| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB2486 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/1581
NABW |
| Datum
uitspraak: |
15
mei 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
47 Abw
(= 32 Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
inkomen; compensatie-uitkeringen; inhouding; inkomensverlies;
rechtspositionele nadelen; levensonderhoud; vroegere arbeid |
| Essentie: |
Terechte
inhouding op de bijstand van maandelijkse uitkeringen ter
compensatie van inkomensverlies en rechtspositionele nadelen
(tijdens een vroegere dienstbetrekking), omdat dergelijke
uitkeringen zijn bedoeld voor levensonderhoud en derhalve als
inkomen dienen te worden aangemerkt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/1581
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zaanstad,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. J.C.A. Berris, werkzaam bij de Stichting
Buro voor Rechtshulp te Haarlem, op bij beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Haarlem op 10 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen. Bij brief van 11 mei 1999 zijn de gronden van
het beroep aangevuld en zijn nadere stukken ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 21 mei 1999 een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 april 2001, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Berris,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.S.
Woudstra, werkzaam bij de gemeente
Zaanstad.
II. Motivering
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, niet door
partijen betwiste, feiten en omstandigheden.
Appellante is werkzaam geweest bij de [X] die tengevolge van een
privatiseringsoperatie is opgegaan in de [Y] NV. Ter compensatie van
inkomensverlies - en andere rechtspositionele nadelen - is de [Y] met
de werknemersorganisaties een overgangsregeling overeengekomen voor alle
in aanmerking komende werknemers. Daarvoor is een fonds in het leven
geroepen waaruit de betreffende medewerkers gedurende een bepaalde
periode maandelijks een netto-uitkering ontvangen. Het fonds wordt
beheerd door de Stichting Uitbetaling Garantiesalarissen
Overheidspersoneel (Stichting Sugo). Hoogte en duur van de uitkeringen
zijn individueel bepaald. In 1990 zijn over de stortingen in het fonds
inkomstenbelasting en sociale premies ingehouden en afgedragen. Aan
appellante zijn over de periode januari 1990 tot en met december 1998
maandelijks betalingen gedaan uit het fonds.
Aan appellante is met ingang van 24 maart 1996 algemene bijstand op
grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Op deze bijstand
zijn de betalingen van de Stichting Sugo in mindering gebracht.
Namens appellante is gedaagde bij brief van 3 juli 1997 verzocht de op
de bijstand ingehouden betalingen van de Stichting Sugo terug te betalen
en de in de toekomst te ontvangen maandelijkse betalingen niet meer op
de bijstand in mindering te brengen.
Gedaagde heeft dat verzoek bij primair besluit van 13 oktober 1997
afgewezen. Het vanwege appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar
is bij het thans bestreden besluit van 14 januari 1998 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak van 10 februari 1999 ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de netto-uitkeringen
die de Stichting Sugo maandelijks aan appellante heeft gedaan, moeten
worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel
47, eerste lid, van
de Abw.
De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Het
volgende wordt overwogen.
Blijkens artikel 47, eerste lid, van de Abw
wordt - voor zover hier van
belang - onder inkomen verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid
en inkomsten uit vermogen, dan wel daarmee naar hun aard overeenkomende
inkomsten die betrekking hebben op een periode waarover beroep op
bijstand wordt gedaan. Uit de door de regering gegeven toelichting op
dat artikellid valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan
dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals
uitkeringen, kunnen worden ingezet voor de voorziening in het
levensonderhoud en dat ook eenmalig ontvangen inkomsten die naar hun
aard daarmee overeenkomen, zoals een alimentatieafkoopsom, als inkomen
in aanmerking dienen te worden genomen. Voorts valt uit die toelichting
af te leiden dat - indien het gaat om een uitkering ineens - moet worden
beoordeeld op welke periode de uitkering geacht moet worden betrekking
te hebben.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de maandelijkse
(netto-)uitkeringen
die de Stichting Sugo aan appellante heeft gedaan, moeten worden
aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de
Abw.
Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij zijn voortgevloeid uit
de arbeid die appellante heeft verricht bij de voormalige [X] en dat
zij (mede) zijn bedoeld om het inkomensverlies dat appellante naar
verwachting geleden zou hebben indien zij in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking werkzaam was geweest te compenseren door middel van
maandelijkse betalingen.
