| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD4723 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Middelburg |
| Zaaknummer: |
Awb
01/246 |
| Datum
uitspraak: |
28
augustus 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
34,
35
en 38
Abw (= 26,
27 en 30
Wwb) |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling;
opvanghuis; opvangtehuis; woonstede; woning; geen woonkosten;
gemeentelijke verordening |
| Essentie: |
Onterechte
verlaging van de bijstandsnorm wegens woningdeling zijnde
tijdelijk verblijf in een opvanghuis, omdat geen sprake is van
een woonstede aangezien de bewoners niet vrijelijk kunnen
beschikken over de woning. Vanwege het ontbreken van een woning
is in strijd met de gemeentelijke Bijstandsverordening beslist. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Middelburg Awb 01/246
U I T S P R A A K
inzake:
[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Vlissingen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2000 heeft verweerder eisers met ingang van
9 november 2000 bijstand toegekend ter voorziening in de kosten van
levensonderhoud, berekend naar de norm voor een gezin, onder verlaging
van die norm met 10% van het nettominimumloon.
Verweerder heeft tevens bijzondere bijstand in de vorm van een
geldlening verstrekt.
Tegen de verlaging hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 21 maart 2001 heeft verweerder dat bezwaarschrift
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het beroep is op 15 augustus 2001 behandeld ter zitting. Eisers hebben
zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft
zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A. Vermeer.
2. Overwegingen
Ingevolge artikel 34 van de Algemene
bijstandswet (hierna: Abw) kunnen
burgemeester en wethouders voor gehuwden de bijstanduitkering verlagen
voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van
het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Ingevolge artikel 35 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders de
bijstandsnorm lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm
of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Abw
stelt het gemeentebestuur
bij verordening vast voor welke categorieën de bijstandsnorm
wordt
verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria die verhoging of
verlaging wordt bepaald.
Ingevolge artikel 4 van de Verordening toeslagen op en verlagingen van
de bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie
bijstand kan worden verleend van de gemeente Vlissingen (hierna:
Bijstandsverordening) wordt, voor zover hier van belang, de
bijstandsnorm lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandnorm
voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van
deze kosten met een ander.
Eisers, partners, hadden ten tijde van belang geen woonruimte in de
gemeente Vlissingen en waren aangewezen op de nachtopvang van het X, een
opvangcentrum in die gemeente.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan hadden omdat zij gebruik maakten
van de nachtopvang van X en daardoor hun kosten van bestaan konden
delen.
Eisers betwisten dat zij lagere kosten van bestaan hadden. Voor de
nachtopvang bij X moesten zij ieder ƒ10,- per nacht betalen. Overdag
zwierven ze op straat en waren dan voor eten en drinken aangewezen op
duurdere horecatarieven. Eisers zijn van mening dat hun leven duurder is
dan het leven in een reguliere huishouding, ook nu zij geen huur en
nutsvoorzieningen hoeven te betalen.
De rechtbank overweegt het volgende.
Verweerder heeft artikel 4 van de Bijstandsverordening aan het bestreden
besluit ten grondslag gelegd. Dat artikel ziet blijkens de toelichting
op de omstandigheid dat betrokkenen een woning hebben, waarbij zij die
woning met anderen delen. Dat levert financiële voordelen op, omdat de
gezamenlijke woonlasten dan lager zijn. Ter zitting is namens verweerder
betoogd dat X moet worden gezien als een woning, waarbij de bewoners
kosten delen.
De rechtbank deelt dat standpunt niet. Naar haar oordeel is slechts
sprake van een (deel van een) woning indien de bewoner aldaar zijn
woonstede heeft. Dat wil zeggen dat de bewoner, binnen de grenzen van
het recht, vrijelijk kan beschikken over de woonruimte. Hij moet kunnen
komen en gaan naar believen, bezoek kunnen uitnodigen, de woonruimte
kunnen verfraaien qua inrichting, kortom een eigen woonsfeer kunnen
scheppen en eigen woonregels kunnen stellen. Van dat alles is in X geen
sprake. Eisers gebruikten de voorziening slechts voor de nacht, waarbij
zij gescheiden moesten slapen, eiser op de mannenzaal en eiseres op de
vrouwenzaal. Zij kregen voorts een ontbijt en de gelegenheid zich te
douchen. Eisers moesten zich houden aan de huisregels van X. Onder die
omstandigheden kan niet worden gezegd dat X kan worden gezien als de
woonstede van eisers waar zij met zekere autonomie konden verblijven.
Bovendien kon van een min of meer bestendig verblijf ook geen sprake
zijn gelet op de opvangfunctie van X. Overigens wordt het begrip woning
in de Bijstandsverordening niet gedefinieerd anders dan dat in artikel
1, eerste lid, onderdel a, van de Bijstandsverordening en de toelichting
onder een woning tevens een woonwagen en een woonschip wordt verstaan.
De rechtbank heeft nog gezien op artikel 5 van de Bijstandsverordening,
waarin onder meer wordt bepaald dat de bijstandsnorm
of toeslag lager
wordt vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten
van het bestaan heeft als gevolg van bewoning van een woning waaraan
geen kosten zijn verbonden. De toelichting op dit artikel vermeldt:
"Indien betrokkene geen woning heeft, is de verordening niet van
toepassing en dient afstemming middels artikel 13
Abw plaats te
vinden". De rechtbank leidt uit de aangehaalde artikelen en de
toelichting in hun onderlinge samenhang af dat de Bijstandsverordening
niet voorziet in de mogelijkheid van een verlaging van de bijstandsnorm
in die gevallen waarin betrokkenen geen woning hebben. Dat eisers geen
vaste lasten zoals huur en kosten van nutsvoorzieningen hadden, maakt
dat niet anders. Die omstandigheid kwam niet voort uit het geheel of
gedeeltelijk kunnen delen van die kosten door woonruimte te delen, maar
juist uit de tegenovergestelde situatie, te weten het ontbreken van
woonruimte.
Verweerder heeft derhalve ten onrechte artikel 4 van de
Bijstandsverordening toegepast, zodat het beroep gegrond is en het
bestreden besluit vernietigd dient te worden.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te
veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van ƒ1420,-,
uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee
proceshandelingen.
