| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD7103 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3109
NABW |
| Datum
uitspraak: |
27
november 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 en 40
Abw (= 35
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten curatele; curator; bijzondere
omstandigheden; noodzakelijke kosten |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van curatele, omdat
die kosten, nota bene door de gemeente en vervolgens de
rechtbank aangemerkt als uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het
bestaan, niet uit de
bijstandsnorm kunnen worden voldaan. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3109
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Roermond,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, op bij
een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de arrondissementsrechtbank te Roermond op 4 mei 1999
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 oktober 2001. Daar is
appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. A.M.C.C. Verblackt,
advocaat te Venlo, en bij zijn curator drs. A.E. Leijssen, terwijl
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Brouns, werkzaam
bij de gemeente Roermond.
II. Motivering
De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de
volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaande aanneemt.
Appellant heeft van 21 mei 1998 tot 14 september 1998 in de gemeente
Roermond een uitkering ontvangen ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van
10% van het nettominimumloon.
Appellant is per 20 december 1996 onder curatele gesteld, waarbij drs.
Leijssen voornoemd tot curator is benoemd.
Namens appellant heeft de curator op 2 juni 1998 bij gedaagde een
aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de
kosten van curatele over het tweede kwartaal van 1998 ad ƒ352,50.
Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 19 juni 1998 afgewezen.
Bij besluit van 4 augustus 1998 heeft gedaagde het namens appellant
tegen het besluit van 19 juni 1998 gemaakte bezwaar als ongegrond
afgewezen. Daarbij heeft gedaagde aanvaard dat sprake is van uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het
bestaan, maar zich op het standpunt gesteld dat deze kosten, gelet op de
zogenoemde beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid,
onderdeel b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv,
red.] door appellant
uit het eigen inkomen kunnen worden voldaan.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat drs.
Leijssen namens appellant tegen het besluit van 4 augustus 1998 heeft
ingesteld ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep niet met het oordeel van de
rechtbank kunnen verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 1:386, eerste lid, van het BW [Burgerlijk Wetboek, red.]
wordt de beloning van de
curator geregeld, in welk kader de kantonrechter de bevoegdheid toekomt
om de beloning anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele
of door de wet is aangegeven. Blijkens de eerst ter zitting namens
appellant overgelegde beschikking van 28 november 2000 heeft de
kantonrechter te Boxmeer de vergoeding die aan drs. Leijssen over onder
meer het jaar 1998 toekomt, vastgesteld op ƒ1350,88.
De Raad volgt het standpunt van gedaagde in het besluit van 4 augustus
1998 dat in het onderhavige geding sprake is van uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de
zin van artikel 39, eerste lid, van de Abw.
De Raad onderschrijft echter niet het standpunt van gedaagde dat de
kosten van curatele uit het eigen inkomen van appellant kunnen worden
voldaan op gronden ontleend aan artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, van de
Rv, regelende de vaststelling van de beslagvrije voet. Daartoe overweegt
de Raad dat met de vaststelling dat sprake is van uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als
hier bedoeld gegeven is dat appellant in beginsel aanspraak kan maken op
bijzondere bijstand in de onderhavige kosten. Bij de vervolgens uit te
voeren middelentoets is bepalend of sprake is van draagkracht als
bedoeld in de artikelen 39 en 40 van de
Abw in het vermogen of het
inkomen.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder
b, van de Abw dient
gedaagde voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in artikel
39, eerste lid, van de Abw - voor zover hier van belang - in beschouwing
te nemen het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3,
van de
Abw.
Door bij de verlening van bijzondere bijstand rekening te houden met een
deel van het inkomen op bijstandsniveau heeft gedaagde in strijd met de
wet gehandeld.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 4
augustus 1998 wegens strijd met de
wet voor vernietiging in aanmerking
komt.
Gedaagde dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellant, gericht
tegen het besluit van 19 juni 1998, te beslissen met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten zijn begroot op ƒ1420,- in
eerste aanleg en op ƒ1420,- in hoger beroep wegens verleende
rechtsbijstand.
Gezien het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidende beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Roermond aan de griffier
van de Raad;
gelast de gemeente Roermond aan appellant het gestorte recht van ƒ55,-
in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (in totaal ƒ225,-) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 27 november 2001.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) B.M. Biever-van
Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD7123 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/1454
NABW |
| Datum
uitspraak: |
20
november 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
6, 19, 24
en 39 Abw
(= 5, 48,
48 en 35
Wwb) / 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; overbruggingsuitkering; geldlening; algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan; algemene bijstand;
bijstand om niet; terugvordering; onjuiste overboeking |
| Essentie: |
Onterechte
verlening van bijstand in de vorm van bijzondere bijstand
(geldlening) voor kosten van een overbruggingsuitkering, omdat
sprake is van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
waarvoor algemene bijstand om niet dient te worden verstrekt. De
overbruggingsuitkering kan bij een daarover nog te nemen besluit
worden teruggevorderd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/1454
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Rotterdam, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. C.M.D. Over de Vest, advocaat te
Rotterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank
te Rotterdam op 9 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 oktober 2001, waar voor
appellante is verschenen mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, en
waar gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. Motivering
Uit de gedingstukken blijkt, voor zover in hoger beroep van belang,
onder meer het volgende.
Appellante ontving sedert 1 maart 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm voor een alleenstaande
ouder. Zij verzocht op 10 mei 1996 gedaagde haar uitkering te
storten op een rekening van haar dochter in verband met negatief
saldo op haar eigen girorekening. Haar uitkering over de maand
juni 1996 werd ondanks dit verzoek op 24 mei 1996 naar de
girorekening van appellante overgemaakt.
Appellante verzocht op 30 mei 1996 gedaagde om een
overbruggingsuitkering om in haar levensonderhoud te kunnen
voorzien.
