| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD3412 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummers: |
NABW
99/11767 en NABW 00/3819 |
| Datum
uitspraak: |
15
mei 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5,
13 en 35 Abw
(= 3, 18
en 27 Wwb) /
6:2, 7:12
en 8:72
Awb
|
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; zeiljacht; zeilboot; gelijkstelling
met woonschip; woonboot; hoofdverblijf; ligplaats; woonkosten;
woonlasten; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
verlaging van de bijstandsnorm wegens het niet bewonen van een
woning/woonschip maar een zeiljacht en het ontbreken van
woonkosten, omdat het zeiljacht i.c. het hoofdverblijf is en er
bovendien wel woonkosten zijn, zoals kosten van onderhoud,
verzekeringen en locale belastingen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle NABW 99/11767 en NABW 00/3819
U I T S P R A A K
in de geschillen tussen:
[eiser A] en [eiseres B], echtgenote van A, geboren op [...] 1950
respectievelijk [...] 1959, beiden wonende te [woonplaats C], eisers,
gemachtigde: mr. A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp
te Leeuwarden,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Lelystad, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 11 februari 2000.
2. Zitting
Datum: 5 april 2001.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. A.Z. van Braam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw. E.J. van Est.
3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt
Eisers woonden/verbleven permanent aan boord van een zeilboot die is
gelegen aan de [...] te C.
Verweerder heeft op 31 mei 1999 besloten de aan eisers toegekende
bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm met ingang van 1 juli 1999 te
herzien door ƒ421,78 in mindering te brengen op die uitkering in
verband met het ontbreken van woonlasten.
Tegen dit besluit is bij brief van 9 juli 1999 bezwaar aangetekend.
Op 30 november 1999 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
Eisers hebben bij een op 9 december 1999 bij de Provincie
Flevoland ingekomen brief geageerd tegen de gang van zaken omtrent
het ingediende bezwaarschrift. De Provincie Flevoland heeft deze brief
vervolgens doorgezonden aan de rechtbank.
Gemachtigde van eisers heeft de rechtbank bij brief van 27 januari 2000
bericht dat laatstgenoemde brief van eisers dient te worden opgevat als
een beroep tegen de weigering een beslissing op het bezwaarschrift d.d.
9 juli 1999 te nemen.
Dit beroep is bij de rechtbank sector Bestuursrecht geregistreerd onder
nummer NABW 99/11767.
Verweerder heeft op 11 februari 2000 besloten het bezwaar van eisers
ongegrond te verklaren en noemt daarbij ƒ412,78 als het te korten
bedrag.
Verweerder heeft bij brief d.d. 14 maart 2000 een verweerschrift
ingediend.
De rechtbank heeft partijen bij brief
van 5 april 2000 bericht dat eerder genoemd beroep, bekend onder nummer
NABW 99/11767, geacht wordt mede te zijn gericht tegen verweerders
besluit van 11 februari 2000. Laatstgenoemd beroep is bij de rechtbank
sector Bestuursrecht geregistreerd onder nummer NABW 00/3819.
Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 20 april 2000 plus bijlagen de
gronden tegen verweerders besluit d.d. 11 februari 2000 ingediend.
Eisers wonen inmiddels in een gewone woning in D.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
Met betrekking tot de beroepszaak van eisers, bekend onder nummer NABW
99/11767, overweegt de rechtbank het
volgende.
Blijkens rubriek 3 van deze uitspraak heeft verweerder op 11 februari
2000 een beslissing afgegeven naar aanleiding van het door eisers tegen
zijn beslissing d.d. 31 mei 1999 ingediende bezwaar.
Nu verweerder op 11 februari 2000 (alsnog) een beslissing heeft genomen
naar aanleiding van de door eisers tegen verweerders besluit d.d. 31 mei
1999 ingediende bezwaar, oordeelt de rechtbank
dat er geen sprake meer is van een belang van eisers in de procedure
waarbij het handelt om het uitblijven van een besluit van verweerder.
Dat beroep, bekend onder nummer NABW 99/11767, dient derhalve
niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aangezien de beslissing op bezwaar veel te laat is genomen, is er
terecht tegen het uitblijven van het besluit geprotesteerd. Er is daarom
ondanks de niet-ontvankelijkverklaring reden het griffierecht te laten
vergoeden aan eisers, te betalen door de gemeente
Lelystad.
De rechtbank ziet in die beroepszaak voorts geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling omdat de gemachtigde van eisers zich eerst in
een later stadium als gemachtigde heeft gesteld en als proceshandeling
eerst het indienen van het aanvullend beroepschrift naar aanleiding van
de afgifte van het besluit van 11 februari 2000 meetelt, zodat in het
kader van de beroepszaak bekend onder nummer NABW 99/11767 geen punt kan
worden toegekend.
Met betrekking tot het beroep tegen verweerders besluit van 11 februari
2000 overweegt de rechtbank het
volgende.
Standpunten partijen
In het kader van dit beroep is, kort samengevat, aangevoerd dat
verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake
is van woonkosten. Eisers stellen kosten te hebben gemaakt voor
voorzieningen (isolatie, zonnepaneel, windmolen) en voor onderhoud. Ze
betalen geen liggeld.
