|
Uitspraak
eerste kamer
Hoge
Raad der Nederlanden C00/090HR
A R R E S T
in de zaak van:
1. [eiser 1], wonende te [woonplaats],
2. de Stichting Ondersteuningskomitee Illegale Arbeiders,
gevestigd te Den Haag,
eisers tot cassatie, tevens verweerders in cassatie in het
voorwaardelijk incidenteel beroep,
advocaat: mr. T.E. van Dijk,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid), gevestigd te Den Haag, verweerder in cassatie, tevens eiser tot cassatie in het
voorwaardelijk incidenteel beroep,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie sub 1 - verder te noemen: [eiser 1] -, eiser
tot cassatie sub 2 - verder te noemen: de Stichting - en nog vier
andere stichtingen die in cassatie geen partij meer zijn, hebben
bij exploit van 8 september 1998 verweerder in cassatie - verder
te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de President
van de Rechtbank te Den Haag en gevorderd bij vonnis in kort
geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, primair de Staat
te bevelen alle uitvoeringsinstanties die de Algemene bijstandswet
uitvoeren te berichten dat vreemdelingen die in afwachting zijn
van een beslissing op een aanvraag om toelating en die op grond
van artikel 1b, aanhef en onder 3, [van
de Vreemdelingenwet, red.] rechtmatig in Nederland verblijven
voor de toepassing van de Abw, Ioaw en
Ioaz gelijkgesteld worden
met Nederlanders, subsidiair een zodanige voorziening te treffen
als de President in goede justitie zal vermenen te behoren.
De Staat heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis in kort geding van 7 oktober 1998 de
Staat bevolen alle uitvoeringsinstanties die de Algemene
bijstandswet uitvoeren te berichten omtrent de in dit vonnis
gegeven beslissing, te weten dat vreemdelingen die in afwachting
zijn van een onherroepelijke beslissing op een aanvraag om
toelating en die op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de
Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verblijven en die tevens
onderdaan zijn van de verdragsstaten van het Europees verdrag
betreffende sociale en medische bijstand, voor de toepassing van
de Abw, Ioaw en Ioaz worden gelijkgesteld met Nederlanders.
Tegen dit vonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Den Haag.
[eiser 1] en de Stichting heeft incidenteel beroep ingesteld.
Bij arrest van 20 januari 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis
vernietigd en opnieuw recht doende de vordering afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben de Stichting en [eiser 1]
beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk
incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de
conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep
zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt
tot verwerping van het principaal beroep.
De advocaat van de Stichting en [eiser 1] hebben bij brief van 29
november 2001 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i). Op grond van de op 1 juli 1998 in werking getreden Koppelingswet
(Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de
Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen,
voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen tot
koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in
Nederland, Stb. 1998, 203) is in de Vreemdelingenwet (oud) onder
meer artikel 1b ingevoegd. Voor zover hier van belang luidt dit
artikel:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig
verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating (...);
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
(...)."
(ii). In de Algemene bijstandswet
(Abw) is op grond van de Koppelingswet onder meer
artikel 7
gewijzigd. Voor zover hier van
belang, is dit artikel komen te luiden:
"-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de
vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in
aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd (...) totdat op die
aanvraag (...) is beslist."
(iii). Ingevolge artikel
7, derde
lid, Abw
is bij AMvB
het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw
en Ioaz tot stand gekomen (Stb,
1998, 308) (verder: Besluit gelijkstelling). Voor zover hier van
belang, luidt artikel 1 van dit
besluit:
"-1. Voor de toepassing van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met
een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b,
aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating; of
b. (...).
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag (...) is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijk
beslissing achterwege dient te blijven."
(iv). Het op 11 december 1953 te Parijs tot stand gekomen Europees
verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb. 1954, 100)
(verder EVSMB of het verdrag) bepaalt in artikel
1:
"Each of the Contracting Parties undertakes to ensure that
nationals of the other Contracting Parties who are lawfully
present in any part of its territory to which this Convention
applies, and who are without sufficient resources, shall be
entitled equally with its own nationals and on the same conditions
to social and medical assistance (hereafter referred to as "assistance")
provided by the legislation in force from time to time in that
part of its territory".
