| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2277 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/2787
NABW |
| Datum
uitspraak: |
26
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7, 11
en 12
Abw (= 11,
16 en – Wwb)
/
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; medische behandeling; non-discriminatie;
Marokkanen |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de
Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat
ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag
worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de
uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag
voor een verblijfsvergunning wegens medische behandeling en hem
reeds vóór inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was
verleend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2787
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Weert,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond, op bij het
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond op 13 april
1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn bij brief van 22 juni 1999 nog aanvullende gronden
ingezonden.
Bij brief van 15 december 2000 heeft de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Raad desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2001, waar voor
appellant is verschenen mr. N. Gerards, advocaat te Roermond, en
gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. Motivering
Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, heeft op 16 januari
1997 een verzoek om een vergunning tot verblijf in Nederland ingediend
met als doel een verblijf om medische redenen. Aan appellant is met
ingang van 13 februari 1997 onder toepassing van artikel 12 (oud) van de
Abw een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) toegekend.
Bij besluit van 15 juli 1998 heeft gedaagde deze uitkering met ingang
van 1 juli 1998 beëindigd op de grond dat hij niet in het bezit is van
een geldige verblijfstitel en daarom ingevolge de Koppelingswet ingaande
1 juli 1998 geen aanspraak meer kan maken op uitkering.
Bij besluit van 8 oktober 1998 heeft gedaagde de namens appellant tegen
het besluit van 15 juli 1998 ingediende bezwaren als ongegrond
afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank,
voor zover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit van 8
oktober 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellant onder meer bepleit dat aan diegenen
ten behoeve van wie een aanvraag loopt voor een verblijfstitel op grond
van medische verzorging en sedert dat tijdstip met toestemming en
bewilliging van het ministerie van Justitie de afhandeling van de
aanvraag in Nederland mogen afwachten, ook aanspraak kunnen maken op de
kosten van het verblijf gedurende de periode dat die medische verzorging
wordt verleend. Namens appellant is voorts een beroep gedaan op het
overgangsrecht en gesteld dat hij zich in een gelijke positie bevindt
als de personen aan wie op grond van artikel 25 van de Vreemdelingenwet
(Vw) uitstel van vertrek is verleend. Ten slotte is namens appellant
aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het Europees
verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met artikel 26 van het
Internationaal verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),
althans met de non-discriminatiebepaling van artikel 41 van de
Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Marokko.
De Raad overweegt het volgende.
De president van de rechtbank heeft het juridische kader van het
bestreden besluit op juiste wijze als volgt uiteengezet:
"Met de Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998,
Stb. 1998, 203) wordt beoogd (onder andere) voor vreemdelingen het
recht op bijstandsuitkering in beginsel voor te behouden aan die
vreemdelingen die in het bezit zijn van een rechtsgeldige
verblijfstitel. De Koppelingswet houdt een belangrijke wijziging in ten
aanzien van de aanspraken op een bijstandsuitkering van vreemdelingen
die niet in het bezit zijn van een verblijfstitel op grond van artikel 9
of 10 van de Vreemdelingenwet. De bevoegdheid die burgemeester en
wethouders tot 1 juli 1998 hadden op grond van artikel 12 van de
Abw, om
bijstand te verlenen aan vreemdelingen die met instemming van het
bevoegde gezag in Nederland verblijven, is komen te vervallen, zodat aan
dit artikel - anders dan namens eiser ter zitting is betoogd - geen
rechten voor een uitkering meer kunnen worden ontleend. Onder het nieuwe
regime wordt voor rechtmatig verblijf houden in Nederland in artikel
7,
tweede lid, van de Abw verwezen naar het nieuwe artikel
1b, aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet. Dit heeft gevolgen voor de kring van
rechthebbenden, zoals bedoeld in artikel 7 van de
Abw.
Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden dreigt te geraken dat hij niet
over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.
Het tweede en het (toegevoegde) derde lid van artikel 7 van de
Abw luiden, voor zover hier van belang, sinds 1 juli 1998:
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf
houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende
vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1,
van de Vreemdelingenwet, voor toepassing van deze wet met een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. (...);
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de
vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig
toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel
bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van
het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat
beroep is beslist.
De in het derde lid van dit artikel bedoelde algemene maatregel van
bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Abw, Ioaw en Ioaz
(Besluit van 27 april 1998,
Stb. 1998, 304). Het besluit regelt dat
voor de toepassing van onder andere de Abw
in bepaalde situaties ook
vreemdelingen zonder verblijfsvergunning met een Nederlander worden
gelijkgesteld. Het dient dan wel te gaan om een vreemdeling die
rechtmatig in Nederland heeft verbleven, in de zin van voornoemd artikel
1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
Zowel voor toepassing van artikel 7 van de Abw
als voor toepassing van
het Besluit van 27 april 1998 is artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet derhalve van constitutief belang voor de mogelijkheid
van gelijkstelling.
Artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet bepaalt -
voor zover hier relevant - dat vreemdelingen in Nederland slechts
rechtmatig verblijf genieten op grond van een besluit tot toelating. De
toelating van vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder
1, van de Vreemdelingenwet is geregeld in de artikelen 9 en 10 van de
Vreemdelingenwet. Artikel 9 betreft de vergunning tot verblijf. Artikel
10 betreft hoofdzakelijk de vergunning tot vestiging en de toelating als
vluchteling."