De Raad verwerpt het vanwege appellante ingenomen standpunt dat de
storting van een bedrag ineens, die de [Y] in het jaar 1990 in het door
de Stichting Sugo beheerde fonds heeft gedaan, voor zover deze bedoeld
is voor appellante, moet worden aangemerkt als vermogensvorming van
appellante in dat jaar en dat het aldus gevormde vermogen (ten tijde in
geding) geringer was dan het bescheiden vrij te laten vermogen, bedoeld
in artikel 52 van de Abw. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen
dat appellante in 1990 niet de vrijheid had te vorderen dat haar aandeel
in het fonds terstond tot uitbetaling zou komen en dat zij evenmin
zeggenschap had over het beheer van het fonds en het tempo en de hoogte
van de (maandelijkse) uitbetalingen. Dat over de storting in 1990 toen
belasting en premies zijn afgedragen, kan hieraan niet afdoen.
Voor de Raad staat voorts vast dat de maandelijkse betalingen door de
Stichting Sugo (mede) zijn bedoeld als compensatie voor het
inkomensverlies dat het gevolg zou zijn van de overgang van een
ambtelijke rechtspositie naar een privaatrechtelijke dienstbetrekking in
de tussen de werknemersorganisaties en de voormalige werkgever
overeengekomen periode en dat zij, gelet hierop, mede bedoeld waren voor
het maandelijkse levensonderhoud van appellante in de periode in geding.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde de desbetreffende maandelijkse
betalingen terecht als inkomen heeft aangemerkt en dat deze ten tijde in
geding terecht op de algemene bijstand in mindering zijn gebracht.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. Ch. de Vrey en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van
B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
15 mei 2001.
(get.)
J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB2488 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6355
ABW |
| Datum
uitspraak: |
8
mei 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5a, 55 en 59a ABW (= 3,
78 en 84
Abw) (= 3,
58 en 59
Wwb) /
1:2, 8:72
en
8:75 Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; terugvordering van hoofdelijk
aansprakelijke; belanghebbende; subject van bijstandverlening;
alleenstaande ouder; verletkosten; kosten meebrengen getuige |
| Essentie: |
Onterechte
hoofdelijkaansprakelijkstelling en terugvordering van bijstand
wegens gezamenlijke huishouding, omdat betrokkene geen subject
van bijstandverlening was en derhalve geen belanghebbende,
aangezien zijn bijstandsgerechtigde partner (van wie wel terecht
wordt teruggevorderd) een alleenstaandeouderuitkering genoot. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/6355
ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant A], thans wonende te [woonplaats B], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Eemsmond, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. R. Koppe, advocaat te Uithuizen, op in
een aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Groningen
op 12 november 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn - samen met de gedingen tussen [C], wonende te [D],
en gedaagde, nummers 99/3989 NABW tot en met 99/3991 NABW -
gevoegd behandeld ter zitting van 27 maart 2001, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Koppe voornoemd,
terwijl aan de kant van gedaagde - met bericht van verhindering -
niemand is verschenen. Aan de zijde van appellant is als getuige
meegebracht en ter zitting gehoord [E], wonende te [D].
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak
gedaan.
II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)
ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de
Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan
de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die
luidden ten tijde als hier van belang.
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 21 april
1998 appellant mededeling gedaan van zijn ten aanzien van [C]
(hierna: [C]) genomen beslissing dat in het geval van haar en
appellant in de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995
sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel
5a (oud) van de ABW en dat [C] geen recht had op de haar
toegekende bijstand ingevolge de ABW naar de norm voor een
eenoudergezin; voorts heeft gedaagde met toepassing van de
artikelen 55 en 59a van de ABW van appellant de over de genoemde
periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ad ƒ13.426,73
teruggevorderd en hem voor de terugbetaling hoofdelijk
aansprakelijk gesteld.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar
gedaagde bij besluit van 12 oktober 1998 als ongegrond heeft
afgewezen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat
appellant tegen het besluit van 12 oktober 1998 instelde
ongegrond verklaard. In de eerste plaats heeft de rechtbank
geoordeeld dat het - in het bestreden besluit besloten liggende -
standpunt van gedaagde juist is dat er in het geval van [C] en
appellant over de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995
sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voorts was zij van
oordeel dat gedaagde gerechtigd is het genoemde bedrag van
appellant terug te vorderen en hem voor de terugbetaling ervan
hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze oordelen van de
rechtbank gekeerd.
