| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AB3333 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/1113 ABW |
| Datum
uitspraak: |
15
februari 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
33,
35 en 138 Abw
(= 25, 27
en 79
Wwb) /
8:73
Awb
|
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling met ouder; terugwerkende kracht; onrechtmatige
bepaling in gemeentelijke verordening; formele rechtskracht;
bezwaar tegen uitkeringsspecificatie; renteschadevergoeding;
wettelijke rente |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing toeslag met terugwerkende kracht tot vóór de
reparatie (wegens strijd met de wet) van de betreffende
gemeentelijke verordening, omdat betrokkene - nu niet kan worden
bestreden dat het besluit inzake intrekking van de toeslag niet
is ontvangen - niet tegen de eerste uitkeringsspecificatie
waarbij niet langer de toeslag werd verleend bezwaar heeft
gemaakt. De aan het beginsel van de formele rechtskracht
verbonden bezwaren zijn in dit geval niet zo klemmend te achten
dat uitzondering op dat beginsel dient te worden gemaakt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage AWB 00/1113 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag, verweerster.
1. Ontstaan en loop van het geding
Eiser valt vanaf 1 maart 1997 onder het regime van de op 1 januari 1996
in werking getreden Algemene bijstandswet (hierna: Abw) en ontvangt
vanaf 1 april 1997 een uitkering krachtens die
wet, naar de norm voor
een alleenstaande. Daarvóór ontving hij een uitkering krachtens de
voorganger van die wet, de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW).
Bij besluit van 7 oktober 1999 heeft verweerster eiser met ingang van 1
maart 1999 een toeslag toegekend als bedoeld in artikel 33 van de
Abw
ter hoogte van 14 procent van het nettominimumloon
[= 14% van de gehuwdennorm, red.].
Bij besluit van 23 december 1999, verzonden op 13 januari 2000, heeft
verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 februari 2000, ingekomen
bij de rechtbank op 3 februari 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn
aangevuld bij brief van 2 maart 2000.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd
en tevens bij brief van 4 juli 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 4 december 2000 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de
Wetering, advocaat te Rijswijk. Verweerster heeft zich laten
vertegenwoordigen door M.I.E. Rhuggenaath.
Aangezien ter zitting bleek dat het onderzoek niet kon worden gesloten,
is verweerster in de gelegenheid gesteld enige nadere stukken aan de
rechtbank over te leggen, hetgeen zij heeft gedaan bij brief van 5
december 2000.
Eiser heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, op deze nadere
stukken aanvankelijk niet gereageerd.
Partijen hebben toestemming gegeven uitspraak op het beroep te doen
zonder behandeling ervan in een nadere zitting. Bij het geven van deze
toestemming heeft eiser erkend dat hetgeen verweerder stelt over de
wijziging van de hoogte van de uitkering juist is.
2. Motivering
Eiser is een alleenstaande man van, nu, 39 jaar, die bij zijn moeder in
huis woont en daar ook steeds heeft gewoond. Aanvankelijk ontving hij
bijstand naar de norm voor een alleenstaande, zonder toeslag krachtens
artikel 33 van de Abw. Bij uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van
2 maart 1999 in de zaak 98/6295 ABW (RSV 1999/163) [LJN
ZB8147, red.]
is geoordeeld dat in
het geval een ontvanger van bijstand ouder dan 21 jaar bij zijn ouder(s)
inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel niet kan worden
uitgesloten, maar dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat
wat het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten
betreft bij deze groep sprake is van een situatie die op dit punt geheel
vergelijkbaar is met die van gehuwden. De desbetreffende
bijstandsverordening van de gemeente Rotterdam is in die uitspraak in
strijd met artikel 33 van de Abw
geacht. Op basis hiervan heeft het
gemeentebestuur van Den Haag zijn - op dit punt geheel vergelijkbare -
bijstandsverordening aangepast, in die zin dat dergelijke bijstandsontvangers wel een toeslag kunnen ontvangen. Aan deze wijziging
is in de verordening terugwerkende kracht verleend tot 1 maart 1999.
Zoals in de vorige paragraaf van deze uitspraak is weergegeven, is aan
eiser op die voet een toeslag toegekend.
Eiser meent dat niet verweerster, maar het college van burgemeester en
wethouders het bevoegde orgaan is te beslissen over zijn aanspraak op
een uitkering. Meer specifiek geeft hij aan dat artikel
120, tweede lid,
van de Abw zich verzet tegen mandaatverlening.
Eiser betoogt verder dat verweerster ten onrechte de terugwerkende
kracht heeft beperkt tot 1 maart 1999. Deze datum kan, aldus eiser, niet
afhankelijk zijn van het al of niet bereid zijn van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid de kosten te vergoeden. Uit de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep vloeit volgens eiser voort dat
met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 of althans tot het moment
waarop een betrokkene onder het regime van de (nieuwe) Abw
is komen te
vallen, alsnog een toeslag moet worden verstrekt als bedoeld in artikel
33 van de Abw. Dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen een eerder
besluit kan hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser, omdat hij
nimmer een dergelijk besluit heeft ontvangen. Bovendien kan verweerster
in voor betrokkene gunstige zin terugkomen op een eerder besluit.
Eiser verzoekt de rechtbank ten slotte verweerster te veroordelen tot
vergoeding van de schade, in de vorm van wettelijke rente, op de voet
van artikel 8:73 van de Awb.