De Raad stelt eerst vast dat appellant op grond van de thans ter
beschikking staande gegevens op 1 juli 1998 niet kan worden aangemerkt
als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw en ook niet op grond van
het bepaalde in artikel 7, derde lid, van de Abw
in verbinding met artikel
1, eerste lid, van het besluit
met een Nederlander kan worden
gelijkgesteld. Appellant behoort dan ook niet tot de kring van
rechthebbenden van de Abw.
Artikel 11, eerste lid, van de Abw
bepaalt
dat indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken ook aan een persoon
die niet tot die kring behoort bijstand kan worden verleend. In het
eveneens bij de Koppelingswet toegevoegde tweede lid van
artikel 11 is
echter bepaald dat deze bepaling niet van toepassing is op andere
vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de
Abw.
De Raad merkt vervolgens op dat hij onderschrijft het oordeel van de
president van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde
overwegingen met betrekking tot artikel XXIII, tweede lid, van de
Koppelingswet neergelegde overgangsbepaling.
In hoger beroep is voorts onder meer de vraag aan de orde gesteld of het
beëindigen van algemene bijstand aan een vreemdeling die niet
gelijkgesteld kan worden met een Nederlander op grond van artikel
7,
tweede of derde lid, van de Abw, maar die nochtans rechtmatig in
Nederland verblijft omdat hij onder de categorie valt als omschreven in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, kan worden aangetast door de
non-discriminatiebepaling als neergelegd in artikel 26 van het IVBPR.
De Raad is, evenals in zijn uitspraken van heden betreffende de
toepassing van de Koppelingswet in het kader van de Algemene
Kinderbijslagwet en de werknemersverzekeringswetten, van oordeel dat bij
wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen slechts onder
bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse
onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een
onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de
werkingssfeer van artikel 26 IVBPR valt. Het gaat hier immers steeds om
de vraag onder welke omstandigheden en in welke mate het gerechtvaardigd
is een niet-Nederlander anders te behandelen dan een Nederlander. Dat
uit de toepassing van de regeling voortvloeit dat bepaalde categorieën
vreemdelingen niet anders worden behandeld dan Nederlanders doet niet af
aan het nationaliteitsgebonden karakter van het onderscheid.
De Koppelingswet introduceert in de Abw
ingaande 1 juli 1998, kort
gezegd, het vereiste van een toegekende verblijfstitel om met een
Nederlander te worden gelijkgesteld. Voor deze vorm van onderscheid op
zich (tussen Nederlanders en vreemdelingen met een verblijfstitel
enerzijds en vreemdelingen zonder zodanige titel anderzijds) acht de
Raad een toereikende rechtvaardiging aanwezig.
Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van zijn
verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en internationale
regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden
waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Eveneens
is aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt om
aanspraak te kunnen maken op uitkering ingevolge de Abw.
Hierbij sluit aan de doelstelling van de Koppelingswet zoals deze
in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de
mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak
te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan
vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en
uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de
verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent
vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen
toelating verkrijgen het land te doen verlaten.
Het uitgangspunt van de Koppelingswet stuit wat zijn doelstelling
en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op
bedenkingen.
Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de
categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van artikel 1b van de
Vw,
hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader is goed
denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire overwegingen
wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt gesteld de
beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te wachten,
zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de
rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd
verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig
verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven, kan worden
opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen, zoals
bijvoorbeeld omschreven in artikel 8c van de Vw.
Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van het
onderhavige geding moet de Raad constateren dat de gerechtvaardigdheid
van de Koppelingswet zoals deze gestalte heeft gekregen in de
Abw
in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op
of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de visie
van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1
juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de
Abw
bijstand is verleend. De Raad meent dat bij de beoordeling of het
onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is, mede in het licht van de
hierboven - kort - geschetste motieven van de wetgever, betekenis
toekomt aan de feitelijke en juridische positie waarin de groep die door
de regeling wordt getroffen ten tijde van de inwerkingtreding van die
regeling verkeert.
In het kader van de toepassing van de Abw
geldt ten aanzien van de
categorie vreemdelingen waartoe appellant behoort het volgende.
Zij verbleven hier te lande rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef
en onder 3, van de Vw. De Nederlandse overheid heeft hun verblijf reeds
mogelijk gemaakt door aan hen bijstand te verlenen met toepassing van
artikel 12 (oud) van de Abw, dit op basis van een verklaring van de
korpschef in de zin van de Vw als bedoeld in artikel 45a (oud) van het
Voorschrift Vreemdelingen, omdat zij feitelijk niet over de middelen
beschikten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Aldus waren zij onder hetzelfde uitkeringsregime gebracht als
Nederlanders en daarmee gelijkgestelde vreemdelingen.
Het voorgaande brengt mee dat de gevolgen van niet-gelegaliseerd
verblijf welke de Koppelingswet bedoelt te voorkomen hier reeds
zijn ingetreden en dat desondanks deze als laatste vangnet bedoelde,
voor hen van overheidswege getroffen voorziening wordt beëindigd. Van
een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel te bereiken, kan
naar het oordeel van de Raad voor deze groep niet worden gesproken,
zodat het gemaakte onderscheid, leidend tot het tenietdoen van de
verworven rechtspositie, ten aanzien van deze gevallen niet
gerechtvaardigd kan worden geacht.