(v). Voorts bepaalt artikel 11 van dit verdrag, voor zover hier van
belang:
"a. Residence by an alien in the territory of any of the
Contracting Parties shall be considered lawful within the meaning
of this Convention so long as there is in force in his case a
permit or such other permission as is required by the laws and
regulations of the country concerned to reside therein. (...).
b. Lawful residence shall become unlawful from the date of any
deportation order made out against the person concerned, unless a
stay of executions is granted."
(vi). Zowel Nederland als Turkije is partij bij het EVSMB.
(vii). [Eiser 1] bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als
vreemdeling rechtmatig in Nederland op grond van artikel 1b, aanhef
en onder 3, Vreemdelingenwet (oud), maar is niet gelijkgesteld met
een Nederlander ingevolge het Besluit
gelijkstelling. Bij besluit
van 30 juni 1998 is daarom zijn bijstandsuitkering per 1 augustus
1998 beëindigd als gevolg van de Koppelingswet. Bij uitspraak van
12 augustus 1998 van de President van de Rechtbank te
Den Haag (sector Bestuursrecht) is op verzoek van [eiser 1]
een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het besluit
van 30 juni 1998 wordt geschorst onder bepaling dat aan hem een
bijstandsuitkering wordt verstrekt met ingang van 1 augustus 1998
tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing
op het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift.
(viii). De Stichting is een organisatie die zich blijkens haar
statuten inzet voor de belangen van vreemdelingen die niet
beschikken over een vergunning tot verblijf.
3.2. [Eiser 1] en de Stichting hebben aan hun onder 1 vermelde
vordering ten grondslag gelegd, kort weergegeven en voor zover in
cassatie van belang, dat de uitsluiting van bijstandverlening aan
vreemdelingen zoals [eiser 1], die op grond van het bepaalde in artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in
Nederland verblijven en onderdanen zijn van één van de
verdragsstaten van het EVSMB, in strijd is met de artikel 1 en 11 van
dit verdrag, welke bepalingen verplichten tot sociale en medische
bijstand aan vreemdelingen die rechtmatig op Nederlands
grondgebied verblijven en die onderdanen zijn van een van de
verdragsstaten.
De President heeft geoordeeld dat de uitsluiting van deze
vreemdelingen van bijstandverlening als gevolg van de
inwerkingtreding van de Koppelingswet onmiskenbaar strijdig is met
het EVSMB. Hij heeft de vordering van [eiser 1] en de Stichting
(en de vier andere stichtingen die in cassatie geen partij meer
zijn) toegewezen voor zover het vreemdelingen betreft die
onderdanen zijn van één van de verdragsstaten van het EVSMB.
Het Hof heeft de vordering alsnog afgewezen.
3.3.1. Het middel keert zich tegen de gegrondbevinding door het Hof
in zijn rov. 7-9 [rechtsoverweging 7-9, red.] van grief 2 van de Staat, waarin de Staat het
hiervoor in 3.2 vermelde oordeel van de President als onjuist
heeft bestreden.
3.3.2. Het Hof heeft - in het principale cassatieberoep onbestreden
- geoordeeld dat aan het EVSMB rechtstreekse werking toekomt.
Doelstelling van dit verdrag is het tot stand brengen van
gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en onderdanen van
andere verdragsstaten bij de toepassing van de wetgeving inzake
sociale en medische bijstand (zie de preambule van het verdrag).
Om deze doelstelling te bereiken, is in artikel 1 een
discriminatieverbod naar nationaliteit neergelegd. Dit
discriminatieverbod is beperkt tot onderdanen van een
verdragsstaat die rechtmatig op het grondgebied van een andere
verdragsstaat verblijven en die niet beschikken over voldoende
middelen. Ingevolge artikel 11, onderdeel a, van het verdrag wordt het
verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een
verdragsstaat als rechtmatig in de zin van het verdrag beschouwd
"zolang te zijnen aanzien een verblijfsvergunning of andere
soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van de
wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het
verblijf in dat land".
