| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / BW / Awb |
x
LJN: |
x
AD7718 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/2388
NABW |
| Datum
uitspraak: |
20
november 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
18a Bln, 3 en 55 ABW (= 39, 78
(oud) en 106
Abw) (= 35,
–
en 55
Wwb) / 6:106 en
6:119 BW / 6:20, 8:72
en 8:73 Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; studiekosten; reiskosten; los materiaal; terugbetaling
bij voortijdige afbreking studie; vordering wettelijke rente;
indirecte kosten; immateriële schade |
| Essentie: |
Onterecht
opgelegde voorwaarde tot terugbetaling van bijzondere bijstand
voor studiekosten indien de studie voortijdig wordt afgebroken,
omdat aldus een grond tot
terugvordering buiten de daartoe in de wet voorziene gevallen in
het leven wordt geroepen. Terechte afwijzing bijzondere bijstand
voor aanschafkosten van los materiaal (pennen, schriften e.d.),
omdat geen bewijsstukken ter zake zijn overgelegd. Toewijzing
van renteschade wegens te late besluitvorming; afwijzing van
indirecte en immateriële schade. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2388
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sas van
Gent [zie gemeente Terneuzen, red.], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Middelburg op 24 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 3 augustus 1999 heeft appellant zijn hoger beroep
nader toegelicht.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Daarop heeft
appellant bij brief van 12 oktober 1999 gereageerd. Bij brieven
van 10 juli 2000 en 12 december 2000 heeft hij zich nogmaals tot
de Raad gewend. Nadien heeft appellant de Raad desgevraagd nog een
nader stuk doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 oktober 2001, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door G.C.W. Kusters en R. Dierickx, beiden
werkzaam bij de gemeente Sas van
Gent.
II. Motivering
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad
uit van de volgende, aan de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende feiten en
omstandigheden.
Appellant neemt vanaf september 1995 deel aan het Project
Intensieve Begeleiding Langdurig Werklozen (PIBLW). Na een advies
van de begeleidingscommissie PIBLW heeft hij van gedaagde
toestemming gekregen om in september 1996 met behoud van zijn
bijstandsuitkering de opleiding [naam] te gaan volgen. Blijkens
een intakeformulier heeft hij zich op 7 februari 1997 tot gedaagde
gewend met een verzoek om bijzondere bijstand voor de aan zijn
opleiding verbonden kosten. Hierop is door gedaagde geen besluit
genomen.
Bij brief van 20 mei 1997 heeft appellant onder meer bezwaar
gemaakt tegen de gang van zaken rond de afhandeling van zijn
verzoek om vergoeding van de kosten van het eerste studiejaar en
verzocht zijn daartoe strekkende aanvraag in behandeling te nemen.
Gedaagde heeft de brief van 20 mei 1997 als een aanvraag in
behandeling genomen en deze aanvraag bij besluit van 23 juli 1997
afgewezen op de grond dat een positief advies van het
arbeidsbureau in de vorm van een noodzakelijkheidsverklaring
ontbreekt. Bij brief van 28 augustus 1997 heeft appellant zowel
bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag als tegen het
gedurende lange tijd uitblijven van een beslissing op zijn verzoek
om bijstand, als gevolg waarvan hij stelt schade te hebben
geleden.
Bij besluit van 2 september 1997 heeft gedaagde het besluit van 23
juli 1997 in zoverre herzien dat appellant alsnog tot een bedrag
van
ƒ1986,25
bijzondere bijstand wordt toegekend voor de aan het eerste
studiejaar verbonden kosten. Deze toekenning houdt verband met het
feit dat het
arbeidsbureau
alsnog een noodzakelijkheidsverklaring heeft
afgegeven voor de opleiding van appellant en de kosten van het
tweede jaar op grond van de Kaderregeling scholing heeft vergoed.
Aan de bijstandverlening is de voorwaarde verbonden dat appellant
de verstrekte bijstand terugbetaalt indien hij de opleiding
voortijdig beëindigt. Voor de kosten van los materiaal zoals
schriften, mappen en pennen is geen bijstand verstrekt omdat
appellant hiervan geen enkel betaalbewijs heeft overgelegd. De
aanschafkosten van een tweedehands computer ad ƒ1000,-
zijn niet voor vergoeding in aanmerking gebracht omdat een
computer niet strikt noodzakelijk wordt geacht voor de opleiding.
Tegen het besluit van 2 september 1997 heeft appellant eveneens
een bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft hij onder meer
aangegeven in plaats van vergoeding van de aanschafkosten van een
computer in aanmerking te willen komen voor vergoeding van de
kosten van een schrijfmachine.
Bij besluit van 11 november 1997 heeft gedaagde de bezwaren
ongegrond verklaard. Met betrekking tot de bezwaren van appellant
tegen het uitblijven van een reactie op zijn eerdere
bezwaarschrift van 28 augustus 1997 is overwogen dat dit
bezwaarschrift niet in behandeling is genomen vanwege het ten
voordele van appellant herziene besluit om alsnog bijzondere
bijstand voor de opleidingskosten toe te kennen.
De rechtbank heeft het door
appellant tegen het besluit van 11 november 1997 ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Hij heeft tevens zijn in eerste aanleg gedane
verzoek herhaald om gedaagde met toepassing van artikel 8:73
van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door hem vanwege het
uitblijven van een besluit geleden schade, onder verwijzing naar
zijn eerdere kostenopgave.
De Raad overweegt het volgende.
De onderhavige aanvraag ziet op de kosten die appellant heeft
gemaakt in verband met het volgen van het eerste studiejaar
(1996/1997) van de opleiding [naam]. De bij besluit van 2
september 1997 toegekende bijzondere bijstand betreft zowel
eenmalige, aan het begin van het studiejaar 1996/1997 gemaakte
kosten als kosten welke gedurende het gehele jaar worden gemaakt,
zoals reiskosten. Hieruit volgt dat de vraag of gedaagde aan de
verleende bijstand terecht de voorwaarde heeft verbonden dat
appellant deze in geval van voortijdige beëindiging van zijn
studie terugbetaalt, wat betreft de tot 1 december 1996 gemaakte
studiekosten dient te worden beantwoord aan de hand van de
bepalingen van de ABW en wat betreft de nadien gemaakte kosten aan
de hand van de bepalingen van de Abw.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de ABW kunnen naast
voorwaarden welke strekken tot inschakeling in de arbeid slechts
voorwaarden worden verbonden die verband houden met aard en doel
van een bepaalde vorm van bijstand, dan wel strekken tot zijn
vermindering of beëindiging.