Verweerster baseert de beperking van de terugwerkende kracht tot 1 maart
1999 op informatie van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, inhoudende dat gemeenten niet verplicht zijn hun
verordeningen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 aan te passen,
reden waarom het ministerie niet bereid is kosten over eerdere jaren te
vergoeden. Verweerster acht zich slechts verplicht om de gewijzigde
verordening terugwerkende kracht te verlenen vanaf het moment dat zij
bekend was met het feit dat er een met artikel 33 van de
Abw strijdige
bepaling in stond. Voor zover verweerster heeft kunnen nagaan, heeft
eiser geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 maart 1997 waarin de
uitkering, zonder toeslag, krachtens de (nieuwe) Abw
per 1 april 1997 is
bepaald op 50 procent van de bijstandsnorm, zodat dit besluit
onherroepelijk is. Dat eiser stelt dit besluit nooit te hebben
ontvangen, doet er niet aan af dat eiser op de hoogte is en is geweest
van de rechtsgevolgen van die beslissing.
Over de bevoegdheid van verweerster te beslissen over het onderwerp hier
in geding overweegt de rechtbank dat de gemeenteraad van Den Haag bij
verordening van 27 november 1997, in werking getreden op 1 januari 1998
(de Delegatieverordening), de bevoegdheid van burgemeester en wethouders
tot het nemen van besluiten, niet zijnde besluiten van algemene
strekking, krachtens de Abw heeft gedelegeerd aan verweerster. Van
mandaat, hetgeen eiser veronderstelt, is geen sprake. Gelijk de
rechtbank in haar uitspraak van 22 juni 1999 in de zaak AWB 98/6192
heeft overwogen, heeft de rechtbank geen gebreken geconstateerd in de
wijze waarop deze delegatie krachtens artikel 165 van de Gemeentewet is
geregeld. Verweerster heeft zich dus terecht bevoegd geacht.
Niet in geding is dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep van 2 maart 1999 logischerwijs volgt dat ook de verordening van de
gemeente Den Haag op dit punt in strijd was met artikel 33 van de
Abw,
zij het dat verweerster in genoemde uitspraak uitsluitend aanleiding
ziet meerbedoelde toeslag met een beperkte terugwerkende kracht en voor
de toekomst toe te kennen. Het geding beperkt zich dus tot de vraag of
reparatie ook vóór 1 maart 1999 dient plaats te vinden.
Ter beantwoording van de vraag of de strijdigheid met artikel 33 van de
Abw tot gevolg moet hebben dat betrokkenen over de gehele periode dat
zij een uitkering onder het regime van de (nieuwe) Abw
ontvingen alsnog
een toeslag toegekend krijgen, kan niet worden staande gehouden dat het
moment waarop de gemeente bekend werd met de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep op zich bepalend zou zijn. Uit die uitspraak volgt
immers dat de verordening van meet af aan in strijd was met artikel 33
van de Abw. De gevolgen van het in het leven roepen van een verordening
die in strijd is met de relevante hogere wetgeving dienen in beginsel
voor rekening te komen van de gemeente waartoe verweerster behoort. De
verordening is immers vastgesteld door een orgaan van de gemeente, de
gemeenteraad van Den Haag. De verantwoordelijkheid van de gemeenteraad
om op juiste wijze de uitvoering van artikel 33 van de
Abw te regelen in
een verordening als bedoeld in artikel 38 van die wet kan niet zonder
meer worden afgewenteld op de rechthebbenden als bedoeld in dat artikel.
Om dezelfde redenen is ook de omstandigheid dat het
ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet bereid zou zijn over perioden
eerder dan 1 maart 1999 de kosten te vergoeden aan de gemeente in dit
verband irrelevant.
Wat ter beoordeling daarom overblijft is verweersters grond dat de
formele rechtskracht van een eerder besluit in de weg kan staan aan het
alsnog toekennen van de omstreden toeslag over de gehele periode. De
rechtbank tekent hierbij aan dat in het geval waarover de Centrale Raad van
Beroep oordeelde in zijn uitspraak van 2 maart 1999 betrokkene
bezwaar had gemaakt tegen het besluit waarmee zij onder het regime van
de (nieuwe) Abw was gebracht, waarbij tevens was besloten dat zij de
toeslag als bedoeld in artikel 33 van die wet niet kreeg toegekend. In
dat geval speelde dus de problematiek van de formele rechtskracht die in
het thans voorliggende geding moet worden beoordeeld niet.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen grond voor het
oordeel dat eiser en verweerster het erover eens zijn dat de door
verweerster oorspronkelijk genomen beschikking onrechtmatig was.
Verweerster stelt zich in het bestreden besluit, in navolging van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op het standpunt dat
zij zich niet verplicht acht haar verordening met terugwerkende kracht
tot januari 1996 aan te passen. Op die grond bestaat daarom niet, zoals
in het geval waarover de Hoge Raad had te oordelen in zijn arrest van 18
juni 1993, nr 15041 (NJ 1993, 642), aanleiding te komen tot een
doorbreking van de formele rechtskracht. Integendeel houdt verweerster
juist vast aan dat oorspronkelijke besluit en verricht in beperkte mate
reparatie door per 1 maart 1999 alsnog de meergenoemde toeslag toe te
kennen. Voor zover aansluiting moet worden gezocht bij de jurisprudentie
van de Hoge Raad inzake formele rechtskracht, komt daarom eerder in
aanmerking zijn arrest van 16 oktober 1992, nr. 14724 (NJ 1993, 638),
waarin eveneens na een onverbindendverklaring van een verordening in
beperkte mate reparatie was gepleegd en het geschil ging over de daaraan
voorafgaande periode. Bezien dient te worden of de aan het beginsel van
de formele rechtskracht verbonden bezwaren door bijkomende
omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden
van het gegeven geval een uitzondering moet worden gemaakt. In dat licht
zal hieronder worden onderzocht of de omstandigheid dat eiser geen
bezwaar heeft gemaakt tegen de oorspronkelijke toekenning van een
uitkering naar de norm voor een alleenstaande - dus zonder toeslag - hem
moet worden tegengeworpen.