Met betrekking tot vreemdelingen zoals [eiser 1], die nimmer over
een verblijfsvergunning hebben beschikt, maar alleen het land niet
behoeven te verlaten zolang op hun verzoek tot toelating nog niet
is beslist, bepaalt het verdrag en in het bijzonder artikel 11 niets.
De omstandigheid dat hun verblijf in Nederland ingevolge artikel 1b,
aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt
aangemerkt, brengt niet mee dat dit verblijf ook als rechtmatig
moet worden aangemerkt in de zin van de artikel 1 en 11 van het
verdrag. Daartoe is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van
het verdrag, vereist dat de vreemdeling beschikt over een door de
Staat verstrekte verblijfs- of andere vergunning. De omstandigheid
dat zijn verblijf ingevolge bovengenoemde bepaling uit de
Vreemdelingenwet als rechtmatig wordt aangemerkt, rechtvaardigt
niet de conclusie dat de vreemdeling over zulk een vergunning zou
beschikken. Aangenomen moet derhalve worden dat het verdrag zelf
de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen
geen plicht tot bijstandverlening oplegt.
Op dit één en ander stuit het middel geheel af.
3.4. Nu het middel in het principale beroep faalt, behoeft het
voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser 1] en de Stichting in de kosten van het geding
in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat
begroot op €|286,88 aan verschotten
en €|1365,-
voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als
voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin
Lohman en P.C. Kop en in het openbaar uitgesproken door de
raadsheer A. Hammerstein 1 februari 2002.
CONCLUSIE
Rolnr.
C00/090HR
Mr. L. Strikwerda
Zt. 16 november 2001
Conclusie inzake:
1. [eiser 1]
2. Stichting Ondersteuningskommitee Illegale Arbeiders
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid)
Edelhoogachtbaar College,
1. Dit cassatiegeding betreft de vraag of de zogenaamde Koppelingswet
op
een bepaald punt in strijd is met het Europees verdrag betreffende
sociale en medische bijstand.
2. Het gaat om het volgende.
(i). Op grond van de op 1 juli 1998 in werking getreden Koppelingswet
(Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de
Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen,
voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te
koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland, Stb. 1998, 203)
is in de Vreemdelingenwet (oud) onder meer artikel
1b ingevoegd. Voor
zover hier van belang luidt dit artikel:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig
verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating (...);
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
(...)."
(ii). In de Algemene bijstandswet (Abw) is op grond van de
Koppelingswet onder meer artikel
7
gewijzigd. Voor zover hier van
belang, is dit artikel komen te luiden:
"-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze
wet met een
Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de
vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in
aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd (...) totdat op die
aanvraag (...) is beslist."
(iii). Ingevolge
artikel
7, derde lid,
Abw is bij AMvB
het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw
en Ioaz tot stand gekomen (Stb.
1998, 308), hierna: Besluit gelijkstelling. Voor zover hier van
belang, luidt artikel 1 van
dit besluit:
"-1. Voor de toepassing van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met
een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b,
aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating; of
b. (...).
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag (...) is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven."
(iv). Het op 11 december 1953 te Parijs tot stand gekomen Europees
verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb. 1954, 100),
hierna EVSMB, bepaalt in artikel
1:
"Each of the Contracting Parties undertakes to ensure that
nationals of the other Contracting Parties who are lawfully
present in any part of its territory to which this Convention
applies, and who are without sufficient resources, shall be
entitled equally with its own nationals and on the same conditions
to social and medical assistance (hereafter referred to as "assistance")
provided by the legislation in force from time to time in that
part of its territory".
Voorts bepaalt artikel
11 van dit verdrag, voor zover hier van
belang:
"a. Residence by an alien in the territory of any of the
Contracting Parties shall be considered lawful within the meaning
of this Convention so long as there is in force in his case a
permit or such other permission as is required by the laws and
regulations of the country concerned to reside therein. (...).
b. Lawful residence shall become unlawful from the date of any
deportation order made out against the person concerned, unless a
stay of execution is granted."
Zowel Nederland als Turkije is partij bij het EVSMB.