In het verweerschrift d.d. 22 september 1998 heeft verweerder
uiteengezet waarom er naar zijn oordeel geen sprake is van woonkosten.
Het zeiljacht is geen woning of daarmee gelijk te stellen, aangezien het
geen officiële ligplaats inneemt.
Wettelijk kader
In artikel 5, tweede lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw) is bepaald dat onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen
of een woonschip.
In artikel 13 van de Abw
is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders de bijstand en de
daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.
In artikel 35 van de Abw
is bepaald dat burgemeester en wethouders de
bijstandsnorm
lager
kunnen vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm
of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning
waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
In artikel 4 van de Verordening algemene bijstand van Lelystad (verder:
de verordening) is bepaald:
1. de bijstandsnorm wordt lager
vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan heeft dan waarin de bijstandnorm voorziet, als gevolg van
het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het wettelijk minimumloon
per inwonende met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld.
De verlaging in verband met de aanwezigheid van meer dan één inwonende
met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld, bedraagt 20%
van het wettelijk minimumloon.
3. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van de bewoning van de woning waaraan
voor de betrokkenen geen kosten zijn verbonden.
4. De verlaging als bedoeld in het derde lid bedraagt 20% van het
nettominimumloon.
6. Overwegingen
De eerste vraag die de rechtbank dient
te beantwoorden is of de door eisers bewoonde zeilboot als een woonschip
is te beschouwen en daarmee een woning is als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de
Abw en artikel 1, onderdeel h, van
de verordening.
De rechtbank beantwoordt deze vraag
bevestigend. In de Abw
is geen nadere omschrijving van een woonschip gegeven. De rechtbank acht
het meest kenmerkende onderscheid tussen een woonschip en andere
schepen, bijvoorbeeld een pleziervaartuig, dat er op een woonschip
gewoond wordt, dat wil zeggen, dat personen daar hun hoofdverblijf
hebben. Een andere grens tussen gewone schepen en woonschepen is niet te
trekken: typische woonschepen kunnen vaak varen en hebben soms zeilen,
zij hoeven qua keuken en sanitair niet te voldoen aan de eisen die aan
een huis worden gesteld; pleziervaartuigen met kajuit zijn anderzijds
vaak van alle gemakken voorzien. Het hebben van een legale ligplaats is
evenmin een goed criterium. Er zijn immers heel wat woonschepen die niet
op een daarvoor aangewezen ligplaats liggen, terwijl het voor iedereen
evident is dat het om een woonschip gaat.
Aan het bovenstaande doet niet af dat in andere regelgeving - de Wet
individuele huursubsidie en de Algemene plaatselijke verordening - eigen
definities en criteria voor het begrip woning worden gehanteerd. Die
criteria moeten gezien worden in het licht van de door die wetten
geregelde onderwerpen.
Verweerder heeft mitsdien ten onrechte gemeend eisers te kunnen korten
omdat zij geen woning (= woonschip) bewonen.
Het bestreden besluit berust hierdoor op een onjuiste grondslag en is
derhalve niet deugdelijk gemotiveerd. Zulks is in strijd met artikel
7:12 van de Awb.
Vervolgens is de vraag of eisers woonkosten hebben.
Met betrekking tot het antwoord op deze vraag overweegt de rechtbank
het volgende.
In artikel 4, derde lid, van de verordening is artikel 35
van de Abw
herhaald. De rechtbank beschouwt de kosten in artikel 4 als woonkosten
als bedoeld in artikel 35 van de Abw.
Blijkens artikel 1, onderdeel i, ten tweede, van de verordening
wordt onder woonkosten bij bewoning van een eigen woning (of eigen
woonschip) verstaan onder andere de zakelijke lasten en een naar de
omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. In het derde lid
worden de zakelijke lasten nader geduid: de rioolrechten, het
eigenaarsdeel van de onroerendezaaksbelasting, de brandverzekering, de
opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten.
Ter zitting heeft eiseres verklaard dat eisers geen liggeld verschuldigd
zijn en geen onroerendezaaksbelasting betalen. Wel worden er kosten
gemaakt voor onderhoud en verzekeringen als bedoeld in voornoemd derde
lid. De rechtbank acht dit aannemelijk,
hoewel niet precies is vast te stellen hoe hoog de kosten zijn. In ieder
geval is er geen sprake van een woning (woonschip) waaraan voor de
betrokkenen geen kosten zijn verbonden. Dit betekent dat aan de
voorwaarde voor de toepassing van de korting ex artikel 4, derde lid,
van de verordening niet is voldaan, zodat verweerder ten onrechte heeft
gekort.
Wat betreft de kosten om over gas, water en elektriciteit te kunnen
beschikken, waarvoor eisers zelf voorzieningen hebben getroffen, onder
andere zonnepanelen, merkt de rechtbank nog op dat die gezien artikel 1,
onderdeel i, ten derde, van de verordening niet onder de
woonkosten worden gerekend.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank
zal het bestreden besluit vernietigen. Nu ook het primaire besluit van
31 mei 1999 de onrechtmatige korting behelst, acht de rechtbank het
geraden met toepassing van artikel 8:72,
vierde lid van de Awb
dat besluit te herroepen en het bezwaar alsnog gegrond te verklaren.
