|
Uitspraak
eerste kamer Hoge
Raad der Nederlanden R01/046HR
B E S C H I K K
I N G
in de zaak van:
[de vrouw] en [de man], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
tegen
de gemeente Groningen, zetelende te Groningen, verweerster in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 16 juli 1997 ter griffie van het Kantongerecht te
Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie -
verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter
aldaar en verzocht:
- het bedrag dat door de verzoekers tot cassatie - verder te
noemen: de vrouw en de man - aan de Gemeente zal worden betaald
vast te stellen op ƒ16.578,39, met dien verstande dat de één
betalende de ander zal zijn bevrijd;
- vast te stellen dat door de Gemeente de totaalsom van het terug
te vorderen bedrag, verminderd met wat daarop inmiddels is
betaald, terstond kan worden ingevorderd;
- één en ander uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut.
De vrouw en de man hebben het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 26 mei 2000 het verzoek
toegewezen.
Tegen deze beschikking hebben de vrouw en de man hoger beroep
ingesteld bij de Rechtbank te
Groningen.
Bij beschikking van 23 januari 2001 heeft de Rechtbank de
beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank hebben de vrouw en de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot
verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie
leiden. Zulks behoeft, gezien artikel
101a RO [Wet op de rechterlijke organisatie, red.], geen nadere motivering
nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in
het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen als
voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos en in het openbaar
uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 30 november 2001.
CONCLUSIE
R01/046HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 14 september 2001
Conclusie inzake:
[verzoekster] en
[verzoeker]
tegen
de gemeente Groningen
In deze zaak, tot terugvordering van bijstand, gaat het om de
uitoefening door burgemeester en wethouders van hun bevoegdheid
van terugvordering af te zien.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten als omschreven
in rov. 3 onder a tot en met g [rov.: rechtsoverweging, red.] van de bestreden beschikking. Kort
samengevat ontvangen verzoekers in cassatie (hierna: de vrouw en
de man) sedert 1 januari 1996 een bijstandsuitkering naar de norm
voor gehuwden. De gemeente heeft
in verband met inkomsten uit het AOW-pensioen van de man
respectievelijk van de vrouw de
bijstandsuitkering herzien en twee bedragen, groot ƒ1046,92 respectievelijk ƒ344,45 netto, teruggevorderd. Daarnaast heeft de gemeente
in januari 1997, tengevolge van een abusievelijk uitgevoerde
herberekening van de uitkering over de tweede helft van 1996,
onverschuldigd een nettobedrag van in totaal ƒ12.671,95 aan de
vrouw en de man, dan wel ten behoeve van hen, betaald.
1.2. Bij verzoekschrift, ingekomen op 16 juli 1997, heeft de
gemeente aan de kantonrechter te
Groningen verzocht het bedrag dat
door de vrouw en de man aan de gemeente is verschuldigd vast te
stellen op ƒ16.578,39, met dien verstande dat wanneer één van hen
betaalt, de ander zal zijn bevrijd. Voorts heeft zij verzocht te
bepalen dat het bedrag in één keer kan worden teruggevorderd
(1).
1.3. De vrouw en de man hebben verweer gevoerd. In cassatie is van
dat verweer slechts nog van belang dat zij een beroep hebben
gedaan op artikel 78, derde lid, Abw. In dat artikellid wordt de
bevoegdheid geregeld van burgemeester en wethouders om van
terugvordering af te zien. Het verweerschrift geeft als reden
waarom van deze bevoegdheid gebruik zou moeten worden gemaakt
uitsluitend op dat beiden ernstig ziek zijn. Uit de bijgevoegde
verklaring van de huisarts kan worden opgemaakt dat de man
lijdende is aan keel- en tongkanker en dat de vrouw een hartpatiënte
is met astmatische bronchitis.