3. Uitspraak
De arrondissementsrechtbank te
Middelburg:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het
in deze uitspraak gestelde;
bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan eisers het door hen betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van
eisers begroot op ƒ1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen
door de gemeente Vlissingen aan de griffier.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2001 door
mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar,
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het
instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een
beroepschrift bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA
Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze
uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD4937 |
| Instantie:xxxxxxx |
Hoge
Raad der Nederlanden |
| Zaaknummer: |
R01/092HR |
| Datum
uitspraak: |
7
december 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep
in cassatie |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
93 en 95
Abw (= 61
en –
Wwb) |
| Trefwoorden: |
verhaal;
onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; alimentatie; draagkracht;
hertrouwen; bijdrage levensonderhoud; Hoge Raad |
| Essentie: |
Terecht
verhaal van kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige
ex-echtgenoot wegens aanwezige draagkracht, omdat betrokkene
niet heeft aangetoond dat hij in de periode in geding
heeft bijgedragen in het levensonderhoud van zijn nieuwe
echtgenote, die toen nog in Suriname verbleef. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden
R01/092HR
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[de man], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.G. Cantarella,
tegen
de gemeente Den Haag, zetelende te Den Haag, verweerster in cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 14 september 1999 ter griffie van de Rechtbank te
Den Haag ingediend verzoekschrift heeft verweerster in
cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die
Rechtbank en verzocht te bepalen dat verzoeker tot cassatie -
verder te noemen: de man - aan de Gemeente verschuldigd is:
- met ingang van 1 januari 1999 een verhaalsbijdrage van ƒ293,89
per maand, zolang de bijstandverlening aan de vrouw mede ten
behoeve van [het] minderjarige [kind 1] voortduurt;
- met ingang van 1 januari 1999 een verhaalsbijdrage van ƒ293,89
per maand, zolang de bijstandverlening aan de vrouw mede ten
behoeve van [het] minderjarige [kind 2] voortduurt;
- met ingang van 1 januari 1999 een verhaalsbijdrage van ƒ293,89
per maand, zolang de bijstandverlening aan de vrouw mede ten
behoeve van [het] minderjarige [kind 3] voortduurt.
Nadat de man dit verzoek had bestreden, heeft de Gemeente haar
verzoek gewijzigd. Zij heeft verzocht de onderhoudsbijdrage over
de periode 1 januari 1999 tot 20 oktober 1999 op ƒ496,78 per
maand vast te stellen en vanaf 20 oktober 1999 op nihil.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2000 bepaald
dat de man ter zake van verhaal van kosten van bijstand van 14
april 1999 tot 20 oktober 1999 aan de Gemeente dient te betalen ƒ496,78 per maand en dat de man de inmiddels ontstane achterstand
dient te voldoen door betaling van ƒ293,89 per maand.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Den Haag. De Gemeente heeft incidenteel hoger
beroep ingesteld.
Bij beschikking van 6 juni 2001 heeft het Hof de bestreden
beschikking voor zover aan haar oordeel onderworpen vernietigd en,
in zoverre opnieuw beschikkende, bepaald dat de man aan de
Gemeente moet voldoen ter zake van - ten behoeve van de vrouw en de
minderjarigen - gemaakte kosten van bijstand, een bedrag van ƒ400,- per maand met ingang van 1 januari 1999 en tot 1 juli 1999
en een bedrag van ƒ496,78 per maand met ingang van 1 juli 1999
en tot 20 oktober 1999. Het meer of anders verzochte heeft het Hof
afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof
heeft de man beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en
maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot
verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie
leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO [Wet op de
rechterlijke organisatie, red.], geen nadere motivering
nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in
het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als
voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman en in het
openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7
december 2001.
CONCLUSIE
R01/092HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 12 oktober 2001
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
de gemeente Den Haag
In deze bijstandsverhaalszaak gaat het om de draagkracht van de
man.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Verzoeker tot cassatie, hierna: de man, is van 5 januari 1980
tot 22 mei 1990 gehuwd geweest met [...], hierna: de vrouw. Uit
het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Niet bij het
echtscheidingsvonnis noch bij latere beschikking is ten laste van
de man alimentatie voor de vrouw of kinderalimentatie vastgesteld.
1.2. De gemeente verleent bijstand aan de vrouw, sedert 10
augustus 1989 naar de norm voor een alleenstaande ouder. De
gemeente wenst de kosten van de bijstand aan de vrouw te verhalen
op de man. Omdat de man volgens de gemeente onvoldoende informatie
verstrekte, heeft de gemeente de verhaalsbijdrage aanvankelijk
ambtshalve berekend op ƒ881,67 per maand (ƒ293,89 per kind). In
een op 14 september 1999 ingediend verzoekschrift heeft de
gemeente aan de rechtbank te Den Haag
verzocht te bepalen dat
de man met ingang van 1 januari 1999 aan de gemeente een
maandelijkse bijdrage verschuldigd is tot dit bedrag.
1.3. De man heeft gesteld over onvoldoende draagkracht te
beschikken. Hij heeft onder meer aangevoerd dat hij op 14 april
1999 in Suriname is gehuwd met [betrokkene A], met wie hij - naar
de vaststelling van het hof: sedert 20 oktober 1999 - samenwoont.
Naar aanleiding van dit verweer heeft de gemeente een
herberekening gemaakt en haar verzoek gewijzigd in die zin dat de
verschuldigde bijdrage zal worden vastgesteld op ƒ496,78 per
maand voor het tijdvak van 1 januari 1999 tot 20 oktober 1999 en
op nihil voor het tijdvak vanaf 20 oktober 1999. De rechtbank
heeft in een beschikking van 14 november 2000 bepaald dat de man
over het tijdvak van 14 april 1999 tot 20 oktober 1999 aan de
gemeente een verhaalsbijdrage van ƒ496,78 per maand dient te
betalen.