De Raad
overweegt dienaangaande als volgt.
In de eerste plaats stelt de Raad
vast dat hij in zijn uitspraak
van heden in de gedingen tussen [C] en gedaagde als zijn oordeel
heeft neergelegd dat er in het geval van [C] en appellant in het
tijdvak van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was een
gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a van de ABW en
dat [C] over dat tijdvak geen recht op bijstand had. Hiermee is
de betrokken besluitvorming van gedaagde ten aanzien van [C]
rechtens verbindend geworden en staat zij in dit geding niet meer
ter beoordeling.
De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellant niet betrokken
was bij de aan [C] over meergenoemd tijdvak verleende bijstand
naar de norm voor een eenoudergezin en derhalve geen subject van
die bijstandverlening, zodat hij ter zake die besluitvorming niet
als belanghebbende in de zin van artikel
1:2, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De omstandigheid dat
appellant ter zake van de terugbetaling van de aan [C] verleende
bijstand hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, maakt dit niet
anders. Derhalve dient al hetgeen appellant in hoger beroep met
betrekking tot die besluitvorming heeft aangevoerd buiten
bespreking te blijven. De rechtbank en ook gedaagde hebben dit
laatste ten onrechte niet onderkend.
De Raad
overweegt met betrekking tot de terugvordering en de
hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van appellant als volgt.
Het besluit om de ten onrechte gemaakte kosten van de aan [C]
over het tijdvak van
1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 verleende bijstand van appellant
terug te vorderen en hem hoofdelijk aansprakelijk te stellen,
berust op het bepaalde in artikel 59a, tweede en derde lid, van de
ABW.
Onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 23
oktober 1998, NJ 1998, 900, en JVB 1999/4, en van 22 december
2000, gepubliceerd in RvdW 2001, 13, overweegt de Raad
dat in een
geval als het onderhavige waarin - naar de norm voor een
eenoudergezin - gezinsbijstand is verleend, artikel 59a, tweede
lid, van de ABW geen grond kan bieden voor terugvordering van de
partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand ten
onrechte geen rekening is gehouden.
Dit leidt de Raad
tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens
strijd met de wet moet worden vernietigd. De Raad acht het
aangewezen om met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb tevens het primaire besluit van 21 april 1998, dat eveneens in
strijd met de wet is, te vernietigen.
De Raad
acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel
8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op ƒ1420,- in beroep alsook in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand, op ƒ84,76 voor reiskosten (gevormd door ƒ73,-
aan treinkosten en (14 strippen à ƒ0,84 per strip =
ƒ11.76) en op ƒ200,- voor verletkosten aan de kant van
appellant, alsmede op ƒ84,76 voor de kosten van het meebrengen
van de getuige, in totaal ƒ3209,52.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit alsook het primaire besluit van
21 april 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, totaal tot
een bedrag van ƒ3209,52, te betalen door de gemeente
Eemsmond;
gelast de gemeente Eemsmond aan appellant het gestorte recht van
ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de
Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IHABW / Awb |
x
LJN: |
x
AB3075 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
01/150
NABW |
| Datum
uitspraak: |
31
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
52, 54 en 82
Abw (= 34,
34 en 58
Wwb) / 4 IHABW
/ 1:3
Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen
bij aanvang bijstand; erfenis; oververmogen; terugvordering;
nieuwe vermogenstoets ex (nieuwe) Abw |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand wegens vermogen (uit een erfenis) boven de
vermogensgrens, omdat met de inwerkingtreding van de (nieuwe)
Abw per 1 januari 1996 een nieuw recht op bijstand ontstaat en
derhalve een nieuwe vermogenstoets dient plaats te vinden, welke
i.c. leidt tot de vaststelling van een lager aanwezig vermogen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Zutphen 01/150 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Harderwijk, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 28 december 2000.
2. Feiten
Eiseres ontvangt sinds 1 januari 1983 van verweerder een
bijstandsuitkering.
Op 23 maart 1999 is de vader van eiseres overleden. Eiseres heeft
dientengevolge begin 2000 een erfenis ontvangen ten bedrage van
ƒ5125,-.
