| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD3618 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/2664
NABW en 99/2666 NABW |
| Datum
uitspraak: |
31
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
73 Abw (= 45
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vakantietoeslag;
vakantiegeld; vervroegde uitbetaling; bijzondere omstandigheden |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om vervroegde uitbetaling van de
vakantietoeslag ter aflossing van een huurschuld, omdat zich onvoldoende bijzondere omstandigheden
voordeden die
afwijking van het uitgangspunt dat vakantietoeslag in de maand juni
wordt uitbetaald, rechtvaardigden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2664
NABW en 99/2666 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant A] en [appellant B], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ommen,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Namens appellanten heeft mr. F. Vortman, advocaat te Hardenberg, op bij
een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de arrondissementsrechtbank te Zwolle op 2 april 1999
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 19 juni 2001, waar
appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Vortman,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F.
Wijnia, werkzaam bij de gemeente Ommen.
II. Motivering
Appellanten ontvangen sedert september 1994 een bijstandsuitkering. Zij
huren een woning van woningstichting "[X]". Bij brief van 11
maart 1998 heeft "[X]" appellanten medegedeeld dat de
vordering wegens een huurachterstand van ƒ873,63 in handen van de
deurwaarder wordt gegeven indien dit bedrag op 20 maart 1998 nog niet is
ontvangen. Bij brief van 17 maart 1998 hebben zij gedaagde verzocht om
betaling van het vakantiegeld.
Bij primair besluit van 20 maart 1998 heeft gedaagde dit verzoek
afgewezen.
Bij brief van 30 maart 1998 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het
primaire besluit van 20 maart 1998. Nadien hebben appellanten op 16
april 1998 gedaagde gemachtigd een bedrag van ƒ1027,63 op de
vakantietoeslag in te houden en rechtstreeks te betalen aan "[X]".
Appellanten hebben hun bezwaren op 14 mei 1998 ten overstaan van de
Commissie van advies voor de bezwaarschriften toegelicht.
Bij besluit van 31 juli 1998 heeft gedaagde de bezwaren die appellanten
tegen het primaire besluit hebben ingediend ongegrond verklaard. Daartoe
is onder meer overwogen dat de periodieke uitkering van appellanten op
10 maart 1998 op hun rekening is overgemaakt, dat bij besluit van 9
maart 1998 een bedrag van ƒ500,- is toegekend op grond van de
gemeentelijke 500-guldenregeling, welk bedrag vrijwel tegelijkertijd
ook is overgemaakt, en dat appellant op 16 april 1998 een machtiging
heeft verstrekt om ƒ1027,60 in de maand juni 1998 in te houden op de
vakantietoeslag en direct over te maken aan de woningstichting.
De rechtbank heeft het beroep dat namens appellanten tegen het besluit
van 31 juli 1998 is ingesteld ongegrond verklaard.
In hoger beroep is deze uitspraak namens appellanten gemotiveerd
bestreden.
De Raad
overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 73, derde lid, van de Abw
wordt de vakantietoeslag,
voor zover niet eerder uitbetaald, jaarlijks betaald in de maand juni
over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden, dan wel in de maand
waarin de algemene bijstand eindigt. De memorie van toelichting vermeldt
over deze bepaling het volgende:
"De tussenvoeging "voor zover niet reeds eerder
betaald" ziet mede op de bijzondere gevallen waarin, gelet op de
omstandigheden van persoon en gezin, is besloten de opgebouwde
vakantie-uitkering eerder dan in de maand juni geheel of gedeeltelijk
uit te betalen. Op die wijze kan aan een uitdrukkelijk verzoek van de
betrokkene voor een eerdere uitbetaling, bijvoorbeeld in verband met een
bepaalde aanschaffing, zo nodig worden voldaan".
Hieruit leidt de Raad
af dat gedaagde bevoegd is om in bijzondere
gevallen van het in het derde lid van artikel 73
neergelegde
uitgangspunt af te wijken.
De Raad
is evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat gedaagde
zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich in het geval van
appellanten onvoldoende bijzondere omstandigheden voordeden die
afwijking van het uitgangspunt dat vakantietoeslag in de maand juni
wordt uitbetaald, rechtvaardigden.
Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellanten om de
verschuldigde woonkosten tijdig uit de hun ter beschikking staande en
mede voor woonkosten bestemde algemene bijstandsuitkering te voldoen.
Het feit dat niettemin een huurachterstand is ontstaan, levert dan ook op
zichzelf onvoldoende grond op om tot vervroegde uitbetaling van de
vakantietoeslag over te gaan. Ten tijde van het primaire besluit was er
geen sprake van een concrete dreiging dat de woning van appellanten zou
worden ontruimd.
De Raad
kan er voorts niet aan voorbijgaan dat appellanten de middelen
waarover zij na ontvangst van de brief van "[X]" de
beschikking hebben gekregen, bestaande uit de maandelijkse algemene
bijstandsuitkering alsmede een bedrag van ƒ500,-, niet (deels) hebben
benut om de huurschuld af te lossen.
Het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel faalt. Het
karakter van de beoordeling van een verzoek om afwijking van het
uitgangspunt van artikel 73, derde lid, van de
Abw
brengt immers mee dat
aan het feit dat in een bepaald jaar een bijzonder geval aanwezig is
geacht geen verwachtingen kunnen worden ontleend voor wat betreft de
beoordeling in een volgend jaar.