1.4. De man is tegen de toewijzing in hoger beroep gekomen bij het
gerechtshof. Als grief heeft hij onder
meer aangevoerd dat de rechtbank
bij de berekening van zijn draagkracht de gezinsnorm had dienen
toe te passen vanaf 14 april 1999 (de huwelijksdatum) en niet pas
vanaf 20 oktober 1999. De gemeente heeft incidenteel geappelleerd
voor zover de rechtbank het inleidend verzoek niet heeft
toegewezen over het tijdvak van 1 januari 1999 tot 14 april 1999.
1.5. Bij beschikking van 6 juni 2001 heeft het hof
de beschikking
van de rechtbank vernietigd en de verhaalsbijdrage voor het
tijdvak van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999 vastgesteld op ƒ400,-
per maand en voor het tijdvak van 1 juli 1999 tot 20 oktober 1999
op ƒ496,78 per maand.
1.6. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld (1). De gemeente
heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping
van het beroep.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel is gericht tegen rov. 6
[rechtsoverweging 6, red.], waarin het hof
voor de
berekening van de draagkracht de man als alleenstaande heeft
aangemerkt in de periode van 1 januari 1999 tot 20 oktober 1999.
Volgens het hof heeft de man niet aangetoond dat hij in dat
tijdvak heeft bijgedragen in het levensonderhoud van zijn nieuwe
echtgenote, [betrokkene A], die toen nog in Suriname verbleef. Wel
heeft het hof rekening gehouden met de kosten van het vliegticket
van de vrouw, welke door de man zijn betaald; deze kosten spelen
in cassatie geen rol. Het middel valt uiteen in twee klachten: (i)
de klacht dat het hof alleen al op grond van het feit dat de man
op 14 april 1999 met [betrokkene A] in het huwelijk is getreden
vanaf genoemde datum de gezinsnorm had dienen toe te passen; (ii)
de klacht dat het hof er rekening mee had moeten houden dat het
voor de man praktisch onmogelijk is aan te tonen dat hij zijn
vrouw in Suriname financieel ondersteunde en dat het hof, om die
reden, de bewijslast niet bij de man had mogen leggen.
2.2. De eerste klacht faalt reeds omdat het middel niet aangeeft
welke geschreven of ongeschreven rechtsregel door het hof
zou zijn
geschonden. Het middel voldoet daarom niet aan de eisen van artikel
426a, tweede lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]. Mogelijk heeft de steller van het middel voor ogen
gehad dat de man sedert zijn huwelijksdatum een
onderhoudsverplichting jegens zijn nieuwe echtgenote heeft. Indien
op dit nieuwe huwelijk Nederlands recht van toepassing is -
daaromtrent is niets gesteld - zou kunnen worden gewezen op artikel
1:81 BW [Burgerlijk Wetboek, red.]. Het bestaan van zo'n verplichting betekent echter niet
dat de rechter in de verhaalsprocedure niet zou mogen letten op de
werkelijke draagkracht van de man. Artikel 95
Abw
bepaalt dat bij de
beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van
het te verhalen bedrag rekening wordt gehouden met de maatstaven
die gelden en met de omstandigheden die van belang zijn in het
geval dat de rechter dient te beslissen over, kort gezegd, de
onderhoudsverplichting na echtscheiding. Eén van deze maatstaven
houdt in dat de rechter rekening houdt met de draagkracht van de
tot uitkering verplichte persoon (artikel 1:397 BW). Bij de
vaststelling van de draagkracht dient weer rekening te worden
gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de
onderhoudsplichtige komen (2). Met uitgaven die feitelijk niet ten
laste van de man zijn gekomen (hetzij omdat hij zijn
onderhoudsplicht jegens zijn nieuwe echtgenote heeft verzaakt,
hetzij omdat zijn nieuwe echtgenote in Suriname in haar eigen
levensonderhoud kon voorzien en daarom geen behoefte had aan
ondersteuning), behoefde het hof geen rekening te houden. Het hof
was niet verplicht bij de berekening van het draagkrachtloos
inkomen van de man de gezinsnorm toe te passen op grond van het
enkele feit dat de man gehuwd is. In dit verband zij opgemerkt dat
de Trema-normen voor zover zij onderscheid maken in
alleenstaanden, eenoudergezinnen en echtparen, zijn ontleend aan
de bijstandswetgeving en dat om die reden de indeling in deze drie
categorieën niet uitsluitend afhankelijk is van de formele
status: gehuwd of ongehuwd.
2.3. Ook de tweede klacht faalt. Het middel bestrijdt niet dat het
in beginsel op de weg van de man lag om aan te tonen of
aannemelijk te maken dat hij zijn nieuwe echtgenote in Suriname
ondersteunde. In feitelijke instanties heeft de man niet
aangevoerd dat het voor hem (te) moeilijk zou zijn te bewijzen dat
hij in het tijdvak tussen 14 april en 20 oktober 1999 geheel of
gedeeltelijk in het levensonderhoud van zijn in Suriname
verblijvende echtgenote heeft voorzien. Op een niet-aangevoerd
argument behoefde het hof uiteraard niet in te gaan. Het
cassatiemiddel poogt dit te repareren door alsnog te stellen dat
van algemene bekendheid is dat het nagenoeg onmogelijk is op
reguliere wijze vanuit Nederland naar Suriname geld over te maken.
Voor een dergelijke stellingname is het nu te laat. Bovendien zij
opgemerkt dat, ook al zou die stelling juist zijn, daaruit nog
niet kan worden afgeleid dat en waarom de man, indien hij de vrouw
financieel heeft ondersteund anders dan door overmaking van geld
langs de reguliere weg, niet in staat geacht mag worden om aan te
tonen dat en tot welk bedrag deze ondersteuning heeft
plaatsgevonden.
2.4. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1. In deze zaak doet zich geen probleem van overgangsrecht voor.
Het inleidend verzoekschrift dateert van na 1 januari 1996 (vgl.
HR 19 november 1999, NJ 2000, 84).