Tevens is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten ter
zake van de door eisers ingeroepen rechtshulp, begroot op ƒ1065,- (=
1,5 maal ƒ710,-, te weten een halve punt voor aanvullend beroepschrift
en 1 punt voor bijwonen zitting).
7. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep bekend onder nummer NABW 99/11767
niet-ontvankelijk;
gelast dat de gemeente Lelystad aan
eisers het door hen gestorte griffierecht ad ƒ60,- vergoedt;
verklaart het beroep bekend onder nummer NABW 00/3819 gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept verweerders besluit van 31 mei 1999 en verklaart het bezwaar
daartegen alsnog gegrond;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
besluit;
veroordeelt verweerder in de kosten die eisers in verband met de
behandeling van het beroep hebben moeten maken, tot op heden begroot op
ƒ1065,-;
wijst de gemeente Lelystad aan als de
rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eisers.
Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar
uitgesproken op 15 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.A.T.
Wassink-Beerekamp als griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan
hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de
datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een
kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD3420 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6290
NABW |
| Datum
uitspraak: |
3
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9 en 11 Abw
(= 13 en 16
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten aanhouden huurwoning tijdens detentie,
gedetineerde; zeer dringende redenen |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van aanhouden
huurwoning tijdens detentie, niet omdat niet tijdig een aanvraag
is ingediend, maar omdat er geen sprake is van een acute
noodsituatie. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/6290
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den
Helder, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op het beroepschrift (met bijlagen) uiteengezette
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 23 november 1999 gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 2001. Daar heeft
appellant zich doen vertegenwoordigen door mr. K.A.C.
Bruin-Krämer,
werkzaam bij de gemeente Den Helder, en is gedaagde - zoals
tevoren aangekondigd - niet verschenen.
II. Motivering
Gedaagde is van 17 februari 1998 tot 15 oktober 1998 rechtens van
haar vrijheid beroofd geweest. Op 28 april 1998 is namens haar een
aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) in de kosten van het
aanhouden van haar huurwoning tijdens de periode van detentie.
Appellant heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 13 augustus
1998.
Overwogen is dat de aanvraag niet binnen redelijke termijn na
aanvang van de detentie (onder welke termijn een periode van
veertien dagen wordt verstaan) is ingediend. Hierbij heeft
appellant het beleid, ontwikkeld in het kader van artikel 11
van de Abw,
gevolgd dat is neergelegd in een werkboek.
Na bezwaar heeft appellant bij besluit van 8 december 1998 het
besluit van 13 augustus 1998 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de
aangevallen uitspraak het beroep dat namens gedaagde tegen het
besluit van 8 december 1998 is ingediend gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit
neemt met inachtneming van de uitspraak; tevens zijn beslissingen
inzake griffierecht en proceskosten gegeven.
De rechtbank heeft - samengevat - geoordeeld dat het bestreden
besluit strijdt met de Abw,
in welke wet geen bepaling is opgenomen die voorziet in een
termijn waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend.
Appellant heeft in hoger beroep dat oordeel gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 9, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Abw
is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen
geen recht op bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar
voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en
bijzondere bijstand. Derhalve verzet dit voorschrift zich ertegen
dat aan gedaagde de door haar gevraagde bijzondere bijstand wordt
verleend.
Ingevolge artikel 11 (oud) van de Abw
zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan een persoon die geen
recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in
afwijking van paragraaf 1 bijstand
te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Appellant heeft de aanvraag van gedaagde mede beoordeeld aan de
hand van het beleid dat hij in het kader van de hem bij artikel 11
(oud) van de Abw
gegeven bevoegdheid als voormeld heeft ontwikkeld. Volgens dat
beleid komen in een geval van detentie de vaste lasten die moeten
worden doorbetaald ten laste van de gemeente;
voorwaarde hierbij is dat de aanvraag binnen veertien dagen vanaf
de datum van detentie wordt ingediend. Aangezien gedaagde haar
aanvraag buiten die termijn heeft gedaan, is haar aanvraag
afgewezen.
De Raad overweegt dat - zoals uit de
wetsgeschiedenis naar voren komt - burgemeester en wethouders
eerst dan bevoegd zijn met toepassing van artikel 11
(oud) van de Abw
bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is
van een acute noodsituatie. Het onderhavige beleid van appellant
gaat daaraan voorbij en is dan ook met artikel 11
(oud) van de Abw
in strijd.
In het onderhavige geval is de Raad
van oordeel dat van het bestaan van een acute noodsituatie geen
sprake is. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat
gedaagde alleenstaande is en dat haar minderjarige kinderen ten
tijde hier van belang uit huis waren geplaatst. Dit betekent dat
appellant niet de bevoegdheid heeft de aanvraag van gedaagde op
grond van artikel 11 (oud) van de Abw
in te willigen.
Gezien het voorgaande heeft het onderhavige beleid van appellant
het karakter van buitenwettelijk beleid. De Raad
komt in dit
verband een terughoudende toets toe. Met inachtneming hiervan is
de Raad niet kunnen blijken dat het bestreden besluit behoort te
worden vernietigd. In het bijzonder heeft de Raad vastgesteld dat
het bestreden besluit in overeenstemming met het onderhavige
buitenwettelijke beleid is genomen.