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad
tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad
ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J.
van Vulpen-Grootjans en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD3656 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/2572
NABW en 01/2706 NABW |
| Datum
uitspraak: |
28
augustus 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
1a ABW en 18a Bln (= 17
en 39 Abw)
(= 15 en 35
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; meerkosten dieet; kosten ontstoring woning;
magneetstaaf; polariseerder; voorliggende voorziening;
limitatieve lijst |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor extra meerkosten van een
dieet, omdat de noodzaak van die kosten niet is aangetoond, en
terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van
ontstoring van de woning, daar deze kosten buiten de
werkingssfeer van de voorliggende voorziening zijn gelaten. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2572
NABW en 01/2706 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellante heeft op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen
uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30
maart 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Vervolgens heeft appellante een brief toegezonden met bijlagen
waarin zij de gronden nader aanvult.
Gedaagde heeft schriftelijk meegedeeld dat de inhoud van het
beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van nadere
opmerkingen.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 juli 2001, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.J.
van den Boogert, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door P. Minderhoud, werkzaam bij de
gemeente Amsterdam.
II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)
ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan
de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die
luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter
zitting bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante heeft op 30 oktober 1995 een aanvraag ingediend om
bijzondere bijstand voor dieetkosten en voor de kosten van
ontstoring van haar woning. Bij besluit van 28 december 1995 heeft
gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 14 november 1997, hierna aangeduid als
besluit I, is het besluit van 28 december 1995 in die zin
herroepen dat de meerkosten van het door appellante gevolgde dieet
tot een bedrag van ƒ40,- per maand worden aangemerkt als
bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan en is aan
appellante bijstand in de meerkosten tot dat bedrag toegekend.
Tevens is bij besluit I de afwijzing van de gevraagde bijstand
voor de kosten van ontstoring van haar woning gehandhaafd, omdat
appellante deze kosten onvoldoende geconcretiseerd zou hebben.
Tenslotte is bij dat besluit bijzondere bijstand voor
homeopatische kosten toegekend tot een bedrag van ƒ58,67. Deze
toekenning is verder niet in geschil.
Terwijl het beroep van appellante bij de rechtbank tegen besluit I
aanhangig was, heeft gedaagde dit besluit bij besluit van 8 mei
1998, hierna besluit II, herzien voor zover het betrekking heeft
op de kosten van de ontstoring en het voor overige gehandhaafd.
Gedaagde heeft de gevraagde bijzondere bijstand in de kosten van
ontstoring bij dit besluit afgewezen op grond van het bepaalde in
artikel 1a, tweede lid, van de ABW.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van het beroep
tegen besluit I gegrond verklaard, het beroep tegen besluit II
ongegrond verklaard en beslissingen gegeven inzake de vergoeding
van proceskosten en griffierecht.
In hoger beroep voert appellante aan dat de tegemoetkoming in de
dieetkosten tot een bedrag van ƒ40,- onvoldoende recht doet aan
de bijzonder hoge uitgaven die zij heeft voor voeding en dat de
kosten van ontstoring van haar woning zijn aan te merken als
bijzondere noodzakelijke kosten, zodat zij wel in aanmerking
gebracht moet worden voor bijzondere bijstand in deze kosten.
Alvorens het geschil ten gronde te beoordelen, merkt de Raad
het
volgende op.
De rechtbank heeft geoordeeld dat bij besluit II besluit I is
aangevuld, waardoor de motivering aan besluit I (deels) is komen
te vervallen, zodat besluit I voor vernietiging in aanmerking
komt. Voorts heeft zij het geschil met betrekking tot de
dieetkosten beoordeeld in het kader van besluit II.
De Raad
volgt de rechtbank hierin niet, omdat besluit II in feite
gedeeltelijk intrekking van besluit I inhoudt met betrekking tot
het onderdeel bijzondere bijstand voor ontstoringskosten en
vervanging door een nieuw afwijzend besluit met betrekking tot die
kosten op basis van een andere motivering dan in besluit I.
Besluit I is niet gewijzigd voor zover dat ziet op het onderdeel
bijzondere bijstand voor dieetkosten.
Aan de orde is dan eerst de vraag of appellante nog belang had bij
een gegrondverklaring van haar beroep voor zover dat ziet op het
door gedaagde ingetrokken deel van besluit I.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, daarbij in aanmerking
nemend dat dit belang niet gelegen kan zijn in het verkrijgen van
een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht
en voorts dat niet om toepassing van artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) is verzocht. Een
niet-ontvankelijkverklaring van het inleidend beroep gericht tegen
besluit I voor zover dat ziet op de ontstoringskosten was dan ook
op zijn plaats geweest.
Met betrekking tot hetgeen partijen verdeeld houdt overweegt de Raad
het volgende.
A. Bijzondere bijstand voor dieetkosten.
Aan besluit I ligt, voor zover daarbij bijzondere bijstand is
toegekend voor dieetkosten tot een bedrag van ƒ40,-, een 27
oktober 1997 gedateerd advies ten grondslag van dr. U.J.L.
Reijnders, arts bij de Gemeentelijke Geneeskundige en
Gezondheidsdienst (GG&GD) te Amsterdam. Dit advies bevat de
conclusie dat er een medische indicatie bestaat voor een
tegemoetkoming ten bedrage van ƒ40,- per maand in de kosten van een
diabetesdieet.