2. Vaste rechtspraak, o.m.: HR 3 juli 1995, NJ 1996, 86 m.nt. JdB;
Asser-de Boer, 1998, nr. 624.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD4971 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/11407 ABW |
| Datum
uitspraak: |
23
juli 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78c
Abw (= –
Wwb) / 4:81
en 4:82 Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld;
aflossing ineens 50% restsom; afkoopsom; vaste gedragslijn; discretionaire
bevoegdheid |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld
na aflossing ineens van 50% van de restsom, omdat daarbij de
vaste gedragslijn is toegepast om
bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan
kwijtscheldings- of afkoopregelingen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Rechtbank
's-Gravenhage AWB 00/11407 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zoetermeer, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij beschikking van 15 oktober 1998 heeft de kantonrechter te
Delft bepaald dat eiser aan verweerder een bedrag van ƒ99.478,29
dient te betalen in verband met ten onrechte genoten uitkering
ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW).
Bij beschikking van 31 januari 2000 heeft de
arrondissementsrechtbank te Den Haag in hoger beroep de
beschikking van de kantonrechter
bekrachtigd.
Op 25 april 2000 heeft eiser aan verweerder verzocht om, na
betaling van een bedrag van ƒ21.575,00 ineens, in aanmerking te
komen voor kwijtschelding van het restant van de bijstandsschuld.
Bij besluit van 8 mei 2000 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 juni 2000 een
bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaren door de
Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen op 28 augustus
2000.
Bij besluit van 20 september 2000 heeft verweerder de bezwaren van
eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 oktober 2000, nader
aangevuld bij brief van 17 november 2000, beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 17 november 2000 de onderliggende
stukken opgestuurd en bij brief van 19 december 2000 een
verweerschrift ingediend.
Het beroep is, gevoegd met het beroep van [betrokkene] (AWB
00/11550 ABW) [LJN AD3472, red.], op 13 juni 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Samama.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.J.
Ross.
Motivering
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit van 20 september 2000 in rechte stand kan houden.
Verweerder heeft in het bestreden besluit, samengevat, overwogen
dat eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van een deel
van de uitstaande vordering, aangezien de schuld van eiser het
gevolg is van fraude. Verweerder volgt reeds langdurig de
beleidsregel dat bij fraudeschulden geen medewerking wordt
verleend aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. De
inwerkingtreding van artikel 78c
van de Abw
per 1 augustus 1998
heeft geen aanleiding gevormd hierin verandering te brengen, ook
al worden fraudeschulden in deze bepaling niet uitgezonderd. Gelet
op de tekst van artikel 78c van de
Abw
alsmede de parlementaire
behandeling is verweerder niet gehouden zijn beleid ter zake te
wijzigen. Voor zover gezegd moet worden dat er in casu geen sprake
is van een beleidsregel, is er in ieder geval een bestendige
gedragslijn, welke gedragslijn in dit besluit adequaat is
gemotiveerd.
Eiser is, samengevat, van mening dat het bestreden besluit
onvoldoende is gemotiveerd en niet op zorgvuldige wijze tot stand
is gekomen aangezien verweerder bij de inwerkingtreding van de Wet
herziening debiteurenbeleid [Wet
terugvordering en verhaal in verband met herziening van het
debiteurenbeleid, red.] met betrekking tot artikel
78c van de Abw
geen werkelijk beleid heeft gemaakt en enkel heeft vastgesteld
dat het bestaande beleid niet gewijzigd hoefde te worden. Eiser is
van mening dat verweerder zich ten onrechte beroept op algemene
beleidsuitgangspunten en hiermee voorbij is gegaan aan de
omstandigheden van het individuele geval.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om kwijtschelding
betrekking heeft op het restant van de vordering, welke vordering
verweerder op grond van de beschikking van de rechtbank van 31
januari 2000 op eiser heeft. Tevens stelt de rechtbank vast dat
naast eiser [partner] eveneens aansprakelijk is voor genoemde
vordering en dat eiser en [partner] een gezamenlijk aanbod hebben
gedaan tot betaling van een bedrag ineens dat neerkomt op de helft
van de openstaande vordering om zodoende in aanmerking te komen
voor kwijtschelding van het restant van de vordering.
Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder
d, van de Abw
kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 78 van
de Abw, van terugvordering of van verdere terugvordering
afzien
indien de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste
50% van de restsom in één keer aflost.
Deze bepaling is op 1 augustus 1998 bij inwerkingtreding van de Wet
herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb.
1998, 278) ingevoerd. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in het kader
van de Wet herziening debiteurenbeleid door de wetgever slechts
wijziging is gebracht in de terugvorderingsbepalingen van de
(nieuwe) Abw, een redelijke uitleg van de ter zake geldende
wettelijke bepalingen meebrengt dat ten aanzien van besluiten als
het onderhavige, waar het gaat om de tenuitvoerlegging van een
onder de (oude) ABW tot stand gekomen terugvorderingsbesluit, het
(nieuwe) Abw-recht van toepassing is. Artikel
78c, eerste lid,
aanhef en onder d, van de Abw
is hier derhalve van toepassing.
Verweerder komt bij de toepassing van artikel
78c, eerste lid,
aanhef en onder d, van de Abw
een discretionaire bevoegdheid toe.
Ingevolge artikel 4:81, eerste lid, van de
Awb kan verweerder ten
aanzien van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Ingevolge
artikel 4:82 van de Awb kan ter motivering van een besluit slechts
worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor
zover deze is neergelegd in een beleidsregel. Indien een vaste
gedragslijn niet in een beleidsregel is neergelegd, moet een
besluit conform zo'n vaste gedragslijn steeds opnieuw worden
gemotiveerd.
De rechtbank stelt vast dat verweerder inzake zijn bevoegdheid
ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder
d, van de Abw
geen beleidsregels heeft vastgesteld. De beleidsregel, zoals in
het kader van de Wet schuldsanering
natuurlijke personen (WSNP) op
17 december 1998 bij Raadsbesluit 980537 is vastgesteld, kan hier
niet als beleidsregel gelden, nu bedoeld raadsbesluit enkel ziet
op de bevoegdheid die de gemeente toekomt in het kader van de
uitvoering van de WSNP.