Gedaagde heeft bij besluit van 9 augustus 1996 een bedrag van ƒ1397,60 aan appellante toegekend voor de algemene kosten van het
bestaan, in de vorm van een geldlening; aan de toegekende bijstand
werd de verplichting verbonden dat deze besteed zou worden voor
het doel waarvoor het is bestemd.
Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van
24 juni 1997 ongegrond verklaard. Volgens gedaagde is terecht
besloten de overbruggingsuitkering in de vorm van een geldlening
te verstrekken.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 24 juni 1997
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de
rechtbank heeft gedaagde terecht de bijstand verleend als
leenbijstand.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel gekeerd.
Naar haar mening is ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat het
verstrekte bedrag ad ƒ1397,60 bijzondere bijstand betreft. Het
gaat hier om algemene bijstand en gedaagde was volgens haar
gehouden deze bijstand om niet te verstrekken.
De Raad stelt eerst vast dat de in dit geding te beantwoorden
vragen zowel de aard als de vorm van de verstrekte bijstand
betreffen.
De Raad volgt gedaagde en de rechtbank niet in de opvatting dat
het aan appellante bij besluit van 9 augustus 1996 toegekende
bedrag bijzondere bijstand betreft. De bijstand was immers bestemd
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan van het gezin van appellante. Dit betekent dat deze
bijstand als algemene bijstand in de zin van artikel
6, aanhef en
onder a, van de Abw moet worden beschouwd en dat
artikel 39 van de Abw
in dit geding niet relevant is.
De vraag of de bijstand om niet had moeten worden verstrekt
beantwoordt de Raad met appellante bevestigend. Het in hoofdstuk
III van de Abw opgenomen artikel 19 geeft als hoofdregel dat de
bijstand om niet wordt verleend, tenzij in deze wet anders is
bepaald. De overige bepalingen in die wet bieden in dit geval geen
grondslag om ten aanzien van appellante van die hoofdregel af te
wijken. De Raad tekent daarbij aan dat tussen partijen in confesso
is dat aan geen van de voorwaarden, genoemd in de onderdelen a tot
en met d van artikel 24, is voldaan en dat hij geen
aanknopingspunten ziet om hierover anders te oordelen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven.
Het bestreden besluit komt, voor zover dat is aangevochten, wegens
strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De Raad
zal met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het primaire
besluit gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat de
verstrekte bijstand om niet wordt verleend.
Ter voorlichting van appellante merkt de Raad
nog op dat het
vorenstaande niet inhoudt dat gedaagde van terugvordering van de
verstrekte overbruggingsuitkering zou moeten afzien. De regels
voor eventuele terugvordering van de verstrekte bijstand zijn
opgenomen in hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de
Abw. Het is nu eerst
aan gedaagde om daarover een definitief besluit te nemen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel
8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellante. Deze kosten worden begroot op ƒ1420,- in beroep en
op ƒ1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag
liggende primaire besluit, voor zover deze besluiten betrekking
hebben op de vorm van de aan appellante toegekende bijstand;
bepaalt dat de aan appellante toegekende bijstand ad ƒ1397,60 om
niet wordt verleend;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag groot
ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier
van de Raad;
gelast de gemeente Rotterdam het door appellante gestorte recht
van ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) aan haar te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.
(get.) G.A.J. van
den Hurk
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD7128 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/10
NABW en 99/28 NABW |
| Datum
uitspraak: |
6
november 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3
Abw (= 3
Wwb) / 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; beëindiging bijstand; wooneenheden in
barak; voorwaarden zelfstandige woning; hoofdverblijf; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
aanmerking als gezamenlijke huishouding en beëindiging
bijstand, omdat de afzonderlijke wooneenheden in de barak
zodanig zijn ingedeeld dat sprake is van zelfstandige woningen
waarin betrokkenen ieder hun eigen hoofdverblijf hebben. Het is onvoldoende aannemelijk
gemaakt dat betrokkenen een zodanig gebruik van hun woningen maken dat zij
de facto samenwonen.
|
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/10
NABW en 99/28 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. [appelante A], wonende te [woonplaats B], appellante,
2. [appellant C], wonende te [woonplaats B], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Rotterdam, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden hebben mr.
P. Hanenberg en mr. C.M.D. Over de Vest, beiden advocaat te
Rotterdam, namens appellante respectievelijk appellant hoger
beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Rotterdam op 30 november 1998 onder de nummers Abw 97/2331 en Abw
97/2585 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van
appellant is hierop bij brief van 14 november 2000 gereageerd.
De gedingen zijn, gevoegd met de gedingen tussen partijen
genummerd 99/7 NABW en 99/29 NABW, behandeld ter zitting van 25
september 2001, waar appellante in persoon is verschenen met
bijstand van mr. Hanenberg voornoemd en appellant is verschenen
met bijstand van mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam. Gedaagde
heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren,
werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In de onderhavige zaken wordt afzonderlijk uitspraak
gedaan.
II. Motivering
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad
de volgende, voor de beoordeling van deze gedingen van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante en appellant wonen en werken beiden als zelfstandig
kunstenaar respectievelijk muzikant op het terrein van het
voormalige [X] in [Y]. Dit complex is eigendom van de gemeente
Rotterdam. Appellanten betalen in verband met hun woon- en
werkruimten, welke zijn gesitueerd in de voormalige zogeheten [Z],
aan de vereniging tot [W] een vast bedrag per maand. Appellante
bewoont met haar in 1979 geboren zoon [D] een woonruimte in de [Z],
terwijl appellant met zijn in 1986 geboren dochter [E], van wie
appellante de biologische moeder is, een andere ruimte in dezelfde
barak bewoont. Zowel appellante als appellant ontvingen
laatstelijk een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw)
naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van een in 1996 ingesteld onderzoek heeft gedaagde
bij twee afzonderlijke besluiten van 21 november 1996 de
bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1997
gewijzigd in een uitkering naar de norm voor gehuwden en de
uitkering van appellant per dezelfde datum beëindigd. Op 20
december 1996 heeft gedaagde besloten de in voormelde besluiten
genoemde ingangsdatum nader vast te stellen op 1 april 1997; van
dit besluit is uitsluitend aan appellante mededeling gedaan.