Zoals hierboven aangegeven, valt eiser per 1 maart 1997 onder het regime
van de (nieuwe) Abw en ontvangt hij vanaf 1 april 1997 een uitkering ter
hoogte van 50 procent van de bijstandsnorm. Eisers ontkenning het
besluit waarin dat is neergelegd, het besluit van 4 maart 1997, ooit te
hebben ontvangen, wordt door verweerster niet bestreden en ook voor het
overige is het de rechtbank niet gebleken dat eiser dat besluit wel zou
hebben ontvangen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser het
besluit niet heeft ontvangen.
Verweerster heeft na de zitting uitkeringsspecificaties over de maanden
maart, april en mei 1997 en een overzicht van de boekingen (waaronder de
uitbetalingen aan eiser per bank) over de maanden januari tot en met
juli 1997 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser in januari en februari
1997 ƒ1116,58, in maart 1997 ƒ1127,08 en vanaf april 1997 ƒ939,23 op zijn rekening ontving.
In de uitkeringsspecificatie over maart 1997 is vermeld dat eiser naast
het bedrag naar de norm voor een alleenstaande een toeslag ontvangt ten
bedrage van ƒ198,15. In de uitkeringsspecificaties over april en mei
komt geen vermelding van een toeslag voor. Onderaan laatstbedoelde
specificaties is vermeld: "Uw uitkering wordt vanaf 1 april 1997
berekend volgens de nieuwe Algemene bijstandswet. Hierover bent u al
eerder per beschikking geïnformeerd. Als de hoogte van uw uitkering
door de nAbw is gewijzigd, wordt de reden in deze beschikking
vermeld". Eiser ontkent niet dat hij de (correct geadresseerde)
uitkeringsspecificaties heeft ontvangen, zodat de rechtbank
ervan
uitgaat dat hij ze heeft ontvangen. Nu het bedrag dat eiser op zijn
rekening ontving vanaf april 1997 bijna
ƒ200,- lager uitviel
en de uitkeringsspecificaties met ingang van die maand geen
"toeslag" meer vermelden, maar wel repten van een
wetswijziging en een besluit dienaangaande, mocht van eiser worden
verwacht dat hij, indien hij het hiermee niet eens was of het niet
begrijpelijk vond, zich tot de Dienst Sociale Zaken en
Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag had gewend om
informatie hierover te ontvangen. Ook indien hij het besluit waarin één
en ander was vastgelegd niet heeft ontvangen, had hij dan immers alsnog
te horen gekregen waarop de verlaging van zijn uitkering was gebaseerd.
Er mag van worden uitgegaan dat het besluit hem dan alsnog ter hand was
gesteld; vervolgens had hij daartegen bezwaar kunnen maken. Daar komt
bij dat hij, als hij in onwetendheid verkeerde over het wegvallen van de
toeslag per 1 april 1997, bezwaar had kunnen maken op de voet van
artikel 138 van de Abw
tegen de - in zijn ogen - te lage betalingen
vanaf die datum.
Nu eiser evenwel heeft berust in het ontvangen van een aanzienlijk lager
bedrag, zonder toeslag, kan eiser met zijn bezwaar en beroep niet
bewerkstelligen enige jaren later alsnog met terugwerkende kracht tot 1
april 1997 die toeslag te ontvangen. De aan het beginsel van de formele
rechtskracht verbonden bezwaren zijn in dit geval niet zo klemmend te
achten dat uitzondering op dat beginsel dient te worden gemaakt. Met de
toekenning van de toeslag in het primaire besluit met terugwerkende
kracht tot 1 maart 1999 is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet
tekort gedaan. Verweerster is, anders dan eiser kennelijk meent, niet
verplicht in voor eiser gunstige zin in verdergaande mate terug te komen
op het eerdere besluit.
Het beroep is ongegrond.
Nu artikel 8:73 van de Awb
de rechtbank uitsluitend de mogelijkheid
geeft over te gaan tot veroordeling van een partij tot betaling van
schadevergoeding indien het beroep gegrond wordt verklaard, dient het
verzoek om zo'n schadevergoeding hier te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mrs. D.A. Verburg, C.J. Waterbolk en S.C. Stuldreher
en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2001, in tegenwoordigheid
van de griffier mr. S.H. Peper.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger
beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
Deze uitspraak is door de Centrale Raad van
Beroep bevestigd op 15 februari 2005 in de zaak 01/2014 NABW
(LJN
AS6593), red.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB6631 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/11511 ABW |
| Datum
uitspraak: |
22
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
78c Abw (=
–
Wwb) |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; fraudeschuld; niet nakomen
aflossingsverplichtingen; inkomensgegevens |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om kwijtschelding - na vijf jaren aflossing -
van het restant van een fraudeschuld, omdat niet kan worden
vastgesteld of gedurende
die vijf jaren volledig aan de aflossingsverplichtingen is
voldaan nu niet, zoals vereist, per kwartaal de inkomensgegevens
zijn overgelegd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage AWB 00/11511 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
in het geding tussen:
[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats], eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Voorburg [zie gemeente Leidschendam-Voorburg,
red.], verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Op 24 augustus 1999 hebben eisers bij verweerder een aanvraag om
kwijtschelding van hun schuld bij de sociale dienst ingediend.
Bij besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder het verzoek tot
kwijtschelding afgewezen.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 11 maart 2000 een
bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eisers zijn gehoord omtrent hun bezwaren door de Commissie bezwaar- en
beroepschriften op 24 augustus 2000.
