met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb
te
veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van
dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het
bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ1775,-, bestaande
uit de kosten van het door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener
indienen van een beroepschrift (1 punt), het verschijnen ter
zitting (1 punt) en het indienen van een nadere memorie na de
schorsing van het onderzoek (0,5 punt), waarbij per punt een
bedrag van ƒ710,- voor vergoeding in aanmerking komt, bij een
wegingsfactor 1 (gemiddeld).
10. Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep
een toevoeging is verleend krachtens de
Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van
artikel 8:75 van de Awb
de betaling van dit bedrag te geschieden
aan de griffier van de rechtbank.
III. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Zoeterwoude
aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten ƒ55,-,
vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van
ƒ1775,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier
moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar
uitgesproken op 5 april 2001, in tegenwoordigheid van de griffier
B.D. Slotboom-Muntz.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB2257 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
NABW
99/7316 |
| Datum
uitspraak: |
20
april 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14
en 113 Abw
(= 18 en 9
Wwb) |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; hoogte; verzwaring; schending arbeidsverplichtingen;
recidive |
| Essentie: |
Opgelegde
maatregel wegens veelvuldige en herhaalde schending van
arbeidsverplichtingen is te zwaar, omdat voor individualisering in de vorm van een verzwaring van de
maatregel geen ruimte is nu de maatregel
volledig en minutieus krachtens de wet is geregeld in een
categorieënsysteem (onjuist, zie LJN
AE2461). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Zwolle NABW 99/7316
U I T S P R
A A K
in het geschil tussen:
[eiser], geboren op [...] 1965, wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. H.A. Appelo, werkzaam bij het Buro
voor Rechtshulp te Lelystad,
en
het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Dronten, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 16 augustus 1999.
2. Zitting
Datum: 5 april 2001.
Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Appelo, voornoemd.
Verweerder is verschenen bij gemachtigden mw. J.F. Eelsing en mw.
M. Loonstra.
3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt
Verweerder heeft op 18 april 1995 besloten eiser met ingang van 27
februari 1995 bijstand toe te kennen overeenkomstig de geldende
woningdelersnorm echtpaar van ƒ1612,92 per maand.
In verband met de per 1 januari 1996 in werking getreden nieuwe
Algemene bijstandswet (Abw) heeft verweerder op 9 oktober 1996
besloten eiser vanaf 1 november 1996 een uitkering ingevolge
laatstgenoemde wet toe te kennen. Verweerder heeft op 9 oktober
1996 voorts besloten dat voor eiser vanaf 1 november 1996 de
verplichtingen gelden op basis van de Abw.
Verweerder heeft op 19 maart 1998 besloten eiser gedurende één
maand een maatregel op te leggen in de vorm van een korting van
10% op zijn uitkering omdat eiser zich ten onrechte op het
standpunt stelde vanwege gezondheidsredenen niet in staat te
zijn geweest te solliciteren.
Eiser heeft bij brief van 21 april 1998 tegen dit besluit bezwaar
aangetekend.
Verweerder heeft op 3 juli 1998 besloten dit bezwaarschrift
ongegrond te verklaren.
Verweerder heeft op 2 november 1998 besloten eisers uitkering met
ingang van 1 oktober 1998 gedurende twee maanden met 10% te verlagen
omdat eiser onvoldoende en niet aantoonbaar heeft gesolliciteerd
voorafgaand aan het heronderzoek.
Eiser heeft bij brief van 3 november 1998 tegen dit besluit
bezwaar aangetekend.
Verweerder heeft op 2 februari 1999 besloten dit bezwaarschrift
ongegrond te verklaren.
Ter bevordering van eisers uitstroommogelijkheden is eiser op 15
december 1998 aangemeld bij Tuner Regionaal Test & Trainings
Centrum te Dronten (verder te noemen: Tuner). Verweerder heeft bij
het verweerschrift onder meer een overzicht overgelegd van acties
van Tuner naar eiser.
Op 22 december 1998 en 4 januari 1999 hebben gesprekken
plaatsgevonden volgens dit overzicht. Op een uitnodiging d.d. 11
januari 1999 om op 13 januari 1999 te verschijnen voor medisch
onderzoek is eiser niet verschenen.
Tuner heeft verweerder bij brief van 21 januari 1999 medegedeeld
dat eiser tijdens een op 5 (?) januari 1999 plaatsgevonden gesprek
heeft medegedeeld veel medische klachten te hebben en dat eiser
zonder enige berichtgeving geen gevolg heeft gegeven aan de
uitnodiging om op 13 januari 1999 bij de arts van Tuner te
verschijnen.
Verweerder heeft eiser vervolgens bij brief van 11 februari 1999
bericht dat hij verplicht is mee te werken aan de activiteiten van
Tuner, dat hij vóór 18 februari 1999 zelf een nieuwe afspraak
met Tuner dient te maken en dat hij zonder verdere waarschuwing
vooraf gedurende één maand een maatregel van 100% korting opgelegd
krijgt indien hij vóór 18 februari 1999 geen nieuwe afspraak
heeft gemaakt of weer geen medewerking verleent aan de
activiteiten van Tuner.
Tuner heeft eiser bij brief van 16 februari 1999 opgeroepen voor
een medisch onderzoek op 24 februari 1999 om 12.15 uur.
J.K. Heijnstek en A. v.d. Zwan, bedrijfsartsen bij Tuner, hebben
rapport uitgebracht rondom het medisch onderzoek van eiser d.d. 24
februari 1999. Eiser meldt zich op 6 maart 1999 ziek.