4. Terzijde merkt ik op dat de inwerkingtreding van de
Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000, Stb. 2001, 144)
het zogenaamde koppelingsbeginsel ongemoeid heeft gelaten. Zie artikel
8
Vreemdelingenwet 2000 in verbinding met artikel
7 van de aangepaste Abw en artikel
1
van het aangepaste Besluit
gelijkstelling van 3
april 2001, Stb. 2001, 183.
5. Eiser tot cassatie sub 1, hierna: [eiser 1], bezit de Turkse
nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling rechtmatig in
Nederland op grond van artikel
1b, aanhef en onder 3,
Vreemdelingenwet (oud), doch is niet gelijkgesteld met een
Nederlander ingevolge het Besluit
gelijkstelling. Bij besluit van
30 juni 1998 is daarom zijn bijstandsuitkering per 1 juni 1998 beëindigd
als gevolg van de Koppelingswet. Bij uitspraak van 12 augustus
1998 van de bestuursrechter te Den Haag is op verzoek van
[eiser 1] een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat
hangende de bezwaarprocedure tegen beëindiging van de
bijstandsuitkering aan hem bijstand wordt verleend.
6. Eiseres tot cassatie sub 2, hierna: de Stichting, is een
organisatie die zich blijkens haar statuten of feitelijke
werkzaamheden inzet voor de belangen van vreemdelingen.
7. Bij exploit van 8 september 1998 hebben [eiser 1] en de
Stichting (en nog vier andere stichtingen die thans in cassatie
geen partij meer zijn) thans verweerder in cassatie, hierna: de
Staat, in kort geding gedagvaard voor de President van de
Rechtbank te Den Haag en gevorderd dat de President de Staat
zal bevelen alle uitvoeringsinstanties die de Abw
uitvoeren te
berichten dat vreemdelingen die in afwachting zijn van een
beslissing op een aanvraag om toelating en die op grond van artikel
1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in
Nederland verblijven voor de toepassing van de Abw, Ioaw en
Ioaz
gelijkgesteld worden met Nederlanders.
8. [Eiser] c.s. hebben daartoe gesteld - kort weergegeven en voor
zover thans in cassatie nog van belang - dat de uitsluiting van
bijstandverlening aan vreemdelingen zoals [eiser 1], die in de
zin van de Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in Nederland
verblijven en onderdaan zijn van één van de verdragsstaten van het
EVSMB, in strijd is met artikel
1 en artikel
11 van dit verdrag. Uit het
EVSMB volgt dat aanspraken op sociale en medische bijstand kunnen
worden ontleend aan "rechtmatig verblijf", welk begrip
per verdragsstaat wordt ingevuld. Er wordt gesproken van
verblijfsvergunning "or such other permission". Deze
tweede mogelijkheid behelst dus per definitie niet een
verblijfsvergunning, maar een andere vorm van instemming met
iemands verblijf. Vreemdelingen, zoals [eiser 1], die vallen onder
de categorie van artikel
1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet
(oud), hebben zo'n andere vorm van instemming en verblijven
rechtmatig in Nederland in de zin van de Vreemdelingenwet (oud).
Zij zijn daarbij in het bezit van een document waaruit dit blijkt.
Deze categorie vreemdelingen verblijft dan ook rechtmatig in
Nederland als omschreven in artikel
11 EVSMB en heeft op grond van artikel
1 EVSMB recht op sociale en medische bijstand, aldus [eiser] c.s.
9. De Staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Hij heeft
daartoe aangevoerd - kort weergegeven en voor zover thans in
cassatie nog van belang - dat de Koppelingswet
op het bedoelde
punt niet in strijd is met het EVSMB. De bepalingen van dit
verdrag hebben geen rechtstreekse werking. Daarom heeft uitwerking
plaatsgevonden in de Koppelingswet en het Besluit
gelijkstelling,
met welke regelingen volledig is voldaan aan de uit de EVSMB
voortvloeiende verplichtingen. Het is aan de betrokken
verdragsstaten overgelaten bij wetten en regelingen invulling te
geven aan het begrip "rechtmatig verblijf", aldus de
Staat.