1.4. De kantonrechter
te Groningen heeft bij beschikking van 26
mei 2000 het verzoek van de gemeente toegewezen. De kantonrechter
overwoog dat de vordering niet langer wordt betwist behoudens het
beroep op artikel 78, derde lid, Abw. Wat dit laatste betreft, was niet
gebleken van zodanige omstandigheden dat de gemeente gehouden is
van terugvordering af te zien. Dit geldt te meer nu de gemeente in
dit opzicht een discretionaire bevoegdheid heeft.
1.5. De vrouw en de man hebben hoger beroep ingesteld bij de
rechtbank te Groningen. In grief I hebben zij betwist dat de kantonrechter
slechts marginaal zou kunnen toetsen. Als dringende
reden voor toepassing van artikel
78, derde lid, Abw
hebben zij het
volgende aangevoerd: "Beide betrokkenen zijn ernstig ziek en
beschikken slechts over een minimuminkomen namelijk een
aanvullende bijstandsuitkering op niet-volledige AOW-uitkering". Voor wat betreft het abusievelijk door de
gemeente overgemaakte bedrag hebben zij gesteld dat zij niet tot
terugbetaling in staat zijn omdat zij het geld hebben uitgegeven;
toen zij dit bedrag van hun rekening opnamen wisten zij niet en
konden zij niet weten dat het geld op de rekening afkomstig was
van de gemeente.
1.6. De rechtbank heeft op 23 januari 2001 de beschikking van de
kantonrechter
bekrachtigd. De rechtbank heeft overwogen dat,
behoudens het feit dat de vrouw en de man ziek zijn, niets is
aangevoerd of gebleken omtrent een noodsituatie waarin appellanten
door de terugvordering terecht zouden kunnen komen. Nu ook in
hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden aannemelijk
waren geworden - in het bijzonder is van enig causaal verband
tussen de terugvordering en het verergeren van het ziektebeeld
niet gebleken - deelde de rechtbank het oordeel dat er geen
dringende reden is die maakt dat B&W
in redelijkheid niet
hadden kunnen doen afzien van gebruik van hun bevoegdheid
ingevolge artikel 78, derde lid, Abw. Dat de vrouw en de man moeten
rondkomen van een minimuminkomen levert voor de rechtbank evenmin
een dringende reden op: bij de tenuitvoerlegging wordt voldoende
bescherming geboden door de beslagvrije voet.
1.7. De vrouw en de man hebben tijdig (2) cassatieberoep ingesteld.
De gemeente, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen
verweerschrift in cassatie ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het enige middel van cassatie is gericht tegen rov. 7, waarin
het beroep van de vrouw en de man op artikel 78,
derde lid, Abw
wordt
verworpen. Eerst een kort overzicht van de geschiedenis van deze
bepaling. Onder de vroegere Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni
1963, Stb. 1963, 284, artikel 58 (oud) e.v.) kon de gemeente de kosten van
bijstand in bepaalde gevallen verhalen op de betrokkene zelf; van
een verplichting tot verhaal was nog geen sprake. De nieuwe
regeling voor terugvordering en verhaal (Wet van 15 april 1992, Stb.
1992, 193, tot herziening van de ABW) introduceerde een onderscheid
tussen terugvordering en verhaal. Zij verplichtte de gemeente in
bepaalde gevallen tot terugvordering (artikel 55 ABW). Eén van die
gevallen was artikel 57, onderdeel e, ABW: indien de bijstand tot een te
hoog bedrag of geheel ten onrechte is verleend en de betrokkene
dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Omdat terugvordering in
individuele gevallen op bezwaren kon stuiten, bepaalde artikel 55, derde lid, ABW:
"Indien gelet op de omstandigheden van persoon en gezin
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan van terugvordering
geheel of gedeeltelijk worden afgezien".
In de memorie van toelichting werd deze bepaling als volgt
toegelicht:
"Gezien de omstandigheden van de betrokkene en zijn gezin
kunnen er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Indien terugvordering te ernstige
gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie zou kunnen
hebben, dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen.