Dit neemt niet weg dat wel sprake is van een vaste gedragslijn van
verweerder om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan
kwijtscheldings- of afkoopregelingen. Deze gedragslijn is in het
bestreden besluit uiteengezet en ter zitting heeft verweerder
hieraan toegevoegd dat uitgangspunt van deze gedragslijn is de
opvatting van verweerder dat fraude niet mag lonen.
Naar het oordeel van de rechtbank laat artikel
78c van de Abw
ruimte voor het voeren van een zodanige vaste gedragslijn. Deze
gedragslijn kan niet als kennelijk onredelijk of anderszins
onaanvaardbaar worden beschouwd. Dit geldt te minder nu, zoals ook
uit de parlementaire geschiedenis van de Wet
herziening debiteurenbeleid blijkt, de wetgever met deze
wet geen wijziging
heeft beoogd ten aanzien van het uitgangspunt dat ten onrechte
verleende uitkeringen moeten worden teruggevorderd (Kamerstukken
II 1997-1998, 25 661, nr. 3, blz. 4). Het gegeven dat artikel
78c van
de Abw
blijkens de parlementaire geschiedenis ook toepassing kan
vinden op fraudeschulden (t.a.p., blz.
5) leidt de rechtbank niet
tot een ander oordeel.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in
redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had dienen af te wijken
door eisers verzoek in te willigen, is de rechtbank niet gebleken.
De ter zitting door eiser aangevoerde omstandigheid dat er nooit
sprake is geweest van samenwonen en de verleende bijstand ten
onrechte is teruggevorderd, kan niet als bijzondere omstandigheid
worden aangemerkt. De rechtbank heeft bij eerder genoemde
beschikking van 31 januari 2000 in hoger beroep immers definitief
in andere zin geoordeeld. De overige door eiser aangevoerde
omstandigheden dat zijn familie bereid is financieel bij te dragen
aan de aflossing van deze schuld, dit de enige grote schuld is die
hij heeft en dat deze schuld zwaar op hem drukt aangezien hij de
zorg heeft voor een aantal kinderen, zijn evenmin aan te merken
als bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in
redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had moeten afwijken.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. S.C. Stuldreher, J.W. Sentrop en E.J.M.
Heijs en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2001, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Gw / Awb |
x
LJN: |
x
AD5014 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
00/8238
ABW |
| Datum
uitspraak: |
22
augustus 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7, 9,
11
en 113
Abw (= 11,
13, 16 en 9 Wwb) / 1
Gw / 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
vakantie;
gebruikelijke vakantieduur; weigering bijstand; ontheffing
arbeidsverplichtingen; alleenstaande ouder met kind jonger dan
vijf jaar;
jonger dan 57,5 jaar; discriminatieverbod; gelijkheidsbeginsel;
territorialiteitsbeginsel |
| Essentie: |
Onterechte
weigering van bijstand wegens verblijf in het buitenland langer
dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken), omdat betrokkene
vanwege haar tweejarige kind nog geruime tijd ontheven zal zijn
van de arbeidsverplichtingen en zij derhalve dient te worden
gelijkgesteld met 57,5-plussers, wie het is toegestaan dertien
weken in het buitenland te verblijven. Er zijn i.c. geen
objectieve en redelijke gronden voor het onderscheid naar
leeftijd. Overigens bestaat in iedere situatie waarbij de
gebruikelijke vakantieduur wordt overschreden, dus ook in geval
van ziekte, geen recht op bijstand. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage 00/8238 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Delft, verweerder.
1. Aanduiding bestreden
besluit
Het besluit van verweerder van 14 juni 2000, kenmerk 00/012189.
2. Zitting
Datum: 3 juli 2001.
Verschenen is verweerder, bij gemachtigde J.R. Frederici.
Eiseres is niet verschenen.
3. Feiten
Eiseres, geboren op [...] 1964, ontving sedert 1 februari 1999 van
verweerder een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet
(Abw)
naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Op een bij verweerder op 13 augustus 1999 ingekomen formulier
"opgave vakantie" heeft zij verweerder meegedeeld van 26
september 1999 tot en met 23 oktober 1999 op vakantie naar het
buitenland te zullen gaan.
Bij besluit van 18 oktober 1999 heeft verweerder eiseresses recht
op uitkering met ingang van 1 september 1999 opgeschort, op grond
dat zij niet aan haar informatieverplichting had voldaan.
Bij besluit van 1 november 1999 heeft verweerder eiseresses recht
op uitkering met ingang van 1 oktober 1999 ingetrokken, op grond
dat zij niet binnen de haar bij het besluit van 18 oktober 1999
gestelde termijn alsnog aan haar informatieverplichting had
voldaan. Onder vervallenverklaring van dit besluit in zoverre heeft
verweerder de ingangsdatum van de intrekking bij besluit van 2
november 1999 gesteld op 1 september 1999.
Verweerder heeft bij besluit van 24 januari 2000 aan eiseres met
ingang van 1 september 1999 een uitkering ingevolge de Abw
toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder van 21 jaar of
ouder.
Bij dit besluit heeft verweerder eiseres vrijgesteld van de
arbeidsverplichtingen.
Bij voormeld besluit heeft verweerder eiseres voorts meegedeeld
dat zij voor de periode van 23 oktober 1999 tot 2 december 1999 is
uitgesloten van het recht op bijstand, omdat zij gedurende die
periode langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland
verbleef. De rechtbank merkt het besluit van 24 januari 2000 voor
wat het onderhavige beroep betreft in zoverre als primair besluit
aan.
Bij brief van 29 maart 2000 heeft eiseres tegen het primaire
besluit een bezwaarschrift ingediend.
Het bezwaarschrift is ter hoorzitting van 28 april door en namens
eiseres toegelicht ten overstaan van verweerders Commissie voor de
beroep- en bezwaarschriften Kamer II.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder met overname van het
door voornoemde Commissie uitgebrachte advies het bezwaar
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 20 juli 2000 een beroepschrift
op nader aan te voeren gronden ingediend.
De gronden van het beroep zijn op 29 augustus 2000 ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede
een verweerschrift ingediend.