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad reeds tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan blijven.
Hetgeen overigens namens appellant naar voren is gebracht behoeft thans
geen bespreking meer. Doende hetgeen de president van de rechtbank had
behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met
artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De Raad acht het voorts aangewezen
om met toepassing van het bepaalde in artikel
8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) het primaire besluit van 15 juli 1998
op dezelfde grond te vernietigen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden
begroot op ƒ1420,- in beroep en op ƒ1420,- in hoger beroep, wegens
verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
vernietigt het primaire besluit van 15 juli 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot
ƒ2840,-, te betalen door de
gemeente Weert;
gelast de gemeente Weert aan appellant het betaalde griffierecht van ƒ55,- in beroep en
ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) te
vergoeden.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van
den Hurk en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni
2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.)
P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Rww / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2279 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
96/11266
ABW |
| Datum
uitspraak: |
10
maart 1998 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
12 Rww (= – Abw) (= – Wwb)
/ 3:2
en
3:4 Awb
|
| Trefwoorden: |
opleiding;
studie; HBO; WO; universiteit; dagonderwijs; beëindiging
bijstand; vertrouwensbeginsel; zorgvuldigheid; evenredigheid |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand indien betrokkene niet binnen drie maanden
zijn deeltijdstudie rechten staakt, omdat de Rww
niet de ruimte biedt voor (verdere) bijstandverlening aan
degenen die een scholing of een opleiding in deeltijd- of
volledig hogerberoeps- of wetenschappelijk dagonderwijs volgen.
Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, daar de gemeente,
die weliswaar gedurende drie jaar de onrechtmatigheid van de
verleende toestemming voor het volgen van de studie niet heeft
onderkend, betrokkene geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde
mededeling heeft gedaan op grond waarvan hij erop mocht
vertrouwen dat zijn Rww-uitkering niet eerder zou worden
beëindigd dan nadat hij zijn deeltijdstudie zou hebben voltooid. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 96/11266
ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amersfoort, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in
hoger beroep gekomen van een door de arrondissementsrechtbank te
Utrecht onder dagtekening 25 oktober 1996 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van
de Raad op 27 januari 1998, waar partijen niet zijn verschenen.
II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)
ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet
en de
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het
in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de
hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die
luidden ten tijde als hier van belang.
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is
aangeduid en gedaagde als verweerder [waarin appellant als
verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser, red.],
ontleent de Raad de volgende feiten
en omstandigheden:
"Eiser studeerde sedert 1988 rechten aan de Rijksuniversiteit
Utrecht. In de studiejaren 1988/1989 en 1989/1990 heeft hij als
deeltijdstudent ingeschreven gestaan en in de studiejaren
1990/1991 en 1991/1992 als voltijdstudent. In de studiejaren
1992/1993, 1993/1994 en 1994/1995 heeft eiser ingeschreven gestaan
voor deeltijdstudie. Het onderwijs werd gedeeltelijk overdag
gegeven.
Bij formulier van 1 juni 1992 heeft eiser een uitkering ingevolge
de Rww aangevraagd. Op het formulier is aangegeven dat hij zijn
studie rechten in de avonduren wil afmaken.
Bij brief van 29 juni 1992 heeft eiser een mede door de
universiteit ondertekende verklaring van dezelfde datum overgelegd
waarin is gesteld dat hij geen gebruik meer zal maken van de
onderwijs- of examenmogelijkheden die zijn inschrijving aan de
universiteit mogelijk maakt.
Bij besluit van 21 juli 1992 is aan eiser een uitkering ingevolge
de Rww toegekend per 1 juli 1992.
Op 10 december 1992 is door een ambtenaar van verweerders dienst
Sociale Zaken een rapportage opgesteld in het kader van een
heronderzoek. In deze rapportage is gesteld dat eiser naast het
zoeken naar werk bezig is met een deeltijdstudie rechten. Ook in
de rapportages van 22 juni 1993, 27 september 1993 en 18 maart
1994 is melding gemaakt van eisers deeltijdstudie rechten.
Op 14 juli 1994 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en
C. Kleinkoerkamp van verweerders dienst Sociale Zaken. Bij die
gelegenheid is hem meegedeeld dat het niet mogelijk is met behoud
van Rww-uitkering een deeltijdstudie te volgen.
Bij besluit van 21 oktober 1994 heeft verweerder eisers recht op
uitkering onder toepassing van
artikel 12, vierde lid, Rww beëindigd per 1 januari 1995, indien
hij althans per die datum zijn studie niet heeft gestaakt."
De Raad voegt daar aan toe dat het
tegen het besluit van 21 oktober 1994 gemaakte bezwaar ongegrond
is verklaard bij besluit van 13 februari 1995.