10. Bij vonnis van 7 oktober 1998 heeft de President de vordering
van [eiser] c.s. toegewezen met deze restrictie dat de vreemdeling
onderdaan is van één van de verdragsstaten van het EVSMB. Daartoe
overwoog de President onder meer dat de bewoordingen van artikel
11 EVSMB, namelijk verblijfsvergunning "or such other permission",
zich niet anders laten uitleggen dan dat een verblijfsvergunning
niet per se wordt vereist en dat het voor handen hebben van een
ander van het bevoegd gezag afkomstig document waaruit blijkt dat
uitzetting achterwege dient te blijven al voldoende is (rov. 3.8).
De uitsluiting van vreemdelingen die in afwachting zijn van een
onherroepelijke beslissing op een aanvraag om toelating en die op
grond van artikel
1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud)
rechtmatig in Nederland verblijven, van bijstandverlening als
gevolg van de inwerkingtreding van de Koppelingswet
is daarom
volgens de President onmiskenbaar strijdig met het EVSMB. Dit
verdrag geeft immers rechtstreeks aanspraken op bijstand aan
onderdanen van verdragsstaten die ingevolge de regelgeving van een
andere verdragsstaat rechtmatig aldaar verblijven, aldus de
President (rov. 3.9).
11. De Staat is van het vonnis van de President in hoger beroep
gegaan bij het Gerechtshof te Den
Haag. Als grieven voerde de
Staat onder meer aan dat de President een onjuiste beslissing
heeft genomen op het verweer van de Staat dat de bepalingen van
het EVSMB waarop [eiser] c.s. zich beroepen geen rechtstreekse
werking hebben (grief 1) en dat de President het begrip
"verblijf" in het EVSMB verkeerd heeft uitgelegd en
daardoor ten onrechte heeft geoordeeld dat de Koppelingswet
strijdig is met dat verdrag (grief 2).
12. Bij zijn arrest van 20 januari 2000 heeft het Hof
grief 1
verworpen. Naar het oordeel van het Hof is het samenstel van
bepalingen van artikel
1 en 11 EVSMB dusdanig duidelijk en concreet
en van dien aard dat het in de nationale rechtsorde zonder meer
als objectief recht kan functioneren. Ook uit het Explanatory
Memorandum bij het verdrag valt naar het oordeel van het Hof op te
maken dat de verdragsopstellers ervan uitgingen dat personen met
een rechtstreeks beroep op de bepalingen van het verdrag om
bijstand kunnen vragen (rov. 6). Volgens het Hof gaat het in deze
procedure dan ook niet om de vraag of de in artikel
1b, aanhef en
onder 3, Vreemdelingenwet (oud) bedoelde vreemdelingen rechtmatig
in Nederland verblijven in de zin van de nationale wet, zoals
[eiser] c.s. voorstaan, maar of zij rechtmatig in Nederland
verblijven in de zin van het verdrag. Aangezien ingevolge artikel
1 juncto artikel
11 van het EVSMB een vreemdeling voor wie "a permit
or such other permission" van kracht is gelijke rechten op
bijstand doen gelden als Nederlanders komt het erop neer wat moet
worden verstaan onder "such other permission", aldus het
Hof (rov. 7). Voor het Hof is niet zonneklaar dat het enkele feit
dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt
gedoogd - zelfs indien daarvan blijkt uit bescheiden - betekent
dat hij een soortgelijke vergunning heeft als de "permit"
vereist voor het verblijf op het grondgebied (rov. 9). Volgens het
Hof kan dan ook niet worden gezegd dat het beleid van de Minister
(en van de gemeentelijke overheden) waarin aan de onderhavige
"gedoogde" vreemdelingen geen recht op bijstand wordt
toegekend apert in strijd is met het EVSMB. Grief 2 slaagt
derhalve naar het oordeel van het Hof (rov. 10). Bij gevolg heeft
het Hof het bestreden vonnis van de President vernietigd en,
opnieuw recht doende, de vordering van [eiser] c.s. afgewezen.
13. [Eiser] c.s. zijn tegen het arrest van het Hof
(tijdig) in
cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. De
Staat heeft het middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping
van het beroep. Voorts heeft de Staat van zijn kant voorwaardelijk
incidenteel cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van één
middel.