Alvorens de GG&GD-arts dit advies heeft uitgebracht, heeft hij
appellante laten onderzoeken op de polikliniek endocrinologie van
het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit, alwaar J.H.
de Vries, internist, heeft geconcludeerd dat er bij appellante
sprake zou kunnen zijn van een reactieve hypoglykemie. Deze
internist gaf appellante het advies om voedsel in te nemen bij het
optreden van klachten. Met betrekking tot de candida van de darm
kon de internist geen specifiek voedingsadvies geven omdat hier
geen wetenschappelijk bewijs voor is. De huisarts heeft de GG&GD, als reactie op de conclusie van internist De Vries, op 16
oktober 1997 schriftelijk laten weten dat een voedingspatroon
bestaande uit biologisch en biologisch dynamische producten zoals
beschreven door de diëtiste M.T. Geels, door wie appellante sinds
september 1996 begeleid wordt, bij veel mensen in haar
huisartsenpraktijk met reactieve hypoglykemie leidt tot
vermindering van klachten.
Naar het oordeel van de Raad
kan van het GG&GD-advies niet
worden gezegd dat het onzorgvuldig is tot stand gekomen dan wel
dat het op een onjuiste grondslag berust, zodat gedaagde bij het
nemen van zijn besluit zich kon en mocht baseren op dit advies.
De door appellante en haar huisarts verstrekte informatie kan naar
het oordeel van de Raad
hieraan niet afdoen, aangezien die
informatie geen toereikende onderbouwing bevat om aan te kunnen
nemen dat op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten
een aandoening is vastgesteld waarvoor het volgen van een dieet
met overwegend biologisch en biologisch dynamische producten
aangewezen is.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat niet is komen
vast te staan dat de uit individuele omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke dieetkosten welke niet uit de bijstandsnorm kunnen
worden voldaan meer dan ƒ40,- per maand hebben bedragen.
Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht over
het gunstige effect van haar behandeling door de osteopaat J.D.
Fernand en de door hem geadviseerde voedingsmiddelen, en de
bevestiging van de huisarts in een brief aan de Raad
van 17 oktober 1999 dat de situatie van appellante sinds zij in
behandeling is bij genoemde osteopaat een stuk stabieler is
geworden, kan de Raad, wat daar verder ook van zij, niet tot een
ander oordeel brengen. De Raad merkt daarbij op dat de aanvraag
voor dieetkosten die thans in geding is, dateert van eind 1995,
terwijl appellante ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat
zij eerst sedert augustus 1998 in behandeling is bij de osteopaat
J.D. Fernand.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat besluit I stand kan houden
voor zover het de afwijzing van de bijstand in de meerkosten van
het dieet boven een bedrag van ƒ40,- per maand betreft.
B. Bijzondere bijstand voor ontstoring van appellantes woning.
Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de ABW wordt geen bijstand
verleend voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor betrokkene toereikend en passend te zijn.
Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de bijstand zich niet
uitstrekt tot kosten die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van
een voorliggende voorziening zijn gelaten.
Appellante wil de ontstoring van de woning in hoofdzaak plaats
doen vinden met behulp van een zogeheten MagneTech. Dit is, zoals
appellante ook ter zitting bevestigd heeft, een sterke
magneetstaaf. Blijkens de productbeschrijving van deze
magneetstaaf gaat het in feite om een hulpmiddel bij een
natuurlijke geneeswijze. Dat betekent dat de gevraagde bijstand
kosten betreft voor een hulpmiddel op het terrein van de
gezondheidszorg. Hetzelfde geldt voor de zogeheten polariseerder
die appellante ook zegt nodig te hebben voor de ontstoring van
haar omgeving.
Naar het oordeel van de Raad
dient voor de kosten van hulpmiddelen
op het terrein van de gezondheidszorg ten tijde hier in geding, de
AWBZ en in het bijzonder de Regeling hulpmiddelen AWBZ 1994
[zie Regeling hulpmiddelen 1996, red.], zoals
die gold tot 1 januari 1996, in beginsel te worden beschouwd als
een aan de ABW voorliggende, toereikende en passende voorziening
als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de ABW.
Voor de hier aan de orde zijnde hulpmiddelen geldt dat zij niet
zijn opgenomen in de limitatieve lijst van krachtens de AWBZ voor
vergoeding in aanmerking komende hulpmiddelen, zodat het bepaalde
in artikel 1a, tweede lid, van de ABW aan bijstandverlening in de
weg staat.
Het vierde lid van artikel 1a van de ABW biedt echter de
mogelijkheid om in afwijking van de voorgaande leden wel bijstand
te verlenen voor de gevraagde kosten indien en zolang, gelet op
alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn.
Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij gedacht te
worden aan noodsituaties. Met gedaagde is de Raad
van oordeel dat
hiervan in het geval van appellante niet is gebleken.
Gedaagde heeft derhalve de aanvraag om bijstand in de kosten van
ontstoring op goede gronden bij besluit II afgewezen.
De Raad
acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin
over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in
beroep is beslist;
verklaart het inleidend beroep gericht tegen besluit I, voor zover
dit ziet op de dieetkosten, ongegrond;
verklaart het inleidend beroep gericht tegen besluit I voor het
overige niet-ontvankelijk;
verklaart het inleidend beroep voor zover dit geacht moet worden te
zijn gericht tegen besluit II ongegrond;
gelast de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep
gestorte recht van ƒ170,- te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 28 augustus 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IHABW |
x
LJN: |
x
AD3773 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3050
NABW |
| Datum
uitspraak: |
31
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65,
66,
69 en 109 Abw
(= 17, 53a,
54 en 57
Wwb) / 4
en 5
IHABW |
| Trefwoorden: |
bank-
en giroafschriften; weigering inzage;
onleesbaar maken uitgavenposten; afdekken; afschrijvingen;
schending inlichtingenverplichting; opschorting bijstand;
beëindiging; gegronde redenen |
| Essentie: |
Onterechte
opschorting en beëindiging bijstand wegens het onleesbaar maken
van uitgavenposten op bank- en giroafschriften, omdat er i.c.
geen gegronde redenen waren om inzicht te verkrijgen in het
uitgavenpatroon van betrokkene. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3050
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Veendam,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. E.H. Jansen, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift (met
bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de arrondissementsrechtbank te Groningen op 26 maart 1999 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van
19 juni 2001, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen.