Bij besluiten van 22 april 1997 heeft gedaagde de namens
appellante en appellant tegen de besluiten van 21 november 1996
ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de namens appellante en appellant tegen de
besluiten van 22 april 1997 ingestelde beroepen ongegrond
verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellante
en appellant op 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding voerden.
Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de woonruimten
van appellante en appellant als één woning moeten worden
beschouwd, zodat sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning.
In hoger beroep is dit oordeel namens appellanten gemotiveerd
bestreden.
De Raad is tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Daartoe
heeft hij het volgende overwogen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, (oud) van de
Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder
b, (oud) van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in elk geval aanwezig
geacht
indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.
Gelet op het feit dat appellante en appellant de biologische
ouders zijn van [E], is voor de beantwoording van de vraag of zij
ten tijde als hier van belang een gezamenlijke huishouding voerden
van doorslaggevende betekenis of zij hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hadden.
Daartoe dient naar het oordeel van de Raad
eerst te worden
vastgesteld of de door appellante en appellant bewoonde
woonruimten tezamen als één woning dan wel als twee
afzonderlijke woningen moeten worden beschouwd.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 3
van de
Abw blijkt met
betrekking tot het criterium van het hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning het volgende. Voor het begrip "woning"
is gekozen, omdat dit aansluit bij de (destijds vigerende) Wet
individuele huursubsidie en voor gemeenten ook in het kader van de
uitvoering van de Algemene bijstandswet
een duidelijk en
hanteerbaar begrip is. In de uitvoering van de Wet individuele
huursubsidie wordt onder een woning verstaan een zelfstandige
woning, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang,
waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte,
was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden
gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken
zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven
passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of
eigenaar zijn (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18, blz. 87).
Ter zake blijkt uit de gedingstukken dat de woonruimten van
appellante en appellant ten tijde als hier van belang ieder
beschikten over een eigen ingang, een woonkamer, twee slaapkamers,
keuken, badkamer en toilet, en over een eigen gasvoorziening en
verwarming. De gang in de woonruimte van appellante en de als
keuken ingerichte gang in de woonruimte van appellant waren van
elkaar gescheiden door tussendeuren, welke wel voorzien waren van
een slot, maar niet steeds op slot waren. Appellante en appellant
maakten beiden gebruik van de gezamenlijke telefoonaansluiting in
de [Z]. Samen met de andere bewoners van die barak beschikten zij
over één wateraansluiting, waarvan de kosten naar rato onder de
bewoners werden verdeeld, en één elektriciteitsvoorziening,
waarvan de gebruikskosten werden berekend aan de hand van door de
bewoners zelf geplaatste meters.
Op grond van vorenstaande gegevens is de Raad
van oordeel dat de
woonruimten van appellanten elk voldoen aan de voorwaarden om als
een zelfstandige woning als bedoeld in de Abw
te kunnen worden
aangemerkt. De Raad merkt hierbij op dat de telefoonaansluiting
geen wezenlijke woonfunctie betreft en dat de omstandigheid dat
sprake is van gemeenschappelijke nutsvoorzieningen als water en
elektriciteit niet doorslaggevend is. Voorts vormt de aanwezigheid
van verbindingsdeuren tussen beide wooneenheden op zichzelf
onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de woonruimten van
appellanten als één woning moeten worden gezien.
De Raad overweegt vervolgens dat het hebben van verschillende
woonruimten op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf in
dezelfde woning niet in de weg hoeft te staan. In dat geval zal
echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch
een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts
één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan
wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen
wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.
Voor de Raad is op grond van de bevindingen van het vanwege
gedaagde ingestelde onderzoek, waaronder een op 4 maart 1997
afgelegd huisbezoek, onvoldoende aannemelijk geworden dat
appellante en appellant een zodanig gebruik van hun woningen
maakten dat zij de facto samenwoonden.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het aan de
bestreden besluiten ten grondslag liggende oordeel dat appellante
en appellant op 1 april 1997 hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hadden op onvoldoende feitelijke grondslag berust.
De bestreden besluiten dienen daarom te worden vernietigd wegens
strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak, waarbij de
bestreden besluiten in stand zijn gelaten, komt eveneens voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde met toepassing van artikel
8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten.
Deze worden zowel voor appellante als voor appellant begroot op ƒ1420,- in beroep en op
ƒ1420,- in hoger beroep, wegens
verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart de inleidende beroepen gegrond en vernietigt de
bestreden besluiten;
bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante en
appellant in beroep en in hoger beroep tot - ieder - een bedrag
van ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de
griffier van de Raad;
gelast de gemeente Rotterdam aan appellante en appellant het
gestorte griffierecht van - ieder - ƒ55,- in beroep en ƒ160,- in hoger beroep (in totaal
ƒ215,-) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 6 november 2001.
(get.) G.A.J. van
den Hurk.
(get.) B.M.