Na de terechtzitting heeft de rechtbank nog kennis genomen van
verweerders mededeling per faxbericht d.d. 3 juli 2001, houdende
antwoord op de ter zitting gerezen vraag naar de leeftijd van
kinderen van eiseres. Uit die mededeling blijkt dat eiseres een
kind heeft, genaamd X, dat geboren is op [...] 1998.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit de
uitsluiting van eiseres van het recht op bijstand over de periode
van 23 oktober 1999 tot 2 december 1999 terecht en op goede
gronden heeft gehandhaafd.
Daarbij staat het volgende voorop.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
d, Abw
is bepaald dat
geen recht op bijstand heeft degene die in Nederland zijn
woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke
vakantieduur, verblijf houdt in het buitenland.
Omtrent hetgeen onder de gebruikelijke vakantieduur wordt verstaan,
kan ingevolge het derde lid van artikel 9
Abw
de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) regels stellen.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de
Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Besluit van de
minister van 13 maart
1998, Stcrt. 1998, 51, in werking getreden op 1 april 1998) geldt
dat onder gebruikelijke vakantieduur voor belanghebbenden zoals
eiseres, die jonger zijn dan 57,5 jaar, een periode van vier weken
per kalenderjaar wordt verstaan.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit - zakelijk weergegeven
-
het volgende ten grondslag gelegd.
Uit bovenweergegeven wettelijke bepalingen en de jurisprudentie
wordt allereerst afgeleid dat eiseresses bijstandsuitkering gelet
op het territorialiteitsbeginsel in geen geval kon worden
voortgezet na het verstrijken van de voor eiseres gebruikelijke
vakantieduur, te weten vier weken. Daarbij is volgens verweerder niet
van belang welke de reden van het verblijf in het buitenland is en
met name niet of de betrokkene al dan niet wegens vakantie in het
buitenland verblijft. Verweerder wijst er voorts op dat zijn
dienst bij de uitvoering van de Abw
ook strak de hand houdt aan
het territorialiteitsbeginsel.
Verweerder overweegt voorts dat er een redelijke en objectieve
rechtvaardigingsgrond is voor het in de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw opgenomen leeftijdsonderscheid, gelet op de sterke
roep daartoe vanuit de samenleving. Omdat genoemde regeling geen
ruimte biedt voor extensieve interpretatie, is verweerder onder
verwijzing naar jurisprudentie van oordeel dat eiseres aan het
gegeven dat zij van de arbeidsverplichtingen is vrijgesteld geen
aanspraak ontleent op toepassing van de gebruikelijke vakantieduur
die geldt voor 57,5-jarigen en ouderen.
Ten slotte overweegt verweerder dat er geen sprake is van een zeer
dringende reden die ruimte biedt om eiseres met toepassing van
artikel 11 Abw
over de periode van 23 oktober 1999 tot 2 december
1999 toch bijstand toe te kennen.
In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd.
Zij stelt voorop dat zij op vakantie in Calcutta verblijvende
ziek is geworden en dat zij verweerder daarvan onder overlegging
van medische bewijsstukken op de hoogte heeft gebracht. Op grond
hiervan is het haar niet aan te rekenen dat haar verblijf in het
buitenland langer dan vier weken heeft geduurd.
Artikel 9 Abw, uitgelegd conform de tekst daarvan, betekent
volgens eiseres dat slechts iemand die langer dan vier weken in
het buitenland op vakantie is geen recht meer heeft op Abw-uitkering. Eiseres wijst erop dat haar langer verblijf niets
met vakantie van doen had, integendeel: zij was gedwongen ter
plekke te blijven.
Eiseres acht de uitleg die verweerder aan de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw geeft discriminatoir naar leeftijd en
sekse. Naar de mening van eiseres dient deze op de
sollicitatieplicht en niet op het territorialiteitsbeginsel
toegesneden regeling, voor zover de gebruikelijke vakantieduur voor
ouderen op dertien weken wordt bepaald, ook op haar te worden
toegepast, nu zij, vanwege het feit dat zij een kind heeft dat
jonger is dan vijf jaar, evenmin als die ouderen
sollicitatieplicht heeft.
Ten slotte meent eiseres dat zij zich, ingeval zij toch onder de
uitsluiting van artikel 9 Abw
zou vallen, met recht kan beroepen
op artikel 11 Abw.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gezien de tekst van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
d, Abw
is het voortduren van het recht op bijstand beperkt tot de
gebruikelijke vakantieduur in iedere situatie die kan worden
aangemerkt als verblijf houden buiten Nederland. Eiseresses betoog
dat zij met ingang van 23 oktober 1999 voor een bijstandsuitkering
in aanmerking bleef komen omdat er toen geen sprake (meer) was van
vakantie treft gelet daarop geen doel.
Het in artikel 7, eerste lid, Abw
uitgedrukte
territorialiteitsbeginsel laat volgens vaste rechtspraak de
voortzetting van een bijstandsuitkering tijdens een verblijf in
het buitenland gedurende een langere periode dan de toepasselijke
gebruikelijke vakantieduur niet toe, waarbij niet relevant is om
welke reden betrokkene (langer) in het buitenland verblijft en
evenmin of diens aanwezigheid in het buitenland noodzakelijk is.
Gelet daarop faalt ook eiseresses betoog dat zij met ingang van 23
oktober 1999 voor een bijstandsuitkering in aanmerking bleef komen
omdat zij inmiddels noodgedwongen in het buitenland verbleef.
Daarmee spitst het onderhavige geschil zich toe op de vraag of
verweerder al dan niet een naar leeftijd en/of sekse
discriminatoire uitleg aan de
Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw
heeft gegeven.
Daarbij staat voorop dat in artikel 1 van de
Grondwet is bepaald
dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen
gelijk worden behandeld en dat discriminatie wegens godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke
grond dan ook, niet is toegestaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in de door
verweerder aan de regeling gegeven uitleg sprake is van verboden
rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie naar sekse.
Met betrekking tot de vraag of er sprake is van verboden
discriminatie naar leeftijd overweegt de rechtbank als volgt.