II. Motivering
Appellant ontvangt sedert 1 maart 1986 een bijstandsuitkering. In
het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel
5, eerste lid,
van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
(IHABW)
heeft in augustus 1996 een gesprek met appellant plaatsgevonden.
Aangezien appellant onder andere had verzuimd afschriften van al
zijn giro-, bank- en spaarrekeningen over de laatste drie maanden
te overleggen, is zijn uitkering bij besluit van 2 september 1996
opgeschort. Daarbij is hij uitgenodigd voor een gesprek op 11
september 1996 met het verzoek op die datum de gevraagde
informatie te verstrekken. Op 11 september 1996 heeft appellant
bank- en giroafschriften over de periode van 2 mei tot en met 2
september 1996 overgelegd, waarop de uitgavenposten onzichtbaar
zijn gemaakt; hij bleef bij zijn weigering om volledige inzage in
deze afschriften te verlenen, omdat de sociale dienst naar zijn
mening daar geen recht op heeft.
Bij primair besluit van 20 september 1996 is de bijstandsuitkering
van appellant op grond van artikel 69, derde
lid (oud), van de
Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1996 beëindigd.
Bij het thans bestreden besluit van 18 september 1997 heeft
gedaagde de bezwaren van appellant gegrond verklaard, voor zover
van hem overlegging van kopieën van giroafschriften over drie
maanden is gevergd en de bezwaren voor het overige ongegrond
verklaard, voor zover appellant niet volledig inzage heeft verleend
in zijn giro- en bankafschriften.
De rechtbank heeft het beroep dat appellant heeft ingesteld tegen
het besluit van 18 september 1997, voor zover daarbij zijn bezwaren
ongegrond zijn verklaard, ongegrond verklaard. De rechtbank is -
kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat het controleren van
bank- en giroafschriften weliswaar een inbreuk vormt op de
persoonlijke levenssfeer van appellant, maar dat die in het
onderhavige geval gerechtvaardigd is op grond van artikel
65,
eerste lid, van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft
gedaagde in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd waarom hij
inzicht verlangt in het uitgavenpatroon van appellant.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen dit oordeel van de
rechtbank gekeerd.
De Raad stelt eerst met de rechtbank vast dat het primaire besluit
van 20 september 1996 een besluit is als bedoeld in artikel
4,
tweede lid, aanhef en onder a, van de IHABW, zodat de rechtmatigheid
van dit besluit dient te worden beoordeeld aan de hand van de
bepalingen van de Abw. Op het onderzoek als bedoeld in
artikel 5,
eerste lid, van de IHABW, dat aan het primaire besluit vooraf is
gegaan, is krachtens het tweede lid van dat artikel het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste, tweede en derde lid,
69, 71 en 122 van de nieuwe
Algemene bijstandswet van
overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw, zoals deze bepaling
tot 1 juli 1997 luidde, doet de belanghebbende aan burgemeester en
wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling
van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de
voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van
bewijsstukken. In artikel 66, eerste lid, van de
Abw
is onder meer
bepaald dat burgemeester en wethouders bepalen welke bewijsstukken
dienen te worden overgelegd. Ingevolge artikel
69, eerste en
tweede lid, van de Abw,
voor zover hier van belang, schorten
burgemeester en wethouders het recht op bijstand op indien de
belanghebbende de gevorderde bewijsstukken onvolledig heeft
verstrekt en hem dit te verwijten valt, waarbij zij de
belanghebbende mededeling doen van de opschorting en hem
uitnodigen binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te
herstellen. Het derde lid (oud) bepaalt dat de bijstand wordt beëindigd
met ingang van de eerste dag van de periode waarover de bijstand
is opgeschort, indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt
binnen de daarvoor gestelde termijn.
Vaststaat dat appellant niet binnen de hersteltermijn de
gevraagde volledige inzage van zijn giro- en bankafschriften heeft
verleend. Met betrekking tot de vraag of dit verzuim hem valt te
verwijten, overweegt de Raad het volgende.
De inlichtingenverplichting brengt onder meer mee dat in het kader
van een heronderzoek naar het recht op uitkering voor de verlening
van bijstand van belang zijnde financiële en andere persoonlijke
gegevens dienen te worden verstrekt. Dit vormt in het algemeen een
inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbende. Bij
de beoordeling van de vraag of, en zo ja, in welke mate de
belanghebbende in een concreet geval verplicht is gegevens te
verstrekken, neemt de Raad tot uitgangspunt dat de inbreuk op de
persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mag zijn aan het met de
verstrekking van de gegevens nagestreefde doel en dat dit doel
niet op een minder ingrijpende wijze moet kunnen worden bereikt.