Bij besluit van 18 september 2000 heeft verweerder de bezwaren van
eisers ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 25 oktober 2000,
ingekomen bij de rechtbank op 26 oktober 2000, beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 30 november 2000 de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingediend alsmede een verweerschrift.
Het beroep is op 13 juni 2001 ter zitting behandeld.
Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde
mr. E.M. Krukziener.
Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
2. Motivering
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit van 18 september 2000 in rechte stand kan houden.
De rechtbank stelt vast dat de schuld van eisers betrekking heeft
op ten onrechte genoten bijstandsuitkering over de periode van 15
maart 1988 tot 15 maart 1993. Bij beschikking van 8 augustus 1994
heeft de arrrondissementsrechtbank te Den Haag in hoger
beroep bepaald dat de vordering vastgesteld dient te worden op ƒ50.000,- en het aflossingsbedrag op minimaal
ƒ100,- per maand,
met dien verstande dat als het inkomen zou uitkomen boven
bijstandsniveau, men de helft van de verdiensten boven
bijstandsniveau eveneens zou moeten aflossen boven de vastgestelde
ƒ100,- per maand. Tevens werd bepaald dat eisers eenmaal per
kwartaal, voor de eerste maal op 1 oktober 1994, een
overzichtelijke opgave van hun maandelijkse inkomsten in het
voorafgaande kwartaal aan de gemeente dienen over te leggen.
Eisers hebben in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 augustus
1999 een bedrag van ƒ6000,- afgelost. Het verzoek om
kwijtschelding betreft derhalve een bedrag van ƒ44.000,-.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit het volgende naar voren
gebracht.
Eisers hebben gedurende vijf jaar op hun fraudeschuld bij
verweerder afgelost. Zij menen dat het huidige afbetalingssysteem
zeer in het nadeel van hun toekomst werkt. Gezien het feit dat
eisers nu vijf jaar hebben betaald, menen zij in aanmerking te
komen voor kwijtschelding van het restant van de vordering.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet kan beoordelen
óf, en zo ja, in hoeverre eisers gedurende vijf jaar aan hun
aflossingsverplichting hebben voldaan, aangezien eisers zich niet
hebben gehouden aan de verplichting volgend uit de beschikking in
hoger beroep van de arrondissementsrechtbank te
Den Haag van
8 augustus 1994. Eisers hebben, ondanks herhaalde aanmaningen van
verweerder, de gevraagde gegevens niet (volledig) overgelegd.
Het verzoek van eisers om af te zien van verdere terugvordering
heeft betrekking op artikel 78c, eerste lid, onderdeel
a, van de Abw,
aangezien eisers stellen nu vijf jaar te hebben betaald en hopen
op een nieuwe situatie die hun toekomst niet in de weg staat. Dit
artikel is op 1 augustus 1998 bij inwerkingtreding van de Wet
herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb.
1998, 278) [Wet terugvordering en verhaal in
verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.] ingevoerd. Artikel 78c van de
Abw
luidt, voor zover van belang, als volgt:
-1. In afwijking van artikel 78 kunnen burgemeester en wethouders
besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te
zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende
kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde
termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan;
en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
65,
eerste lid.
(...).
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in het kader van de
Wet
herziening debiteurenbeleid
door de wetgever slechts wijziging is
gebracht in de terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, een
redelijke uitleg van de ter zake geldende wettelijke bepalingen,
waaronder artikel 78c van de Abw, met zich brengt dat ten aanzien
van besluiten als het onderhavige, waar het gaat om de
tenuitvoerlegging van een onder de (oude) ABW tot stand gekomen
terugvorderingsbesluit, het (nieuwe) Abw-recht van toepassing is.
De rechtbank overweegt dat in het geval door een belanghebbende
een beroep op artikel 78c, eerste lid, van de
Abw
wordt gedaan,
het bestuursorgaan allereerst dient vast te stellen of aan de
voorwaarden zoals genoemd in dit artikel is voldaan. Deze
voorwaarden houden, voor zover van belang in het onderhavige
geschil, in dat de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichting moet hebben voldaan, dan wel gedurende
vijf jaar niet volledig aan deze betalingsverplichting heeft
voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de
op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft
betaald.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet vastgesteld
kan worden of eisers gedurende vijf jaren volledig aan hun
aflossingsverplichtingen hebben voldaan, aangezien zij niet de
daartoe vereiste gegevens hebben verstrekt. Uit de gedingstukken
blijkt hiertoe het volgende. Bij brief van 15 september 1994 heeft
verweerder meegedeeld zich te conformeren aan de beschikking van
de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 8 augustus 1994
en dat, in verband hiermee, eisers met ingang van 1 september 1994
minimaal ƒ100,- per maand dienen af te lossen en daarnaast dat
zij, met ingang van 1 oktober 1994 vóór de tiende van de maand, de
kwartaalcijfers van het voorafgaande kwartaal dienen in te
leveren, waarna de aflossing voor het nieuwe kwartaal zal worden
vastgesteld en dit zo vervolgens ieder kwartaal. Bij brieven van
16 maart 1995, 30 november 1995, 31 oktober 1996, 22 juni 1998, 7
januari 1999 (verzonden 24 maart 1999), 24 juni 1999 en 4 oktober
1999 heeft verweerder eisers gewezen op de verplichting ieder
kwartaal een overzicht van verdiensten in te leveren teneinde het
juiste aflossingsbedrag vast te kunnen stellen en heeft verweerder
vanaf 1996 verzocht, in verband met het uitblijven van deze
overzichten, de jaarcijfers over voorgaande jaren in te leveren.
Ondanks bovengenoemde herhaalde verzoeken hebben eisers de
gevraagde informatie niet, althans niet volledig, ingeleverd.