Op 15 maart 1999 heeft er zijdens Tuner een arbeidskundig
onderzoek plaatsgevonden waarbij eiser aanwezig is geweest.
Op 18 maart heeft Tuner eiser bericht dat op maandag 22 januari a.s. de training zou beginnen. Bedoeld werd 22 maart 1999. Eiser
is niet geweest. Hij wordt uitgenodigd voor een gesprek op 30
maart 1999. Eiser belt af en het gesprek vindt op 1 april 1999
plaats. Aan de uitnodiging voor een vervolggesprek op 8 april 1999
heeft eiser zonder bericht van verhindering geen gevolg gegeven.
Evenmin is hij op de training verschenen. Eiser meldt zich op 12
april 1999 en op 23 april 1999 (aanvang training) ziek.
Tuner heeft verweerder bericht dat eiser zich heeft ziek gemeld op
het moment dat de trainingsperiode zou ingaan.
Nadien heeft eiser zich niet meer bij Tuner gemeld. In oktober
1999 vindt weer een gesprek plaats.
Verweerder heeft op 2 juli 1999 besloten eiser met ingang van 1
juli 1999 gedurende één maand de gehele uitkering te weigeren
omdat eiser weigert mee te werken aan een onderzoek naar zijn
mogelijkheden op de arbeidsmarkt.
Eiser heeft bij brief van 13 juli 1999 tegen dit besluit bezwaar
aangetekend, aangevuld bij brief van 26 juli 1999.
Op 4 augustus 1999 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
Verweerder heeft op 16 augustus 1999 besloten eisers
bezwaarschrift ongegrond te verklaren. In dit besluit is overwogen
dat eiser een aantal malen niet op afspraken van Tuner is
verschenen en dat hij zich heeft ziek gemeld op het moment dat de
trainingsperiode zou ingaan. De maatregel van 100% korting voor de
duur van één maand blijft gehandhaafd.
Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 9 september 1999 tegen
dit besluit beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 21 oktober
1999.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en aanvullende
producties, afkomstig van Tuner, waaronder een medisch rapport d.d.
24 februari 1999, ingezonden.
4. Motivering
In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder bij het
bestreden besluit de maatregel inhoudende weigering van de gehele
bijstandsuitkering gedurende één maand terecht heeft gehandhaafd.
Wettelijk kader
Artikel 14 van de Abw, voor
zover van belang:
-1. Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
in het bestaan, dan wel (...) onvoldoende heeft meegewerkt aan het
verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, (...) weigeren burgemeester en wethouders de bijstand geheel of
gedeeltelijk.
-2. Een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, Koninklijk
besluit van 19 juni 1996, Stb.
1996, 360.
Artikel 3, voor zover van belang:
De gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw,
worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. (...);
2. tweede categorie:
a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te
verkrijgen;
b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in
verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats
en tijd te verschijnen;
c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een
onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan
wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of
opleiding.
3. derde categorie:
a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de
inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of
opleiding dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de
zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
Artikel 5, voor zover van belang:
-1. De weigering, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw, wordt vastgesteld op:
a. (...);
b. 10 procent van de bijstand gedurende één maand bij
gedragingen in de tweede categorie;
c. 20 procent van de bijstand gedurende één maand bij
gedragingen van de derde categorie;
d. 100 procent van de bijstand gedurende één maand bij
gedragingen van de vierde categorie.
-2. De periode van weigering van de bijstand, genoemd in het eerste
lid, wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf
maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw
schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
hogere categorie.
Standpunten partijen
Verweerder heeft de maatregel gebaseerd op artikel 14, eerste en
tweede lid. Verweerder meent dat sprake is van verwijtbaar gedrag
in de derde categorie plus recidive als bedoeld in het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz. Vanwege herhaald verwijtbaar gedrag acht
verweerder een zwaardere sanctie dan het Maatregelenbesluit
voorschrijft op zijn plaats. artikel 14 zou ruimte bieden voor een
zwaardere maatregel.
Eiser kan zich niet verenigen met de sanctie. Hij vindt niet
duidelijk (omschreven) wat hem wordt verweten. Het niet
verschijnen op afspraken en de training wijt hij aan zijn ziekte
en ernstige ziekte van zijn dochter, alsmede het niet ontvangen
van oproepingen. Ten slotte acht hij de straf te zwaar.
Hetgeen hem verweten wordt, valt zijns inziens in de tweede
categorie. Verweerder mag geen zwaardere maatregelen treffen dan
in het Maatregelenbesluit zijn aangegeven.
Beoordeling
De rechtbank zal eerst bezien wat eiser heeft misdaan en in welke
categorie dat valt.
Eiser is blijkens het rapport d.d. 24 februari 1999 van J.K.
Heijstek, bedrijfsarts, en ook volgens eerdere keuringen ondanks
zijn rugklachten en psoriasis in staat om arbeid te verrichten.
Fysiotherapie of een lichtkuur hoeven hem voorts niet te
verhinderen daarnaast te werken. Eiser heeft geen medische
gegevens in het geding gebracht die doen twijfelen aan de
juistheid van het oordeel van J.K. Heijstek.
Eiser kan zich daarom niet op zijn rugklachten of zijn huidziekte
beroepen als het om werken en solliciteren gaat. Bovendien werkt
hij regelmatig in de vis. Wel is eiser door zijn taalprobleem
moeilijk bemiddelbaar.