De hier bedoelde dringende redenen kunnen moeilijk nader worden
aangeduid. Steeds zal van geval tot geval aan de hand van alle
omstandigheden de situatie van de betrokkene moeten worden
beoordeeld en een beslissing moeten worden genomen. De bevoegdheid
voor de gemeenten om dit artikellid toe te passen, geldt ook
uitsluitend voor individuele gevallen. Zij is niet bedoeld om in
het algemeen of categoriaal van terugvordering af te zien,
bijvoorbeeld ten aanzien van bepaalde soorten gevallen of groepen
van personen." (3)
Op de vraag vanuit de Tweede Kamer of ook niet-financiële
omstandigheden mogen worden meegewogen, antwoordde de minister dat
bij "dringende redenen" niet primair of uitsluitend is
gedacht aan financiële redenen. De redactie laat ruimte voor het
meewegen van zowel financiële als niet-financiële
omstandigheden. Het is niet de bedoeling dat slechts van dringende
redenen kan worden gesproken indien als gevolg van de
terugvordering de draagkracht onder het minimumbehoefteniveau
daalt. Hoewel de specifieke financiële omstandigheden in het
individuele geval tot dringende redenen in de zin van de wet
kunnen leiden, dient niet uit het oog te worden verloren dat voor
het merendeel van de terugvorderingsgevallen de algemene regel van
artikel 61c van het wetsvoorstel [het minimum overeenkomstig de
beslagvrije voet, noot A-G] reeds voldoende bescherming biedt (4).
2.2. Bij de totstandkoming van de nieuwe Algemene bijstandswet
(Wet van 12 april 1995,
Stb. 1995, 199) is een letterlijk gelijkluidende
bepaling voorgesteld als artikel 84,
derde lid, en na vernummering
terechtgekomen in artikel 78,
derde lid. De memorie van toelichting bij deze bepaling vormt slechts een herhaling van de hierboven
geciteerde toelichting op artikel 55, derde lid, ABW. Andermaal werd
benadrukt dat steeds van geval tot geval aan de hand van alle
omstandigheden de situatie van de betrokkene moet worden
beoordeeld (5).
2.3. Met ingang van 1 juli 1997 - dus nadat de onderhavige
besluiten tot terugvordering waren genomen en bekendgemaakt -
heeft de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248) voor een groot aantal
socialezekerheidswetten, waaronder de Algemene bijstandswet, een
gelijkluidende regeling getroffen. In dat verband is de tekst van artikel 78,
derde lid, Abw
komen te luiden:
"Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen
burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien".
Uit de memorie van toelichting blijkt dat met het laten vallen van
de verwijzing naar de "omstandigheden van persoon en
gezin" in de tekst van de
Abw-bepaling slechts een
harmonisatie van wetgeving en niet een inhoudelijke wijziging is
beoogd (6). De argumenten die aan de nieuwe eenvormige regeling ten
grondslag liggen, zijn inhoudelijk gelijk aan de beweegredenen die
aan de invoering van artikel 55, derde lid, ABW ten grondslag hebben
gelegen. Uit de memorie van toelichting op de Wet
BMT c.a.
citeer ik nog:
"Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn wil een
afwijking van het algemene principe [van de verplichting tot
terugvordering, noot A-G] gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het
uiteraard om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd op een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden; van
algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Voor de
goede orde zij vermeld dat de toepassing van dringende redenen
dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur." en
"Wat betreft de financiële omstandigheden dient nog te
worden bedacht dat in het algemeen reeds voldoende bescherming
wordt geboden door de toepasselijke beslagvrije voet (...)". (7)
In het kader van diezelfde harmonisatie is in artikel
78a een
bepaling in de
Abw
opgenomen die B&W
uitdrukkelijk de
mogelijkheid biedt op verzoek van de belanghebbende gedeeltelijk
van terugvordering af te zien in bepaalde gevallen waaronder, kort
gezegd, liquiditeitsproblemen en het treffen van een regeling van
de debiteur met de schuldeisers. Later zijn daaraan nog artikel
78b en artikel 78c Abw
toegevoegd.