Biever-van Leeuwen.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet
kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de
wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit
afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift
in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der
Nederlanden) aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AD7519 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Assen |
| Zaaknummer: |
01/289
ABW |
| Datum
uitspraak: |
7
december 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78c Abw
(= – Wwb) / XVI
Wet BMT / 1:3
Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld;
afkoopsom; bevoegde rechter |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing (overeenkomstig gemeentelijke beleidsregel) verzoek om
kwijtschelding van een restantfraudeschuld, omdat slechts een
zeer gering bedrag is afgelost, niet gedurende vijf jaar
achtereen aan de betalingsverplichtingen is voldaan en over vijf
jaar wel betalingscapaciteit aanwezig zal zijn. De verlangde
afkoopsom van de schuld kan niet worden weggestreept tegen het
feit dat langdurig is afgezien van (achteraf niet toetsbaar)
recht op aanvullende bijstand. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige
kamer
Rechtbank
Assen 01/289 ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Emmen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 20 maart 2001 is namens eiser beroep ingesteld tegen
het besluit van verweerder van 8 februari 2001. Bij dit besluit is
het bezwaarschrift van eiser gericht tegen het besluit van 15
november 2000, waarbij eisers verzoek om kwijtschelding van een op
de Algemene Bijstandswet berustende schuld is afgewezen, ongegrond
verklaard.
Verweerder heeft bij brief van 17 april 2001 de gedingstukken,
alsmede een verweerschrift ingezonden.
Bij brief van 29 oktober 2001 is het standpunt van eiser nader
onderbouwd.
Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13
november 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan
door zijn gemachtigde mr. M.R.P. Ossentjuk, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te
Emmen. Verweerder heeft zich bij die
gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn ambtenaar mr. P.
Bethlehem.
2. Motivering
Feiten en omstandigheden
In verband met ten onrechte ontvangen bijstand over de periode
oktober 1986 tot januari 1988 en de periode juni 1989 tot en met
1991 heeft verweerder een vordering op eiser ten bedrage van ƒ27.021,94. Deze bedragen zijn door rechterlijke tussenkomst (een
beschikking van de kantonrechter van 23 oktober 1991 en een
appelbeschikking van de rechtbank van 30 augustus 1995)
vastgesteld.
Eiser heeft herhaaldelijk verzocht om kwijtschelding van deze
schuld. Verweerder heeft deze verzoeken steeds afgewezen.
Bij brief van 20 september 2000 is namens eiser opnieuw verzocht
om kwijtschelding van de vordering die verweerder op eiser heeft.
Daarbij is aangegeven dat sprake is van een nieuw feit, aangezien
thans de vijfjaarstermijn van artikel 78c
van de Algemene bijstandswet
(Abw) is verstreken.
Bij besluit van 15 november 2000 heeft verweerder aangegeven dat
er geen aanleiding is de vordering kwijt te schelden, aangezien
niet zonder meer duidelijk is dat hij in de toekomst geen
mogelijkheden voor aflossing heeft. Verweerder heeft verder
aangegeven bereid te zijn tot afkoop van de vordering met 50%
tegen finale kwijting voor het restant.
Tegen dit besluit is namens eiser op 22 december 2000 bezwaar
gemaakt. Op 15 januari 2001 is eiser in de gelegenheid gesteld
zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Van deze mogelijkheid
heeft zijn gemachtigde namens hem gebruik gemaakt. Op 23 januari
2001 is namens eiser desgevraagd een verklaring omtrent inkomen en
vermogen ingezonden.
Bij het bestreden besluit van 8 februari 2001 heeft verweerder het
bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft
daarbij overwogen dat per individueel geval een afweging kan
worden gemaakt omtrent de vraag of van terugvordering wordt
afgezien. Verweerder meent dat terecht is besloten niet van
terugvordering af te zien nu het aannemelijk is dat eiser op enig
moment een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm zal ontvangen.
Verweerder heeft daarbij aangegeven dat eiser 60 jaar is en hij,
als hij 65 jaar wordt, recht heeft op een uitkering ingevolge de AOW. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat eiser nog bijna
niets heeft afgelost.
Standpunten partijen
Eiser stelt dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of
iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding moet uitgaan van de
uitgangspunten van de Wet tot wijziging van
de Faillissementswet in verband
met de sanering van schulden van natuurlijke personen (WSNP).
Daarmee verhoudt zich volgens eiser niet dat gekeken wordt of er
kans is dat er in de toekomst wel een terugbetalingsmogelijkheid
bestaat. Eiser wijst erop dat de vordering dateert van meer dan
tien jaar geleden en dat eiser in die tien jaar nooit een deel van
de vordering heeft afgelost en het inkomen van eiser ook niet
zodanig is geweest dat de gemeente beslag kon laten leggen. Eiser
vraagt zich af waarop verweerder het oordeel baseert omtrent zijn
aflossingsmogelijkheden voor de toekomst. Verder stelt eiser dat
het voorstel van de gemeente om tot kwijtschelding over te gaan
indien 50% van de vordering betaald zou worden geen reëel
voorstel is nu eiser een netto-inkomen heeft van ƒ1700,- per
maand en om die reden geen bedrag van ƒ13.500,- bij elkaar kan
krijgen. Eiser stelt verder dat verweerder voor wat betreft de
toepassing van artikel 78c van de
Abw
een ad-hoc-beleid voert en
dat het beleid dat wel is vastgelegd niet strookt met artikel
78c van de Abw. Eiser stelt voorts dat verweerder hem aanrekent dat
hij geen aanvullende bijstand heeft gevraagd. Als hij een
dergelijke aanvraag wel had ingediend, zou verweerder hierop
beslag hebben gelegd. De vordering zou dan mogelijk boekhoudkundig
zijn afgeboekt, maar feitelijk zou verweerder geen cent meer
ontvangen dan nu het geval is.