De rechtbank heeft in haar
uitspraak op het door gedaagde tegen laatstgenoemd besluit
ingestelde beroep geconcludeerd dat de beëindiging van gedaagdes
uitkering in overeenstemming is met artikel 12, vierde lid, van de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) en gedaagdes beroep
op het zogeheten vertrouwensbeginsel verworpen. De rechtbank heeft
niettemin het besluit van 13 februari 1995 niet in stand gelaten
wegens strijd met artikel 3:4
van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Appellant heeft dit oordeel in het aanvullend beroepschrift
bestreden en er daarbij onder meer op gewezen dat:
"- de heer A in een gesprek op 14 juli 1994 is medegedeeld
dat de studie niet met behoud van uitkering kan worden voortgezet;
- een periode van drie maanden, ingaande 1 oktober 1994, is
aangehouden waarin de betrokkene kan besluiten om de studie dan
wel de uitkering te beëindigen;
- in een gesprek op 14 oktober 1994 aan de heer A definitief is
medegedeeld dat per januari 1995 de uitkering wordt beëindigd
vanwege het feit dat hij kenbaar maakt de studie niet te willen
beëindigen;
- op 21 oktober 1994 de omstreden beschikking is verzonden met de
mededeling dat de Rww-uitkering met ingang van 1 januari 1995
wordt beëindigd;
- in de beschikking de mogelijkheid is geboden om de
omstandigheden (het ingeschreven zijn als student) alsnog vóór 1
januari 1995 te wijzigen;".
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift gepersisteerd bij zijn
opvatting dat het bestreden besluit wegens strijd met het
vertrouwensbeginsel en met de artikelen 3:2
en
3:4 van de Awb
geen stand kan houden.
De Raad deelt de opvatting van de rechtbank
en van gedaagde niet. Hij stelt daartoe allereerst vast dat de Rww
niet de ruimte biedt voor (verdere) bijstandverlening aan degenen
die een scholing of een opleiding in deeltijd- of volledig
hogerberoeps-
of wetenschappelijk dagonderwijs volgen. Dit is slechts anders
indien één van de in het vierde lid van artikel 12 van de Rww
genoemde uitzonderingssituaties zich voordoet. Gedaagde volgde
geen onderwijs als omschreven onder a van die bepaling en,
zoals de rechtbank heeft aangegeven, was de in artikel 11 van de Rww
bedoelde periode reeds verstreken, zodat ook de situatie genoemd
onder b van voornoemde bepaling niet meer aan de orde was.
Appellant was dan ook niet meer bevoegd om gedaagde tijdens zijn
studie een Rww-uitkering te verlenen. Appellants dienst Sociale
Zaken heeft dit, zij het pas na geruime tijd, onderkend, waarna
achtereenvolgens op 14 juli 1994, op 14 oktober 1994 en op 21
oktober 1994 de in het aanvullend beroepschrift vermelde
mededelingen aan gedaagde zijn gedaan.
De Raad voegt hier aan toe dat
gedaagde niet met vrucht een beroep kan doen op het
vertrouwensbeginsel of op de in de artikelen 3:2
en 3:4 van de Awb
neergelegde beginselen.
Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht,
zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van
een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate
in strijd komt met bedoelde beginselen dat zij op grond daarvan
geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval
kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan
ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en
ongeclausuleerd inlichtingen zijn verstrekt die bij hem
gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.
Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de
Raad niet voor.
Uit de gedingstukken blijkt niet dat door of namens appellant een
ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededeling aan gedaagde is
gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn Rww-uitkering
niet eerder zou worden beëindigd dan nadat hij zijn
deeltijdstudie rechten zou hebben voltooid.
Uit de gedingstukken komt wel naar voren dat appellant bij zijn
besluitvorming rekening heeft gehouden met het gegeven dat
gedaagde al sedert 1 juli 1992 Rww-uitkering ontving en dat hem
tijd moest worden gegund om - zoals verwoord in het bestreden
besluit - "tot een keuze te komen tot studeren of niet
studeren en de uitkering behouden".
In aanmerking genomen dat gedaagde op 14 juli 1994 voor de eerste
maal is geconfronteerd met de gewijzigde opvatting van gedaagdes
dienst Sociale Zaken en dat hij vervolgens nog tot 1 januari 1995
de tijd heeft gehad om die keuze te maken, kan naar het oordeel
van de Raad niet staande worden
gehouden dat de ingangsdatum van de beëindiging van gedaagdes
uitkering niet in overeenstemming zou zijn met een zorgvuldige,
rechtens aanvaardbare wetstoepassing.
In de door gedaagde benadrukte omstandigheid dat hij destijds nog
maar een aantal tentamens af behoefde te leggen en zich al voor
het laatste jaar had ingeschreven, en ook in hetgeen hij overigens
heeft aangevoerd, ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Awb.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr.
C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 10 maart 1998.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.)
I. de Hartog.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2280 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
97/5165
ABW |
| Datum
uitspraak: |
25
augustus 1998 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 ABW (= 54 Abw)
(= 34 Wwb)
/ 3:2 en
3:4 Awb
|
| Trefwoorden: |
vermogen;
erfenis; oververmogen; toepasselijke vermogensgrens;
interingsperiode; vertrouwensbeginsel; zorgvuldigheid;
evenredigheid |
| Essentie: |
Terechte
weigering bijstand wegens na intering nog immer aanwezig
vermogen boven de vermogensgrens, zeker nu de inwonende dochter
inmiddels 18 jaar is geworden en voor betrokkene als
alleenstaande een veel lagere vermogensgrens geldt (hetgeen
overigens ook zou gelden zonder onderbreking van de
bijstandverlening). Het vertrouwensbeginsel is
niet geschonden, omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde
toezeggingen zijn gedaan die gerechtvaardigde
verwachtingen hebben gewekt ten aanzien van de vermogensgrens
geldend voor een alleenstaande ouder. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 97/5165
ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Enschede, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Als gemachtigde van appellante heeft mr. N.M.H. Neijsen, verbonden
aan het Buro voor Rechtshulp te
Enschede, op de bij beroepschrift
uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Almelo onder dagtekening 29 april 1997
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft d.d. 29 oktober 1997 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 juli 1998, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Neijsen,
voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente
Enschede.