In verband met deze erfenis heeft verweerder bij besluit van 9
augustus 2000 een bedrag van ƒ2174,75 teruggevorderd van eiseres
wegens overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens, genoemd
in artikel 54 van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 september 2000
bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard.
3. Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde
gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende
stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 2001, waar eiseres
zich heeft laten vertegenwoordigen door P. Stam en verweerder door
mr. L. Röst.
4. Motivering
In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder op goede
gronden heeft besloten een bedrag van ƒ2174,75 terug te vorderen
van eiseres.
Uit het bepaalde in artikel 82 in
verbinding met
hoofdstuk IV,
afdeling 3, van de Abw,
voor zover hier van belang, volgt dat kosten van bijstand worden
teruggevorderd van de belanghebbende voor zover hij naderhand met
betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in
aanmerking te nemen vermogen beschikt of kan beschikken.
Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw
bepaalt
dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen: vermogen
ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt
gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de
bijstandverlening aanwezige vermogen minder bedroeg dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.
Bij de berekening van het teruggevorderde bedrag is verweerder
uitgegaan van het vermogen van eiseres op 1 januari 1983, dat toen
ƒ6899,75 bedroeg, als het bij de aanvang van de bijstandverlening
aanwezige vermogen.
Eiseres heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat, gelet
op de invoering van de (nieuwe) Abw
in 1996, had moeten worden
uitgegaan van haar vermogen in dat jaar. Zij heeft daarbij
aangevoerd dat verweerder vanwege de geringe omvang van haar
vermogen in 1996 in de erfenis geen aanleiding kon vinden om
kosten van bijstand terug te vorderen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij besluit van 23 december 1996 heeft verweerder bepaald dat de
(nieuwe) Abw
met
ingang van 1 december 1996 jegens eiseres van toepassing is.
Derhalve is, gelet op artikel
4, eerste lid, van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet, de toepassing van de
(oude) Algemene Bijstandswet jegens eiseres op 1 december 1996 geëindigd.
Op laatstgenoemde datum ontstond er voor eiseres een nieuw recht
op algemene bijstand. De rechtbank
ziet zich in deze opvatting gesteund door de memorie van
toelichting bij de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet, waarin het besluit dat de
rechtsgevolgen specificeert waartoe toepassing van de (nieuwe) Abw
leidt ten aanzien van degene die op het moment van de
inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw reeds recht op algemene
bijstand had, een toekenningsbesluit wordt genoemd (Kamerstukken
II 1991-1992, 22 614, nr. 3, blz. 6 en 18).
Ten aanzien van eiseres heeft dan ook naar het oordeel van de
rechtbank de datum van
1 december 1996 te gelden als de aanvang van de bijstandverlening
als bedoeld in artikel 52, eerste lid,
aanhef en onder
c, van de Abw.
Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij in het genoemde besluit
van 23 december 1996 eveneens is uitgegaan van het vermogen bij de
aanvang van de bijstand in 1983 en dat eiseres tegen dit besluit
geen bezwaar heeft gemaakt. Voor zover verweerder hiermee heeft
willen betogen dat zijn standpunt dat het bij de aanvang van de
bijstandverlening aanwezige vermogen als bedoeld in artikel
52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw
ten
aanzien van eiseres ƒ6899,75 bedroeg rechtens onaantastbaar is
geworden, overweegt de rechtbank
het volgende.
De betrokken passage in het besluit, verzonden op 23 december
1996, luidt:
"Volgens de bepalingen in de Algemene bijstandswet
geldt in uw situatie een maximale vermogensvrijlating van
ƒ7600,-.
Uw vermogen bij aanvang van bijstandverlening bedroeg ƒ6899,75.
Zonder dat verdere bijstandverlening in gevaar komt, kunt u dus
nog een vermogensvermeerdering realiseren ten bedrage van het
verschil tussen bovengenoemde bedragen".
Deze passage bevat naar het oordeel van de rechtbank
slechts een feitelijke mededeling, opgenomen ter informatie van de
bijstandsgerechtigde. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde
deze zienswijze onderschreven. Het besluit behelst derhalve geen
bindende vaststelling van het bedrag van het bij de aanvang van de
bijstandverlening aanwezige vermogen als bedoeld in artikel
52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de berekening van het
bedrag van de terugvordering c.q. de bepaling van het bedrag
waarmee de ten aanzien van eiseres toepasselijke vermogensgrens
werd overschreden, is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt met
betrekking tot het bij de aanvang van de bijstandverlening
aanwezige vermogen. Het bestreden besluit komt voor vernietiging
in aanmerking wegens strijd met artikel 52,
eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.