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak het bestreden besluit ten onrechte heeft
vernietigd. Die uitspraak kan dan ook niet in stand blijven.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidende beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorziter en mr. Ch. De
Vrey en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. A.W.E. de Rooij als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) A.W.E. de Rooij.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD3427 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/7301 ABW |
| Datum
uitspraak: |
8
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39,
40, 47 en 51
Abw (= 35,
35, 32
en 34 Wwb)
/ 7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; huurkosten; woonkostentoeslag; inkomsten uit vermogen;
ontvangen aflossingsbedragen schuld; middelen; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van
woonkostentoeslag wegens voldoende inkomsten, omdat de
maandelijkse aflossing van een schuld aan betrokkene van vóór
de bijstandsaanvang niet tot de middelen kan worden gerekend en
geen inkomsten uit vermogen betreft. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
's-Gravenhage AWB 00/7301 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag,
verweerster.
1. Ontstaan en loop van het geding
Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet van ƒ1413,08 per maand.
Sinds 15 maart 1997 huurt zij een woning op het adres [...] te
[woonplaats].
De nettohuur bedraagt ƒ1185,73.
Per 31 december 1998 is de vennootschap onder firma X, waarvan
eiseres mede-eigenaar was, ontbonden. In het kader van de
afwikkeling daarvan heeft de rechtsopvolger van de firma, Y BV,
zich in een vaststellingsovereenkomst verplicht om een bestaande
schuld jegens eiseres te doen verminderen door betaling aan
eiseres van een totaalbedrag van ƒ37.500,- in maandelijkse
termijnen van ƒ1000,-. Deze betalingen hebben op 15 februari
1999 een aanvang genomen.
Op 22 september 1999 heeft eiseres een aanvraag voor bijzondere
bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Eiseres
komt in verband met de hoogte van de huur voor haar woning niet in
aanmerking voor huursubsidie.
Op haar aanvraagformulier woonkostentoeslag heeft eiseres
aangegeven dat zij bij acceptatie van de woning niet kon voorzien
dat zij door ziekte niet meer de financiële middelen voor onder
andere huurbetaling zou kunnen verwerven.
Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerster hierop afwijzend
beslist op grond van de overweging dat eiseres over voldoende
middelen beschikt om zelf in de gevraagde kosten te voorzien.
Hiertegen heeft eiseres bij schrijven van 14 december 1999 bezwaar
gemaakt.
Bij schrijven van 14 januari 2000 is de president verzocht een
voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 maart 2000
heeft de president van deze rechtbank dit verzoek afgewezen.
Op 9 maart 2000 is eiseres in het kader van het bezwaarschrift
gehoord.
Bij besluit van 19 mei 2000 heeft verweerster de bezwaren van
eiseres, overeenkomstig het advies van de afdeling Bezwaar en
Beroep van 11 april 2000, ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 1 juli 2000 beroep
ingesteld.
Voorts heeft eiseres op 16 december 1999 een nieuwe aanvraag voor
bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag
ingediend.
Op deze aanvraag is uiteindelijk door verweerster met ingang van
16 december 1999 aan eiseres een woonkostentoeslag toegekend ad ƒ758,00 per maand.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 15 maart 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.P.C.M. van
Es. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W.
van Heerebeek.
2. Motivering
Artikel 39, eerste lid, Abw
bepaalt - voor zover van belang - dat de
alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze
niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan
en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de
bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
Artikel 40, eerste lid, Abw
bepaalt dat voor de vaststelling van de
draagkracht burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk in
beschouwing nemen:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de
bijstandsnorm, bedoeld in afdeling
1, paragraaf 2 en 3.
Artikel 47, eerste lid, Abw
bepaalt - voor zover van belang - dat onder
inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf
1 in aanmerking
genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit vermogen (...), dan wel naar hun aard met
deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand
wordt gedaan.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, onderdeel
a, van de Abw
wordt onder
vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de
alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.
Verweerster staat op het standpunt dat de maandelijkse betalingen
aan eiseres van
ƒ1000,- gezien dienen te worden als inkomsten uit
vermogen of naar hun aard daarmee gelijk te stellen inkomsten.
Doordat eiseres beschikt over haar Anw-uitkering én deze
maandelijkse inkomsten van ƒ1000,-, beschikt zij over voldoende
draagkracht om de kosten van de huur op te vangen.
Eiseres betwist dat zij beschikt over voldoende middelen om in
haar woonkosten te voorzien. Zij stelt dat zij naast haar
uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet niet beschikt
over middelen die als inkomsten in de zin van de artikelen 47 e.v.
van de Abw
kunnen worden aangemerkt. De maandelijkse uitbetalingen
van ƒ1000,- door Y BV kunnen naar de mening van eiseres niet
als inkomsten worden aangemerkt nu deze betrekking hebben op een
aflossingsbedrag dat genoemde vennootschap aan betrokkene
verschuldigd is.
Deze middelen voldoen derhalve niet aan de criteria zoals genoemd
in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de
Abw.
Bovendien hebben deze middelen geen betrekking op een periode
waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, maar
houden zij verband met de inmiddels gestaakte activiteiten van
eiseres als zelfstandig horecaondernemer, zodat volgens eiseres
evenmin wordt voldaan aan het gestelde in artikel
47, eerste lid,
onderdeel b, van de Abw.