II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)
ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan
de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen zoals die
luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1940, heeft een studerende dochter, C, die
op 20 december 1977 is geboren.
Appellante ontvangt sedert 1980 een uitkering ingevolge de ABW.
Begin 1995 heeft appellante een erfenis ontvangen in verband
waarmee gedaagde bij besluit van 7 maart 1995 de uitkering van
appellante met ingang van 1 februari 1995 heeft beëindigd. Hij
heeft daarbij overwogen dat het vermogen van appellante ten
bedrage van ƒ47.313,88 het in artikel 7, eerste lid, aanhef en
onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen van
ƒ18.400,- overtreft. Bij dat besluit is voorts aan appellante
medegedeeld dat zij omstreeks 22 december 1995 opnieuw een
aanvraag om bijstand kan indienen indien zij dan niet zou kunnen
voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Eind december 1995 heeft appellante gedaagde verzocht om haar
wederom een uitkering ingevolge de ABW toe te kennen.
Die aanvraag is bij primair besluit van 22 januari 1996 afgewezen
op de grond dat het vermogen van appellante ten bedrage van ƒ21.034,34 het vrij te laten bescheiden vermogen met
ƒ11.834,34
overtreft. Daarbij is overwogen dat appellante voor de toepassing
van de ABW als een alleenstaande wordt aangemerkt sedert haar
dochter C, voornoemd, de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt,
zodat het vrij te laten bescheiden vermogen ƒ9200,- bedraagt.
Het door appellante tegen het primaire besluit ingediende
bezwaarschrift, dat zich richtte tegen de vaststelling van het
vrij te laten bescheiden vermogen op een bedrag van ƒ9200,-, is
door gedaagde bij het bestreden besluit van 15 juli 1996 ongegrond
verklaard. Hij heeft daartoe onder andere het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van de door u op 27 december 1995 ingediende
aanvraag werd door de sociale dienst een nieuw onderzoek
ingesteld. U bleek nog te beschikken over een vermogen ad ƒ21.034,34. Geconcludeerd werd dat, nu uw dochter op
20 december 1995 de
leeftijd van 18 jaar had bereikt, u voor de ABW niet meer
aangemerkt kon worden als eenoudergezin, maar als
alleenstaande. Derhalve werd dan ook voor een
vermogensvaststelling uitgegaan van het lagere bedrag voor het
vrij te laten vermogen ad ƒ9200,-.
Echter, ingevolge het bepaalde in de Wet op de studiefinanciering gaat
een eventuele studiebeurs eerst in in het
kwartaal na het kwartaal
waarin de betrokkene 18 jaar is geworden, in casu 1 januari 1996. Tot
en met 31 december 1995 behield u dan ook uw recht op kinderbijslag voor
de bij u inwonende en ten laste van u komende dochter. Derhalve
diende bij de behandeling van de aanvraag d.d. 27 december 1995 tot
1 januari 1996 qua vrij te laten vermogen te worden uitgegaan van
ƒ18.400,-. Na 1 januari 1996 gold echter wel het lagere bedrag ad ƒ9200,- (na indexering
ƒ9300,-).
De feitelijke aanwezigheid van een saldo ad ƒ21.034,34 overtrof
echter ook voornoemd (hogere) bescheiden vermogen, hetgeen betekent
dat er geen recht op ABW bestond."
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het
bestreden besluit van 15 juli 1996 ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg,
betoogd dat het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van
de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen slechts
éénmaal
dient te worden vastgesteld en wel op het moment van de aanvraag
dan wel, zoals in haar geval, op het moment van overschrijding
daarvan. Aangezien het vrij te laten bescheiden vermogen bij het
besluit van 7 maart 1995 op ƒ18.400,- is vastgesteld, is bedoeld
vermogen volgens appellante bij het bestreden besluit ten onrechte
bepaald op ƒ9200,- c.q ƒ9300,-.
Appellante heeft voorts gesteld dat gedaagde door diens brief van
7 maart 1995 bij haar het te rechtvaardigen vertrouwen heeft
gewekt dat zij omstreeks 22 december 1995 wederom voor een
uitkering ingevolge de ABW in aanmerking zou komen.
Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht,
heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan waartoe de
rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat
appellante ten tijde van haar aanvraag in december 1995 (nog) geen
recht had op toekenning van een bijstandsuitkering omdat haar
vermogen van ƒ21.034,34 zowel het voor een eenoudergezin
geldende vrij te laten bescheiden vermogen van ƒ18.400,- als dat
voor een alleenstaande van ƒ9200,- overtrof.