Nu niet vastgesteld kan worden of eisers volledig aan hun
aflossingsverplichtingen hebben voldaan, kan verweerder het
verzoek om kwijtschelding niet inwilligen.
Voor het ter zitting door eisers gedane verzoek om het
aflossingsbedrag te fixeren op ƒ100,- per maand is, gelet op
voormelde beschikking van 8 augustus 1994, evenmin plaats.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is niet gebleken.
3.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. S.C. Stuldreher, J.W. Sentrop en E.J.M.
Heijs en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2001, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AB6634 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
98/803
NABW |
| Datum
uitspraak: |
6
juni 2000 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
21
en 39
Abw (= 51
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; reparatiekosten televisietoestel; algemeen
gebruikelijke kosten van het bestaan; noodzakelijke kosten;
geldlening |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor reparatiekosten van een
televisietoestel, omdat dergelijke kosten niet tot de algemeen
gebruikelijke kosten van het bestaan behoren en niet is
aangetoond dat die kosten in dit geval noodzakelijk zijn. Ook
een geldlening is om dezelfde redenen niet mogelijk. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 98/803
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zoetermeer, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Den Haag onder dagtekening 22 december 1997 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad
op 25 april 2000, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C. van
Aller, werkzaam bij de gemeente Zoetermeer.
II. Motivering
Appellant ontvangt een periodieke uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm van een alleenstaande ouder.
Op 28 juni 1996 heeft hij een aanvraag ingediend om bijstand ter
voldoening van onder andere de reparatiekosten van zijn
televisietoestel.
Bij besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde deze aanvraag
afgewezen. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken
van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
kosten in de zin van artikel 39 van de Abw.
Het tegen dat besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 22
januari 1997 ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak onder
meer het beroep tegen het besluit van 22 januari 1997 ongegrond
verklaard.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden. Evenals de rechtbank beantwoordt de
Raad die vraag
bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
In artikel 39, eerste lid, van de Abw
is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II,
de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand
voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in
de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van de
burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2
en 3, en de aanwezige draagkracht.
De Raad is met gedaagde van oordeel
dat het bezit van een televisietoestel algemeen gebruikelijk is
zodat de daaraan verbonden kosten uit de bijstandsnorm
moeten worden bestreden. Ook is in het geval van appellant de
noodzaak van aanschaf en reparatie van een televisietoestel niet
komen vast te staan. Hetgeen appellant in hoger beroep en ter
zitting daaromtrent naar voren heeft gebracht, maakt dat oordeel
niet anders.
Voorts is ook de Raad niet gebleken
van bijzondere omstandigheden die in het geval van appellant tot
een ander oordeel zouden moeten leiden.
Voor zover appellant gesteld heeft dat de onderhavige aanvraag om
bijzondere bijstand door gedaagde ten onrechte niet is opgevat als
een verzoek om een lening, kan deze grief evenmin tot een ander
oordeel leiden.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de
Abw
kan bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame
gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of
borgtocht indien en voor zover deze kosten noodzakelijk zijn.
Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in casu geen sprake.
Het vorenstaande houdt in dat de aangevallen uitspraak voor zover
aangevochten moet worden bevestigd.
De Raad die, ten slotte, geen termen
aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de
Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de
Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 6 juni 2000.
(get.) J.G. Treffers.
(get.)
P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN): |
x
AC0513 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Middelburg |
| Zaaknummer: |
Awb
01/32 |
| Datum
uitspraak: |
11
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
67 Abw (= 43
Wwb) |
| Trefwoorden: |
aanvraag;
schriftelijke bijstandsaanvraag namens aanvrager;
vertegenwoordiger; schriftelijke machtiging |
| Essentie: |
Onterecht
niet in behandeling nemen van de namens de aanvrager ingediende
bijstandsaanvraag wegens het ontbreken van een schriftelijke
machtiging van hem, omdat hij psychisch en lichamelijk ernstig
ziek was en met spoed opgenomen was, zodat in dit bijzondere
geval, waarin de wil van de aanvrager om een bijstandsaanvraag
in te dienen de gemeente bekend was en hij bovendien zelf de
aanvraagformulieren had ondertekend, ook zonder machtiging
sprake is van een rechtmatige aanvraag. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Middelburg Awb 01/32
U I T S P R A A K
inzake:
de erven van A, wonende te B (Tsjechië), eisers,
gemachtigde: mr. D. van Loon te Soest
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tholen,
verweerder.
1. Procesverloop
Op 28 maart 2000 heeft de Stichting Ziekenhuis X te Y aan
verweerder verzocht in aanmerking te komen voor vergoeding van
ziektekosten voor A.
Verweerder heeft op 28 april 2000 besloten deze aanvraag niet in
behandeling te nemen.
Hiertegen hebben eisers bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 5 december 2000 heeft verweerder het
bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Hiertegen zijn eisers in beroep gekomen bij deze rechtbank.
Het geschil is op 21 mei 2001 behandeld ter zitting. Daarbij
werden eisers vertegenwoordigd door V, één van de erven van A, die
het woord liet aan C, ex-echtgenote van A. Als gemachtigde van
verweerder was aanwezig M.J. de Rijke, ambtenaar van de gemeente
Tholen.
2. Overwegingen
Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet (hierna: Abw) stellen burgemeester en wethouders het recht op
bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke
aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Eisers zijn de (twee) kinderen van wijlen de heer A (hierna: A),
die op 14 maart 2000 in het X Ziekenhuis is opgenomen en op 14
april 2000 is overleden in het S Ziekenhuis te T.