Ingevolge artikel 106 van de Abw,
voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan
de bijstand verplichtingen verbinden die verband houden met aard
en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot
zijn vermindering of beëindiging.
Gedaagde heeft de onderhavige bijzondere bijstand in de vorm van
bijstand om niet verleend. Dit betekent dat appellant deze
bijstand niet behoeft terug te betalen, tenzij zich één van de
in hoofdstuk IV van de ABW respectievelijk hoofdstuk
VI, paragraaf
2, van de Abw opgesomde
terugvorderingsgronden voordoet. Ingevolge artikel 55, vierde lid,
van de ABW en artikel
78, vierde lid, (oud) van de Abw
vindt buiten de gevallen aangegeven in deze paragraaf geen
terugvordering plaats. De in geding zijnde voorwaarde verplicht
appellant de bijstand terug te betalen indien zich een onzekere
gebeurtenis voordoet, te weten het voortijdig afbreken van de
studie. De voorwaarde strekt er aldus toe een grond tot
terugvordering buiten de daartoe in de wet voorziene gevallen in
het leven te roepen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in
artikel 55, vierde lid, (oud) van de ABW respectievelijk artikel
78, vierde lid, (oud) van de Abw.
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand
overweegt de Raad dat de kosten van
aanschaf van los materiaal en van een schrijfmachine beide
eenmalige, aan het begin van het studiejaar te maken kosten zijn,
zodat de vraag of hierin terecht geen bijzondere bijstand is
verstrekt aan de hand van de ABW en de daarop rustende bepalingen
dient te worden beoordeeld. De Raad is met gedaagde en de rechtbank
van oordeel dat de aanschafkosten van los materiaal niet voor
bijstandverlening in aanmerking komen, omdat appellant in gebreke
is gebleven om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat hij
ter zake kosten heeft gemaakt. Voorts is ook naar het oordeel van
de Raad niet komen vast te staan dat appellant ten behoeve van de
door hem gevolgde opleiding zelf over een schrijfmachine dient te
beschikken, zodat ook de aanschafkosten van een schrijfmachine
niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als bedoeld
in artikel 18a van het Bijstandsbesluit landelijke
normering (Bln).
Op grond van het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens
strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking voor zover
daarbij de aan de verlening van bijzondere bijstand in de
studiekosten verbonden voorwaarde is gehandhaafd. Ook de
aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven. De Raad
acht het aangewezen om het besluit van 2 september 1997, voor
zover het die voorwaarde aangaat, met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb te
vernietigen.
De Raad overweegt voorts dat
appellant in het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 23
juli 1997 tevens bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van
een besluit op zijn, volgens hem reeds in 1996 gedane verzoeken om
bijzondere bijstand voor studiekosten. Hoewel op grond van de
gedingstukken aannemelijk is dat appellant reeds vanaf 1996
pogingen in het werk heeft gesteld om bij het PIBLW informatie en
uitsluitsel te verkrijgen over de mogelijkheden om een vergoeding
te verkrijgen voor de aan het eerste studiejaar verbonden kosten,
is naar het oordeel van de Raad niet komen vast te staan dat
appellant toen reeds uitdrukkelijk aan gedaagde heeft verzocht om
hem in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in de
studiekosten. De Raad merkt het verzoek om bijzondere bijstand dat
appellant op 7 februari 1997 heeft gedaan wel als een aanvraag om
bijstand aan en stelt voorts vast dat appellant in zijn brieven
van 20 mei 1997 en 28 augustus 1997 bezwaar heeft gemaakt tegen
het feit dat gedaagde hierop niet tijdig heeft beslist. Naar het
oordeel van de Raad heeft gedaagde bij het besluit op bezwaar van
11 november 1997 ten onrechte nagelaten om op dit onderdeel van
het bezwaarschrift van 28 augustus 1997 een beslissing te nemen.
Het voorgaande leidt de Raad tot het
oordeel dat het besluit van 11 november 1997 tevens voor
vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij niet is
beslist op het bezwaar van appellant tegen het niet tijdig nemen
van een besluit op zijn aanvraag van 7 februari 1997. De Raad ziet
aanleiding om met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Awb
het bezwaar van appellant in zoverre onder toepassing van artikel
6:20, zesde lid, van de Awb
gegrond te verklaren. De aangevallen uitspraak dient in zoverre
eveneens te worden vernietigd.
Met betrekking tot het verzoek om gedaagde op grond van artikel
8:73 van de Awb te veroordelen
tot vergoeding van de door hem geleden schade overweegt de Raad
het volgende.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, staat achteraf bezien vast
dat de kosten verbonden aan de studie van appellant tot een bedrag
van
ƒ1986,25
als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 18a
van het Bln moeten worden aangemerkt en voor bijstandverlening in
aanmerking komen.
Nu voorts sprake is van een gegrond beroep tegen niet beslissen
door gedaagde op zijn bezwaar tegen het uitblijven van een tijdige
beslissing op zijn aanvraag van 7 februari 1997, is er aanleiding
om het verzoek van appellant de als gevolg van die late
besluitvorming ontstane schade te vergoeden toe te wijzen.
De door appellant gevorderde schade bestaat uit het nadeel dat hij
heeft geleden doordat gedaagde niet tijdig een positief besluit
heeft genomen op zijn aanvraag om bijzondere bijstand. Het verzoek
ziet derhalve op vergoeding wegens vertraging in de voldoening van
een geldsom.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad
dient bij het beoordelen van de vraag of termen aanwezig zijn voor
een veroordeling tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel
8:73, eerste lid, van de Awb
zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het
civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarvan uitgaande moet
worden vastgesteld dat artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek de
omvang en de duur van de schadevergoedingsverplichting wegens
vertraging in de voldoening van een geldsom normeert. In het
eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding,
verschuldigd wegens de vertraging van een geldsom, bestaat in de
wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in
verzuim is geweest. Eén en ander brengt mee dat er in dit geval
geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de uit de
vertraagde betaling van de bijzondere bijstand volgens appellant
voortgevloeide schadeposten, zoals de kosten van huurachterstand,
telefoonkosten, leningen en schrijfmateriaal.