Met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van bijstandscliënten heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de gemeentebesturen op 20 februari 1998 een
circulaire onder de titel "Privacykader voor de uitvoering
van de Algemene bijstandswet" doen toekomen. Dit
privacykader, waaraan terugwerkende kracht is verleend tot 1
januari 1996, beoogt aan het bijstandverlenend orgaan een
richtsnoer te bieden voor het uitvoeren van de Abw
met
inachtneming van de privacybescherming van cliënten. Met
betrekking tot het mogen inzien van uitgavenposten op bank- en
giroafschriften is in deze circulaire onder meer het volgende
vermeld:
"De uitgaven op de bank- en giroafschriften
kunnen de sociale diensten relevante informatie bieden over de
financiële situatie van cliënten, wat soms aanleiding kan geven
voor nader onderzoek. (...) Het inzicht kunnen hebben in het
uitgavenpatroon van een cliënt echter is niet strikt
noodzakelijk voor de controle op inkomsten en vermogen om het
recht op uitkering te kunnen vaststellen. Gelet op de uitlatingen
van de Registratiekamer en de uitspraak van de Arnhemse rechter
hierover, dient het als een recht van de cliënt beschouwd te
worden om de uitgaven op de bank- en giroafschriften onleesbaar te
maken. De keuze om de uitgaven onleesbaar te maken, is aan de cliënt,
tenzij de sociale dienst gegronde redenen heeft om de uitgaven in
te zien, bijvoorbeeld bij een vermoeden van fraude of bij de
toepassing van artikel 109 Abw. De situaties waarin de noodzaak
van het inzien van het uitgavenpatroon volgens de sociale dienst
wel bestaat, dient ze vooraf te motiveren. Na een individuele
belangenafweging kan een onderzoek naar de uitgaven dan
noodzakelijk blijken. De cliënt moet in dat geval uitdrukkelijk
de uitgaven zichtbaar laten".
Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de reikwijdte van de
inlichtingenplicht is overwogen, mede bezien in het licht van de
hiervoor geciteerde opvatting van de voor de Abw
verantwoordelijke
bewindspersoon met betrekking tot de in gevallen als het
onderhavige te hanteren gedragslijn, is de Raad
van oordeel dat
burgemeester en wethouders in het kader van het onderzoek naar het
recht op bijstand aan de belanghebbende in beginsel inzage in de
giro- en bankafschriften over de aan het onderzoek voorafgaande
periode mogen vragen. Indien de belanghebbende bezwaar blijkt te
hebben tegen het verlenen van inzage in zijn uitgaven, hetgeen
bijvoorbeeld tot uitdrukking kan komen doordat hij de
uitgavenposten onleesbaar heeft gemaakt, dient dit gerespecteerd
te worden, tenzij deze gegevens werkelijk noodzakelijk zijn voor
de beoordeling van het recht op bijstand. Hiervan is naar het
oordeel van de Raad slechts sprake indien er in het betreffende
geval gegronde redenen zijn om inzicht te verkrijgen in het
uitgavenpatroon van de belanghebbende.
In het onderhavige geval is niet gebleken dat aan het verzoek van
gedaagde aan appellant om volledige inzage te verlenen in zijn
giro- en bankafschriften concrete, op hem betrekking hebbende
feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegen welke een
gegronde reden opleveren om van hem inzage in diens uitgaven te
verlangen. Het verzoek van gedaagde berust blijkens de
gedingstukken op het ten aanzien van bijstandsgerechtigden in het
algemeen door gedaagde ingenomen standpunt dat het
bijstandverlenend orgaan in zijn functie van poortwachter bij de
herbeoordeling als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de IHABW
in
het algemeen de inkomens- en vermogenspositie moet kunnen verifiëren
aan de hand van bank- en giroafschriften, waaronder begrepen de
uitgavenposten. Onder deze omstandigheden kan appellant naar het
oordeel van de Raad niet worden verweten dat hij bij het
verstrijken van de hersteltermijn op 11 september 1997 slechts ten
dele aan het verzoek van gedaagde heeft voldaan door bank- en
giroafschriften over te leggen waarop de uitgavenposten onleesbaar
zijn gemaakt.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad
tot de slotsom dat
gedaagde in het onderhavige geval ten onrechte toepassing heeft
gegeven aan het bepaalde in artikel 69, derde
lid (oud), van de Abw
en dat het bestreden besluit, voor zover aangevochten, wegens
strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de
aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten,
dient te worden vernietigd. Gedaagde zal met inachtneming van
hetgeen hiervoor is overwogen opnieuw op het bezwaar van appellant
moeten beslissen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig op grond van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht
gedaagde ter veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op ƒ710,-
voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een
bedrag groot ƒ710,- , te betalen door de gemeente
Veendam;
gelast de gemeente Veendam aan appellant het gestorte griffierecht
van ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (in totaal ƒ225,-) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R P.Th. Elshoff als leden,
in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.
(get.) G.A.J. van
den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD3836 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/1771
NABW en 99/3916 NABW |
| Datum
uitspraak: |
21
augustus 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
18a Bln (= 39 Abw)
(= 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand, bewindvoeringskosten; bewindvoerder; beschikking
kantonrechter |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten wegens
het ontbreken van de noodzaak daartoe, omdat de gemeente
gebonden is
aan de beschikking van de
kantonrechter, die de noodzaak tot financiële belangenbehartiging in de vorm van
onderbewindstelling reeds heeft vastgesteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/1771
NABW en 99/3916 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zuidlaren [zie gemeente Tynaarlo,
red.], als rechtsopvolger van het College Sociale
Voorzieningen van die gemeente, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Assen op 19 februari 1999 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Als gemachtigde van gedaagde heeft mr. E.P. Groot, advocaat te
Groningen, bij brief van 16 april 1999 beroep bij de rechtbank
ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar
ter uitvoering van de uitspraak. Appellant heeft op 19 april 1999
alsnog een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij een
voorbehoud is gemaakt voor het geval dat de Raad
de uitspraak van
de rechtbank zal vernietigen. De rechtbank heeft dat beroepschrift ter behandeling aan de Raad gezonden.