Het principaal beroep
14. Het in het principaal beroep voorgestelde middel keert zich in
twee onderdelen tegen het oordeel van het Hof
dat het enkele feit
dat een vreemdeling uit een EVSMB-verdragsstaat niet kan worden
uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd niet betekent dat hij
aanspraak heeft op bijstandverlening onder het EVSMB.
15. Doelstelling van het EVSMB is het tot stand brengen van
gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en onderdanen van
anderen verdragsstaten bij de toepassing van de wetgeving inzake
sociale en medische bijstand. Zie de preambule van het verdrag. Om
deze doelstelling te bereiken, geldt onder het verdrag een
discriminatieverbod naar nationaliteit. Dit grondbeginsel is
neergelegd in artikel
1 van het verdrag: de verdragsstaten zijn
verplicht onderdanen van de andere verdragsstaten die rechtmatig
op hun grondgebied verblijven en die niet beschikken over
voldoende middelen, op gelijke voet te behandelen als eigen
onderdanen bij de toekenning van sociale en medische bijstand.
16. Een beperking ligt besloten in het vereiste van rechtmatigheid
van het verblijf. De vraag of sprake is van rechtmatig verblijf
wordt niet verdragsautonoom beslist. Ingevolge artikel
11, onderdeel a, van
het verdrag wordt het verblijf van een vreemdeling op het
grondgebied van een verdragsstaat als rechtmatig in de zin van het
verdrag beschouwd "zolang te zijnen aanzien een
verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning van kracht
is welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken
land vereist is voor het verblijf in dat land". In beginsel
is de vraag of sprake is van rechtmatig verblijf dus overgelaten
aan de wetgeving van de betrokken verdragsstaat, met dien
verstande dat slechts sprake is van rechtmatig verblijf in de zin
van het verdrag indien op grond van de wetgeving van de betrokken
verdragsstaat aan de vreemdeling "een verblijfsvergunning of
andere soortgelijke vergunning" is verleend. In bijlage III
bij het verdrag wordt vermeld welke stukken volgens het nationale
recht van de verdragsstaten gelden als bewijs van verblijf als
bedoeld in artikel
11. Wat Nederland betreft gelden als zodanige
bewijsstukken (Annex III, List of declarations recognized as
affording proof of residence, referred to in Article 11 of the
Convention, d.d. 03/10/01):
"a. Temporary residence permit.
b. Residence card issued to nationals of EEC member States.
c. Permanent residence permit.
d. Residence permit issued indefinitely ex Article
10, para 2, of the
Aliens Act."
17. In artikel
11, onderdeel b, voegt het verdrag een verdragsautonoom
element toe aan het begrip "rechtmatig verblijf":
rechtmatig verblijf wordt eerst onrechtmatig op het ogenblik
waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is
uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering van dat bevel
wordt verleend. Vreemdelingen wier verblijf niet langer wordt
gedekt door een verblijfstitel, maar ten aanzien van wie nog geen
uitvoering wordt gegeven aan een bevel tot verwijdering, vallen
dus rechtstreeks onder het verdrag, ook al bestempelt het
vreemdelingenrecht van de betrokken verdragsstaat hun verblijf als
onrechtmatig. Met betrekking tot vreemdelingen die nimmer over een
verblijfsvergunning hebben beschikt en wier verblijf gedoogd wordt
zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist, bepaalt artikel
11, onderdeel b, niets. Aangenomen moet derhalve worden dat het
verdrag de verdragstaten ten aanzien van deze categorie van
vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt.
18. Anders dan bijvoorbeeld de Duitse rechtspraak, maar in
overeenstemming met bijvoorbeeld de Britse rechtspraak, gaf de
Nederlandse rechtspraak op het EVSMB blijk van een ruimhartige
opstelling en werd ook ten aanzien van de laatstbedoelde categorie
vreemdelingen een plicht tot bijstandverlening aangenomen. Zie
daarover G.J. Vonk, De coördinatie van bestaansminimumuitkeringen
in de Europese Gemeenschap, 1991, blz. 211-214, met
rechtspraakgegevens. De Koppelingswet en het in verband daarmee
tot stand gekomen Besluit gelijkstelling breekt deze ontwikkeling
in de Nederlandse rechtspraak af door vreemdelingen die niet over
een verblijfsvergunning hebben beschikt van bijstandverlening uit
te sluiten, ook al mogen zij in afwachting van een beslissing op
hun aanvraag om toelating niet worden verwijderd. De vraag is of
deze uitsluiting in strijd komt met het EVSMB.