Gelet op artikel 68, eerste lid, van de Abw
had gedaagde binnen acht weken moeten beslissen op de op 7
februari 1997 ontvangen aanvraag. Die termijn eindigt derhalve op
3 april 1997. Gelet hierop is de Raad
van oordeel dat de wettelijke rente over het toegekende bedrag
groot
ƒ1986,25 is verschuldigd vanaf 1 mei
1997, zijnde de eerste dag na de maand in welke op die aanvraag
had moeten zijn beslist. Bij de berekening van de wettelijke rente
dient te worden uitgegaan van het brutobedrag dat aan appellant
als bijzondere bijstand had moeten worden betaald. De aldus te
berekenen rente zal alsnog moeten worden voldaan tot aan de dag
der algehele voldoening, zijnde de dag waarop ter uitvoering van
het besluit van 2 september 1997 het bedrag van
ƒ1986,25
aan appellant is uitbetaald.
Het verzoek om toewijzing van immateriële schade acht de Raad
niet voor toewijzing vatbaar. Appellant heeft niet aannemelijk
gemaakt dat als gevolg van het niet tijdig beslissen op zijn
aanvraag sprake zou zijn van als een aantasting van de persoon van
appellant als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en
onder b, van het Burgerlijk Wetboek aan te merken
geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van schade
kan ontlenen.
De Raad acht ten slotte termen
aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant. Deze kosten worden begroot op
ƒ25,- wegens de aan het bijwonen van de zitting van de
rechtbank
verbonden reiskosten. De overige door appellant opgegeven
proceskosten komen op grond van het Besluit
proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet
op de hoogte van de verstrekte bijzondere bijstand;
verklaart het inleidend beroep gegrond voor zover dit is gericht
tegen het niet beslissen op het bezwaar tegen het niet tijdig
beslissen op de bijstandsaanvraag, alsmede voor zover dit is
gericht tegen de aan de verlening van bijzondere bijstand
verbonden voorwaarde;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
verklaart het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de
bijstandsaanvraag gegrond;
vernietigt het primaire besluit van 2 september 1997 voor zover
daarbij de voorwaarde tot terugbetaling van de verstrekte
bijzondere bijstand is verbonden;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een
bedrag groot
ƒ25,-, te betalen door de
gemeente Sas van Gent;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de
Awb toe zoals
hiervoor in rubriek II is aangegeven;
wijst het meer of anders gevorderde af;
gelast de gemeente Sas van Gent aan appellant het gestorte
griffierecht van
ƒ55,- in beroep en
ƒ170,- in hoger beroep
(totaal
ƒ225,-) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD7844 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Leeuwarden |
| Zaaknummer: |
99/1128
NABW |
| Datum
uitspraak: |
21
december 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en 65
Abw (= 11
en 17 Wwb)
/ 3:2 en 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
legitimatiebewijs;
identiteitsbewijs; identificatieplicht; W-document; D-document;
vreemdeling; asielzoeker; bijstand met terugwerkende kracht;
zorgvuldigheid; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijstand met terugwerkende kracht wegens het niet
hebben van een legitimatiebewijs in de zin van de Abw, omdat het hebben van
zulk een legitimatiebewijs geen constitutief
vereiste is voor het verkrijgen van bijstand; i.c. kon met het
W-document de identiteit van betrokken vreemdeling voldoende
worden vastgesteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Leeuwarden 99/1128 NABW
U I T S P R A A K
ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. D. van der Wal, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tytsjerksteradiel,
verweerder,
gemachtigde: L.D. Overbosch en J. Zuidema, beiden werkzaam bij
verweerders gemeente.
1. Procesverloop
Bij brief van 1 november 1999 heeft verweerder eiser in kennis
gesteld van een besluit op bezwaar met betrekking tot de
toepassing van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige
kamer, gehouden op 26 oktober 2001. Eiser en verweerder zijn bij
gemachtigde verschenen.
2. Motivering
Eiser, van Iraanse afkomst en geboren op [geboortedatum], heeft op
17 mei 1999 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een
uitkering krachtens de Abw met het verzoek de uitkering per 14 mei
1999 in te laten gaan.
Bij brief van 22 juni 1999 heeft verweerder (voor zover hier van
belang) besloten eiser ingaande 14 mei 1999 een bijstandsuitkering
toe te kennen. In verband met werkaanvaarding heeft verweerder
eisers bijstandsuitkering per 7 juni 1999 beëindigd.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder (voor zover hier van
belang) het tegen het besluit van 22 juni 1999 gerichte
bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft
daartoe onder meer overwogen dat als uitgangspunt moet gelden dat
geen bijstand wordt verleend over een periode welke voorafgaat aan
de aanvraagdatum, tenzij bijzondere omstandigheden dat
rechtvaardigen. Verweerder heeft dan ook eisers grief dat de
bijstand alsnog eerder dan 14 mei 1999 moet ingaan, verworpen.
Namens eiser is in het beroepschrift - kort samengevat -
aangevoerd
dat eiser zich niet kan verenigen met de ingangsdatum van 14 mei
1999. Hij is van mening dat de bijstandsuitkering per 22 maart
1999 moet worden toegekend. Daartoe heeft hij onder meer
aangevoerd dat hij per 22 maart 1999 rechtmatig in Nederland
verblijft. De datum van de verstrekking van een legitimatiebewijs
is volgens eiser geen vereiste voor het recht op bijstand.
In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit
in rechte stand kan houden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 7, eerste lid, Abw
bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande
in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van
overheidswege.
Artikel 7, tweede lid, Abw
bepaalt voorts dat met de Nederlander, bedoeld in
het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
Artikel 65, vierde lid, Abw
bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan
burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage
te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de
uitvoering van deze wet.