2.4. In het onderhavige geval stond geen bestuursrechtelijke
beroepsmogelijkheid open tegen de besluiten van B&W
tot
terugvordering. Derhalve was het de taak van de rechtbank het
besluit van B&W
tot terugvordering te toetsen aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Nu in dit geding geen beroep is
gedaan op enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur,
hebben kantonrechter en rechtbank terecht zich de vraag gesteld of
B&W
in redelijkheid hebben kunnen komen tot het besluit geen
gebruik te maken van hun bevoegdheid ingevolge artikel 78,
derde lid, Abw.
2.5. De onderdelen 2.2.7 en 2.3 van het middel, welke als eerste
worden besproken, klagen dat de rechtbank zich ten onrechte heeft
beperkt tot een toetsing van de beslissing van de kantonrechter
in
plaats van, zoals door grief I werd verlangd, het besluit van B&W
tot terugvordering aan artikel 78, derde lid,
Abw
te toetsen. Als
hoofdregel geldt dat de rechter in hoger beroep, binnen het door
de grieven getrokken kader, zelfstandig dient te oordelen over het
voorgelegde terugvorderingsverzoek en het daartegen gevoerde
verweer. Uit rov. 7 blijkt m.i. niet anders dan dat de rechtbank
zich naar behoren van deze taak heeft gekweten. Dat de rechtbank
ter motivering van haar beslissing naar de overwegingen van de
kantonrechter verwijst, betekent dat de rechtbank dat oordeel
onderschrijft. Het onderschrijven impliceert dat de rechtbank zich
zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de toewijsbaarheid van
het terugvorderingsverzoek.
2.6. Ook onderdeel 2.2 (onderdeel 2.1 bevat geen klacht) mist
feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat de rechtbank ten
onrechte de eis stelt van een noodsituatie (in de woorden van de
rechtbank: "een levensbedreigende of een psychische
noodtoestand"). Het middel voert in de subonderdelen 2.2.1 en
2.2.2 aan dat de "dringende redenen" in artikel 78,
derde lid, Abw
niet beperkt zijn tot noodsituaties. Aan de steller van het
middel kan worden toegegeven dat de formulering van artikel 78,
derde lid, Abw
noch de parlementaire geschiedenis van deze bepaling aan de
"dringende redenen" de eis stelt dat een
levensbedreigende toestand of een psychische noodsituatie aanwezig
is. De bepaling van artikel 78, derde
lid, laat B&W
immers ruimte voor
een afweging van alle relevante omstandigheden in het individuele
geval. In rov. 7 kan ik echter niet lezen dat de rechtbank de
opvatting zou zijn toegedaan dat uitsluitend in een noodsituatie
(zoals een levensbedreigende toestand of psychische noodtoestand)
van "dringende redenen" kan worden gesproken. De
rechtbank zag zich geplaatst voor de moeilijkheid dat de vrouw en
de man niet méér hadden aangevoerd dan het enkele feit van hun
ziekte; zij beschouwen reeds de ziekte op zich als voldoende voor
het aannemen van een dringende reden. De rechtbank heeft hen
duidelijk willen maken dat hun ziekte - hoe ernstig op zich ook -
niet in de weg behoeft te staan aan het terugbetalen van de ten
onrechte ontvangen bijstand. De rechtbank heeft de
"noodsituatie" slechts aangehaald als een voorbeeld van
een geval waarin de rechtbank - zelfs uitgaande van een marginale
toetsing van het besluit van B&W
- mogelijk nog wel een
dringende reden aanwezig zou hebben geacht.