Eiseres stelt dat voor zover bedoelde middelen dienen te worden
aangemerkt als vermogen, dat vermogen het vrij te laten vermogen
niet overtreft. Ten tijde van de aanvraag woonkostentoeslag was de
vordering op Y B.V. nog ƒ29.500,-. Daarnaast heeft verzoekster
in verband met haar voormalige horecaonderneming een lening bij
de IDM-bank afgesloten, waarvan zij op het moment van aanvraag nog
ƒ23.313,- moest terugbetalen. Tevens is vermeld dat zij op haar
bankrekening bij de Rabobank voor ƒ3000,- en op haar
girorekening bij de Postbank ƒ1000,- rood staat.
Uit de stukken blijkt dat verzoekster maandelijks een bedrag van
ƒ508,08,- ter aflossing van haar schuld aan de IDM-bank en ƒ25,- ter aflossing van een schuld aan Wehkamp betaalt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat
eiseres per 16 december 1999 in aanmerking is gebracht voor
woonkostentoeslag. Vanaf die datum is de woonkostentoeslag
toegekend, aangezien eiseres na december 1999 niet langer de
betalingen van ƒ1000,- per maand ontving en het niet mogelijk
was gebleken de schuldenaar via rechtsmaatregelen tot betaling te
dwingen.
Overigens kan uit de gedingstukken worden opgemaakt dat eiseres
ook in de maanden oktober en november wegens financiële problemen
van haar schuldenaar geen betaling van het maandbedrag van ƒ1000,- heeft ontvangen. Dat zou nog uitsluitend in december 1999,
na enige aanmaning door eiseres, het geval zijn geweest.
Ter beoordeling van de rechtbank staat of verweerster terecht
heeft geoordeeld dat eiseres over de periode 22 september 1999 tot
16 december 1999 geen aanspraak kan maken op woonkostentoeslag op
grond van de overweging dat eiseres gelet op haar inkomsten
beschikt over de middelen ter voorziening in haar woonkosten.
Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de berekening
van haar draagkracht op zichzelf niet heeft betwist, maar aanvoert
dat daarbij ten onrechte rekening is gehouden met het feit dat zij
maandelijks van Y BV een bedrag van ƒ1000,- ontvangt.
De rechtbank neemt, evenals verweerster, tot uitgangspunt dat de
maandelijkse betalingen van ƒ1000,- door Y BV voortvloeien uit
een vordering die is ontstaan door een voorheen door eiseres uit
haar vermogen verstrekte lening.
In het bestreden besluit heeft verweerster ermee volstaan te
stellen dat de maandelijkse betalingen moeten worden gezien als
maandelijks door eiseres te besteden inkomsten. De in deze
stelling neergelegde mening van verweerster wordt door verweerster
in het bestreden besluit en evenmin in het verweerschrift verder
van enige motivering voorzien. Waarom de aflossing van een uit het
vermogen verstrekte lening behoort tot de inkomsten als bedoeld in
artikel 47, eerste lid, onderdeel a, Abw
wordt niet verduidelijkt.
Terwijl dit nu juist wel één van de door eiseres ingediende
bezwaargronden was.
Hiermee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke
motivering, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de maandelijkse betalingen
in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit
vermogen. De betaalde bedragen betreffen immers slechts
aflossingen op de hoofdsom van de lening en geen rente of andere
opbrengsten van die hoofdsom.
Ook de vraag of deze inkomsten naar hun aard gelijk te stellen
zijn met inkomsten uit vermogen beantwoord de rechtbank
ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank is aan het begrip
inkomsten eigen dat, zolang het bedrag van die inkomsten niet
wordt uitgegeven, dit leidt tot een toename van het totaal van het
bezit van de betrokkene. In casu is daar geen sprake van. Door de
enkele ontvangst van deze inkomsten wordt de financiële positie
van eiseres per saldo niet verbeterd.
Indien eiseres maandelijks een bedrag zou opnemen van een eerder
door haar bij een bank ondergebracht gedeelte van haar geldelijke
bezit, dan valt niet in te zien dat zulke geldopnames tot haar
inkomsten moeten worden gerekend. In casu is de situatie niet
anders. De vergelijking die verweerster maakt met de inkomsten
bestaande uit een lijfrente op basis van een daarvoor als koopsom
gestort bedrag gaat hierom mank, omdat die koopsom niet alleen
gestort is met het oogmerk om in de toekomst periodieke inkomsten
te verkrijgen, maar ook omdat die lijfrente, in elk geval, ten
dele ook gefinancierd wordt met de renderende opbrengst van de
gestorte koopsom.
Indien, zoals verweerster doet, het bedrag van de maandelijkse
aflossing van de lening wordt gerekend tot de door eiseres
maandelijks te besteden inkomsten, heeft dit het gevolg dat de
betrokkene feitelijk moet interen op het vermogen; daarmee
ontstaat strijd met de bepaling dat - een gedeelte van - het
vermogen van een bijstandsgerechtigde bij de beoordeling van het
recht op bijstand wordt vrijgelaten.
Voorts is de rechtbank met eiseres van oordeel dat deze middelen
geen betrekking hebben op een periode waarover bijstand c.q.
woonkostentoeslag wordt gevraagd, zodat niet wordt voldaan aan het
gestelde in artikel 47, eerste lid, onderdeel
b, van de Abw. De
periodieke aflossing van de lening is niet bestemd voor een
bepaalde periode, zoals dat bij een uitkering of een andere
inkomstenbron die dient voor levensonderhoud, zoals alimentatie,
pensioen e.d., het geval is.