Partijen worden slechts verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag of gedaagde zich bij het bestreden besluit terecht en op
goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het voor
appellante op en na 1 januari 1996 geldende vrij te laten
bescheiden vermogen ƒ9300,- bedraagt omdat appellante per die
datum voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande dient te
worden aangemerkt omdat haar dochter op 20 december 1995 de
leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Evenals gedaagde en de rechtbank is de
Raad van oordeel dat bij
een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering of bij een voor de
toepassing van de ABW relevante wijziging in de omstandigheden het
in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW in
verbinding met artikel 8 van het Bijstandsbesluit landelijke
normering (Bln) bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen opnieuw
dient te worden vastgesteld. Aangezien de dochter van appellante
met ingang van 1 januari 1996 niet langer kon worden aangemerkt
als een ten laste van appellante komend kind, zulks in verband met
haar aanspraken ingevolge de Wet op de studiefinanciering, is
appellante per laatstvermelde datum door gedaagde terecht en op
goede gronden als een alleenstaande in de zin van het Bln
aangemerkt voor wie het vrij te laten bescheiden vermogen ƒ9300,- bedraagt.
Voorts is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat het
beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt. Zoals de
Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht zijn er
bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een
wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in
strijd komt met het vertrouwensbeginsel of met de in de artikelen
3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde
beginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan
zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien
vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een
betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde
toezeggingen zijn gedaan die bij haar gerechtvaardigde
verwachtingen hebben gewekt. Een dergelijk bijzonder geval doet
zich naar het oordeel van de Raad hier niet voor omdat het besluit
van gedaagde van 7 maart 1995 geen toezeggingen als bedoeld bevat.
Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter
en mr. Ch. de Vrey en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in
tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 25 augustus 1998.
(get.)
J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.)
I. de Hartog.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2483 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/2768
NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
mei 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
26,
43 en 106 Abw
(= 19, 31
en 55 Wwb)
/ 1:3 Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
tariefgroepindeling; verplichting; belastingteruggave |
| Essentie: |
Onterecht
opgelegde verplichting tot indeling in tariefgroep 2 teneinde te
komen tot een hoger nettoloon, omdat betrokkene anders zijn
belastingteruggave bij indeling in tariefgroep 0 misloopt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/2768
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Hoorn,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 11 april 2000 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Als gemachtigde van gedaagde heeft J.A. Klaver, verbonden aan het
Werkkollektief Hoorn, een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen geregistreerd onder de
nummers 00/2769 NABW, 00/2770 NABW en 00/2771 NABW, behandeld ter
zitting van 17 april 2001, waar appellant zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. ing. F.A.J. Groenendijk, werkzaam bij
de gemeente Hoorn, terwijl gedaagde is verschenen bij zijn
gemachtigde J.A. Klaver voornoemd. Na de behandeling ter zitting
zijn de zaken weer gesplitst en wordt in de onderwerpelijke zaak
afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. Motivering
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Gedaagde was ten tijde van belang als oproepkracht werkzaam bij [X]
BV te [Y]. Hij was bij die werkgeefster ingedeeld in
belastingtariefgroep 0.
Appellant heeft gedaagde met ingang van 4 maart 1998 een uitkering
toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar
de norm voor gehuwden.
Bij besluit van 31 maart 1999 heeft appellant aan gedaagde de
verplichting opgelegd om de tariefgroepindeling door zijn
werkgeefster uiterlijk op 31 maart 1999 te doen wijzigen in
tariefgroep 2 en bepaald dat vanaf 1 april 1999 bij de verrekening
van zijn inkomsten uit arbeid ervan wordt uitgegaan dat hij in de
juiste tariefgroep is ingedeeld.
Bij zijn besluit van 22 juni 1999 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde tegen de hiervoor genoemde onderdelen van het primaire
besluit als ongegrond afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen
omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van - thans -
gedaagde tegen het besluit van 22 juni 1999 gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en bepaald dat - thans - appellant opnieuw op
het ingediende bezwaarschrift beslist met inachtneming van het in
die uitspraak overwogene. De rechtbank was van oordeel dat in de Abw
geen bepaling is aan te wijzen die appellant de bevoegdheid
toekent om een bijstandsgerechtigde te verplichten zich in een
bepaalde belastingtariefgroep te laten indelen. Op grond daarvan
is, aldus de rechtbank, de onderwerpelijke, bij het besluit van 31
maart 1999 aan gedaagde opgelegde verplichting om zich bij zijn
werkgeefster in belastingtariefgroep 2 te doen indelen niet
gebaseerd op een aan appellant toegekende publiekrechtelijke
bevoegdheid. Aldus kan dat besluit in zoverre niet worden
aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) omdat niet gesproken kan worden van een
publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel
1:3,
eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van gedaagde tegen dit
onderdeel van het besluit van 31 maart 1999 had dan ook naar het
oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk moeten worden
verklaard. Omdat appellant dit niet had gedaan, komt het op
bezwaar genomen besluit van appellant van 22 juni 1999 volgens de
rechtbank in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank
heeft voorts de vraag of appellant het recht heeft om, indien
gedaagde niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting, de
uitkering uit te betalen alsof hij daaraan had voldaan ontkennend
beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden
gesproken van middelen waarover gedaagde redelijkerwijs kan
beschikken.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het hiervoor omschreven
oordeel van de rechtbank gekeerd. Appellant is van opvatting dat
artikel 106 van de Abw hem de bevoegdheid toekent om een
bijstandsgerechtigde, die ook loon uit een dienstbetrekking
ontvangt, te verplichten om zich bij zijn of haar werkgever in de
voor de bijstandverlening gunstigste tariefgroep te doen indelen
en dat bij de berekening van de aanvullende bijstand ervan uitgegaan moet worden dat die indeling ook heeft plaatsgevonden.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 106 van de Abw
kunnen burgemeester en wethouders
aan de bijstand onder andere verplichtingen verbinden die strekken
tot zijn vermindering of beëindiging.