2.7. De rechtbank heeft geen dringende reden aanwezig geacht.
Anders dan subonderdeel 2.2.3 meent, is dat oordeel niet
onbegrijpelijk. Voorstelbaar is dat ziekte, door het wegvallen van
inkomsten uit arbeid en/of door toegenomen lasten zoals de kosten
van geneeskundige behandeling en verpleging, de bijstandsontvanger
voor zodanige problemen stelt dat een terugbetaling onmogelijk of
onevenredig bezwaarlijk wordt. Over weggevallen inkomsten of
hogere lasten is in feitelijke aanleg niets gesteld.
2.8. Hetzelfde geldt voor subonderdeel 2.2.4. De rechtbank heeft
het oorzakelijk verband tussen de terugvordering en een
verergering van het ziektebeeld niet genoemd als een vereiste
waaraan voldaan moet zijn om een beroep op artikel 78,
derde lid, Abw
te
kunnen doen, maar als een voorbeeld van een situatie waarin wél
een dringende reden aanwezig zou kunnen zijn. De klacht faalt bij
gebreke van feitelijke grondslag.
2.9. De subonderdelen 2.2.5 en 2.2.6 zijn gericht tegen de
overweging:
"Het feit dat appellanten van een minimuminkomen moeten zien
rond te komen, is op zich evenmin een dringende reden die ertoe
moet leiden dat van terugvordering wordt afgezien. Met de gemeente
is de rechtbank van oordeel dat appellanten bij de incasso
voldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet".
Naar de beslagvrije voet werd reeds verwezen in de parlementaire
geschiedenis van deze bepaling. Met de beslagvrije voet wordt
gedoeld op artikel 77, derde lid, Abw: beslag op algemene bijstand is
slechts geldig voor zover de betrokkene blijft beschikken over een
inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d Rv [Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, red.]. In
de huidige tekst van de
Abw
(artikel 87,
tweede lid, juncto artikel
14f, tiende lid)
staat dat B&W
bij de tenuitvoerlegging van een
terugvorderingsbesluit het inkomen tot het niveau van de
beslagvrije voet dienen te respecteren. De aangevallen overweging
is de reactie van de rechtbank op de (hierboven in 1.5 geciteerde)
stelling van de vrouw en de man. Nu zij in feitelijke aanleg niet
méér hebben aangevoerd dan de enkele mededeling dat zij moeten
rondkomen van een minimuminkomen, mocht de rechtbank met deze
motivering volstaan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1. De besluiten tot terugvordering zijn bekendgemaakt telkens vóór
1 juli 1997, zodat de gemeente terecht heeft gekozen voor een
terugvorderingsprocedure bij de kantonrechter
(zie de
overgangsbepaling in artikel XVI,
tweede lid, van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248, alsmede HR 22 december 2000, NJ 2001, 58, en HR 22 december 2000, NJ 2001,
66). Het bedrag van ƒ16.578,39 is het brutobedrag inclusief
loonbelasting en premies (artikel 90
Abw). De terugvorderingsgrond en
de berekening van het teruggevorderde bedrag zijn in deze
procedure geen voorwerp van debat geweest.
2. Nu het inleidend verzoekschrift is ingekomen na 1 januari 1996,
bedraagt de cassatietermijn twee maanden: HR 19 november 1999, NJ
2000, 84; A-G Bakels voor HR 9 juni 2000, NJ 2000, 456; vgl. HR 20
februari 1998, NJ 1999, 561 m.nt. HJS; HR 12 juni 1998, NJ 1998,
643.
3. Kamerstukken II 1987-1988, 20 598, nr. 3, blz. 12.
4. Kamerstukken II 1988-1989, 20 598, nr. 6, blz. 1-2; zie ook de
losbl. ABW
Verhaal, aant. 3 op artikel 55 ABW (tijdvak 1992-1995).
5. Kamerstukken II
1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 170.
6. Kamerstukken II
1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 75.
7. Kamerstukken II
1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 68; zie ook de losbl. ABW
Verhaal, aant. 4 en 5 op artikel 78
Abw.
|
|