In artikel 65, vijfde lid, Abw
is bepaald dat burgemeester en wethouders bij
de uitvoering van deze wet ten aanzien van een belanghebbende op
wie de verplichting, bedoeld in het vierde lid, rust de identiteit
vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1
van de Wet op de identificatieplicht en de aard en het nummer
daarvan opnemen in de administratie.
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1º, van de Wet op de
identificatieplicht is bepaald dat als documenten waarmee in bij
de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden
vastgesteld, worden aangewezen: de documenten waarover een
vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet moet beschikken ter
vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en
verblijfsrechtelijke positie.
In artikel 19, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, zoals deze luidde ten
tijde in geding, is onder meer bepaald dat bij algemene maatregel
van bestuur de documenten worden aangewezen waarover een
vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit,
nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
Uit artikel 54, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit,
zoals dit luidde ten tijde in geding, blijkt ten slotte dat als
document in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet voor vreemdelingen
aan wie het is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te
verblijven, wordt aangewezen een vanwege de bevoegde autoriteiten
verstrekt document waaruit blijkt dat dit verblijf voor onbepaalde
tijd in Nederland is toegestaan.
Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep
(CRvB)
wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode welke
voorafgaat aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend.
Hiervan kan slechts worden afgeweken indien bijzondere
omstandigheden dat rechtvaardigen, met name indien de betrokkene
ter zake van de - verlate - aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan
worden in verzuim te zijn geweest. De rechtbank verwijst onder
meer naar de uitspraak van de CRvB van 30 juli 1996, gepubliceerd
in JABW 1996/215.
Tussen partijen staat vast dat eiser sedert 22 maart 1999
rechtmatig in Nederland verblijft, omdat de Staatssecretaris van
Justitie eiser bij brief van die datum (overigens met ingang van
10 juni 1998) alsnog een vergunning tot verblijf voor de duur van
één jaar in Nederland heeft verleend. Voorts is namens eiser
onweersproken aangevoerd dat hem pas op 14 mei 1999 het zogenaamde
D-document, het identiteitsbewijs dat hoort bij de vergunning tot
verblijf, is uitgereikt, hoewel dit document de datum 19 april
1999 draagt.
In de eerste plaats kan de rechtbank meegaan in eisers argument
dat het hebben van een legitimatiebewijs geen constitutief
vereiste is voor het verkrijgen van bijstand. Dat laat echter
onverlet dat burgemeester en wethouders op grond van artikel 65,
vierde lid, Abw
wel van een aanvrager kunnen verlangen dat hij zich door
middel van een legitimatiebewijs identificeert.
Op 31 maart 1999 beschikte eiser niet over een geldig
legitimatiebewijs, aangezien hem op 22 maart 1999 slechts een
vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd was verleend. Het was
hem dus niet toegestaan om voor onbepaalde tijd in Nederland te
verblijven, zodat hij niet beschikte over een document als bedoeld
in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit.
Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de
huidige redactie van artikel 65, vierde
lid, Abw (Kamerstukken I 1996-1997, 24
772, nr. 101b) blijkt echter dat daar waar de aanvragers niet
over een geldig legitimatiebewijs beschikken, de gemeente, al dan
niet door middel van onderzoek, zal moeten vaststellen of de
identiteit van de betrokkene voldoende kan worden vastgesteld. Ook
de Commissie voor de Bezwaar- en Beroepschriften van verweerders
gemeente heeft in haar advies op deze onderzoeksplicht van
verweerder gewezen.
Gebleken is voorts dat eiser zich al op 31 maart 1999, dus na de
ontvangst van de brief van 22 maart 1999, bij verweerder heeft
gemeld om bijstand aan te vragen. Hij is toen, zo begrijpt de rechtbank, weggestuurd omdat hij nog niet in het bezit zou zijn
van een geldig identiteitsbewijs.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat
eisers identiteit en verblijfsstatus op 31 maart 1999 niet
voldoende konden worden vastgesteld. Immers, op die datum had
eiser al de beschikking over de brief van 22 maart 1999 waaruit
bleek dat hij inmiddels een verblijfstitel had en rechtmatig in
Nederland verbleef; voorts had hij tot dan in Nederland verbleven
in het kader van een zogenaamd zelfzorgarrangement, een regeling
voor asielzoekers; hij had als legitimatiebewijs het daarbij
behorende zogenaamde W-document. Dit zijn allemaal gegevens die
verweerder gemakkelijk had kunnen controleren bij de Immigratie en
Naturalisatiedienst, de vreemdelingenpolitie en/of het Centraal
Orgaan opvang Asielzoekers. Met andere woorden, op die manier
hadden eisers identiteit en verblijfsstatus kunnen worden
vastgesteld. Ter zitting is namens verweerder ook aangegeven dat
zo'n verificatie geen probleem zou zijn geweest. Voorts kan eiser
niet worden tegengeworpen dat eerst op 14 april 1999, meer dan
drie weken na het verstrekken van de verblijfstitel, voor hem een
D-document is aangemaakt, dat hem bovendien eerst één maand later
is uitgereikt.
De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser redelijkerwijs ten
aanzien van zijn te laat, eerst op 14 mei 1999, gedane aanvraag
niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. In eisers geval
doet zich de door de CRvB bedoelde uitzondering voor op de
regel
dat geen bijstand wordt verleend over een periode welke voorafgaat
aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Verweerder
had moeten beoordelen of eiser met ingang 31 maart 1999, de dag
waarop eiser zich voor het eerst bij de gemeente heeft gemeld,
recht had op bijstand. De rechtbank ziet daarbij niet over het
hoofd dat eiser in zijn op 17 mei 1999 ingediende aanvraag zelf
óók vraagt om uitkering ingaande 14 mei 1999; zij acht het
echter niet onaannemelijk dat deze datum is ingegeven door de
veronderstelling van eiser dat hij eerst bijstand kon krijgen met
ingang van de datum waarop hij over het D-document beschikte.
Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder gehandeld
in strijd met het in artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden
voorbereid en genomen en met het in artikel 7:12,
eerste lid, Awb
neergelegde beginsel dat een besluit op bezwaar moet berusten op
een deugdelijke motivering. Het beroep van eiser zal gegrond
worden verklaard, het bestreden besluit zal, voor zover in beroep
aangevochten, wegens strijd met bovengenoemde Awb-artikelen worden
vernietigd en verweerder zal in zoverre een nieuw besluit op
bezwaar moeten nemen.