Uit de gedingstukken maakt de rechtbank
op dat eiser in 1998 te
weinig (aantoonbaar) solliciteerde. Eiser had het arbeidsbureau
moeten bezoeken en proberen een baan te vinden die past bij zijn
(lichte) beperkingen.
Voor deze gedragingen zijn reeds twee maatregelen opgelegd en zij
spelen dus slechts een rol in het kader van de recidive.
Vervolgens heeft verweerder het eind 1998 nodig gevonden dat
eiser (mede) op een andere manier aan werk geholpen zou worden.
Eiser bleek moeilijk bemiddelbaar door zijn opvatting over zijn
ziekte en door taalproblemen. Verweerder heeft daarom eiser op 15
december aangemeld bij Tuner.
Uit een overzicht van Tuner blijkt dat eiser tweemaal (13 januari
1999 en 8 april 1999) zonder bericht niet op afspraken is
verschenen. De rechtbank heeft niet kunnen
ontdekken waarom
verweerder van mening is dat eiser op 22 december 1998 niet bij
Tuner zou zijn verschenen. Voorts meldde eiser zich ziek bij de
aanvang van de training op 23 april 1999. Daarna liet hij aan
Tuner niets meer van zich horen. Pas in oktober 1999 vindt weer
een gesprek plaats op uitnodiging van Tuner.
Als gezegd, is eisers "ziekte" geen reden niet te
verschijnen op afspraken of training, tenzij zou blijken van een
andere ziekte dan de reeds door de arts beoordeelde, quod non. Ook
het ziekenhuisverblijf van zijn dochter, waarvan eiser overigens
de data niet wist, hoeft hem niet te beletten te komen of, indien
er werkelijk een onoverkomelijk probleem is, op zijn minst af te
zeggen en een nieuwe afspraak te maken. De rechtbank acht het niet
waarschijnlijk dat oproepbrieven niet aangekomen zouden zijn.
Het tweemaal niet verschijnen en niet deelnemen aan de training
valt eiser mitsdien te verwijten. Van andere verwijtbare
gedragingen in de periode december 1998 tot juli 1999 is de
rechtbank niet gebleken.
Overigens is het de rechtbank
opgevallen dat verweerder in het
dossier de feiten niet altijd precies heeft omschreven. Zo valt
uit het overzicht van Tuner niet af te leiden dat eiser op 22
december 1998 niet zou zijn verschenen en wordt in het
rapportageformulier ten onrechte gewag gemaakt van een gesprek
tussen mw. Jaarsveld en eiser op 8 april 1999. Deze zaken hebben
wel ten grondslag gelegen aan verweerders verzwaarde sanctie.
Zeker voor onderbouwing van een verzwaarde sanctie - zo dit al
mag, de rechtbank komt hier later in de uitspaak op terug - schiet
de rapportage tekort in precisie.
Niet verschijnen en niet deelnemen aan de training zijn beschreven
in de tweede categorie, onder b en c. In tegenstelling tot
verweerder beschouwt de rechtbank de training namelijk als een
onderzoek naar eisers mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Het is
geen opleiding of scholing, het is bedoeld om uit te vinden wat
iemand kan en welke opleiding eventueel nog nodig is, aldus ook
verweerder desgevraagd ter zitting.
Verweerder heeft dit miskend door in het verweerschrift te stellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het weigeren
van een opleiding of scholing. Verweerder heeft echter geen
argumenten aangedragen die die opvatting steunen. In het primaire
besluit spreekt verweerder overigens wel van weigeren mee te
werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt,
maar blijkens het daaraan ten grondslag liggende
rapportageformulier is weer sprake van de derde categorie.
Verweerder heeft in het verweerschrift tevens aangevoerd dat
eiser de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd, hetgeen in de
derde categorie thuishoort.
De rechtbank deelt dit oordeel evenmin. Bijna alle gedrag dat in
één van de categorieën valt, belemmert de inschakeling in de
arbeid indirect. Daarmee valt niet ieder gedrag (tevens) in de
derde categorie. Als een bepaald gedrag in een lagere categorie is
beschreven, dan kan het niet zonder meer tevens in een hogere
categorie vallen. Het vereiste van rechtszekerheid bij het
opleggen van maatregelen staat hieraan in de weg.
De rechtbank acht de derde categorie door verweerder gelet op het
vorengaande niet onderbouwd en acht de tweede categorie van
toepassing.
Vervolgens is de vraag aan de orde welke maatregel behoort te
worden opgelegd.
Bij de tweede categorie hoort volgens het Maatregelenbesluit
een
maatregel van 10% gedurende één maand.
Verzwaring in verband met recidive kan alleen als er binnen één
jaar sprake is van gedrag uit dezelfde of een hogere categorie. In
1998 heeft eiser te weinig (aantoonbaar) gesolliciteerd. Dit is
door verweerder (terecht) aangemerkt als vallende in de tweede
categorie (artikel 3, onderdeel 2, subonderdeel a). Er is derhalve sprake van -
opnieuw - recidive. Een kenmerk van recidive is de herhaling. Een
dubbele herhaling valt ook onder het begrip recidive. Als dit
laatste zwaarder bestraft zou moeten worden, dan was zulks
ongetwijfeld geregeld in het Maatregelenbesluit, waarin alle
situaties en daarbij behorende maatregelen in detail zijn
aangegeven.