De Raad is, anders dan de rechtbank,
van oordeel dat appellant op
grond van deze bepaling in beginsel bevoegd is om aan de
bijstandverlening aan gedaagde de voorwaarde te verbinden dat
gedaagde zich bij zijn werkgeefster in een andere
belastingtariefgroep doet indelen, nu deze voorwaarde tot
vermindering van het door appellant te betalen bedrag aan bijstand
leidt. Dat appellant zich aldus op het terrein van de fiscus
begeeft, maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders.
Ten aanzien van de vervolgens aan de orde komende vraag of
appellant niet in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen om
gedaagde de onderwerpelijke voorwaarde op te leggen, dan wel
daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of
ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, is de Raad
tot het volgende gekomen.
Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw
bepaalt dat
de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand heeft
indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm,
bedoeld in paragraaf 2 en 3. Het tweede lid van
deze bepaling houdt in dat de hoogte van de algemene bijstand het
verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf
2 en 3. Het vierde lid van dit artikel bepaalt, ten
slotte, dat de algemene bijstand wordt verhoogd met de
loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente
die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting
1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand
verschuldigde ziekenfondspremie.
Met het oog op de zoëven aangehaalde bepaling is een aantal
circulaires en brieven van de Staatssecretaris van Financiën van
belang, waaronder de Circulaire van 2 september 1997, nr.
DB97/1429, V-N 1997, blz. 3251, welke aan partijen bekend is. Uit
die circulaire blijkt dat er knelpunten in de belastingheffing
over bijstandsuitkeringen kunnen optreden indien er sprake is van
samenloop van bijstand en loon uit dienstbetrekking in combinatie
met aftrekposten. Dienaangaande is het volgende vermeld:
"Zowel bij de inhouding op de bijstandsuitkering
als bij de inhouding op het loon mag rekening worden gehouden met
(een deel van) de belastingvrije som.
Zoals hiervoor is beschreven, leidt dit op zich niet tot een
verplichte aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Als er echter om een andere reden toch een aanslag wordt opgelegd,
treden inhaaleffecten op; over de te veel genoten belastingvrije
som wordt dan alsnog belasting berekend. Als gevolg daarvan zal
een aftrekpost niet of slechts gedeeltelijk tot een teruggaaf
leiden. Om dat te voorkomen, kan de bijstandsgerechtigde ingeval
hij aftrekposten voorziet, bij zijn werkgever om indeling in
tariefgroep 1 verzoeken".
Hieraan voegt de Raad toe dat voor 1998 een zelfde regeling geldt,
waarbij het gaat om indeling in tariefgroep 0.
De Raad constateert op grond van de aangehaalde passages dat de
fiscus accepteert en zelfs als uitgangspunt neemt dat een
bijstandsgerechtigde die tevens loon uit dienstbetrekking
ontvangt, zich bij zijn werkgever niet in tariefgroep 0 doet
indelen. Maar de fiscus acht het eveneens aanvaardbaar indien een
bijstandsgerechtigde die daarnaast loon uit dienstbetrekking
ontvangt zich bij zijn werkgever wel in tariefgroep 0 doet
indelen, zulks met het oog op mogelijke aftrekposten.
Onder die omstandigheden is de Raad van oordeel, mede in het licht
van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder
d, van de
Abw, dat
appellant niet in redelijkheid van gedaagde, die zich met het oog
op mogelijke aftrekposten bij zijn werkgeefster in
belastingtariefgroep 0 heeft doen indelen, kan vergen dat hij zich
bij zijn werkgeefster in tariefgroep 2 doet indelen. De
omstandigheid dat één en ander tot gevolg heeft dat gedaagde van
zijn werkgeefster een lager nettoloon ontvangt en appellant
mitsdien een hoger bedrag aan aanvullende bijstand moet betalen,
heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
In het voorgaande ligt tevens besloten dat appellant ten onrechte
bij de berekening van de hoogte van de aanvullende bijstand is
uitgegaan van een indeling in tariefgroep 2.
Op grond van het vorenoverwogene is de Raad tot de slotsom gekomen
dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om appellant op grond
van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de proceskosten van
gedaagde die, omdat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld
in de bijlage bij het Besluit proceskosten
bestuursrecht, worden
begroot op ƒ2130,- voor verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
bepaalt dat appellant met inachtneming van het in deze - ’s Raads
-
uitspraak overwogene een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift
van gedaagde;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep tot een bedrag groot ƒ2130,-;
bepaalt dat van de gemeente Hoorn een griffierecht van ƒ675,-
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.E. de Rooij als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 29 mei 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) A.W.E. de Rooij.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2485 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/1460
NABW |
| Datum
uitspraak: |
24
april 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
107 en 113 Abw
(= 9 en 9 Wwb)
/ 1:3 en
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
fase-indeling;
fase 4; arbeidsverplichtingen; ontheffing; advies GGD;
appellabel besluit |
| Essentie: |
Terechte
indeling in fase 4 en ontheffing van de arbeidsverplichtingen,
met name omdat de GGD daartoe op goede gronden heeft
geadviseerd. Fase-indeling en ontheffing van
arbeidsverplichtingen betreffen appellabele besluiten. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale Raad
van Beroep 99/1460
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Commissie Bezwaren SW van de gemeente
Gemert-Bakel, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
’s-Hertogenbosch op 23 februari 1999 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Nadien heeft appellant zich diverse malen met brieven tot de Raad
gewend en nog stukken aan de Raad doen toekomen.