19. Blijkens de parlementaire geschiedenis meent de wetgever van
niet. In de memorie van toelichting [bij de Abw
(nieuw), red.] (Kamerstukken II 1994-1995, 24 233, nr. 3, blz.
47) wordt als uitgangspunt uitgesproken:
"Verplichtingen die uit hoofde van verdragen of besluiten van
volkenrechtelijke organisaties op Nederland rusten, zullen
uiteraard worden nageleefd. Om die reden voorziet het nieuwe derde
lid van artikel 7 van de nieuwe Abw
in de mogelijkheid bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen."
Die nadere regels hebben een plaats gekregen in het Besluit gelijkstelling. Op schriftelijke vragen naar de verhouding tussen
deze regels en het EVSMB wordt geantwoord (Kamerstukken II
1997-1998, 24 233, nr. 51, blz. 3 en 4):
"Het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand
verplicht de ratificerende staten ertoe om elkaars onderdanen
sociale en medische bijstand te verschaffen, doch zulks alleen
voor zover deze onderdanen rechtmatig hoofdverblijf in een
verdragsstaat genieten en zolang deze niet voor uitzetting in
aanmerking worden gebracht. Onder rechtmatig verblijf dient in dit
verband te worden verstaan: in bezit van een verblijfsvergunning
of ander vergelijkbaar document. (...). Aan deze
verdragsverplichtingen wordt voldaan, aangezien de Nederlandse
wetgeving, ook na inwerkingtreding van de Koppelingswet, erin
voorziet dat in ieder geval aan vreemdelingen die over een
verblijfsvergunning beschikken de nodige opvang en andere bijstand
wordt verstrekt (...). Het Europees verdrag inzake sociale en
medische bijstand is niet van toepassing op een vreemdeling die
niet over een verblijfsvergunning beschikt en die daarover ook
niet eerder heeft beschikt."
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer komt het punt opnieuw
aan de orde. In de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 1997-1998, 24 233,
nr. 149, blz. 2 en 3) wordt opgemerkt:
"De leden van de fractie van de PvdA zijn voorts ingegaan op
de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit de
ratificatie van het Europees verdrag inzake sociale en medische
bijstand (hierna: Europees verdrag). Zij stelden de vraag of de
regering van oordeel is dat zij met deze regeling volledig aan
haar verdragsverplichtingen heeft voldaan. Inderdaad zijn wij van
mening dat Nederland met het wetsvoorstel en de daarop gebaseerde
algemene maatregel van bestuur volledig aan de uit dit verdrag
voortvloeiende verplichtingen zal voldoen."
Toegespitst op de uitleg van artikel
11 EVSMB wordt opgemerkt:
"dat krachtens artikel 11, onderdeel a, van het Europees verdrag
verblijf ("residence") van een vreemdeling als
rechtmatig in de zin van het verdrag beschouwd wordt, zolang te
zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning
van kracht is.
Rechtmatig verblijf wordt krachtens artikel 11, onderdeel b, van het
Europees verdrag onrechtmatig op het ogenblik dat een last tot
uitzetting tegen de betrokken persoon wordt uitgevaardigd. Uit het
samenstel van deze bepalingen blijkt dat verblijf in een land
voorafgaande aan het tijdstip waarop een verblijfsvergunning wordt
verleend niet als rechtmatig verblijf in de zin van het Europees
verdrag wordt beschouwd. Het Europees verdrag kent uitsluitend
rechten toe aan vreemdelingen wier verblijf rechtmatig is in de
zin van het verdrag."