Gelet op het vorenstaande behoort eiser naar het oordeel van de
rechtbank volgens het Maatregelenbesluit voor zijn gedrag in de
eerste helft van 1999, dat hier aan de orde is, een maatregel
opgelegd te krijgen van ten hoogste 10% gedurende twee maanden.
Verweerder heeft gemeend vanwege de herhaalde recidive en eisers
onverbeterlijke houding toch een zwaardere maatregel op te mogen
leggen.
De rechtbank kan zich met dit standpunt niet verenigen en
overweegt daarbij als volgt:
Het Maatregelenbesluit is een op artikel 14 van de
Abw gebaseerde algemene maatregel van bestuur in de vorm van een
koninklijk besluit. Het is mitsdien geen gemeentelijke beleidsregel, waarvan
door verweerder in een bepaald geval gemotiveerd kan worden
afgeweken
[onjuist, zie LJN
AE2461, red].
Verweerder heeft in dezen dus geen beleidsvrijheid,
maar dient de wet en het Maatregelenbesluit te volgen. Dit is ook
in het belang van de rechtsgelijkheid en van de rechtszekerheid.
Verweerder meent in het eerste en tweede lid van artikel 14 van de
Abw desondanks ruimte te kunnen vinden voor een geïndividualiseerde
sanctie.
Artikel 14, eerste en tweede lid, van de Abw
zijn echter nader
ingevuld met het Maatregelenbesluit. De ernst van de gedraging en
de zwaarte van de maatregel is volledig en minutieus geregeld in
het categorieënsysteem. Valt de gedraging volledig aan de
betrokkene te verwijten en gelden geen bijzondere omstandigheden,
dan dient de maatregel onverkort te worden toegepast. Recidive
beschouwt de rechtbank niet als een omstandigheid waarin de
belanghebbende verkeert. Recidive is in artikel
5 apart geregeld.
Voor individualisering in de vorm van een verzwaring van de
maatregel ziet de rechtbank dan ook geen ruimte. De mate van
verwijt en de omstandigheden waarin de individuele belanghebbende
verkeert, kunnen hooguit reden zijn voor verlichting van de
maatregel.
Het derde en vierde lid van artikel 14 geven een mogelijkheid om
van een maatregel af te zien, niet om deze te verzwaren.
Een verzwaring in een individueel geval verdraagt zich ook niet
met het legaliteitsbeginsel, waaraan sancties behoren te voldoen.
Overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere
omstandigheden die voor een verlichting van de sanctie in eisers
geval aanleiding geven.
De rechtbank oordeelt in verband met het
bovenstaande dat de
opgelegde sanctie en daarmee het bestreden besluit in strijd zijn
met de wet en het Maatregelenbesluit.
Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, onder
gegrondverklaring van het beroep. Verweerder zal een nieuw besluit
moeten nemen op het bezwaar met in achtneming van deze uitspraak.
Vanwege de gegrondverklaring van het beroep wordt verweerder
veroordeeld in de proceskosten. Tevens dient het griffierecht te
worden vergoed.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de kosten die eiser voor de behandeling
van het beroep heeft moeten maken (rechtsbijstand), tot op heden
begroot op ƒ1420,-;
wijst de gemeente Dronten aan als de rechtspersoon die deze kosten
aan eiser vergoedt;
gelast dat de gemeente Dronten het griffierecht ad ƒ60,-
vergoedt.
Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het
openbaar uitgesproken op 20 april 2001 in tegenwoordigheid van mw.
mr. M.A.T.V. Wassink-Beerekamp als griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld
binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak
door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden
aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2260 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/10 NABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
1
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42,
51, 52, 54
en 82 Abw
(= 31, 34,
34, 34
en 58 Wwb)
/ 3:2 en
7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
boedelscheiding; verkoop eigen woning en roerende zaken;
herziening bijstand; terugvordering; schulden;
herinrichtingskosten; verhuiskosten; zorgvuldigheid; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
herziening en terugvordering van bijstand wegens vermogen uit
boedelscheiding (verkoop eigen woning en roerende zaken), omdat
geen rekening is gehouden met een schuld, de verhuis- en de
herinrichtingskosten. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Groningen AWB 00/10 NABW V06
U I T S P R A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Eemsmond, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 15 november 1999, nrs.
Nip/99.2998, 99.2999, 99.3437 en 99.3438, de bezwaarschriften van
eiseres tegen hun besluiten van 5 juli 1999 en 12 juli 1999,
waarbij het recht op uitkering van eiseres op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw) over de periode van 1 augustus 1997
tot en met 31 januari 1999 is herzien en een bedrag van ƒ36.507,30 van eiseres is teruggevorderd, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 29 december
1999, op nader bij brief van 26 januari 2000 ingediende gronden,
beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 29 februari 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank
toegezonden, alsmede een
verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 4
oktober 2000 nog verschillende stukken ingezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 9 februari 2001.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Melles.
2. Rechtsoverwegingen
De feiten
Eiseres heeft, in verband met haar voorgenomen echtscheiding, met
ingang van 1 augustus 1997 van verweerders een bijstandsuitkering
naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend gekregen,
alsmede bijzondere bijstand voor meerdere bijzondere
kostensoorten.
De door verweerders aan haar toegekende uitkering is beëindigd
met ingang van 1 februari 1999, de datum waarop eiseres met haar
twee kinderen naar B is verhuisd.