De rechtbank merkt ten slotte op dat niet is gebleken van
proceskosten aan de zijde van eiseres als bedoeld in artikel 8:75
van de
Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
- gelast verweerders gemeente aan eiseres het betaalde griffierecht
van ƒ60,- te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.W.A. Fleuren en in het openbaar
uitgesproken op 31 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Ioaw / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB3076 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
01/234
NABW |
| Datum
uitspraak: |
31
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
17,
20 en 25
Ioaw
/ 81 Abw
(= 58 Wwb)
/ 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
werkaanvaarding; terugvordering; maatregel; verwijtbare
werkloosheid; onjuiste wettelijke grondslag |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens voldoende inkomsten uit
arbeid, ofschoon ten onrechte gebaseerd op de Abw in plaats van
de Ioaw. Onterechte terugvordering van bijstand over één maand
wegens een opgelegde maatregel wegens verwijtbare werkloosheid,
omdat zowel de maatregel als de terugvordering de juiste
wettelijke grondslag missen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen 01/234 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Putten,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 8 januari 2001.
2. Feiten
Bij besluit van 18 maart 1999 heeft verweerder de aan eiser
toegekende uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) met
ingang van 10 december 1998 beëindigd in verband met
werkaanvaarding door diens echtgenote.
Tevens heeft verweerder bij dit besluit bij wijze van maatregel de
uitkering van eiser gedurende de maand oktober 1998 voor 100%
geweigerd, op de grond dat diens echtgenote met ingang van 1
oktober 1998 verwijtbaar werkloos was geworden.
Bij besluit van 30 mei 2000 heeft verweerder van eiser wegens ten
onrechte verstrekte uitkering een bedrag van ƒ2886,79
teruggevorderd. Dit bedrag bestaat uit ten onrechte verstrekte
uitkering over de maand oktober 1998 (ƒ1631,62) en over de
periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 (ƒ2861,68), verminderd met bedragen die eiser nog tegoed had wegens
gereserveerd vakantiegeld (ƒ624,06) en ten onrechte op de
uitkering ingehouden inkomsten uit arbeid (ƒ982,45).
Tegen het besluit van 30 mei 2000 is namens eiser door mr. W.D.
van Doorn, advocaat te Amsterdam, bij brief van 28 juni 2000
bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard.
3. Procesverloop
Namens eiser heeft mr. Van Doorn, voornoemd, beroep ingesteld op
de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op
de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 2001, waar eiser in
persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Daudey.
4. Motivering
In dit geding dient beoordeeld te worden of verweerder op goede
gronden heeft besloten van eiser een bedrag van ƒ2886,79 terug
te vorderen ter zake van ten onrechte verstrekte uitkering.
ingevolge de Ioaw.
In het bestreden besluit is ten aanzien van hetgeen over de maand
oktober 1998 is betaald artikel 81, eerste lid, van de
Algemene
bijstandswet (Abw) en ten aanzien van hetgeen over de periode van
10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 is betaald artikel
81,
tweede lid, van de Abw
aangewezen als wettelijke grondslag voor de
terugvordering. De rechtbank merkt echter op
dat artikel 81 van de Abw
geen grondslag biedt voor de terugvordering van bedragen die
ingevolge de Ioaw zijn uitgekeerd. Aangezien het bestreden besluit
aldus berust op onjuiste wettelijke grondslagen, komt het voor
vernietiging in aanmerking.
Op grond van het navolgende ziet de rechtbank evenwel aanleiding
om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
gedeeltelijk in stand te laten.
Artikel 25, eerste lid, van de Ioaw bepaalt dat de uitkering die
als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
17, derde of
vierde lid, of artikel 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald,
van de belanghebbende wordt teruggevorderd.