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74
Awb
dient verweerders
gemeente het door eiser gestorte griffierecht ad ƒ60,- te vergoeden.
Op grond van artikel 8:75 Awb
veroordeelt de rechtbank verweerder in
de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eiser
ƒ1420,- (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt,
waarde per punt
ƒ710,-, gewicht van de zaak: gemiddeld)
ter zake
van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De
rechtbank wijst
verweerders
gemeente
aan als de rechtspersoon die
deze kosten moet vergoeden.
Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover in beroep
aangevochten;
- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit op bezwaar
neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
- bepaalt dat
verweerders
gemeente
het door eiser gestorte
griffierecht ad
ƒ60,- aan hem vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad
ƒ1420, aan eiser te betalen door verweerders gemeente.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mrs. K. Post
en A.G.J.M. van Montfort, rechters, en door genoemde voorzitter in
het openbaar uitgesproken op 21 december 2001, in tegenwoordigheid
van G. Timmermans als griffier.
w.g. G. Timmermans
w.g. P.G. Wijtsma
Afschrift verzonden op: 21 december 2001.
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger
beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere
belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto
6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken
na de dag van verzending van de uitspraak een brief
(beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden
aan de
Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist
vindt.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD8171 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Middelburg |
| Zaaknummer: |
Awb
01/79 |
| Datum
uitspraak: |
28
juni 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42 en
82 Abw
(= 31 en 58
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vermogen;
auto; terugvordering; eigendom; gebruik; tenaamstelling;
kentekenregistratie |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering bijstand wegens oververmogen gebonden in een
auto, omdat alle kosten van de auto, die weliswaar op naam van
(geestelijk instabiele) betrokkene staat, zijn betaald door haar
vader (die zelf geen rijbewijs heeft en door anderen moet worden
gereden) en zij de auto slechts met toestemming van haar vader
af en toe mag gebruiken, zodat zij in redelijkheid niet geacht
kan worden over de auto te kunnen beschikken. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Middelburg
Awb 01/79
U I T S P R A A K
inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Oostburg [zie gemeente Sluis, red], verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 november 1997 heeft verweerder de aan eiseres
toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
herzien
en een bedrag van
ƒ10.476,38 van eiseres teruggevorderd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 11
december 1997.
Bij besluit van 21 december 2000 heeft verweerder het bezwaar van
eiseres gegrond verklaard in die zin dat het terug te vorderen
bedrag wordt gewijzigd van
ƒ10.476,38 in
ƒ10.000,- en voor het
overige het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het geschil is op 11 juni 2001 behandeld ter zitting. Namens
eiseres is hierbij verschenen haar gemachtigde mr. H.M. den
Hollander, advocaat te Oostburg, en de heer [broer], broer van
eiseres. Namens verweerder is niemand verschenen.
2. Overwegingen
Artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw
bepaalt dat kosten
van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor
zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover
bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen, als
bedoeld in artikel 42 e.v. van de Abw, beschikt of kan beschikken.
Op grond van artikel 42 van de Abw
worden tot de middelen alle
vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de
belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.
Eiseres ontvangt sinds 1 juli 1995 een Abw-uitkering. Zij woont
met haar vader in de ouderlijke woning. In het door haar
ondertekende hercontrolerapport van 12 oktober 1997 heeft eiseres
bij de rubriek Bezittingen een auto met een waarde van ƒ10.000,-
ingevuld.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres in het bezit is
van deze auto, omdat het kentekenbewijs op haar naam staat. Door
niet eerder dan op 12 oktober 1997 melding te maken van de auto
heeft eiseres vanaf het moment van tenaamstelling op 3 mei 1996,
ten onrechte bijstand genoten ter hoogte van het bedrag van ƒ10.000,-, zodat dit bedrag teruggevorderd dient te worden.
Verweerder stelt dat de gehele waarde van de auto bij de
vermogensberekening betrokken dient te worden, aangezien de waarde
de drempel van ƒ5000,- overschrijdt. Voor de vaststelling van
de waarde van de auto is verweerder uitgegaan van de door eiseres
opgegeven waarde omdat zij volgens verweerder het
hercontroleformulier naar waarheid en uit eigen beweging heeft
ondertekend.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de auto het eigendom is
van haar vader en dat de auto door haar slechts gebruikt mag
worden. Daarnaast had verweerder zich bij de vaststelling van de
waarde van de auto niet alleen mogen baseren op de mededeling van
eiseres in het hercontrolerapport, maar had hij uit moeten gaan
van de reële restwaarde. Volgens eiseres ligt deze waarde onder
de door verweerder gehanteerde norm van ƒ5000,-.
Ten slotte is
eiseres van mening dat verweerder drie jaar na de indiening van
het bezwaarschrift niet meer tot terugvordering over kan gaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
Van terugvordering ingevolge de artikelen 42 en
82 van de Abw
kan
eerst sprake zijn indien eiseres geacht kon worden redelijkerwijs
over de auto te kunnen beschikken.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep
is
bij het gegeven dat een kenteken op naam van een betrokkene staat
de veronderstelling gerechtvaardigd dat de auto een bestanddeel
vormt van het vermogen van die betrokkene waarover hij
daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan
beschikken. Het is aan de betrokkene hiertegen toereikend
tegenbewijs te leveren.
Vaststaat dat het kenteken van de auto sinds 3 mei 1996 op naam
van eiseres staat en dat eiseres in de periode na de
kentekenregistratie van de auto gebruik heeft gemaakt. Naar de
overige feiten en omstandigheden met betrekking tot de auto heeft
verweerder geen nader onderzoek ingesteld, terwijl daar naar het
oordeel van de rechtbank wel aanleiding toe was. Het was
verweerder immers bekend dat eiseres psychisch niet stabiel is en
dat haar inmiddels met ingang van 8 december 1997 met
terugwerkende kracht een AAW-uitkering is toegekend. In zoverre
kan van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit niet worden
gesproken.
Uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde is het
volgende gebleken. Uit de aankoopnota en reparatiefacturen die
eiseres heeft overgelegd, volgt dat de auto aan de vader van
eiseres is geleverd, dat hij de aankoopprijs van de auto heeft
betaald en dat hij de facturen voor onderhoud aan de auto betaalt.
Daarnaast heeft de broer van eiseres ter zitting toegelicht dat
zijn vader eveneens de wegenbelasting en de verzekeringspremie
betaalt. Het kentekenbewijs, de wegenbelasting en de verzekering
zijn slechts op naam van eiseres gezet omdat zijn vader geen
rijbewijs heeft. Men was niet op de hoogte van de mogelijkheid om
met een ander identiteitsbewijs dan het rijbewijs het kenteken op
zijn naam te laten registreren. De vader wil regelmatig met de
auto vervoerd worden naar bijvoorbeeld familie of de bejaardensoos
en eiseres mag de auto zelf pas gebruiken nadat zij toestemming
van haar vader heeft gekregen. Het is ten slotte ondenkbaar dat
eiseres de auto van haar vader zou kunnen verkopen. Verweerder
heeft dit alles niet weersproken.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel
dat eiseres de auto slechts af en toe mag gebruiken en dat zij in
redelijkheid niet geacht kan worden hierover te kunnen beschikken.
Verweerder heeft dan ook niet op goede gronden kunnen beslissen
dat de auto tot het vermogen van eiseres behoort.
Het bestreden besluit moet derhalve worden vernietigd wegens
strijd met de wet. Aan een beoordeling van de overige grieven komt
de rechtbank dan ook niet meer toe.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te
veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
ƒ1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van
twee proceshandelingen.
3. Uitspraak
De arrondissementsrechtbank te
Middelburg:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de gemeente Oostburg aan eiseres het door haar
betaalde griffierecht ten bedrage van
ƒ60,- (zestig gulden)
vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de
zijde van eiseres begroot op
ƒ1420,-
(veertienhonderdtwintig
gulden), te betalen door de gemeente Oostburg aan eiseres/de
griffier.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2001 door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. W.J. de Veld,
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep
instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het
indienen van een beroepschrift bij de
Centrale
Raad van Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening
van verzending van deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / BW |
x
LJN: |
x
AD8232 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Almelo |
| Zaaknummer: |
01/507
NABW Z1 A |
| Datum
uitspraak: |
27
november 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 Abw (= 35
Wwb) / 1:386 BW |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; meerkosten curatorschap; bewindvoering; curatele |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor meerkosten van curatorschap,
omdat behoort te worden uitgegaan van het bedrag
waarvoor de kantonrechter de
curator heeft gemachtigd om bij betrokkene in rekening te brengen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Almelo
01/507 NABW Z1 A
U I T S P R A A K
in het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, wettelijk vertegenwoordigd door
A.G. Kieftenbeld, professioneel curator te Gouda,
gemachtigde: mr. H. Dammingh, advocaat te Utrecht,
en
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Losser,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 6 maart 2001, verzonden op 15 mei
2001.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Bij schrijven van 7 februari 2000 heeft de heer A.G. Kieftenbeld
(hierna te noemen: de curator) zich, in de hoedanigheid van
curator van eiseres, tot verweerder gewend met het verzoek eiseres
over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999
bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van curatorschap
van
ƒ4942,63.
Op 23 maart 2000 heeft de kantonrechter te Gouda de curator
gemachtigd om aan eiseres voor zijn werkzaamheden in 1999 een
bedrag van
ƒ4942,63 in rekening te brengen.
Bij besluit van 18 augustus 2000 heeft verweerder besloten deze
aanvraag voor bijzondere bijstand gedeeltelijk toe te kennen,
namelijk voor een bedrag van
ƒ1353,20. Bij het vaststellen van
dit bedrag heeft verweerder aansluiting gezocht bij de uitspraak
van Rechtbank Arnhem d.d. 8 februari 2000, alsmede de
aanbevelingen van de kantonrechters van 7 juni 1999.
Bij schrijven van 12 september 2000 is namens eiseres en haar
curator tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Op 14 november 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 6 maart 2001 heeft verweerder op de
daarin vervatte gronden de bezwaren van eiseres ongegrond
verklaard.
Blijkens het namens eiseres en haar curator ingediende
beroepschrift kan zij zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 25 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende
gedingstukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van
30 oktober 2001, waar de curator in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. M.M. van Rijk, kantoorgenote van mr. H.
Dammingh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen
door G.J.M. Bolscher.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van 6 maart 2001, waarbij de
bezwaren van eiseres tegen het besluit van 18 augustus 2000
ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.
Op grond van artikel 39, eerste lid, van de
Abw
heeft de
alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover
deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en
deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet
kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm
en de aanwezige draagkracht.
Ingevolge artikel 1:386, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek
(BW) zijn - voor zover hier van belang - op het bewind van de
curator de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften
van overeenkomstige toepassing. Tenzij de beloning bij het
uitspreken van de curatele anders is geregeld, komt de curator -
de ouder daaronder begrepen - als beloning toe vijf ten honderd
van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond
van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij
ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de
ondercuratelegestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning
anders regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de
wet is aangegeven.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat niet in
geschil is dat de kosten van curatorschap behoren tot de
bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in
artikel 39 van de Abw. Het geschil spitst zich volgens verweerder
toe op de vraag of hij op goede gronden de hoogte van de
bijzondere bijstand over 1999 op ƒ1353,20 heeft vastgesteld.
In verband hiermee heeft verweerder overwogen dat de Centrale
Raad van Beroep
(CRvB) op 25 april 2000 (JABW 2000/108) [LJN
ZB8765,
red.]
heeft geoordeeld dat kosten welke naar aard en strekking
onlosmakelijk verbonden zijn aan ingesteld mentorschap in beginsel
noodzakelijke kosten van het bestaan zijn die als zodanig tot het
verlenen van bijzondere bijstand aanleiding kunnen geven. Daarbij
heeft de CRvB volgens verweerder aangestipt dat burgemeester en
wethouders een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het
beoordelen of in het betrokken geval aanspraak op bijzondere
bijstand bestaat. Uit dat laatste leidt verweerder af dat hij een
eigen verantwoordelijkheid heeft bij de uitvoering van de Abw
en
dientengevolge bevoegd is om de hoogte van de bijzondere bijstand
- in afwijking van het bedrag van ƒ4942,63, dat eiseres naar
aanleiding van de machtiging van de kantonrechter te Gouda
van 23
maart 2000 verschuldigd is aan de curator - op een ander bedrag
vast te stellen. Bij het vaststellen van de hoogte van dat bedrag
is naar verweerders mening op goede gronden aansluiting gezocht
bij de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 8 februari 2000
(JABW
2000/86) [LJN AA5397,
red.],
alsmede bij de aanbevelingen van de kantonrechters van 7 juni
1999. Volgens verweerder treedt hij hiermee geenszins in de
afwegingen van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000.