Eiseres heeft tot 1 februari 1999 gewoond in de voormalige
echtelijke woning aan de [...] te Y. Blijkens een zich bij de
gedingstukken bevindende afrekening van de notaris van 19 februari
1999 is voormelde woning met een aantal zich in die woning
bevindende onroerende zaken verkocht, als gevolg waarvan eiseres
de beschikking heeft gekregen over een vermogen van ƒ56.207,30.
Verweerders hebben vervolgens bij besluit van 5 juli 1999 het
recht op bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1
augustus 1997 tot 1 februari 1999 herzien: eiseres had, gelet op
de middelen waar zij naderhand de beschikking over heeft gekregen,
slechts gedeeltelijk recht op de haar tussen 1 augustus 1997 en 1
februari 1999 toegekende algemene bijstandsuitkering en de haar
toegekende bijzondere bijstand.
Bij besluit van 12 juli 1999 hebben verweerders, onder toepassing
van artikel 82 van de Abw, een bedrag van
ƒ36.507,30 van eiseres
teruggevorderd.
Tegen deze beide besluiten heeft eiseres op 18 augustus 1999
bezwaarschriften ingediend bij verweerders.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders de bezwaarschriften
ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres heeft
aangevoerd dat verweerders bij het bepalen van het bedrag dat zij
moet terugbetalen, zijn uitgegaan van een onjuiste omvang van haar
vermogen.
Verweerders hebben op haar vermogen ten onrechte niet in mindering
gebracht:
- een bedrag van ƒ5000,-, welk bedrag zij heeft
ontvangen uit de verkoop van roerende zaken in de woning. Eiseres
heeft aangevoerd dat zij dit bedrag diende aan te wenden voor de
aankoop van een nieuwe inboedel;
- een bedrag van ƒ7500,- aan schulden. Eiseres
heeft een doorlopend krediet afgesloten bij de Rabobank te Z op 13
januari 1999 vanwege haar verhuizing op 1 februari 1999;
- een bedrag van ƒ7500,- aan verdere herinrichtings-
en verhuiskosten.
Verweerders hebben aangevoerd dat eiseres gelet op de omvang van
de naderhand aan haar ter beschikking gestelde middelen uit de
verkoop van de woning en de roerende zaken in die woning geen
recht had op de haar toegekende bijstand. Verweerders hebben
aangegeven bij het bepalen van de omvang van het vermogen van
eiseres in overeenstemming met hetgeen daarover in de Abw
is
bepaald rekening te hebben gehouden met het vrij te laten deel van
het vermogen van eiseres, haar schulden en haar vermogen uit de
verkoop van haar deel van de roerende zaken.
Het van toepassing zijnde recht
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, Abw, heeft de alleenstaande of
het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te
nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling I, paragraaf 2 en 3, en er geen in aanmerking te
nemen vermogen is.
Ingevolge artikel 4, onderdeel c, ten derde,
Abw wordt onder gezin
begrepen de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende
kinderen.
Op grond van artikel 39, eerste lid, Abw
heeft, onverminderd
hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere
bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te
voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.
Artikel 42 van de Abw
bepaalt dat tot de middelen worden gerekend
alle vermogens- en inkomstenbestanddelen waarover de alleenstaande
of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Krachtens artikel 51 Abw
wordt onder vermogen verstaan: de waarde
van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de
aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.
Ingevolge artikel 52, eerste lid, Abw
wordt niet als vermogen in
aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde
algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van
persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige
vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijk
vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover
beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de
aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54.
De in artikel 54 Abw
genoemde vermogensgrens bedroeg voor eiseres
ten tijde hier in geding ƒ19.700,-.
In artikel 82, onderdeel a, Abw, is bepaald dat kosten van
bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover
hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is
verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in
hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.
Beoordeling van het geschil
Verweerders hebben bij besluit van 5 juli 1999 het recht van
eiseres op zowel algemene bijstand als bijzondere bijstand over de
periode van 1 augustus 1997 tot 1 februari 1999 herzien. In
aansluiting daarop hebben zij bij besluit van 12 juli 1999 een
bedrag van ƒ36.507,30 van eiseres teruggevorderd.
De rechtbank stelt voorop dat in het geval de terugvordering wordt
gebaseerd op artikel 82 Abw, de terugvordering niet behoeft te
worden voorafgegaan door een beslissing tot herziening van de
aanspraken op bijstand met terugwerkende kracht. De grond voor de
terugvordering is in artikel 82 zelf aangegeven en maakt ook
onderdeel uit van het op die bepaling gebaseerde
terugvorderingsbesluit. Aan het besluit van 5 juli 1999 komt dan
ook geen zelfstandige betekenis toe.
Voor de berekening van het vermogen van eiseres is het volgende
van belang.
Eiseres heeft bij de boedelscheiding op 19 februari 1999 de
beschikking gekregen over een bedrag van ƒ56.207,30.
Op dit bedrag moeten allereerst op de voet van artikel
51, eerste
lid, aanhef en onder a, Abw
de schulden van eiseres in mindering
worden gebracht.
Eiseres had op 19 februari 1999 nog een schuld van ƒ7500,00 in
de vorm van een op 13 januari 1999 afgesloten doorlopend krediet.
Verweerders hebben hier ten onrechte geen rekening mee gehouden.
Anders dan verweerders blijkens de stukken veronderstellen, is dit
krediet niet het doorlopend krediet dat op de afrekening van de
notaris staat vermeld.