Gedaagde heeft zich bij schrijven van 1 februari 2000 tot de Raad
gewend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2001, waar
appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door A.W. van Zutphen.
II. Motivering
Bij besluit van 20 november 1996 is de uitkering welke appellant
ontving ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), berekend naar de norm voor een alleenstaande, na
herbeoordeling met ingang van 1 december 1996 omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij is
appellant op grond van indeling in de zogenoemde fase 4 (D-categorie)
met toepassing van artikel 107 van de Abw
ontheven van de
verplichtingen neergelegd in in het bijzonder artikel 113 van de
Abw om redenen van medische, sociale of andere aard.
Na door appellant tegen deze ontheffing gemaakt bezwaar is het
besluit van 20 november 1996 bij besluit van 21 april 1997
gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het beroep van
appellant tegen het besluit van 21 april 1997 gegrond verklaard,
het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) zelf in
de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk
verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de indeling
van appellant in fase 4 (D-categorie) een handeling van feitelijke
aard is en geen rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de
Awb, zodat daartegen geen rechtsmiddelen
openstaan. Gedaagde had
het bezwaar van appellant dan ook niet-ontvankelijk dienen te
verklaren. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat, wanneer het
bezwaar van appellant geacht zou moeten worden te zijn gericht
tegen de gebruikmaking door gedaagde van de in artikel
107, eerste
lid, van de Abw neergelegde bevoegdheid om de verplichting gericht
op de arbeidsinschakeling niet op te leggen, ook dat bezwaar
niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat - aldus de
rechtbank - niet valt in te zien welk rechtens te beschermen
belang appellant bij zodanig bezwaar zou kunnen hebben.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen die oordeelsvorming
gekeerd. Hij heeft - voor zover de Raad het uit de diverse
schrifturen van appellant begrijpt - zijn al in de
bezwaarschriftprocedure geëtaleerde standpunt dat hij wel een
plaats op de arbeidsmarkt behoort te hebben, gehandhaafd.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Allereerst is de Raad van oordeel dat een indeling in fase 4,
categorie D, geen handeling van feitelijke aard betreft, nu
daaraan het standpunt ten grondslag ligt dat appellant niet
bemiddelbaar is naar arbeid, zodat van de kant van gedaagde geen
pogingen worden ondernomen om hem aan te zetten tot het ontplooien
van activiteiten op de arbeidsmarkt.
Aldus is bedoelde indeling op rechtsgevolg gericht. Voorts berust
het verlenen van ontheffing als vorenbedoeld op de bevoegdheid van
burgemeester en wethouders neergelegd in artikel 107 van de
Abw.
Het besluit om van deze wettelijke bevoegdheid gebruik te maken, is
evenzeer op rechtsgevolg gericht en bij dat besluit is het belang
van appellant terdege rechtstreeks betrokken, in welk verband de
al dan niet gegrondheid van de geuite bezwaren niet ter zake doet.
Dit brengt mee dat sprake is van een besluit in de zin van artikel
1:3 van de Awb
waartegen voor appellant het middel van bezwaar
openstaat. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank ten
onrechte tot een niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is
gekomen.
Wel onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het
bestreden besluit op bezwaar onbevoegdelijk door de Commissie
Bezwaren SW in plaats van door het College van burgemeester en
wethouders van de gemeente Gemert-Bakel is genomen en derhalve
voor vernietiging in aanmerking komt. Nu het College van
burgemeester en wethouders in beroep schriftelijk te kennen heeft
gegeven het besluit van 21 april 1997 van de Commissie Bezwaren SW
te bekrachtigen, staat de Raad, gezien naar artikel
8:72, derde
lid, van de Awb, voor de vraag of het besluit van gedaagde op
grond van artikel 107 van de Abw
op onjuiste gronden is genomen.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de beschikbare
gegevens, waarvan met name het medische advies van de GGD Helmond
van 24 mei 1995, acht de Raad het besluit van gedaagde om
appellant met toepassing van artikel 107 van de
Abw ontheffing van
de in artikel 113 van de Abw
neergelegde verplichtingen te
verlenen op goede gronden te berusten. De Raad is dan ook tot de
conclusie gekomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit
op bezwaar in stand kunnen worden gelaten.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb, beslist als
volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het inleidend beroep
gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd;
vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige, behoudens
voor zover daarbij de gemeente Gemert-Bakel is gelast aan
appellant het door hem gestorte griffierecht te vergoeden;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden
besluit in stand blijven;
gelast de gemeente Gemert-Bakel aan appellant het in hoger beroep
gestorte griffierecht ad ƒ170,- te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de
Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 24 april 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|