Eisers stellen dat A op 14 maart 2000 of op de dag van zijn
ziekenhuisopname mondeling een bijstandsuitkering heeft
aangevraagd bij een medewerker van de sociale dienst, de heer F. Volgens eisers heeft F toegezegd dat de ziekenhuisopname
financieel in orde zou komen. A zou de door F beschikbaar gestelde
aanvraagformulieren hebben ondertekend. Deze formulieren zijn
volgens eisers vervolgens door de heer W, een vriend van A,
gezonden naar diens accountant Q. Bij brief van 11 april 2000
heeft Q de financiële situatie van A aan verweerder toegelicht.
Deze brief dient tevens als aanvraag te worden aangemerkt.
Subsidiair zijn eisers van mening dat een aanvraag is gedaan voor
de bijstand in de kosten van de ziekenhuisopname, dan wel dat
ziekenhuizen gemachtigd zijn tot het doen van een dergelijke
aanvraag. Eisers hebben nog toegelicht dat A aan een geestelijke
stoornis lijdende was.
Verweerder betwist dat er een aanvraag om een bijstandsuitkering
is gedaan door of namens A. F heeft geen toezeggingen gedaan en
deze ambtenaar heeft overigens geen beslissingsbevoegdheid. Het
verzoek van het ziekenhuis van 28 maart 2000 is wel als
bijstandsaanvraag aangemerkt, maar niet als zodanig in behandeling
genomen omdat een schriftelijke machtiging van A ontbrak. Ook de
brief van Q van 11 april 2000 ging niet van een machtiging van A
vergezeld. Er is dan ook volgens verweerder geen primair besluit
genomen op een aanvraag, waartegen eisers bezwaar konden maken. Op
die grond heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard.
De rechtbank heeft het volgende overwogen.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat A op of omstreeks
14 maart 2000 niet persoonlijk met F heeft gesproken. Om A over te
halen tot ziekenhuisopname heeft W zich tot de sociale dienst
gewend. F heeft ten behoeve van de aanvraag door A formulieren aan
W meegegeven. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de
rechtbank niet worden gezegd dat A op of omstreeks 14 maart 2000
een mondelinge aanvraag om bijstand heeft gedaan. Van een
toezegging dat bijstand zou worden verleend, kan evenmin sprake
zijn nu F ter zake niet beslissingsbevoegd was.
De op 28 maart 2000 door K, staffunctionaris patiënteninformatie
bij het X Ziekenhuis, bij verweerder ingediende aanvraag betrof een
vergoeding in de kosten van verpleging en andere ziektekosten van
A. Op die datum was A nog in leven en de rechtbank neemt aan dat
het ziekenhuis heeft bedoeld de aanvraag te doen namens A. Daarvan
getuige ook het feit dat namens verweerder telefonisch contact is
opgenomen met het ziekenhuis over een machtiging van A. Vaststaat
evenwel dat de aanvraag van het ziekenhuis niet werd gevolgd door
een machtiging van A.
De rechtbank stelt voorop dat bij de indiening van een aanvraag in
het algemeen de instemming van de betrokkene is vereist, welke
instemming bij voorkeur moet blijken uit een schriftelijke
machtiging. Ingevolge artikel 67, eerste lid,
Abw kan de
vaststelling van het recht op bijstand evenwel ook ambtshalve
geschieden. Daaruit leidt de rechtbank af dat in een bijzonder
geval bijstand kan worden verleend zonder aanvraag. Zulks
impliceert naar het oordeel van de rechtbank tevens - en anders
dan in het Handboek SoZaWe op pagina F/2600/1 wordt gesteld - dat
er in een bijzonder geval ook zonder een schriftelijke machtiging
van de (wettelijke vertegenwoordiger van de) belanghebbende sprake
kan zijn van een aanvraag.
Van zulk een bijzonder geval is hier naar het oordeel van de
rechtbank sprake. A was psychisch en lichamelijk ernstig ziek en
werd met spoed opgenomen in het X Ziekenhuis. Aan K, aan wiens
zorg A feitelijk was toevertrouwd, kon in dit geval niet worden
tegengeworpen dat hij geen machtiging van A kon overleggen.
Immers dat A bijstand wilde aanvragen, was verweerder middels de
ambtenaar van de sociale dienst F bekend. Juist vanwege de
bijstandsaanvraag had A zich tot de ziekenhuisopname laten
overhalen. Dat A de bijstand wilde aanvragen, leidt de rechtbank
ook af uit de ondertekening van A van de door F ter beschikking
gestelde aanvraagformulieren (onder meer intakeformulier CWI
Tholen).
Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de
aanvraag om bijstand van het X ziekenhuis namens A ten onrechte
niet in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft derhalve ten
onrechte het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard
omdat er geen primair besluit was genomen wegens het ontbreken van
een aanvraag.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep
gegrond is.
De rechtbank zal dan ook niet meer ingaan op de door verweerder
aangevoerde gronden waarom A of diens erven toch al geen positieve
beslissing had of hadden te verwachten op een bijstandsaanvraag of
een aanvraag om vergoeding van de verpleeg- en ziektekosten.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder, met
toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht, te
veroordelen in de kosten die eisers in verband met deze procedure
hebben moeten maken. Gelet op het Besluit
proceskosten bestuursrecht (Koninklijk besluit van 22 december 1993,
Stb. 1993, 763) stelt de
rechtbank de kosten vast op ƒ710,-, uitgaande van een
wegingsfactor 1 en van 1 punt voor het beroepschrift.
3. Uitspraak
De arrondissementsrechtbank te
Middelburg:
verklaart het beroep gegrond;
bepaalt dat de gemeente Tholen aan eisers het door hen betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- (zestig gulden) voldoet;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de
zijde van eisers begroot op ƒ710,- (zeventienhonderd gulden), te
betalen door de gemeente Tholen aan eisers.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001 door mr.