De gemachtigde van gedaagde heeft naar aanleiding van het besluit
van 19 april 1999 het beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht
om appellant in de gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze
gemachtigde heeft tevens een verweerschrift ingediend betreffende
het onderhavige geding alsmede het geding met de nummers 99/1824
NABW en 99/3909 NABW.
Het geding is, gevoegd met het hiervoor genoemde geding, behandeld
ter zitting van 10 juli 2001, waar appellant zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. O. Ketel, werkzaam bij de gemeente
Zuidlaren, terwijl gedaagde is verschenen bij haar gemachtigde mr.
Groot, voornoemd, en M. Kooi, werkzaam bij het Notariaat Zuidlaren
BV.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst en
wordt in de onderwerpelijke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. Motivering
Gedaagde, geboren in 1917, is op 19 februari 1991 door de
kantonrechter te Assen onder bewind gesteld; als bewindvoerder is
benoemd het Notariaat Zuidlaren BV (hierna: het notariaat).
Namens gedaagde is verzocht om de in 1995 gemaakte
bewindvoeringskosten ad ƒ984,13 voor vergoeding in aanmerking te
brengen.
Bij besluit van 21 februari 1997 heeft het College Sociale
Voorzieningen van de gemeente
Zuidlaren
(hierna: het College SV)
de aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat de kosten van
bewindvoering slechts bij uitzondering gerekend worden te behoren
tot de noodzakelijke bestaanskosten en dat van die bijzondere
noodzaak in het onderhavige geval niet is gebleken.
Bij besluit van 18 juli 1997 heeft het College SV het tegen het
besluit van 21 februari 1997 ingediende bezwaar ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen
omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van - thans - gedaagde tegen het besluit van 18 juli 1997 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat opnieuw op het
bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van het in die
uitspraak overwogene.
Appellant heeft in hoger beroep - kort weergegeven - aangevoerd
dat een beschikking van de
kantonrechter
tot onderbewindstelling
niet meebrengt dat de kosten hiervan tot de noodzakelijke
bestaanskosten, waarvoor in principe toekenning van bijzondere
bijstand mogelijk is, dienen te worden gerekend. Appellant is van
mening dat een kostbare oplossing als bewindvoering door het
notariaat zeker niet nodig is in het geval van personen zoals
gedaagde, die een beschermd bestaan leiden, omdat in die gevallen
ook naar alternatieve oplossingen kan worden gezocht. Appellant
stelt zich, onder verwijzing naar het beleid vastgelegd in zijn
Nota bijzondere bijstandverlening gemeente
Zuidlaren, alsmede
naar een brief van 23 april 1993 van het hoofd van de sector Uitkeringsbeleid van het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, op het standpunt dat bewindvoeringskosten in
principe door belanghebbenden zelf (uit de norm) betaald kunnen
worden. Dit leidt slechts uitzondering indien sprake is van zeer
bijzondere individuele omstandigheden, welke door appellant nader
zijn omschreven als "bestaans- of levensbedreigende
omstandigheden". Van een medische noodzaak is, gelet op het advies
van de GGD, evenmin gebleken. Voor een uitvoeriger weergave van
genoemde beleidsregels verwijst de Raad
naar rubriek 3 van de
aangevallen uitspraak.
De Raad
overweegt eerst dat de onderhavige aanvraag ten onrechte
door appellant is beoordeeld in het kader van de Algemene bijstandswet. Het bestreden besluit ziet - zoals ook uit het
onderliggende advies blijkt - op de in het jaar 1995 gemaakte
kosten, zodat beoordeling van de betreffende aanvraag had dienen
plaats te vinden op grond van het bepaalde bij en krachtens de
Algemene Bijstandswet (ABW). Ook de rechtbank is uitgegaan van de
toepasselijkheid van de Abw.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de ABW wordt aan iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand
verleend.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Bijstandsbesluit
landelijke normering (Bln), in welk besluit nadere regelen
betreffende de verlening van bijstand in de noodzakelijke kosten
van het bestaan zijn gegeven, wordt bijstand in de bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan vastgesteld met inachtneming
van de bepalingen van hoofdstuk IV van dit besluit.
Artikel 18a van het Bln bepaalt vervolgens dat bijstand ter
voorziening in de bijzondere kosten van het bestaan wordt verleend
indien individuele omstandigheden leiden tot noodzakelijke kosten
van het bestaan die naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de in hoofdstuk II,
paragraaf 1, en hoofdstuk III, paragraaf 1, bedoelde uitkering en de
aanwezige draagkracht.
De
kantonrechter
heeft in het kader van zijn bevoegdheid tot
onderbewindstelling zoals geregeld in artikel 1:431 e.v. van het
Burgerlijk Wetboek (BW) - met afweging van de individuele
omstandigheden van gedaagde - de noodzaak tot haar
onderbewindstelling beoordeeld en vastgesteld.
In artikel 1:447, eerste lid, van het BW wordt de beloning van de
bewindvoerder geregeld, waarbij de kantonrechter de bevoegdheid
toekomt om de beloning anders te regelen dan bij de instelling of
door de wet is aangegeven. Ter zake van de in geding zijnde kosten
heeft de kantonrechter bij beschikking van 23 september 1996 de
bewindvoerder gemachtigd deze kosten ten laste te brengen van het
onder bewind gestelde vermogen van gedaagde.