Derhalve dient deze schuld in mindering te worden gebracht op het
bedrag van ƒ56.206,30. Er resteert dan een bedrag van ƒ48.706,30.
Op het aldus berekende vermogen dient overeenkomstig het bepaalde
in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b en
c, Abw
in samenhang
met artikel 54 Abw
het vrij te laten vermogen in mindering te
worden gebracht. Verweerders hebben dit bedrag vastgesteld op het
ƒ19.700,00. Partijen verschillen hierover niet van mening.
Er blijft dan nog een bedrag aan vermogen over van ƒ29.006,30.
Tot de op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder
a, Abw
bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te laten
bezittingen in natura behoort een naar aard en waarde algemeen
gebruikelijke inboedel.
In een geval als dit, waarbij na een echtscheiding een andere
woning moet worden betrokken die moet worden voorzien van onder
meer vloerbedekking en gordijnen en ten dele een nieuwe inboedel,
acht de rechtbank het aanvaardbaar dat de betrokkene de woning tot
een algemeen gebruikelijk niveau inricht. De daarmee gemoeide
noodzakelijke kosten dienen bij de berekening van het vermogen
buiten beschouwing te worden gelaten.
Bij de beoordeling van de vraag wat gebruikelijk is en welke
kosten noodzakelijk zijn, dient enerzijds rekening te worden
gehouden met het gegeven dat de betrokkene op bijstand is
aangewezen, anderzijds moet acht worden geslagen op eventuele
bijzondere omstandigheden waarin de persoon of het gezin verkeert.
Uitgangspunt is daarom een sobere, maar doelmatige inrichting.
Voorts moet bij de berekening van het vermogen in een geval als
dit rekening worden gehouden met de verhuiskosten, zijnde uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan die de betrokkene heeft moeten maken. Weliswaar
behoren verhuiskosten in de regel tot de noodzakelijke kosten van
het bestaan die uit het normbedrag voor algemene bijstand moeten
worden voldaan. Echter in een situatie als deze, waarin door een
echtscheiding een min of meer acute noodzaak tot verhuizing is
ontstaan, is sprake van bijzondere omstandigheden die verlening
van bijzondere bijstand zouden hebben gerechtvaardigd als
betrokkene niet over vermogen zou hebben beschikt.
Verder tekent de rechtbank daarbij aan dat van de betrokkene mag
worden verlangd dat deze op verzoek van burgemeester en wethouders
de verhuis- en inrichtingskosten met nota's onderbouwt.
Voor zover de verhuis- en inrichtingskosten zijn betaald uit een
lening kan dit bedrag uiteraard slechts eenmaal in mindering
worden gebracht op de beschikbare middelen.
De rechtbank moet vaststellen dat verweerders bij de berekening
van het vermogen van eiseres ten onrechte geen rekening hebben
gehouden met de door haar ter zake van de verhuizing en de
inrichting van haar nieuwe woning gedane uitgaven.
Nu niet is onderzocht welk bedrag aan verhuis- en
inrichtingskosten als noodzakelijk kan worden beschouwd, valt
thans ook niet vast te stellen met welk vermogen rekening moet
worden gehouden bij de berekening van de hoogte van het van
eiseres terug te vorderen bedrag aan bijstand.
De stelling van verweerders dat zij geen rekening hoeven te houden
met de inrichtingskosten, omdat eiseres bijstand voor deze kosten
kan vragen in de gemeente waar zij zich heeft gevestigd,
onderschrijft de rechtbank niet. Het uitgangspunt van verweerders
zou juist zijn geweest wanneer het zou gaan om het aanvragen van
bijstand in deze kosten. Het gaat hier echter om de vaststelling
van het vermogen van eiseres op het moment dat zij daarover de
beschikking krijgt.
Anderzijds onderschrijft de rechtbank evenmin de opvatting van
eiseres dat op het bedrag waarover zij de beschikking heeft
gekregen een bedrag in mindering zou moeten worden gebracht in
verband met de verkoop van enkele roerende zaken. Eiseres heeft de
beschikking over dat geld gekregen en mag dat met inachtneming van
hetgeen hiervoor is overwogen besteden aan de aanschaf van een
nieuwe inventaris. Voor een afzonderlijke vrijlating van dat
bedrag is dan geen reden.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld
dat verweerders het bestreden besluit niet met de vereiste
zorgvuldigheid hebben voorbereid, alsmede dat de motivering van
het bestreden besluit tekortschiet.
Onder gegrondverklaring van het beroep dient het bestreden besluit
dan ook te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Griffierecht en proceskosten
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel
8:74, eerste lid, Awb
tevens te worden
bepaald dat het door
eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de
gemeente
Eemsmond aan eiseres wordt vergoed.
De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet
van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die
in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de
gemeente Eemsmond aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de
griffier moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit
proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op
ƒ1420,-, zoals nader
aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 15
november 1999;
- bepaalt dat de gemeente Eemsmond eiseres het betaalde
griffierecht ad ƒ60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres
gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op ƒ1420,-, en
bepaalt dat de gemeente Eemsmond deze kosten dient te betalen aan
de griffier van de rechtbank.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door hem uitgesproken op 1 maart 2001, in tegenwoordigheid van H.
Siebers als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 1 maart 2001.