J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. J. de Graaf,
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep
instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het
indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening
van verzending van deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AC1903 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Rotterdam |
| Zaaknummers: |
ABW
99/1012-GAME en ABW 99/1013-GAME |
| Datum
uitspraak: |
14
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9,
14, 69 en 81
Abw (= 13,
18, 54
en 58 Wwb)
|
| Trefwoorden: |
vakantie;
te late terugkeer; herziening bijstand; terugvordering;
maatregel; gebruikelijke vakantieduur;
territorialiteitsbeginsel; rechtszekerheidsbeginsel |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand wegens te late terugkeer van
verblijf in het buitenland, omdat betrokkene over de eerste vier
weken vakantie waarvoor toestemming was verleend - gelet op het
territorialiteitsbeginsel - het recht op bijstand behoudt. De
opgelegde maatregel waarbij de bijstand met terugwerkende kracht
is verlaagd door middel van een herzienings- en
terugvorderingsbesluit is in strijd met het gemeentelijk beleid. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Rotterdam ABW 9911012-GAME
en ABW 9911013-GAME
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Rotterdam, verweerder.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Eiser ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(hierna: Abw). Bij besluit van 7 april 1998 is door de dienst
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe) de door eiser
gevraagde toestemming voor een vakantie naar Pakistan gedurende de
periode van 24 maart 1998 tot en met 4 mei 1998 verleend. Daarbij
werd bepaald dat de uitkering zou worden doorbetaald tot 20 april
1998. Voorts heeft verweerder in het besluit vermeld dat eiser
zich na terugkomst van zijn vakantie zo snel mogelijk diende te
melden bij de balie van de dienst SoZaWe met zijn paspoort of
ticket.
Omdat eiser pas op 26 juni 1998 terugkwam in Nederland en hij zich
pas op 29 juni 1998 heeft gemeld bij de dienst SoZaWe, heeft
verweerder bij besluit van 20 juli 1998 (hierna: primair besluit
I) de uitkering ingevolge de Abw herzien over de periode van 24
maart 1998 tot en met 20 april 1998, in die zin dat over die
periode in het geheel geen recht op bijstand bestaat, omdat eiser
niet langer in B woont. Voorts heeft verweerder in datzelfde
besluit de als gevolg hiervan te veel genoten bijstand over
bovenstaande periode ten bedrage van ƒ1288,48 van eiser
teruggevorderd.
Bij besluit van 20 juli 1998 (hierna: primair besluit II) heeft
verweerder eisers recht op bijstand gewijzigd in die zin dat de
bijstandsnorm ingaande 1 juli 1998 gedurende één maand met 10%
wordt verlaagd. Verweerder heeft daarbij vermeld dat de reden van
het opleggen van de maatregel ligt in het door eiser te laat
terugkeren van zijn vakantie.
Tegen zowel primair besluit I als primair besluit II heeft eiser
bij brieven van 6 augustus 1998 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit I) heeft
verweerder het bezwaar tegen primair besluit I ongegrond
verklaard. Wel heeft verweerder besloten de motivering te wijzigen
in die zin dat de herziening van het recht op bijstand wordt
gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel.
Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit II) heeft
verweerder het bezwaar tegen primair besluit Il ongegrond
verklaard.
Tegen beide bestreden besluiten heeft eiser door middel van
faxberichten van 4 mei 1999 beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brieven van 8 en 9 juli 1999 verweerschriften
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2001.
Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.
2. Overwegingen
ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet beschikt over de middelen om te
voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, recht op
bijstand van overheidswege.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw
bepaalt dat
degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan
de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland,
geen recht op bijstand heeft.
Ingevolge artikel 1 van de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw (Besluit Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13
maart 1998, Stcrt. 1998, 5 1 [53, red.], in werking getreden op 1 april 1998)
wordt onder gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel
9,
eerste lid, onderdeel d, van de Abw
verstaan:
a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is dertien weken per
kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten
vakantieperiode niet langer mag zijn dan dertien weken;
b. voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar.
In artikel 69, derde lid, van de Abw
staat vermeld dat
onverminderd het elders in deze wet bepaalde
ter zake van
herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
bijstand en ter zake van weigering van bijstand, burgemeester en
wethouders een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of
het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als
bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is verleend.
Artikel 78 van de Abw regelt de algemene
terugvorderingsplicht.
Het derde lid van artikel 78 bepaalt dat van terugvordering kan
worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 81, eerste lid, van de Abw
bepaalt, voor zover hier van
belang, dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend van de belanghebbende wordt teruggevorderd.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw
bepaalt, voor zover hier van
belang, indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
in het bestaan, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk
geheel of gedeeltelijk weigeren.
In artikel 14, tweede lid, van de Abw
is vermeld dat een maatregel
als bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de ernst van de
gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten
kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het
opleggen van een maatregel wordt in eik geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Ingevolge het vierde lid van artikel 14 van de
Abw kunnen
burgemeester en wethouders van het opleggen van een maatregel als
bedoeld in het eerste lid afzien indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn.
Overwegingen ten aanzien van bestreden besluit I
Op grond van de op voormelde wettelijke bepaling gebaseerde
gemeentelijke regelgeving, zoals neergelegd in het Handboek SoZaWe
(B/2300), geldt als algemene regel dat vakantie kan worden
toegestaan voor maximaal vier weken per kalenderjaar, van welke
maximale vakantieperiode in principe niet mag worden afgeweken. In
het beleid is voorts bepaald dat als een belanghebbende om wat
voor reden dan ook te laat van vakantie terugkeert, geen aanspraak
bestaat op een bijstandsuitkering over de periode buiten de vier
weken (dan wel dertien weken ten aanzien van personen van 57,5 jaar
of ouder). In die gevallen moet een beslissing worden genomen over
toepassing van een maatregel en de terugvordering van de uitkering
over de periode die eventueel is doorbetaald. Er moet altijd een
maatregel worden toegepast als:
- de belanghebbende een uitkering ontvangt waaraan de
arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen zijn verbonden,
- en het niet tijdig terugkeren in Nederland verwijtbaar is.