In haar uitspraak van 13 januari 2000 (JABW 2000/43 [LJN
AA5111,
red.]) heeft de
arrondissementsrechtbank te Maastricht samengevat overwogen dat in
de op grond van artikel 113, vierde lid,
Abw
in het leven geroepen Regeling
vrijstelling verplichtingen Abw is bepaald dat van de
verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, aanhef en
onder a tot en met f, Abw
zijn vrijgesteld de belanghebbenden ouder
dan 57,5 jaar alsmede dat dit onderscheid naar leeftijd ten
aanzien van de verplichtingen met betrekking tot de
arbeidsinschakeling in de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw is
gehandhaafd.
In die uitspraak is voorts overwogen dat het doel van (het
leeftijdsonderscheid in - zo begrijpt de rechtbank) de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw is om bijstandsgerechtigden die 57,5
jaar of ouder zijn en op grond van deze leeftijd zijn ontheven van
de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling een
langere vakantieperiode in het buitenland toe te staan dan
bijstandsgerechtigden die wél moeten voldoen aan de
verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.
De rechtbank onderschrijft deze overwegingen en komt mede in het
licht daarvan tot het volgende oordeel.
Vaststaat dat eiseres jonger is dan 57,5 jaar en vrijgesteld is
van de arbeidsverplichtingen in verband met de zorg voor een op 31
augustus 1998 geboren kind.
Op grond van de Regeling gebruikelijke
vakantieduur Abw geldt voor
eiseres op grond van haar leeftijd evenwel een gebruikelijke
vakantieduur van vier weken per kalenderjaar, terwijl voor
belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder op grond die regeling een
gebruikelijke vakantieduur geldt van dertien weken per kalenderjaar.
In de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw wordt derhalve een
onderscheid gemaakt naar leeftijd, zijnde discriminatie "op
welke grond dan ook" als bedoeld in artikel 1 van de
Grondwet.
Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan is het
maken van onderscheid naar leeftijd evenwel geoorloofd.
Naar het oordeel van de rechtbank verkeert een
bijstandsgerechtigde moeder die op grond van de zorg voor haar
kind van jonger dan vijf jaar is vrijgesteld van de
arbeidsverplichtingen voor de toepassing van de Abw
in dezelfde
omstandigheden als een bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder
die op grond van zijn leeftijd is ontheven van de verplichtingen
van artikel 113 Abw. Dat kan anders zijn ingeval op korte termijn
valt te verwachten dat het kind de leeftijd van vijf jaar zal
bereiken en van de bijstandsgerechtigde met het oog daarop mag
worden verwacht dat deze zich op de volledige herleving van de
arbeidsverplichtingen zal voorbereiden, maar daarvan is in het
geval van eiseres geen sprake, nu haar kind ten tijde van belang
nog geen twee jaar oud was.
Het belang van doelmatige controle en het
territorialiteitsbeginsel,
ten aanzien waarvan uit de toelichting op de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw kan worden afgeleid dat deze in het
geval van een van de arbeidsverplichtingen vrijgestelde
bijstandsgerechtigde van ten minste 57,5 jaar bij een verblijf in
het buitenland van niet meer dan dertien weken niet in het geding
werden geacht, zijn naar het oordeel van de rechtbank in het geval
van een bijstandsgerechtigde die omwille van de leeftijd van haar
kind nog geruime tijd aanspraak heeft op vrijstelling van de
arbeidsverplichtingen redelijkerwijs evenmin in het geding te
achten.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het uit de
Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw
voortvloeiende onderscheid naar
leeftijd door verweerder ten aanzien van eiseres bij gebreke van
objectieve en redelijke gronden voor dat onderscheid niet zonder
in strijd te komen met het discriminatieverbod van artikel 1 van
de Grondwet kon worden gemaakt.
Nu het bestreden besluit op dit onderscheid berust, is het beroep
gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd.
De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel
8:72,
vierde en vijfde lid, Awb
opdragen binnen zes weken na het
onherroepelijk worden van dit besluit met inachtneming van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing
van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de door eiseres in
verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze
kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ710,-.
Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient
ingevolge het tweede lid van artikel 8:75
Awb
de betaling van dit
bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
6. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na het onherroepelijk worden
van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
gelast dat de gemeente Delft als rechtspersoon aan eiseres het door
deze betaalde griffierecht, zijnde ƒ60,-, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten ad ƒ710,-, onder aanwijzing
van de gemeente Delft als rechtspersoon die deze kosten aan de
griffier dient te vergoeden.
7. Rechtsmiddel
Onverminderd het bepaalde in artikel
6:13 juncto artikel 6:24 Awb
kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze
uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep
instellen bij de Centrale Raad van
Beroep.
Aldus gegeven door mr. R.M. Bouritius en in het openbaar
uitgesproken op 22 augustus 2001, in tegenwoordigheid van de
griffier.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD5103 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/750
NABW |
| Datum
uitspraak: |
16
oktober 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
70,
107 en
113 Abw
(= –, 9
en 9 Wwb)
/ 1:3,
4:5, 4:6,
6:2,
8:1
en 8:74
Awb |
| Trefwoorden: |
arbeidsverplichtingen;
ontheffing; vrijstelling; afwijzing verzoek ontheffing; eerder besluit;
feitelijke handeling; zelfstandig rechtsgevolg; niet tijdig
genomen besluit op bezwaar; vergoeding griffierecht |
| Essentie: |
Terechte
niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het geschrift waarbij
het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen - onder
verwijzing naar een eerder besluit waarbij die ontheffing reeds
is verleend - wordt afgewezen, omdat dat geschrift geen
appellabel besluit is aangezien het geen zelfstandig
rechtsgevolg heeft. Voorts is de opgelegde verplichting tot het
verlenen van medewerking aan een trajectplan, gelet op de
ontheffing, niet rechtmatig. Het betaalde griffierecht voor het
beroep tegen een niet tijdig genomen besluit op bezwaar dient
wel te worden vergoed, omdat terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig
te achten besluit. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/750
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Nuth,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellante heeft op in beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te
Maastricht op 22 januari 1999 ten aanzien van partijen gewezen
uitspraak, genummerd 97/2087 NABW en 97/2603 NABW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Hierna heeft appellante zich nog enige malen schriftelijk tot de Raad
gewend.