Op bovenstaande gronden kan het bestreden besluit niet in stand
blijven.
In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank
aanleiding verweerster op de voet van het Besluit
proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, die worden
bepaald op ƒ1420,-.
Beslist is derhalve als volgt.
3. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit met bepaling dat verweerster een
nieuw besluit zal nemen met inachtneming van het hiervoor
overwogene;
veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van ƒ1420,-, welk bedrag aan eiser dient te worden vergoed door de
gemeente Den Haag;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiseres het door haar
gestorte griffierecht ad ƒ60,- zal vergoeden.
Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar
uitgesproken op 8 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. G.M. Keizer.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD3472 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/11550 ABW |
| Datum
uitspraak: |
23
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78c
Abw (= –
Wwb) / 4:81
en 4:82
Awb
|
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld;
aflossing ineens 50% restsom; afkoopsom; vaste gedragslijn; discretionaire
bevoegdheid |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld
na aflossing ineens van 50% van de restsom, omdat daarbij de
vaste gedragslijn is toegepast om
bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan
kwijtscheldings- of afkoopregelingen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage AWB 00/11550 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zoetermeer, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij beschikking van 15 oktober 1998 heeft de kantonrechter
te Delft bepaald dat eiseres aan verweerder een bedrag van
ƒ99.478,29 dient te betalen in verband met ten onrechte genoten
uitkering ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW).
Bij beschikking van 31 januari 2000 heeft de
arrondissementsrechtbank te Den Haag in hoger beroep de
beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Op 26 april 2000 heeft eiseres aan verweerder verzocht om, na
betaling van een bedrag van ƒ21.575,00 ineens, in aanmerking te
komen voor kwijtschelding van het restant van de bijstandsschuld.
Bij besluit van 8 mei 2000 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 mei 2000 een
bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eiseres is gehoord omtrent haar bezwaren door de
Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen op 14 augustus
2000.
Bij besluit van 5 oktober 2000 heeft verweerder de bezwaren van
eiseres ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 oktober 2000,
nader aangevuld bij brief van 29 november 2000, beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 29 november 2000 de onderliggende
stukken opgestuurd en bij brief van 11 januari 2001 een
verweerschrift ingediend.
Het beroep is, gevoegd met het beroep van X (AWB 00/11407 ABW) [LJN
AD4971, red.], op
13 juni 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Samama.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.J.
Ross.
2. Motivering
De rechtbank dient de vraag te
beantwoorden of het bestreden besluit van 5 oktober 2000 in rechte
stand kan houden.
Verweerder heeft in het bestreden besluit, samengevat, overwogen
dat eiseres niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van een
deel van de uitstaande vordering, aangezien de schuld van eiseres
het gevolg is van fraude. Verweerder volgt reeds langdurig de
beleidsregel dat bij fraudeschulden geen medewerking wordt
verleend aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. De
inwerkingtreding van artikel 78c
van de Abw
per 1 augustus 1998
heeft geen aanleiding gevormd hierin verandering te brengen, ook
al worden fraudeschulden in deze bepaling niet uitgezonderd. Gelet
op de tekst van artikel 78c van de
Abw
alsmede de parlementaire behandeling is verweerder niet gehouden
zijn beleid ter zake te wijzigen. Voor zover gezegd moet worden
dat er in casu geen sprake is van een beleidsregel, is er in ieder
geval een bestendige gedragslijn, welke gedragslijn in dit besluit
adequaat is gemotiveerd.
Eiseres is, samengevat, van mening dat het bestreden besluit
onvoldoende is gemotiveerd en niet op zorgvuldige wijze tot stand
is gekomen aangezien verweerder bij de inwerkingtreding van de Wet
herziening debiteurenbeleid [Wet
terugvordering en verhaal in verband met herziening van het
debiteurenbeleid, red.] met betrekking tot artikel
78c van de Abw
geen werkelijk beleid heeft gemaakt en enkel heeft vastgesteld dat
het bestaande beleid niet gewijzigd hoefde te worden. Eiseres is
van mening dat verweerder zich ten onrechte beroept op algemene
beleidsuitgangspunten en hiermee voorbij is gegaan aan de
omstandigheden van het individuele geval.
De rechtbank overweegt als
volgt.
De rechtbank stelt vast dat de
aanvraag om kwijtschelding betrekking heeft op het restant van de
vordering, welke vordering verweerder op grond van de beschikking
van de rechtbank van 31 januari 2000 op eiseres heeft. Tevens
stelt de rechtbank vast dat naast eiseres X eveneens aansprakelijk
is voor genoemde vordering en dat eiseres en X een gezamenlijk
aanbod hebben gedaan tot betaling van een bedrag ineens dat
neerkomt op de helft van de openstaande vordering om zodoende in
aanmerking te komen voor kwijtschelding van het restant van de
vordering.
Ingevolge artikel 78c, eerste
lid, aanhef en onder
d, van de Abw kunnen
burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 78
van de Abw,
van terugvordering of van verdere terugvordering afzien indien de
belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de
restsom in één keer aflost.