Voor zover verweerder bij besluit van 18 maart 1999 de uitkering
van eiser met ingang van 10 december 1998 heeft beëindigd, is dit
een besluit als bedoeld in artikel 17, derde lid, aanhef en onder
b, van de Ioaw. De uitkering die verweerder over de periode van 10
december 1998 tot en met 31 januari 1999 aan eiser heeft betaald,
is als gevolg van dit besluit ten onrechte verleend en moet
derhalve op grond van artikel 25, eerste lid, van de
Ioaw in
beginsel van eiser worden teruggevorderd. Namens eiser is evenwel,
zowel in het beroepschrift als ter zitting, onder verwijzing naar
artikel 81, tweede lid, van de Abw, aangevoerd dat hij niet
redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat de uitkering over deze
periode onverschuldigd was betaald. Dienaangaande merkt de
rechtbank op dat, zoals hierboven reeds is overwogen, artikel
81,
tweede lid, van de Abw
niet van toepassing is op het onderhavige
geschil. Overigens is niet aannemelijk geworden dat eiser
redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering over
de hier aan de orde zijnde periode onverschuldigd is betaald.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede
gronden heeft besloten de uitkering over deze periode terug te
vorderen. De rechtbank tekent hierbij aan dat niet gebleken is van
dringende redenen als bedoeld in artikel
25, vierde lid, van de Ioaw, die verweerder
zouden nopen geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Voorts is gesteld noch gebleken dat het
bedrag van de terugvordering over deze periode onjuist is
berekend.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het
bestreden besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op de
terugvordering van de uitkering die verweerder over de periode van
10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 ten onrechte heeft
verleend, verminderd met de bedragen die eiser nog tegoed had
wegens gereserveerd vakantiegeld en ten onrechte ingehouden
inkomsten uit arbeid, in stand dienen te blijven.
Voor zover de terugvordering betrekking heeft op de uitkering die
over de maand oktober 1998 is verleend, overweegt de rechtbank als
volgt.
In de gedachtegang van verweerder is de uitkering over deze maand
ten onrechte verleend omdat bij besluit van 18 maart 1999 aan
eiser een maatregel is opgelegd, inhoudende dat deze uitkering
voor 100% geweigerd wordt. Het meergenoemde artikel
25, eerste
lid, van de Ioaw biedt echter uitsluitend een grondslag voor de
terugvordering van de uitkering die als gevolg van een besluit ten
onrechte is verleend, indien dit een besluit is als bedoeld in dit
artikellid.
Het desbetreffende onderdeel van het besluit van 18 maart 1999
luidt als volgt:
"Uw echtgenote is ingaande 1 oktober 1998 verwijtbaar
werkloos, waardoor zij geen WW heeft toegekend gekregen. Op grond
van artikel 5 van het Maatregelen besluit Ioaw
[Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, red.]
leggen wij over de
maand oktober 1998 een maatregel, korting, op van 100%. Omtrent de
afwikkeling hiervan ontvangt u binnenkort bericht".
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze passage niet worden
beschouwd als een besluit waarop artikel
25, eerste lid, van de Ioaw het oog heeft. Weliswaar verwijst dit artikellid onder andere
naar een besluit als bedoeld in artikel 20 van de
Ioaw en verleent
laatstgenoemd artikel verweerder de bevoegdheid om in de daar
bedoelde gevallen een maatregel op te leggen, maar de aangehaalde
passage kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in
artikel 20. Ten eerste vermeldt de passage als grondslag voor de
opgelegde maatregel niet artikel 20 van de
Ioaw, maar artikel 5 van het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, welk artikel
betrekking heeft op maatregelen ingevolge de Abw.
Ten tweede valt de opgelegde maatregel inhoudelijk niet binnen de
termen van artikel 20 van de Ioaw. Het eerste lid van dit artikel
bepaalt immers dat, indien de belanghebbende zich verwijtbaar
zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten
begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn
dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, dan wel indien de
dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de
voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze
voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
gevergd, burgemeester en wethouders de uitkering blijvend weigeren
naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met deze
arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven, tenzij het eindigen
van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate
kan worden verweten. In dat geval weigeren burgemeester en
wethouders de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk
door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het
inkomen als hiervoor bedoeld.
De door verweerder opgelegde maatregel bestaat noch uit een
blijvende weigering van uitkering naar de mate waarin eisers
echtgenote bij voortzetting van de dienstbetrekking inkomen zou
hebben kunnen verwerven, noch uit een gedeeltelijke weigering van
de uitkering over een periode van 26 weken op de wijze als
omschreven in artikel 20, eerste lid, van de
Ioaw.