Het geding is - gevoegd met de gedingen tussen partijen genummerd
99/753 NABW en 99/5104 NABW - behandeld ter zitting van 20
februari 2001. Daar is appellante in persoon verschenen en heeft
gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In de gedingen genummerd 99/753 NABW en 99/5104 NABW
is afzonderlijk uitspraak gedaan.
Omdat het onderzoek in de onderhavige zaak niet volledig is
geweest, heeft de Raad
het onderzoek in deze zaak heropend.
Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter
zitting van 4 september 2001, waar partijen niet zijn verschenen.
II. Motivering
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 20
augustus 1996 appellantes uitkering op grond van de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers met ingang van 1 september
1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw); in dit besluit was onder andere ook opgenomen dat voor
appellante de verplichtingen als bedoeld in artikel
113, eerste
lid, van de Abw betreffende (kort gezegd) scholing en sollicitatie
gelden. Bij besluit van 12 november 1996 heeft gedaagde evenwel
ter kennis van appellante gebracht dat zij met toepassing van
artikel 107, eerste lid, van de Abw
(vooralsnog) wordt ontheven
van de in artikel 113 van de Abw
genoemde verplichtingen.
Appellante heeft bij brief van 26 maart 1997 aan gedaagde verzocht
haar van de scholings- en sollicitatieverplichtingen te ontheffen.
Gedaagde heeft bij beslissing van 2 december 1997 dat verzoek met
toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb)
afgewezen onder verwijzing naar zijn besluit van 12 november 1996.
Intussen had appellante bij brief van 5 juni 1997 bij gedaagde
bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op haar
verzoek van 26 maart 1997. Vervolgens heeft zij bij brief van 25
augustus 1997 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het
uitblijven van een besluit van gedaagde op haar bezwaarschrift van
5 juni 1997 (het geding nummer 97/2087 NABW). Nadat de beslissing
van 2 december 1997 bij de rechtbank was ontvangen, heeft
appellante de rechtbank desgevraagd, bij brief van 12 december
1996, meegedeeld dat zij het met de inhoud ervan niet eens is (het
geding nummer 97/2603 NABW).
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van
appellante tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift
van 5 juni 1997 niet-ontvankelijk verklaard en zich onbevoegd
verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing
van 2 december 1997. De rechtbank heeft geen termen aanwezig
geacht te bepalen dat aan appellante het door haar (in het geding
97/2087) betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen die uitspraak gekeerd.
De Raad
overweegt het volgende.
De rechtbank is tot het oordeel
gekomen dat zij onbevoegd is van
het beroep tegen de beslissing van 2 december 1997 kennis te
nemen, omdat naar haar oordeel die beslissing niet een besluit is
als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb,
tengevolge waarvan op
grond van artikel 8:1 van de Awb
ter zake van dat geschrift geen
beroep bij de rechtbank mogelijk is. Hiertoe heeft de rechtbank
overwogen dat het door appellante op 26 maart 1997 ingediende
verzoek betrekking had op een vrijstelling die gedaagde haar bij
het besluit van 12 november 1996 al had verleend, zodat het
geschrift van 2 december 1997 geen zelfstandig rechtsgevolg heeft.
De Raad
onderschrijft de aangevallen uitspraak in zoverre als
juist. Hieraan voegt de Raad toe dat onder de verplichtingen,
bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de
Abw, waarvan appellante
ontheffing is verleend, gezien artikel 70, derde lid, van de
Abw niet mede valt te begrijpen de in het besluit van 12 november 1996
wel aan appellante opgelegde voorwaarde medewerking te verlenen
aan het totstandkomen van een in haar geval voorgenomen
trajectplan. Derhalve had het verzoek van appellante bij brief van
26 maart 1997 om vrijstelling van de scholings- en
sollicitatieverplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de
Abw en bijgevolg het geschrift van 2 december 1997 op die voorwaarde
geen betrekking.
Voorts acht de Raad
de in het dictum van de aangevallen uitspraak
neergelegde niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van
appellante, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het
bezwaarschrift van 5 juni 1997, eveneens juist. De Raad is van
oordeel dat met het verschijnen van het geschrift van 2 december
1997, waarmee gedaagde het oogmerk had op het verzoek van
appellante van 26 maart 1997 te beslissen, aan het hier besproken
beroep van appellante geheel werd tegemoet gekomen. De Raad kan
zich echter niet vinden in de beslissing van de rechtbank aan de
gemeente Nuth niet op te dragen aan appellante het in het
geding
nummer 97/2087 NABW betaalde griffierecht ad ƒ55,- te
vergoeden. Hiertoe neemt de Raad in aanmerking dat gedaagde ten
tijde van het instellen van dit beroep nog niet op het bezwaar van
5 juni 1997 had beslist en, gezien de stukken, de hiervoor
geldende beslistermijn had overschreden. Dit betekent dat
appellante terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig
te achten besluit. De Raad ziet daarom aanleiding de gemeente Nuth
met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de
Awb te
veroordelen tot het vergoeden van griffierecht aan appellante.
Het voorgaande leidt de Raad
tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak moet worden vernietigd in zoverre daarin is beslist over
de vergoeding van griffierecht.
De Raad
ziet, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel
8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op ƒ70,-
aan reiskosten. Hierbij tekent de Raad aan dat de rechtbank in
haar uitspraak van 22 januari 1999, die in het geding nummer
99/753 NABW aan de orde was, met toepassing van artikel 8:75 van
de Awb gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten van
appellante in de vorm van reiskosten ad ƒ21,63, zijnde de kosten
van het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 26 november
1998, op welke zitting ook het onderhavige geding in eerste aanleg
is behandeld.
Beslist wordt als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak in het geding nummer 97/2087
NABW, voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van
griffierecht;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger
beroep tot een bedrag groot ƒ70,-, te betalen door de gemeente
Nuth;
gelast de gemeente Nuth aan appellante het in beroep (in het
geding nummer 97/2087 NABW) gestorte recht van ƒ55,- en van ƒ160,- in hoger beroep (totaal
ƒ215,-) te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. Ch. de Vrey als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 16 oktober 2001.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|