Bijlage: Staat van
kosten.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2276 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/2382
NABW |
| Datum
uitspraak: |
26
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en 12
Abw (= 11
en – Wwb)
/
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; medische behandeling; non-discriminatie;
Marokkanen |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de
Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat
ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag
worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de
uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag
voor een verblijfsvergunning wegens medische behandeling en hem
reeds vóór inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was
verleend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2382
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, op
bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de president van de arrondissementsrechtbank te
Utrecht op 23 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 december 2000 heeft de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid de Raad desgevraagd nadere inlichtingen
verstrekt.
Namens appellant is bij brief van 2 april 2001 nog een stuk
overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2001, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Pieters
voornoemd, en gedaagde door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de
gemeente Utrecht.
II. Motivering
Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, heeft op 29
maart 1994 een verzoek om een vergunning tot verblijf in Nederland
ingediend wegens verblijf bij zijn echtgenote. Dit verzoek is
afgewezen omdat zijn echtgenote inmiddels was overleden. De tegen
die afwijzing ingediende bezwaren zijn bij besluit van 3 juni 1997
als ongegrond afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit beroep
ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening
ingediend; zowel het beroep als het verzoek zijn nadien door hem
ingetrokken.
Op 28 mei 1998 heeft appellant een nieuw verzoek om een
verblijfsvergunning ingediend, thans voor verblijf wegens medische
behandeling. Appellant mag de beslissing op dit verzoek in
Nederland afwachten.
Bij besluit van 15 september 1998 heeft gedaagde de aan appellant
eerder toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) met ingang van 1 oktober 1998 beëindigd op grond van
artikel 7 van de Abw in verbinding met artikel
1b, aanhef en onder
1, van de Vreemdelingenwet (Vw), zoals deze bepalingen na de
inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203
(hierna: de Koppelingswet) luiden.
Bij besluit van 15 januari 1999 heeft gedaagde de namens appellant
tegen het besluit van 15 september 1998 ingediende bezwaren als
ongegrond afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank,
voor zover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit
van 15 januari 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellant primair aangevoerd dat
appellant zich in een gelijke positie bevindt als de personen aan
wie op grond van artikel 25 van de Vw uitstel van vertrek is
verleend. In dit verband is betoogd dat appellant om medische
redenen niet kan worden uitgezet, maar dat dit wegens de grote
achterstand bij de Medisch Adviseur bij het ministerie van
Justitie nog niet bevestigd kon worden. Voorts is namens appellant
een beroep gedaan op de brief van de Staatssecretaris van Justitie
van 23 november 1998, waarin deze stelt dat hij heeft besloten
naar analogie van de in artikel XXIII, tweede lid, van de
Koppelingswet neergelegde regeling die geldt voor personen
met uitstel van vertrek op grond van artikel 25 van de Vw ook
voorzieningen kunnen worden verstrekt aan personen die zich
feitelijk in dezelfde positie bevinden hoewel zij nog in procedure
zijn over hun verblijfsrecht. Appellant stelt er nimmer op te zijn
gewezen dat hij zich, teneinde dit vast te stellen, had moeten
wenden tot een politiearts. Subsidiair is namens appellant
aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 26
van het Internationaal verdrag voor burgerrechten en politieke
rechten (IVBPR), terwijl hiervoor geen of althans onvoldoende
rechtvaardigingsgrond aanwezig is, te meer daar appellant reeds vóór de inwerkingtreding van de
Koppelingswet een uitkering ontving en hij tot heden steeds verblijf heeft gehad in de zin
van artikel 1b van de Vw.
De Raad overweegt het volgende.
De president van de rechtbank heeft het juridische kader van het
bestreden besluit op juiste wijze als volgt uiteengezet :
"er 1 juli 1998 is in werking getreden de Wet van 26 maart
1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten
teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op
verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en
vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de
vreemdeling in Nederland (Stb. 1998, 203),
ook wel aangeduid als Koppelingswet.
Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de
bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie
van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is
artikel 7 van de Abw gewijzigd. Dit artikel luidt met ingang van 1
juli 1998 als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van
overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te
lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel
1b, aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met
een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen
waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in
aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of
beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating,
totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
In artikel 1b van de Vw is - voor zover hier van belang - bepaald
dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijven
genieten:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op
grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in
strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag
tot
oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. In afwachting van de beslissing op een aanvraag om
toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel
op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een
rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op
de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan
vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet.
In de AMvB als bedoeld in het derde lid van artikel 7
van de Abw, het Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308)
van 27 april 1998 (hierna: het besluit), is in artikel
1, eerste lid, bepaald dat
voor de toepassing van de Abw met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na
rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehouden in de zin van artikel
1b,
aanhef en onder 1, Vw:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag
heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde
lid, of 33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel
6:11 van de
Awb toepassing heeft
gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking
van de toelating in de zin van artikel 1, aanhef en onder 1, Vw."
De Raad stelt eerst vast dat appellant op grond van de thans ter
beschikking staande gegevens op 1 oktober 1998 niet kan worden
aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig
verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vw en ook niet op grond van het bepaalde in artikel
7, derde lid,
van de Abw in verbinding met artikel
1, eerste lid, van het besluit met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.
De Raad merkt vervolgens op dat hij onderschrijft het oordeel van
de president van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde
overwegingen met betrekking tot artikel
XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet
neergelegde overgangsbepaling. Hij voegt
daaraan toe dat niet is betwist dat het inmiddels in augustus 1999
aan appellant verleende uitstel van vertrek niet is gebaseerd op
artikel 25 van de Vw.