Eiseres is, kort gezegd, van mening dat verweerder ten onrechte
afwijkt van het bedrag waarvoor de kantonrechter te Gouda
de
curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen.
Eiseres is van mening dat verweerder deze machtiging van de kantonrechter
als uitgangspunt dient te nemen bij de toekenning
van de bijzondere bijstand. Het staat verweerder volgens eiseres
niet vrij in de afwegingen van de kantonrechter te treden. In
verband hiermee verwijst eiseres naar de uitspraak van Rechtbank
Haarlem van 9 maart 2001, nr. NABW H V66 G14 K1.
Volgens eiseres interpreteert verweerder de hierboven vermelde
uitspraak van de CRvB van 25 april 2000 voor wat betreft de eigen
verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de Abw
op een onjuiste
wijze. Volgens eiseres is de juiste interpretatie van deze
uitspraak dat de eigen verantwoordelijkheid van verweerder ter
zake ziet op de omstandigheid dat de uiteindelijke toekenning van
bijzondere bijstand nog afhankelijk is van de
draagkrachtberekening.
De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter
zitting vast dat niet in geschil is dat de kosten in verband met
ondercuratelestelling gerekend kunnen worden tot de noodzakelijke
bestaanskosten, waarvoor in beginsel bijstand kan worden verleend.
In geschil is met name de vraag of verweerder ter uitvoering van
de Abw
met betrekking tot de hoogte van die kosten in beginsel
behoort uit te gaan van de hierboven vermelde beschikking van de kantonrechter te Gouda
van 23 maart 2000 of dat hij met betrekking
tot die kosten een eigen afweging kan maken. Derhalve dient de
vraag te worden beantwoord of verweerder er terecht van uitgegaan
is dat de noodzakelijke kosten van curatorschap voor eiseres ƒ1353,20 bedragen.
Op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 1:386, eerste lid,
BW komt de kantonrechter de bevoegdheid toe om de beloning van de
curator anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele
of door de wet is aangegeven. In dat kader heeft de kantonrechter
op 23 maart 2000 de curator gemachtigd om voor zijn werkzaamheden
ingevolge het curatorschap ten behoeve van eiseres een bedrag van
ƒ4942,63 bij haar in rekening te brengen. Daarbij heeft de
kantonrechter beoordeeld en vastgesteld dat de ingediende
declaratie in een redelijke verhouding stond tot de verrichte
activiteiten in verband met het uitoefenen van het curatorschap
ten behoeve van eiseres. Het betreft hier een rechterlijke
beschikking met formele rechtskracht. Derhalve is de rechtbank
anders dan verweerder van oordeel dat verweerder ook voor wat
betreft de hoogte van de hier bedoelde kosten in beginsel behoort
uit te gaan van het oordeel van de kantonrechter. Voor een nadere
beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank hier geen plaats.
Daarbij heeft verweerder wel eigen verantwoordelijkheden met
betrekking tot de aanspraak op bijzondere bijstand.
Gelet op het vorenstaande wijkt verweerder naar het oordeel van de
rechtbank bij de toekenning van de bijzondere bijstand ten
onrechte af van het bedrag waarvoor de kantonrechter te Gouda de
curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen.
Het beroep is derhalve gegrond.
Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op
het bepaalde in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht,
billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres
redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling
van dit beroep, zijnde kosten van rechtsbijstand ad ƒ1420,- en
de reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad ƒ63,-.
Beslist wordt derhalve als volgt.
4. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank Almelo,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het
bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het in deze
uitspraak gestelde;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte
proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ1483,-, door
verweerder te betalen aan eiseres;
- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht
ad ƒ60,- vergoedt.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2001 door mr.
J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger,
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger
beroep open bij de Centrale
Raad van Beroep
te Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD8380 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
01/5157
NABW-VV |
| Datum
uitspraak: |
13
december 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78c Abw (=
–
Wwb)
/
8:81
Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld;
niet nakomen aflossingsverplichtingen; vereenvoudigd
derdenbeslag |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing (overeenkomstig gemeentelijke beleidsregel) verzoek om
kwijtschelding van een restantfraudeschuld, omdat de
aflossingsverplichtingen niet stipt zijn nagekomen, waardoor
derdenbeslag moest worden gelegd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 01/5157
NABW-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht in samenhang met
artikel 21 van de Beroepswet in
het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Inleiding
Namens verzoeker is bij brief van 21 september 2001 hoger beroep
ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam
op 10 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak nummer
00/3776 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. In dezelfde brief
is verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De gronden voor het hoger beroep en die voor het verzoek om een
voorlopige voorziening zijn aangevuld bij brief van 18 oktober
2001.
Verzoeker en GAK Nederland BV hebben desgevraagd nadere stukken
ingezonden.
Namens gedaagde heeft mr. Ph. Burgers, werkzaam bij het Bureau
Rechtshulp Amsterdam-West, een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting op 4 december 2001, waar
verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.T.M. de
Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam, terwijl
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Burgers,
voornoemd.
II. Motivering
Met betrekking tot de ontvankelijkheid
Uit de gedingstukken blijkt dat de aangevallen uitspraak is
verzonden op 16 augustus 2001. De in rubriek I genoemde brief van
21 september 2001 is ter griffie van de Raad
ontvangen op 25
september daaropvolgend. Dit geschrift is tijdig ingediend namens
verzoeker en ondertekend door de chef Beroep van de
Concernafdeling Juridische Zaken van de sociale dienst van de
gemeente Amsterdam. Daarin is tevens een besluit van verzoeker tot
het instellen van hoger beroep en tot schorsing van de aangevallen
uitspraak in het vooruitzicht gesteld. Dit besluit is op voorstel
van de wethouder Sociale Zaken door verzoeker genomen op 5 oktober
2001.