Verweerder stelt dat artikel 78c
van de Abw
niet meebrengt dat een
vordering moet worden kwijtgescholden indien aan de voorwaarden
van dat artikel is voldaan. Uitgangspunt blijft dat iemand zoveel
mogelijk van een schuld terugbetaalt. Dat eiser een inkomen
beneden de beslagvrije voet heeft, is, zo stelt verweerder, zijn
vrije keuze nu eiser geen uitkering ingevolge de Abw
heeft
aangevraagd. Mogelijk heeft eiser een vermogen dat hoger is dan
het vrij te laten bescheiden vermogen en in dat geval wordt, aldus
verweerder, een schuld niet kwijtgescholden. Verweerder stelt
verder dat inmiddels wel een beleid is vastgesteld met betrekking
tot het kwijtschelden van vorderingen en dat het aanbod dat aan
eiser is gedaan gelet daarop erg soepel is. Verweerder geeft aan
dat de onderhavige vordering het gevolg is van fraude door eiser
en dat hij van die schuld slechts zeer weinig (ongeveer ƒ1800,-) heeft afgelost en dat er geen enkele reden is het nog
openstaande bedrag van ruim ƒ27.000,- kwijt te schelden.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde schulden door
de civiele rechter (kantonrechter respectievelijk rechtbank in
hoger beroep) zijn vastgesteld. Dit werpt de vraag op of de
rechtbank, als bestuursrechter, wel bevoegd is kennis te nemen van
onderhavig geschil.
In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.
Tot 1 juli 1997 was de civiele rechter (de kantonrechter
in eerste
aanleg) bij uitsluiting bevoegd ter zake van besluiten tot
terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Eén en ander
was vastgelegd in artikel 65 (oud) van de tot 1 januari 1996
geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 88 van de op die
datum in werking getreden Algemene bijstandswet
(Abw).
Op 1 juli 1997 is ten aanzien van de Abw de Wet
boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna:
Wet BMT) in werking getreden, waarbij de exclusieve bevoegdheid
van de civiele rechter ten aanzien van terugvorderingsbesluiten
is vervallen.
In de Wet BMT is het volgende overgangsrecht vastgesteld.
Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de
Wet BMT wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot
- onder meer -
terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum
onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht. Uit dit
artikellid volgt dat terugvorderingsbesluiten die betrekking
hebben op verleende bijstand over een periode die ligt vóór 1 juli
1997 in materiële zin beoordeeld moeten worden aan de hand van
het vóór 1 juli 1997 vigerende recht (zie bijvoorbeeld CRvB 27 juli 1999,
JABW 1999/132).
In het tweede lid van artikel XVI van de
Wet BMT is onder meer
bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of
verrekening die vóór de datum van de inwerkingtreding van deze
wet zijn bekendgemaakt het oude recht blijft gelden. Dit
artikellid ziet op de bepalingen die de procedure regelen (zie
punt 2.3 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december
2000, NJ 2001, 58), zoals bepalingen omtrent welke rechter bevoegd
is.
Artikel 78c van de Abw, dat over de bevoegdheid tot kwijtschelding
handelt, is op 1 augustus 1998 zonder enig overgangsrecht in
werking getreden.
Ten slotte is van belang dat sedert 1 januari 1994 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
bezwaar (bij het bestuursorgaan) en
beroep (bij de bestuursrechter) openstaat tegen besluiten in de
zin van die wet, tenzij daar bij of krachtens wet een uitzondering
op is gemaakt (zoals ten aanzien van terugvordering van ten
onrechte verstrekte bijstand tot 1 juli 1997 in artikel 65 van de
ABW respectievelijk artikel 88 van de Abw).
Een besluit omtrent kwijtschelding van een op een
publiekrechtelijke regeling berustende vordering dient te worden
aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb.
Immers, kwijtschelding brengt een wijziging in de
(publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen het bestuursorgaan en
de betrokken burger met zich mee.
Ten aanzien van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde
beslissing omtrent kwijtschelding kan derhalve worden vastgesteld
dat, ongeacht of daarop artikel 78c
van de Abw van toepassing is,
het een besluit in de zin van de Awb
is.
In het onderhavige geval is de rechtbank derhalve als
bestuursrechter bevoegd, tenzij uit enige wettelijke bepaling het
tegendeel blijkt. In dit verband is cruciaal hoe de bepaling van
artikel XVI, tweede lid, van de Wet
BMT
moet worden uitgelegd.
Enerzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden “ten
aanzien van” in die bepaling wordt bedoeld "al hetgeen
betrekking heeft op", dat wil zeggen niet alleen het besluit tot
terug- en eventueel invordering, maar ook alle besluiten die
daarin een wijziging aanbrengen. In dat geval zou de civiele
rechter, die bevoegd was te oordelen over het "primaire"
terugvorderingsbesluit, ook ten aanzien van de vervolgbesluiten
bevoegd zijn, ongeacht het tijdstip waarop die besluiten zijn
genomen.
Anderzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden "ten
aanzien van" uitsluitend die besluiten zelf worden bedoeld en
niet besluiten die op enigerlei wijze daarop voortbouwen.
De rechtbank is van oordeel dat de woorden
"ten aanzien van"
in artikel XVI, tweede lid, van de Wet
BMT op laatstgenoemde,
restrictieve wijze, uitgelegd dienen te worden.
In het bestuursrecht geldt immers de op de Awb
berustende
hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de
bestuursrechter bevoegd is. Artikel XVI, tweede lid, van de
Wet
BMT betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die
bepaling zelf, noch in de geschiedenis van de totstandkoming van die
bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime
uitleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu
artikel
XVI, tweede lid, van de Wet
BMT
daarop geen expliciete
uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van artikel
XVI, tweede lid, van de Wet
BMT
slechts die besluiten vallen die vóór de inwerkingtreding van de
Wet
BMT
zijn
bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten die
weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vóór de datum
van inwerkingtreding van de Wet
BMT
bekendgemaakt terugvorderingsbesluit, maar op of na de datum van
inwerkingtreding van de Wet
BMT
zijn bekendgemaakt.