Deze bepaling is op 1 augustus 1998 bij inwerkingtreding van de Wet
herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb.
1998, 278) ingevoerd. De rechtbank
is van oordeel dat, hoewel in het kader van de Wet herziening
debiteurenbeleid door de wetgever slechts wijziging is gebracht in
de terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, een redelijke uitleg van de ter zake geldende
wettelijke bepalingen meebrengt dat ten aanzien van besluiten als
het onderhavige, waar het gaat om de tenuitvoerlegging van een
onder de (oude) ABW tot stand gekomen terugvorderingsbesluit, het
(nieuwe) Abw-recht van toepassing is. Artikel
78c, eerste lid,
aanhef en onder d, van de Abw
is hier derhalve van toepassing.
Verweerder komt bij de toepassing van artikel
78c, eerste lid,
aanhef en onder d, van de Abw
een discretionaire bevoegdheid toe.
Ingevolge artikel 4:81, eerste lid, van de
Awb,
kan verweerder ten aanzien van deze bevoegdheid beleidsregels
vaststellen. Ingevolge
artikel 4:82 van de Awb
kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een
verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is
neergelegd in een beleidsregel. Indien een vaste gedragslijn niet
in een beleidsregel is neergelegd, moet een besluit conform zo'n
vaste gedragslijn steeds opnieuw worden gemotiveerd.
De rechtbank stelt vast dat
verweerder inzake zijn bevoegdheid ingevolge artikel 78c,
eerste lid, aanhef en onder
d, van de Abw
geen beleidsregels heeft vastgesteld. De beleidsregel, zoals in
het kader van de Wet schuldsanering
natuurlijke personen (WSNP) op 17 december 1998 bij
Raadsbesluit 980537 is vastgesteld, kan hier niet als beleidsregel
gelden, nu bedoeld raadsbesluit enkel ziet op de bevoegdheid die
de gemeente toekomt in het
kader van de uitvoering van de WSNP.
Dit neemt niet weg dat wel sprake is van een vaste gedragslijn van
verweerder om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan
kwijtscheldings- of afkoopregelingen. Deze gedragslijn is in het
bestreden besluit uiteengezet en ter zitting heeft verweerder
hieraan toegevoegd dat uitgangspunt van deze gedragslijn is de
opvatting van verweerder dat fraude niet mag lonen.
Naar het oordeel van de rechtbank
laat artikel
78c van de Abw
ruimte voor het voeren van een zodanige vaste gedragslijn. Deze
gedragslijn kan niet als kennelijk onredelijk of anderszins
onaanvaardbaar worden beschouwd. Dit geldt te minder nu, zoals ook
uit de parlementaire geschiedenis van de Wet
herziening debiteurenbeleid blijkt, de wetgever met deze
wet geen wijziging heeft beoogd ten aanzien van het
uitgangspunt dat ten onrechte verleende uitkeringen moeten worden
teruggevorderd (Kamerstukken II
1997-1998, 25 661, nr. 3, blz. 4). Het gegeven dat artikel
78c van de Abw
blijkens de parlementaire geschiedenis ook toepassing kan vinden
op fraudeschulden (t.a.p., blz. 5)
leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in
redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had dienen af te wijken
door het verzoek van eiseres in te willigen, is de rechtbank
niet gebleken. De ter zitting door eiseres aangevoerde
omstandigheid dat er nooit sprake is geweest van samenwonen en de
verleende bijstand ten onrechte is teruggevorderd, kan niet als
bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
De rechtbank heeft bij eerder
genoemde beschikking van 31 januari 2000 in hoger beroep immers
definitief in andere zin geoordeeld. De overige door eiseres
aangevoerde omstandigheden dat haar familie bereid is financieel
bij te dragen aan de aflossing van deze schuld, dit de enige grote
schuld is die zij heeft en dat deze schuld zwaar op haar drukt
aangezien zij de zorg heeft voor een aantal kinderen, zijn evenmin
aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan
verweerder in redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had moeten
afwijken.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou
moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is de rechtbank
niet gebleken.
3. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. S.C. Stuldreher, J.W. Sentrop en E.J.M.
Heijs en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2001, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3567 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
98/1246
NABW 57 |
| Datum
uitspraak: |
29
december 1998 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3
en 69 Abw
(= 3 en 54
Wwb) /
8:81 Awb |
| Trefwoorden: |
opschorting
bijstand; blokkering; gezamenlijke huishouding; nader onderzoek;
financiële noodsituatie; onverwijlde spoed |
| Essentie: |
Afwijzing
voorlopige voorziening, omdat de opschorting van het recht op
bijstand wegens vermoedelijke gezamenlijke huishouding voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij
periodieke betalingen (dankzij geleend geld) en er inmiddels een nieuwe bijstandsaanvraag
is ingediend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Zutphen 98/1246 NABW 57
U I T S P R A A K
op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil
tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Hattem,
verweerder.
1. Bestreden besluit
Besluit van verweerder van 3 december 1998, waarbij het recht van
verzoekster op uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw)
met ingang van 1 november 1998 is opgeschort.
2. Procesverloop
Namens verzoekster heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, bij
brief van 7 december 1998 een bezwaarschrift ingediend en bij
brief van gelijke datum verzocht om een voorlopige voorziening als
bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 december 1998, waar
verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk voornoemd.