Een en ander leidt tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het
bestreden besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op de
terugvordering van de uitkering die verweerder over de maand
oktober 1998 heeft verleend, niet in stand kunnen blijven. De
rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door
herroeping van het besluit van 30 mei 2000 op dit punt.
Aangezien het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking
komt en de rechtsgevolgen van dit besluit slechts gedeeltelijk in
stand kunnen blijven, is er aanleiding verweerder te veroordelen
in de proceskosten van eiser. Ter zake van rechtsbijstand worden 2
punten toegekend met een wegingsfactor 1.
Beslist wordt derhalve als volgt.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven
voor zover het betreft de terugvordering van hetgeen verweerder
over de periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999
ten onrechte aan uitkering aan eiser heeft verleend, verminderd
met de bedragen die eiser nog tegoed had;
- herroept het besluit van 30 mei 2000 voor zover dit besluit
inhoudt dat van eiser een bedrag van ƒ1631,62 wordt
teruggevorderd wegens verleende uitkering over de maand oktober
1998;
- gelast verweerders gemeente aan eiser het betaalde griffierecht
van ƒ60,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een
bedrag van ƒ1420,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te
betalen door verweerders gemeente.
Aldus gegeven door mr. J.W.A. Fleuren en in het openbaar
uitgesproken op 31 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB3331 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
00/391 NABW V06 |
| Datum
uitspraak: |
15
februari 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
30, 57 en 59a ABW (= 65,
81 en
84 Abw) (= 17,
58 en 59
Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
schending inlichtingenverplichting; terugvordering; hoofdelijk
aansprakelijke; vervalsing handtekening partner; fraude |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten, omdat
betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is. Dat haar partner
(mogelijk) het ontvangen van aanvullende bijstand aan haar heeft
verzwegen en haar handtekening telkens heeft vervalst, doet daar
niet aan af. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige Rechtbank
Groningen AWB 00/391 NABW V06
U I T S P R A A K
inzake het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. G. Meijer
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Hoogezand-Sappemeer, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 8 maart 2000 (verzonden op 14
maart 2000), kenmerk TV20000313.05, het bezwaarschrift van eiseres
tegen hun besluit van 17 december 1999, waarbij verweerders de aan
eiseres en X verstrekte bijstand op grond van de (oude) Algemene
Bijstandswet (ABW) en de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw) van
haar hebben teruggevorderd, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 20 april
2000, dat op 29 juni 2000 van nadere gronden is voorzien, beroep
bij de rechtbank ingesteld.
Verweerders hebben op 7 juli 2000 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een
verweerschrift ingediend.
Verweerders hebben op 12 december 2000 nadere stukken ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 26 januari 2000.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.A.
van Dijk.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door T. Veltman.
2. Rechtsoverwegingen
De feiten en de standpunten van partijen
Verweerders hebben eiseres en X (verder: X) gedurende de perioden
van 30 januari 1995 tot en met 10 april 1996 en van 15 juli 1996
tot en met 31 mei 1997 een uitkering naar de norm voor gehuwden op
grond van de ABW, respectievelijk de Abw, toegekend.
Bij besluit van 17 december 1999 (verzonden op 20 december 1999)
hebben verweerders de te veel betaalde bijstand van totaal ƒ6856,16 van eiseres op grond van artikel 30 ABW in samenhang met
artikel 55 ABW en artikel 65 Abw
in samenhang met de artikelen
78, eerste lid,
en 81, eerste lid, Abw van eiseres teruggevorderd.
Verweerders hebben daartoe overwogen dat uit gegevens van de
belastingdienst is gebleken dat eiseres van 1 januari 1995 tot en
met 31 maart 1995 en van 22 augustus 1995 tot en met 31 december
1995 en in de jaren 1996 en 1997 werkzaam is geweest bij P.
Eiseres heeft de inkomsten van de werkzaamheden over de periode 1
januari 1995 tot en met 31 maart 1995 aan verweerders opgegeven.
Verweerders hebben deze inkomsten in mindering gebracht op de
inkomsten.
Daarentegen heeft eiseres de na 22 augustus 1995 genoten inkomsten
van de P en ook de van 1 juni 1996 tot en met 31 december 1996
genoten inkomsten bij Q en de door eiseres of X in 1996 genoten
inkomsten van R niet aan verweerders opgegeven.