In hoger beroep is voorts de vraag aan de orde gesteld of het beëindigen
van algemene bijstand aan een vreemdeling die niet gelijkgesteld
kan worden met een Nederlander op grond van artikel
7, tweede of
derde lid, van de Abw, maar die nochtans rechtmatig in Nederland
verblijft omdat hij onder de categorie valt als omschreven in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, kan worden aangetast door
de non-discriminatiebepaling als neergelegd in artikel 26 van het
IVBPR.
De Raad is, evenals in zijn uitspraken van heden betreffende de
toepassing van de Koppelingswet in het kader van de Algemene
Kinderbijslagwet en de werknemersverzekeringswetten, van oordeel
dat bij wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen
slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke
aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden
toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde
is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 IVBPR
valt. Het gaat hier immers steeds om de vraag onder welke
omstandigheden en in welke mate het gerechtvaardigd is een
niet-Nederlander anders te behandelen dan een Nederlander. Dat uit
de toepassing van de regeling voortvloeit dat bepaalde categorieën
vreemdelingen niet anders worden behandeld dan Nederlanders doet
niet af aan het nationaliteitsgebonden karakter van het
onderscheid.
De Koppelingswet introduceert in de Abw
ingaande 1 juli
1998, kort gezegd, het vereiste van een toegekende verblijfstitel
om met een Nederlander te worden gelijkgesteld. Voor deze vorm van
onderscheid op zich (tussen Nederlanders en vreemdelingen met een
verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder zodanige titel
anderzijds) acht de Raad een toereikende rechtvaardiging aanwezig.
Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van
zijn verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en
internationale regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen
van de voorwaarden waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied
worden toegelaten. Evenzeer is aanvaardbaar dat gelegaliseerde
toelating als vereiste geldt om aanspraak te kunnen maken op
uitkering ingevolge de Abw.
Hierbij sluit aan de doelstelling van de Koppelingswet zoals
deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen
van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een
verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en
verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan vormen tot de
voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en
uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de
verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een
consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft
degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten.
Het uitgangspunt van de Koppelingswet stuit wat zijn
doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in
het algemeen niet op bedenkingen.
Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de
categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van artikel 1b van de
Vw, hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader
is goed denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire
overwegingen wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt
gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af
te wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige
verblijf de rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen
gelegaliseerd verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie
tussen rechtmatig verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen
te verwerven, kan worden opgelost door op die situatie toegesneden
maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld omschreven in artikel 8c van de
Vw.
Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van
het onderhavige geding moet de Raad constateren dat de
gerechtvaardigdheid van de Koppelingswet
zoals deze gestalte
heeft gekregen in de Abw in ieder geval ten volle opgaat voor
gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating
verzoekt, maar niet, althans in de visie van de Raad niet in
toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998
geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de
Abw bijstand is verleend. De Raad meent dat bij de beoordeling of het
onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is, mede in het licht van
de hierboven - kort - geschetste motieven van de wetgever,
betekenis toekomt aan de feitelijke en juridische positie waarin
de groep die door de regeling wordt getroffen ten tijde van de
inwerkingtreding van die regeling verkeert.
In het kader van de toepassing van de Abw
geldt ten aanzien van de
categorie vreemdelingen waartoe appellant behoort het volgende.
Zij verbleven hier te lande rechtmatig in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 3, van de Vw. De Nederlandse overheid heeft hun
verblijf hier te lande reeds mogelijk gemaakt door aan hen
bijstand te verlenen met toepassing van artikel 12 (oud) van de
Abw, dit op basis van een verklaring van de korpschef in de zin
van de Vw als bedoeld in artikel 45a (oud) van het Voorschrift
Vreemdelingen, omdat zij feitelijk niet over de middelen
beschikten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien. Aldus waren zij onder hetzelfde uitkeringsregime
gebracht als Nederlanders en daarmee gelijkgestelde vreemdelingen.
Het voorgaande brengt mee dat de gevolgen van niet-gelegaliseerd
verblijf welke de Koppelingswet bedoelt te voorkomen hier
reeds zijn ingetreden en dat desondanks deze als laatste vangnet
bedoelde, voor hen van overheidswege getroffen voorziening wordt
beëindigd. Van een geschikt en noodzakelijk middel om het
gestelde doel te bereiken, kan naar het oordeel van de Raad voor
deze groep niet worden gesproken, zodat het gemaakte onderscheid,
leidend tot het tenietdoen van de verworven rechtspositie, ten
aanzien van deze gevallen niet gerechtvaardigd kan worden geacht.
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan
blijven. Doende hetgeen de president van de rechtbank had behoren
te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met
artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De Raad acht het voorts
aangewezen om met toepassing van het bepaalde in artikel
8:72,
vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) het primaire
besluit van 15 september 1998 op dezelfde grond te vernietigen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing
van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de proceskosten van
appellant. Deze worden begroot op ƒ1420,- in beroep en op ƒ1420,- in hoger beroep, wegens
verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
vernietigt het primaire besluit van 15 september 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en
in hoger beroep tot een bedrag groot ƒ2840,-, te betalen door
de gemeente Utrecht;
gelast de gemeente Utrecht aan appellant het betaalde griffierecht
van ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J.
van den Hurk en
mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 26 juni 2001.
(get.) J.G. Treffers.
get.)
P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|