Nu het primaire besluit bekend is gemaakt op 15 november 2000, is
de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het onderhavige geval
ingevolge artikel
XVI, eerste lid, van de Wet
BMT
het "oude" materiele recht van toepassing is. Artikel
78c van de Abw
is echter eerst op 1 augustus 1998 in werking getreden. Derhalve
rijst de vraag of de bepaling van artikel 78c
als materieel recht
kan worden aangemerkt. In het onderhavige geval kan het antwoord
op deze vraag echter in het midden blijven, omdat verweerder,
zoals ter zitting is gebleken, ook voor oude vorderingen als vaste
gedragslijn toepassing geeft aan artikel 78c
van de Abw.
Artikel 78c van de Abw
bepaalt het volgende:
"-1. In afwijking van artikel 78 kunnen burgemeester en
wethouders besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende
kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie
jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan;
en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
65,
eerste lid.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen
zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald
kunnen worden.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit
artikel nadere regels worden gesteld.”
Verweerder heeft in het kader van deze regeling, ten aanzien van
zogenoemde fraudeschulden, waarvan in het onderhavige geval sprake
is, in een beleidsregel vastgelegd dat iemand in aanmerking komt
voor kwijtschelding wanneer hij 120 maanden volgens de afspraak
heeft afgelost op een vordering. Bovendien kan, wanneer 60 maanden
op een fraudeschuld is afgelost, het restant van het nog
openstaande bedrag afgekocht worden door een bedrag ter hoogte van
50% van de restantschuld te betalen.
De rechtbank acht deze door verweerder gehanteerde beleidsregel
niet onredelijk of anderszins strijdig met enig algemeen beginsel
van behoorlijk bestuur en evenmin in strijd met de in artikel 87c
[artikel 78c, red.] van de
Abw
vastgelegde kwijtscheldingsregeling.
In het onderhavige geval staat vast dat eiser slechts een zeer
gering bedrag heeft afgelost en niet gedurende vijf jaar achtereen
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Voorts heeft
verweerder terecht geconstateerd dat aangenomen mag worden dat
eiser bij het bereiken van zijn 65-ste verjaardag (eiser is geboren op
23 maart 1940) wel aflossingscapaciteit heeft.
Verweerder heeft derhalve in overeenstemming met artikel
78c van
de Abw
en zijn beleidsregel het verzoek om kwijtschelding afgewezen.
Vervolgens dient nog de vraag beantwoord te worden of in het
onderhavige geval sprake is geweest van zodanig zwaarwegende
bijzondere omstandigheden dat verweerder desondanks gehouden was
om kwijtschelding te verlenen.
In dat verband is namens eiser aangevoerd dat hij jarenlang een
inkomen onder het voor hem relevante sociaal minimum heeft
genoten, maar niettemin heeft afgezien van het aanvragen van
aanvullende bijstandsuitkering. Het voordeel dat verweerder
daarvan heeft gehad, komt aldus eiser ongeveer overeen met het
bedrag van de restschuld.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat eiser geen recht
heeft gehad op aanvullende bijstand, omdat hij geen aanvullende
bijstand heeft aangevraagd. Juridisch gezien kan er derhalve geen
sprake zijn van "het tegen elkaar wegstrepen" van schulden.
Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat
bepaald niet vaststaat dat eiser recht had op aanvullende bijstand
en dat thans eigenlijk niet meer goed is vast te stellen of, en zo
ja, in hoeverre eiser recht zou hebben gehad op aanvullende
bijstand indien hij dat tijdig zou hebben aangevraagd.
Om die reden kan niet geoordeeld worden dat er sprake is van
zodanig zwaarwegende bijzondere omstandigheden dat verweerder
gehouden was om kwijtschelding te verlenen.
Ook hetgeen overigens namens eiser is aangevoerd, kan de rechtbank
niet tot een ander oordeel leiden, zodat het beroep van eiser niet
kan slagen.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mrs. A.T. de
Kwaasteniet en G.H. Morsink, leden, en uitgesproken in het openbaar op
door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobé,
griffier.
Mr. L.M. Tobé
Mr. J.H. de Wildt
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere
belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door
het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002 te 3500 DA Utrecht, binnen zes weken
onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak
door de griffier.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AD7523 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Assen |
| Zaaknummer: |
01/566
ABW |
| Datum
uitspraak: |
7
december 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
87
Abw (= 60
Wwb) / XVI
Wet BMT / 1:3
Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
hoogte aflossingsbedrag; aflossingscapaciteit; fraudeschuld;
verbod van reformatio in peius; bevoegde rechter; feitelijke
handeling; rechtsgevolg |
| Essentie: |
Juiste
vaststelling maandaflossingsbedrag van een fraudeschuld (en
eigenlijk veel te laag, maar betrokkene mag door de procedure
niet in een nadeliger positie komen), omdat vanwege inkomsten
uit arbeid meer aflossingscapaciteit aanwezig is. De mededeling
omtrent de hoogte van de restantschuld is geen appellabel
besluit. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige
kamer
Rechtbank
Assen 01/566 ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Assen,
verweerder.
I. Procesverloop
Bij brief van 9 juni 2001 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het
besluit van 18 mei 2001, verzonden op 6 juni 2001. Verweerder
heeft dit bezwaarschrift bij brief van 15 juni 2001 aan de
rechtbank toegezonden teneinde deze brief als beroepschrift in
behandeling te nemen.
Verweerder heeft op 4 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende
stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Eiser heeft hiervan
een afschrift ontvangen.
Eiser heeft bij brief van 4 september 2001 zijn standpunt nader
toegelicht.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13
november 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan
door zijn echtgenote [echtgenote]. Verweerder heeft zich bij die
gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn ambtenaar H.L. van
Scheepen.
II. Motivering
Feiten en omstandigheden
Bij beschikking van 16 september 1991 heeft de kantonrechter
vastgesteld dat ter zake van gemaakte kosten van bijstand een
bedrag van ƒ41.373,55 ten laste van eiser en diens toenmalige
echtgenote kan worden ingevorderd.