De Raad
is van oordeel dat appellant onder deze omstandigheden in
het kader van de toepassing van de ABW ten aanzien van gedaagde
aan de beschikking van de
kantonrechter
gebonden is en dat hiermee de noodzaak tot financiële belangenbehartiging in de vorm van
onderbewindstelling uitgangspunt voor appellant dient te zijn.
Het stond appellant dan ook niet vrij om zelf de noodzaak van die
onderbewindstelling te beoordelen en evenmin om te bezien of
andere oplossingen mogelijk zouden zijn.
Met de rechtbank is de Raad
voorts van oordeel dat de door
appellant geformuleerde beleidsregels, onder meer inhoudende dat
bijzondere bijstand in de onderhavige kosten slechts kan worden
verleend indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden,
nader omschreven als bestaans- of levensbedreigende
omstandigheden, uitgaan van een te beperkte opvatting van het
begrip bijzondere omstandigheden, in artikel 18a van het Bln
aangeduid als individuele omstandigheden.
De Raad verwijst in dit verband ook naar zijn uitspraak,
gepubliceerd in JABW 1999/149, inzake de toepassing van artikel
39, eerste lid, van de Abw.
Op grond van het vorenstaande dienen de met de bewindvoering
samenhangende kosten te worden aangemerkt als noodzakelijke kosten
van het bestaan in de zin van artikel 18a van het Bln.
De Raad
merkt ten slotte nog op dat aan artikel 1:447 van het BW,
waarin de beloning van de bewindvoerder is geregeld, geen
betekenis toekomt voor de beantwoording van de vraag of de
onderbewind gestelde in staat is de aldus vastgestelde beloning
uit eigen middelen te voldoen.
Het voorgaande leidt de Raad
tot het oordeel dat het bestreden
besluit vernietigd dient te worden wegens strijd met de wet.
Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad
acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht
appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten zijn
begroot op ƒ1775,-, wegens verleende rechtsbijstand, waarvan ƒ355,- voor het indienen van een beroepschrift wegens het
uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep tot een bedrag groot ƒ1775,-, te betalen door de gemeente
Zuidlaren
aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat van appellant een recht van ƒ675,- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
Ch. de Vrey en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD3845 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
01/2471
NABW-VV en 01/1845 NABW |
| Datum
uitspraak: |
3
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en hoger beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9,
69
en
81 Abw
(= 13, 54
en 58 Wwb) / 3:2,
7:9 en 7:12
Awb
|
| Trefwoorden: |
opleiding;
studie; universiteit; studiebelasting ten minste 19 uur per week;
beëindiging bijstand; terugvordering; zorgvuldigheid;
motivering |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging en terugvordering van bijstand wegens het volgen
van een studie gedurende ten minste 19 uur per week, omdat
betrokkene niet is gehoord over nieuwe informatie bij de
gemeente bekend geworden na de hoorzitting en het
terugvorderingsbesluit de juiste wettelijke grondslag mist. In
het nieuw te nemen besluit op bezwaar echter kunnen de
beëindiging en terugvordering rechtmatig zijn. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 01/2471
NABW-VV en 01/1845 NABW
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van
artikel 8:81 van die wet in samenhang met
artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Inleiding
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Utrecht op 23 februari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij datzelfde geschrift is verzocht om toepassing van het bepaalde
in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Verzoeker heeft nadere stukken ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting op 26 juni 2001, waar voor
verzoeker is verschenen mr. C. van den Bergh, werkzaam bij de
gemeente Utrecht, terwijl gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en
artikel 21 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de
Awb kan, indien
tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de
rechtbank als omschreven in artikel 18 van de
Beroepswet hoger
beroep is ingesteld, de president van de Raad
op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met
artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep
voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is
dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak
kan doen in de hoofdzaak.
De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek
ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan
de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de
hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de
president het volgende.
Gedaagde, geboren in 1967, heeft vanaf 1991 tot en met augustus
1997 als voltijdstudent psychologie gestudeerd aan de [X] ([X]).
Van maart 1998 tot en met augustus 1998 en van maart 1999 tot en
met augustus 1999 volgde hij als deeltijdstudent deze studie aan
de [X].
De inschrijving als deeltijdstudent in 1998 en 1999 was bij
verzoeker, die gedaagde vanaf 24 december 1997 een
bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw)
verstrekte, niet bekend. De studieactiviteiten van gedaagde als
deeltijdstudent psychologie in 1998 werden gemeld in een
bezwaarschrift van 24 januari 1999 naar aanleiding van een besluit
tot verlaging van gedaagdes uitkering wegens onvoldoende
sollicitatieactiviteiten.
De herinschrijving van gedaagde als deeltijdstudent per 1 maart
1999 werd gemeld tijdens een in april 1999 verricht heronderzoek.
Verzoeker heeft daarop gedaagdes recht op bijstand opgeschort
vanaf 1 maart 1999 en gedaagde een termijn gesteld voor het
verstrekken van een kopie collegekaart of inschrijvingsbewijs als
student aan de [X]. Gedaagde heeft die informatie binnen de
gestelde termijn alsnog aan verzoeker verstrekt.