In het beleid van verweerder is daarnaast vermeld dat, indien
wordt teruggekeerd na dertien weken, steeds een beslissing moet worden
genomen over toepassing van een maatregel en terugvordering van de
uitkering over de doorbetaalde vakantieperiode. De doorbetaalde
periode kan in die gevallen worden teruggevorderd omdat geen
sprake is geweest van een voorgenomen tijdelijk verblijf in het
buitenland.
Achteraf bezien bestond er dan ook geen recht op doorbetaling.
Bovendien heeft de belanghebbende zich niet gehouden aan de
voorwaarde dat hij tijdig terug moet keren. Van terugvordering kan
in dergelijke gevallen worden afgezien als de belanghebbende niet
verweten kan worden dat hij te laat is teruggekeerd.
Eiser had van de dienst SoZaWe toestemming gekregen voor een
vakantie van zes weken, ingaande 24 maart 1998. De uitkering zou
worden doorbetaald gedurende vier weken, derhalve tot en met 20
april 1998. De resterende weken zouden voor eigen rekening van
eiser komen. Eiser is vervolgens op vakantie gegaan en pas op 26
juni 1998 van zijn vakantie in Nederland teruggekeerd. Hij is
derhalve teruggekomen na dertien weken.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij over de periode
van 24 maart 1998 tot en met 20 april 1998 wel recht had op
doorbetaling van de uitkering, zodat de over die periode
verstrekte bijstand niet mag worden teruggevorderd. Eiser is van
mening dat ten onrechte voorbijgegaan wordt aan het feit dat hij
vanwege medische klachten niet eerder van zijn vakantie is
teruggekeerd. Eiser stelt dat hij reeds begin mei 1998
gezondheidsklachten had die hem het terugreizen onmogelijk
maakten; hij zou daarbij zijn afgegaan op het advies van zijn arts
in Pakistan. Eiser is dan ook van mening dat hem de te late
terugkeer naar Nederland niet verweten kan worden.
De rechtbank overweegt dat blijkens constante jurisprudentie in
geval van verblijf in het buitenland niet van het
territorialiteitsbeginsel kan worden afgeweken, ongeacht de reden
van het langere verblijf in het buitenland met uitzondering van
een jaarlijkse vakantie in het buitenland van maximaal vier weken.
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de invoering
van de nieuwe Abw geen breuk beoogd met deze vaste jurisprudentie.
De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder
betreffende verblijf in het buitenland zoals weergegeven in het
Handboek SoZaWe niet in overeenstemming is met het bepaalde in
artikel 9 van de Abw. In de memorie van antwoord
[memorie van toelichting, red.] bij dit artikel
wordt immers gesproken van het op grond van het
territorialiteitsbeginsel niet kunnen voortzetten van de bijstand
na vier weken verblijf in het buitenland, ongeacht de reden van
het langere buitenlandse verblijf. De rechtbank overweegt dan ook
dat, indien met toestemming van de uitkerende instantie gedurende
vier weken met behoud van uitkering in het buitenland wordt
verbleven en de betreffende persoon keert eerst na afloop van die
vier weken terug naar Nederland, hij het recht op bijstand over
die vier weken verblijf in het buitenland behoudt. De rechtbank
concludeert dan ook dat verweerder ten onrechte de volledige
periode dat eiser in het buitenland heeft verbleven, dus ruim
dertien weken, van eiser heeft teruggevorderd. Op grond van het
bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit
I voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen dit
besluit zal dan ook gegrond worden verklaard.
Overwegingen ten aanzien van bestreden besluit II
Verweerder heeft in zijn beleid, neergelegd in het Handboek SoZaWe
(B/2300 en B/8100), bepaald dat bij terugkeer van vakantie na
dertien weken steeds een beslissing moet worden genomen over toepassing
van een maatregel. Bij te late terugkeer van vakantie moet een
maatregel van 10% gedurende één maand worden overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel ten onrechte met
ingang van 1 juli 1998 is opgelegd. Verweerder heeft immers in
zijn beleid, neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/8100), bepaald
dat uitgangspunt van gemeentelijk beleid is dat de maatregel, ook
bij gedragingen in het verleden, steeds in de toekomst worden
opgelegd. In het beleid is verder vermeld dat de maatregel in
beginsel niet eerder mag ingaan dan de dag volgend op de datum van
de verzending van de beschikking en dat bij gedragingen in het
verleden de uitkering dus niet met terugwerkende kracht verlaagd
wordt door middel van een herzienings- en terugvorderingsbesluit.
Aangezien in casu de maatregel met terugwerkende kracht is
ingegaan, komt het bestreden besluit II in zoverre wegens strijd
met het rechtszekerheidsbeginsel en wegens strijd met het beleid
van verweerder voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen
het bestreden besluit Il zal derhalve eveneens gegrond worden
verklaard.
Verweerder zal worden opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te
nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling. Wel zal zij gelasten dat aan eiser het
door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart zowel het beroep tegen bestreden besluit I als het
beroep tegen bestreden besluit II gegrond;
vernietigt zowel bestreden besluit I als bestreden besluit II;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na datum van deze
uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht
van ƒ120,- vergoedt;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A. van Gameren. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2001.
de griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 14 juni 2001.
Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen -
en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen
bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes
weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
afschrift van deze uitspraak is verzonden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|