Eiseres heeft tegen het besluit van 17 december 1999 bij
bezwaarschrift dat op 4 januari 2000 door verweerders is ontvangen
- samengevat - aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van het feit
dat de gemeente haar een uitkering verstrekte. X heeft zonder haar
medeweten de inkomstenbriefjes getekend. De uitkering werd gestort
op de rekening van X. Pas toen zij en X uit elkaar waren, kwam zij
erachter dat hij haar handtekening had vervalst. Zij acht zich
niet aansprakelijk voor de terugvordering.
Verweerders hebben - in overeenstemming met het advies van de
Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften
Sociale Zaken en Wet voorzieningen gehandicapten van 23 februari
2000 het bezwaar bij besluit van 8 maart 2000 ongegrond
verklaard.
Verder hebben verweerders in hun verweerschrift aangegeven dat
eiseres heeft gesteld dat zij niets van de bijstandverlening zou
hebben geweten. Dit komt ongeloofwaardig over, aangezien zij alle
voor de bijstandverlening relevante documenten mede heeft
ondertekend. Uit rechterlijke uitspraken blijkt dat in geval van
gezinsbijstand partners over en weer verantwoordelijk zijn voor
het invullen van de inkomstenverklaringen. Dit betekent dat
eiseres medeverantwoordelijk is voor de onjuiste opgave aan de
gemeente en de vastgestelde verzwijging van de inkomsten binnen de
risicosfeer van eiseres valt.
Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft in beroep haar
bezwaren - inhoudelijk - herhaald.
Beoordeling van het geschil
De rechtbank stelt vast dat verweerders eiseres en X over de in
het geding zijnde perioden bijstand hebben verleend naar de norm
voor een echtpaar in aanvulling op de inkomsten van eiseres als
klassenassistent via S.
Daarnaast heeft eiseres in de hiervoor genoemde perioden inkomsten
verworven uit werkzaamheden voor de P en Q, terwijl X inkomsten
heeft verworven bij de R.
Eiseres en X hebben de na 22 augustus 1995 uit deze werkzaamheden
ontvangen inkomsten niet meer bij verweerders opgegeven.
Daardoor hebben eiseres en X niet voldaan aan de op hen rustende
inlichtingenverplichting als omschreven in artikel 30, tweede lid,
ABW en artikel 65, eerste lid, Abw, zoals deze bepaling tot 1 juli
1997 luidde.
Als gevolg daarvan hebben verweerders een bedrag van ƒ6856,16
te veel aan bijstand aan eiseres en X betaald.
Dit bedrag is door eiseres verder niet betwist.
Op grond van artikel 57, aanhef en onder d, ABW en artikel
81,
eerste lid, Abw, zoals die bepaling tot 1 juli 1997 luidde, waren
verweerders gehouden de te veel betaalde bijstand van eiseres en X
terug te vorderen.
Krachtens artikel 59a, eerste en derde lid, ABW en artikel
84,
eerste en derde lid, Abw, zoals die bepalingen destijds luidden,
is eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de
ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
Doordat eiseres hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling
van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand gedurende de
periode dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met X is het
niet van belang of X de aanvraag- en inlichtingenformulieren
opzettelijk onjuist invulde en haar handtekening mogelijk heeft
vervalst. Evenmin is van belang dat eiseres, zoals zij heeft
gesteld, er niet van op de hoogte was dat zij een
bijstandsuitkering ontving.
Het gaat erom dat eiseres en X een gezamenlijke huishouding
vormden en hen gezinsbijstand is verstrekt.
Een onderzoek door een deskundige naar de vraag of de
handtekeningen van eiseres op de aanvraag- en
inlichtingenformulieren echt zijn, dan wel vervalst, kan daarom
niet tot een andere uitkomst van dit geschil leiden.
Reeds om die reden ziet de rechtbank
ervan af een dergelijk
onderzoek te gelasten.
Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien, is de
rechtbank niet gebleken.
Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar
door hem uitgesproken
op 15 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr. H.G. Wiemans als
griffier.
De griffier, wnd.,
De
rechter,
Afschrift verzonden op: 15 februari 2001.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
Deze uitspraak is door de Centrale Raad van
Beroep bevestigd op 4 november 2003 in de zaak 01/1907 NABW (LJN
AN8380), red.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|