20. Het standpunt van de wetgever lijkt mij juist. Ten aanzien van
onderdanen van andere verdragsstaten die niet eerder over een
verblijfsvergunning hebben beschikt, bestaat ingevolge het verdrag
geen rechtsplicht tot bijstandverlening, ook niet indien hun
verblijf wordt gedoogd hangende de procedure waarin op hun verzoek
tot toelating wordt beslist. De enkele omstandigheid dat hun
verblijf in Nederland door artikel
1b, aanhef en onder 3,
Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt
niet mee dat Nederland op grond van het verdrag verplicht is tot
bijstandverlening. Dat is eerst het geval indien hun verblijf
(ook) in de zin van het verdrag als rechtmatig moet worden
aangemerkt, waartoe vereist is dat ten aanzien van de vreemdeling
een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning, tot bewijs
waarvan de in bijlage III bij het verdrag genoemde documenten
dienen, van kracht is. Anders P.E. Minderhout, Migrantenrecht
1994, blz. 185, die zijn opvatting voornamelijk baseert op de
rechtspraak onder het oude recht.
21. Ik keer terug naar het middel. Onderdeel I komt op tegen het
oordeel van het Hof, in rov. 7, dat het in deze procedure niet
gaat om de vraag of de onderhavige vreemdelingen rechtmatig in
Nederland verblijven in de zin van de nationale wet, maar of zij
rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van het verdrag.
Volgens het onderdeel heeft het Hof miskend dat - kort gezegd -
het verdrag ten aanzien van de vraag of het verblijf van de
vreemdeling als rechtmatig moet worden aangemerkt, refereert aan
het nationale vreemdelingenrecht van de betrokken verdragsstaat,
zodat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, het Nederlandse
vreemdelingenrecht niet irrelevant is voor de vraag of een
vreemdeling uit een verdragsland een beroep kan doen op het EVSMB.
22. Het onderdeel faalt m.i. Weliswaar laat het verdrag de vraag
of sprake is van rechtmatig verblijf in beginsel over aan de
wetgeving van de betrokken verdragsstaat, maar in artikel
11 van het
verdrag wordt dit begrip nader bepaald, doordat het verblijf van
de vreemdeling slechts als rechtmatig in de zin van het verdrag
wordt aangemerkt indien op grond van de nationale wetgeving van
de betrokken verdragsstaat aan de vreemdeling "een
verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning" is
verleend. Ik verwijs naar hetgeen is opgemerkt onder 16. De enkele
omstandigheid dat het verblijf door de nationale wetgeving van de
betrokken verdragsstaat als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt
niet mee dat die verdragsstaat op grond van het verdrag verplicht
is tot bijstandverlening. Vereist is dat dat verblijf berust op
een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning. 's Hofs oordeel
is dus juist.
23. Onderdeel II van het middel is gericht tegen het oordeel van
het Hof, in rov. 9, dat het enkele feit dat de vreemdeling niet
kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd - zelfs indien
daarvan blijkt uit bescheiden - niet betekent dat hij een
soortgelijke vergunning heeft als de "permit" vereist
voor het verblijf op het grondgebied. Het onderdeel betoogt dat
uit de strekking van het EVSMB volgt dat bijstand verleend dient
te worden aan alle onderdanen van de verdragsstaten die op grond
van de wet of schorsende werking niet uitzetbaar zijn.
24. Ook dit onderdeel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Het
verliest uit het oog dat het verdrag verblijf slechts als rechtmatig
in de zin van het verdrag beschouwt indien ten aanzien van de
vreemdeling een verblijfsvergunning of andere soortgelijke
vergunning van kracht is. Vreemdelingen die nimmer over een
verblijfstitel hebben beschikt, vallen buiten de bescherming van
het verdrag, ook al wordt hun verblijf gedoogd zolang op hun
verzoek tot toelating nog niet is beslist. Artikel
11, onderdeel b, brengt
hierin geen verandering. De bepaling heeft niet betrekking op deze
categorie vreemdelingen, doch slechts op vreemdelingen die over
een verblijfstitel hebben beschikt. Ik verwijs naar hetgeen is
opgemerkt onder 16 en 17.
25. Het principaal cassatieberoep is derhalve naar mijn oordeel
tevergeefs ingesteld.
Het incidenteel beroep
26. Als het principaal beroep niet kan leiden tot vernietiging van
de bestreden uitspraak, is de voorwaarde waaronder het incidenteel
cassatieberoep is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep
geen bespreking.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
|
|