Vervolgens heeft verzoeker bij besluit van 3 juni 1999 gedaagdes
bijstandsuitkering per 1 maart 1999 ingetrokken op grond van
artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a (bedoeld is: b), van de
Abw
en die uitkering over de periode van 1 maart 1999 tot en met
30 april 1999 teruggevorderd met toepassing van artikel
81, eerste
lid, van die wet.
Bij besluit van 23 augustus 1999 heeft verzoeker na gemaakt
bezwaar de grondslag van het intrekkingsbesluit per 1 maart 1999
gewijzigd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder
c, van de Abw
en het terugvorderingsbesluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 23 augustus 1999
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
beslissingen gegeven inzake de vergoeding van wettelijke rente,
proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is
ten onrechte op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder
c,
van de Abw
het recht op bijstand ingetrokken en tot terugvordering
overgegaan.
Verzoeker heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De president stelt eerst vast dat in de aangevallen uitspraak
terecht tot uitgangspunt is gekozen dat objectieve, dan wel
objectiveerbare gegevens betreffende de studielast van
de studie in concreto (inclusief eventueel verleende
vrijstellingen) van de betrokken onderwijsinstelling bepalend zijn
voor het antwoord op de vraag of de betrokkene een persoon is als
bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder
c, van de Abw
(zie onder meer 's Raads uitspraken, gepubliceerd in JABW 1999/113
en USZ 2000/19).
Niet te controleren informatie van de student zelf omtrent de
hoeveelheid tijd die hij aan de studie besteedt of besteed heeft,
is in dit kader niet beslissend. Evenmin is beslissend de
omstandigheid dat de student ervoor kiest of gekozen heeft om het
studieprogramma en de te behalen studiepunten over een langere
tijd te spreiden (zie ook 's Raads uitspraak, gepubliceerd in RSV
2001/140).
Anders dan de rechtbank kent de president evenmin doorslaggevende
betekenis toe aan de door gedaagdes gemachtigde aan de rechtbank
overgelegde verklaring van 6 oktober 1999 van een studieadviseur
van de faculteit Sociale Wetenschappen van de [X]. Die
verklaring, die slechts laat zien wat het aantal studiepunten en
de studiebelasting is van één vak waarin gedaagde op 27 augustus
1999 een tentamen heeft gedaan, biedt geen deugdelijke basis om te
oordelen dat ten aanzien van gedaagde ten onrechte toepassing is
gegeven aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder
c, van de Abw.
Er zijn echter andere redenen waarom het bestreden besluit niet in
stand kan worden gelaten.
De president stelt daartoe eerst vast dat gedaagde in bezwaar niet
de gelegenheid is geboden om op de eerst na afloop van de
hoorzitting door de [X] aan verzoeker verstrekte informatie
omtrent de studiebelasting van de deeltijdstudie psychologie te
reageren. De gemachtigde van gedaagde heeft in beroep als grief
aangevoerd dat door verzoeker artikel 7:9 van de
Awb is
geschonden. Deze grief treft doel, omdat juist die informatie van
aanmerkelijk belang was voor de op het bezwaar te nemen
beslissing.
Met betrekking tot het besluit tot terugvordering van bijstand
over de periode van 1 maart 1999 tot en met 30 april 1999 stelt de
president voorts vast dat dit besluit gebaseerd is op artikel
81,
eerste lid, van de Abw
zoals deze bepaling luidt sedert 1 juli
1997. Er ontbreekt echter een besluit dat nodig is om dat artikel
toe te kunnen passen. Dat kan zijn een besluit gegrond op de
artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van
die wet. Het
terugvorderingsbesluit komt dan ook wegens strijd met de wet voor
vernietiging in aanmerking.
Nu de vernietiging van het bestreden besluit op geheel andere
gronden berust dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft
gebezigd, zal de president deze uitspraak vernietigen behoudens
voor zover daarin omtrent de vergoeding van de proceskosten en het
griffierecht in eerste aanleg is beslist, het bestreden besluit
vernietigen en voorts doen hetgeen de rechtbank had behoren te
doen.
Verzoeker zal ter zake van de intrekking en de terugvordering een
nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Met het oog op dat
nieuwe besluit geeft de president nog enkele aanwijzingen.
Wat de intrekking van het recht op uitkering per 1 maart 1999
aangaat, kan gedaagde [verzoeker, red.] zich alsnog de basis voor de terugvordering
verschaffen door toepassing te geven aan artikel
69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw, in verbinding met
artikel 9, tweede
lid, aanhef en onder c, van de Abw.
Daarbij kan uitgangspunt zijn dat in casu laatstgenoemde bepaling
toepasselijk is, omdat zowel uit de in bezwaar als in hoger beroep
vanwege de [X] aan verzoeker verstrekte informatie naar voren
komt dat de deeltijdstudie psychologie een volwaardige studie is,
opgebouwd uit een propedeuse en een doctoraalfase, met een
cursusduur van zeven jaar en een studiebelasting van meer dan 19
uren per week. Gesteld nog gebleken is dat in het geval van
gedaagde sprake is geweest van verkorting van de studieduur wegens
verleende vrijstellingen. Met dit besluit zal aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de
Abw
kunnen
worden voldaan.
Aangezien uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond
om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het
verzoek afgewezen.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb acht de president ten
slotte termen aanwezig. Deze kosten worden begroot op ƒ710,-
wegens aan gedaagde verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De president van de Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij
omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht in eerste
aanleg is beslist;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verzoeker een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een
bedrag groot ƒ710,-, te betalen door de gemeente
Utrecht;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
af;
bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht van ƒ675,-
wordt terugbetaald door de griffier van de Raad.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in
tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|