Verweerder werd vertegenwoordigd door mw. mr. H. Post, advocaat te
Zwolle, en mw. J.M.C. Klop, werkzaam bij de gemeente
Hattem.
3. Motivering
3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb
dient te worden nagegaan of
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige
voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het
geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze
uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet
bindend voor de beslissing in die procedure.
3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag
gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken van
een gezamenlijke huishouding van verzoekster met de heer X
(hierna: X) en dat verzoekster daarvan geen melding heeft gemaakt.
Verzoekster heeft het bestaan van een gezamenlijke huishouding
betwist.
3.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de
Abw is sprake van een
gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor
elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten
van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste jurisprudentie
vindt toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van
betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die
niet van subjectieve aard zijn.
Uit de bevindingen van de sociale recherche, zoals neergelegd in
het rapport van 16 november 1998, kan genoegzaam worden afgeleid
dat X ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf heeft gehad in
de woning van verzoekster. In het rapport zijn evenwel geen
objectieve feiten en omstandigheden vermeld waaruit ondubbelzinnig
blijkt van een wederzijdse zorgrelatie. Evenmin komen zodanige
feiten of omstandigheden naar voren uit het verslag van het
zogenoemde confrontatiegesprek met verzoekster. Ook hetgeen in het
verweerschrift en ter zitting zijdens verweerder is aangevoerd,
levert niet een voldoende onderbouwing op van de stelling dat
verzoekster en X blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar.
Zo kan bijvoorbeeld uit de vermelding dat verzoekster als
bestuurster van de auto van X is gezien en de constatering dat X
na een bezoek aan de Gamma Bouwmarkt direct naar de woning van
verzoekster is gegaan niet worden afgeleid dat X zorg heeft
gedragen voor verzoekster.
Gezien het vorenstaande berust het bestreden besluit waar het
betreft de (vermeende) aanwezigheid van een gezamenlijke
huishouding niet op een deugdelijke motivering.
3.4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven
aan artikel 69, eerste lid, van de Abw. De in deze bepaling
gegeven regeling omtrent opschorting van de uitkering is bedoeld
voor situaties waarin door de betrokkene de inlichtingenplicht is
geschonden en het recht op bijstand als gevolg daarvan niet kan
worden vastgesteld. In verband daarmee is in het tweede lid van artikel 69
voorgeschreven dat de belanghebbende bij de mededeling
van de opschorting wordt uitgenodigd het verzuim binnen een te
stellen termijn te herstellen.
Een dergelijke uitnodiging en termijnstelling ontbreken evenwel in
het bestreden besluit. Dit strookt op zichzelf met het feit dat
verweerder reeds een conclusie omtrent een gezamenlijke
huishouding had getrokken en verstrekking van nadere informatie
door verzoekster kennelijk niet nodig heeft geacht. Verweerder
heeft aldus echter blijk gegeven van een onjuiste opvatting
omtrent de betekenis van artikel 69, eerste lid,
Abw en ten
onrechte deze bepaling aan zijn besluit ten grondslag gelegd.
3.5. Het moet mogelijk worden geacht dat - hoewel de Abw
niet een
daarop toesneden bepaling kent - de uitbetaling van een
bijstanduitkering wordt geblokkeerd indien het gegronde vermoeden
aanwezig is dat het recht op uitkering niet meer bestaat, zulks in
afwachting van nader onderzoek.
De omstandigheid dat X zijn hoofdverblijf in de woning van
verzoekster heeft (gehad), levert - in combinatie met het gegeven
dat verzoekster met hem een affectieve relatie onderhoudt -
voldoende grond op voor het vermoeden dat sprake is (geweest) van
een gezamenlijke huishouding en daarmee het vermoeden dat op de in
geding zijnde datum 1 november 1998 het recht op bijstand niet
meer bestond, mede in aanmerking genomen dat X inkomen uit een
dienstbetrekking heeft.
Het is voorts niet ondenkbaar dat bij een nader onderzoek zijdens
verweerder alsnog (objectieve) feiten en omstandigheden aan het
licht komen waaruit tot het bestaan van een wederzijdse
zorgrelatie en derhalve een gezamenlijke huishouding kan worden
geconcludeerd, zodat daarop een beëindiging van de uitkering per
1 november 1998 zou kunnen worden gebaseerd.
3.6. Ter zitting is gebleken dat de opschorting c.q. blokkering van
de uitkering voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij
periodieke betalingen, zoals de huurbetaling en betalingen inzake
de nutsvoorzieningen.
Verzoekster heeft voorts gesteld dat zij thans geld leent van haar
ex-schoonmoeder ter voorziening in de kosten van het bestaan.
Verder is gebleken dat verzoekster inmiddels een aanvraag voor een
nieuwe uitkering heeft ingediend en dat deze thans bij verweerder
in behandeling is.
Gelet op één en ander kan niet worden gezegd dat verzoekster in
een financiële noodsituatie verkeert.
Mede in het licht van hetgeen onder 3.5 is overwogen, is er dan ook
geen plaats voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, thans een voorlopige voorziening vereist.
Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in
proceskosten.
4. Beslissing
De president van de rechtbank,
recht doende:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar
uitgesproken op 29 december 1998 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|