De maandelijks aflossing van deze schuld werd verrekend met de aan
eiser toegekende bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw). Op 18 oktober 2000 is de
bijstandsuitkering beëindigd.
Bij brief van 8 november 2000 is eiser meegedeeld dat de
restantschuld wegens ten onrechte ontvangen bijstand ƒ16.334,56
bedraagt en is hem verzocht dit bedrag te betalen. Daarbij is
aangegeven dat een betalingsregeling kan worden getroffen indien
betaling ineens niet mogelijk is.
Naar aanleiding van het door eiser ingevulde inlichtingenformulier
en na nadere informatie te hebben ingewonnen bij de werkgever van
eiser, is bij besluit van 21 november 2000 het aflossingsbedrag
met ingang van 1 december 2000 vastgesteld op ƒ325,- per maand.
Bij brief van 11 december 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen
de vaststelling van het aflossingsbedrag en het inwinnen buiten
zijn medeweten van informatie bij zijn werkgever. Voorts heeft
eiser naar voren gebracht dat zijn toenmalige echtgenote en niet hij veroordeeld is tot terugbetaling van ten onrechte
ontvangen bijstand.
Nadat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaar ten
overstaan van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften
sociale zaken (verder: de Commissie) toe te lichten, van welke
mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt, heeft de Commissie
verweerder op 4 april 2001 geadviseerd het bezwaar, voor zover
gericht tegen de vaststelling van het aflossingsbedrag, gegrond te
verklaren en voor het overige ongegrond te verklaren. De Commissie
heeft aangegeven dat verweerder normaliter uitgaat van het
gemiddelde inkomen over een periode van drie maanden en meent om
die reden dat het aflossingsbedrag ten onrechte is vastgesteld op
grond van enkele informatie via de werkgever.
Verweerder heeft vervolgens bij brief van 19 april 2001 aan eiser
verzocht opnieuw een inlichtingenformulier in te vullen, te
ondertekenen en te voorzien van bewijsstukken, waaronder de
laatste drie loonstrookjes van eiser en diens echtgenote. Eiser
heeft aan dit verzoek voldaan.
Bij het bestreden besluit van 18 mei 2001, verzonden 6 juni 2001,
heeft verweerder het advies van de Commissie overgenomen en het
aflossingsbedrag opnieuw berekend en vastgesteld op ƒ612,28.
Omdat eiser door de bezwaarprocedure niet in een nadeliger positie
mag komen, is het bedrag dat eiser met ingang van 1 juni 2001
maandelijks moet aflossen op ƒ325,- gesteld. Aangegeven is
voorts dat de restantschuld ƒ26.153,81 bedraagt.
Standpunten partijen
Eiser stelt dat hij maandelijks geen bedrag van ƒ325,- kan
betalen. Indien hij dit bedrag dient af te lossen, belandt hij
onder het sociaal minimum. Eiser stel voorts dat de hoogte van de
schuld veel lager is dan het bedrag van ƒ26.153,28 dat in het
bestreden besluit wordt vermeld. Volgens eiser is de berekening
van het aflossingsbedrag onjuist en hij wijst er hierbij op dat
verweerder, anders dan ten overstaan van de Commissie is
aangegeven, de vakantietoeslag in de berekening heeft meegenomen,
dat de huursubsidie, waarvan het exacte bedrag per 1 juli nog moet
worden vastgesteld, ten onrechte bij het inkomen is opgeteld en
dat geld van zijn echtgenote met wie hij niet in gemeenschap van
goederen is getrouwd ten onrechte in aanmerking is genomen.
Verweerder stelt dat tegen de mededeling van de hoogte van de
restantschuld geen bezwaar en beroep openstaat. Dat in het
bestreden besluit een ander bedrag wordt genoemd dan in eerdere
berichtgevingen is het gevolg van het feit dat in die eerdere
berichtgevingen ten onrechte een administratieve splitsing is
gemaakt: eiser en zijn voormalige echtgenote zijn ieder voor zich
hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag. Ten aanzien van
de stelling van eiser dat de berekening onjuist is, merkt
verweerder op dat er bij de nieuwe berekening, die niet meer op
basis van summiere gegevens heeft plaatsgevonden, geen aanleiding
meer was om de vakantietoeslag buiten de berekening te laten, dat
de huursubsidie niet in de berekening is meegenomen en dat de
algemene heffingskorting is toegepast nu eiser desgevraagd geen
stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in
gemeenschap van goederen getrouwd is.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde schuld door
de civiele rechter (kantonrechter) is vastgesteld. Dit werpt de
vraag op of de rechtbank, als bestuursrechter, wel bevoegd is
kennis te nemen van onderhavig geschil.
In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.
Tot 1 juli 1997 was de civiele rechter (de kantonrechter in eerste
aanleg) bij uitsluiting bevoegd ter zake van besluiten tot
terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Eén en ander
was vastgelegd in artikel 65 (oud) van de tot 1 januari 1996
geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 88 van de op die
datum in werking getreden Algemene bijstandswet
(Abw).
Op 1 juli 1997 is ten aanzien van de Abw de
Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet
BMT) in werking getreden, waarbij de exclusieve bevoegdheid
van de civiele rechter ten aanzien van terugvorderingsbesluiten
is vervallen.
In de Wet BMT is het volgende overgangsrecht vastgesteld.
Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de
Wet BMT wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot
- onder meer -
terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum
onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht. Uit dit
artikellid volgt dat terugvorderingsbesluiten die betrekking
hebben op verleende bijstand over een periode die ligt vóór 1 juli
1997 in materiële zin beoordeeld moeten worden aan de hand van
het vóór 1 juli 1997 vigerende recht (zie bijvoorbeeld CRvB 27 juli 1999,
JABW 1999/132).
In het tweede lid van artikel XVI van de
Wet BMT is onder meer
bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of
verrekening die vóór de datum van de inwerkingtreding van deze
wet zijn bekendgemaakt het oude recht blijft gelden. Dit
artikellid ziet op de bepalingen die de procedure regelen (zie
punt 2.3 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december
2000, NJ 2001, 58), zoals bepalingen omtrent welke rechter bevoegd
is.
Ten slotte is van belang dat sedert 1 januari 1994 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
bezwaar (bij het bestuursorgaan) en
beroep (bij de bestuursrechter) openstaat tegen besluiten in de
zin van die wet, tenzij daar bij of krachtens wet een uitzondering
op is gemaakt (zoals ten aanzien van terugvordering van ten
onrechte verstrekte bijstand tot 1 juli 1997 in artikel 65 van de
ABW respectievelijk artikel 88 van de Abw).
Een besluit omtrent de wijze van terugvordering van een op een
publiekrechtelijke regeling berustende schuld dient te worden
aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb.
Immers, de vaststelling van de wijze van terugvordering bepaalt
(mede) de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen het
bestuursorgaan en de betrokken burger. De rechtbank verwijst in
dit verband ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
van 29 maart 1990, AB 1990, 473.
In het onderhavige geval is de rechtbank derhalve als
bestuursrechter bevoegd, tenzij uit enige wettelijke bepaling het
tegendeel blijkt. In dit verband is cruciaal hoe de bepaling van artikel
XVI, tweede lid, van de Wet
BMT
moet worden uitgelegd.
Enerzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden "ten
aanzien van" in die bepaling wordt bedoeld "al hetgeen
betrekking heeft op", dat wil zeggen niet alleen het besluit tot
terug- en eventueel invordering, maar ook alle besluiten die
daarin een wijziging aanbrengen. In dat geval zou de civiele
rechter, die bevoegd was te oordelen over het "primaire"
terugvorderingsbesluit, ook ten aanzien van de vervolgbesluiten
bevoegd zijn, ongeacht het tijdstip waarop die besluiten zijn
genomen.
Anderzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden "ten
aanzien van" uitsluitend die besluiten zelf worden bedoeld en
niet besluiten die op enigerlei wijze daarop voortbouwen.
De rechtbank is van oordeel dat de woorden
"ten aanzien van"
in artikel XVI, tweede lid, van de Wet
BMT op laatstgenoemde,
restrictieve wijze, uitgelegd dienen te worden.
In het bestuursrecht geldt immers de op de Awb
berustende
hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de
bestuursrechter bevoegd is. Artikel
XVI, tweede lid, van de Wet
BMT betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die
bepaling zelf, noch in geschiedenis van de totstandkoming van die
bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime
uitleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu
artikel
XVI, tweede lid, van de Wet
BMT
daarop geen expliciete
uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van artikel
XVI, tweede lid, van de Wet
BMT
slechts die besluiten vallen die vóór de inwerkingtreding van de Wet
BMT
zijn
bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten die
weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vóór de datum
van inwerkingtreding van de Wet
BMT
bekendgemaakt terugvorderingsbesluit, maar op of na de datum van
inwerkingtreding van de Wet
BMT
zijn bekendgemaakt.
Nu het primaire besluit bekend is gemaakt op 21 november 2000, is
de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.
Ten aanzien van hetgeen partijen verdeeld houdt, overweegt de
rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de hoogte van eisers schuld
in dit geding niet aan de orde kan komen. Het noemen van het
bedrag van de restantschuld is een mededeling van feitelijke aard,
welke niet op enig rechtsgevolg is gericht, zodat geen sprake is
van een besluit in de zin van de Awb. Daarnaast handelt het
primaire besluit niet over de restantschuld, zodat ook om die
reden de hoogte van de schuld niet aan de orde kan komen in dit
geding.
De rechtbank dient derhalve uitsluitend de vraag te beantwoorden
of verweerders besluit om het aflossingsbedrag van de schuld op
een bedrag van ƒ325,- per maand vast te stellen de
rechterlijke toets kan doorstaan.
Ter zitting van de rechtbank is vastgesteld dat de berekening van
eisers aflossingscapaciteit, zoals neergelegd in een bijlage bij
het bestreden besluit, juist is, met dien verstande dat het
inkomen te hoog is vastgesteld en dat de beslagvrije voet dient te
worden verminderd met het bedrag waarmee het inkomen te hoog is
vastgesteld, zodat het eindresultaat hetzelfde blijft. De
wijziging van inkomen en beslagvrije voet volgt uit, hangende het
beroep bij de rechtbank door eiser verstrekte, informatie over het
gehuwd zijn buiten gemeenschap van goederen.
Blijkens de berekening van verweerder was eisers
aflossingscapaciteit, gebaseerd op zijn inkomen in de maanden
december 2000 en januari en februari 2001, ƒ612,28 per maand.
Voorts blijkt uit ter zitting door eiser ter inzage gegeven
loonstroken dat eisers inkomen - en derhalve ook zijn
aflossingscapaciteit - in de maanden maart tot en met mei 2001 op
ongeveer hetzelfde niveau is gebleven.
Hieruit volgt dat verweerder het aflossingsbedrag op een veel
lager bedrag heeft vastgesteld dan eisers aflossingscapaciteit.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder in
redelijkheid het aflossingsbedrag op ƒ325,- heeft kunnen
vaststellen.
Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd kan de rechtbank niet
tot een ander oordeel leiden.
Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond
Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mrs. A.T. de
Kwaasteniet en G.H. Morsink, leden, en uitgesproken in het openbaar op
door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobé,
griffier.
Mr. L.M. Tobé
Mr. J.H. de Wildt
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere
belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep
te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door
het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002 te 3500 DA Utrecht, binnen zes weken
onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak
door de griffier.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|