De president ziet in dit hem bij brief van 18 oktober 2001
toegezonden besluit van verzoeker aanleiding om de
proceshandelingen tot het instellen van hoger beroep en tot het
vragen van een voorlopige voorziening op nader aan te voeren
gronden aan verzoeker toe te rekenen, aangezien op grond van dat
besluit ervan uitgegaan moet worden dat voormelde chef met
instemming van het college van burgemeester en wethouders is
opgetreden toen zij deze handelingen namens verzoeker verrichtte.
Daarmee is de termijn voor het instellen van het hoger beroep
gesauveerd.
Anders dan namens gedaagde is betoogd, is er naar het oordeel van
de president geen grond om aan te nemen dat zowel het hoger beroep
als het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk
zouden moeten worden verklaard op grond van de omstandigheid dat
dit al aangekondigde besluit na het verstrijken van de termijn is
genomen en in het geding is gebracht. Ook overigens ziet de
president geen gronden die aan een inhoudelijke beoordeling van
het verzoek om een voorlopige voorziening in de weg staan.
Met betrekking tot het verzoek
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en
artikel 21 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de
Awb kan, indien
tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de
rechtbank als omschreven in artikel 18 van de
Beroepswet hoger
beroep is ingesteld, de president van de Raad
op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening
als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een
afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een
al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak
het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden
toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke
mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak
niet in stand zal blijven.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de
bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president
een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing
in die procedure.
Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende.
Gedaagde ontving een bijstandsuitkering van verzoeker gedurende de
periode van 9 december 1980 tot 1 juni 1992. In verband met door
gedaagde verzwegen inkomsten uit arbeid besloot verzoeker tot
terugvordering van aan gedaagde verleende bijstand over te gaan.
Het totale bedrag van de terug te vorderen bijstand bedroeg
ƒ19.276,86. In een brief van 28 augustus 1992 werd het met ingang
van 1 september 1992 maandelijks af te lossen bedrag vastgesteld
op
ƒ200,-; voorts werd aan gedaagde bericht:
"Gelet op het tijdsverloop sinds het ontstaan van deze
vordering, zal ik ter stuiting van de verjaring de rechter vragen
zich een oordeel te vormen over uw betalingsverplichtingen. U kunt
dus een oproep voor de rechtszitting verwachten.
Overigens heeft de uitspraak van de rechter, indien u stipt uw
(toekomstige) betalingsverplichting nakomt, geen directe
consequenties voor u.
Mocht met u geen regeling in der minne kunnen worden getroffen,
dan zal ik deze vordering (ook) ter beoordeling aan de rechter
voorleggen om uw betaalverplichting in rechte af te kunnen
dwingen."
De kantonrechter te Amsterdam stelde bij beschikking van 15
december 1992 vast dat de gemeente terstond een bedrag van
ƒ19.276,82 (saldo per 1 december 1992) ten laste van gedaagde kon
invorderen ter zake van gemaakte kosten van bijstand. Gedaagde
bleef in gebreke te betalen ook nadat verzoeker het maandelijks
door hem af te lossen bedrag ingaande 1 januari 1993 had verlaagd
tot
ƒ150,- en hem bij brief van 5 februari 1993 had gewezen op
de mogelijkheid van beslag op loon of uitkering bij het niet stipt
nakomen van zijn betaalverplichting.
Verzoeker heeft vervolgens vereenvoudigd derdenbeslag gelegd
ingaande 1 juli 1993 ten laste van gedaagde. Vanaf juli 1993 heeft
de gemeente door middel van dit beslag maandelijks een bedrag van
ƒ150,- ontvangen. Dit bedrag wordt ingehouden op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die gedaagde ontvangt.
Onder dagtekening 1 december 1999 heeft verzoeker mededeling
gedaan van zijn besluit om niet van verdere terugvordering af te
zien. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is ongegrond
verklaard bij besluit van 9 juni 2000 op grond van in hoofdzaak de
volgende overwegingen:
"Het invorderingsbeleid van de gemeente op grond van artikel
78c Abw is vastgelegd in de
nota Verantwoord afschrijven,
gepubliceerd op 23 april 1999 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 212). Voor
zover hier van belang worden de volgende criteria van
afschrijving gehanteerd. Tot afschrijving wordt overgegaan,
indien:
- er geen sprake is van vermogenstoeval;
- de debiteur drie of vijf jaar lang volledig aan zijn
aflossingsverplichting heeft voldaan;
- de inning niet geschiedt door middel van beslag;
- er geen sprake is van recidive.
Blijkens punt 5.3 Instructies van de sociale dienst ten aanzien
van het gemeentelijke beleid is beslag geen absolute
uitsluitingsgrond voor toepassing van artikel
78c, eerste lid, Abw.
Indien de debiteur het initiatief heeft genomen met een verzoek
tot beslaglegging, teneinde er zeker van te zijn dat maandelijks
correct wordt betaald, moet de zaak worden beoordeeld als zou er
geen beslag liggen en moet de debiteur zijn betaalverplichting
zelf nakomen.
Op grond van het beleid inzake artikel 78c
Abw is doorslaggevend
dat er in casu feitelijk beslag is gelegd. Volgens het beleid kan
slechts indien u geen enkel verwijt voor het toepassen van
beslagmaatregelen kan worden gemaakt, een uitzondering worden
gemaakt. Wij menen dat wij de juistheid en rechtsgeldigheid van
het beslag op grond van het onderhavige besluit niet diepgaand
behoren te beoordelen. Wel kunnen wij ambtshalve beoordelen of de
beslaglegging evident onterecht was. U stelt dat u pas wist dat er
geen beslag was gelegd, toen u de onderhavige bestreden
beschikking ontving en derhalve nu pas het beslag kunt aanvechten
en dat aan u derhalve geen verwijt kan worden gemaakt van het
beslag. Wij menen dat de beschikking van 5 februari 1993 en de
acceptgiro die in ieder geval in juni 1993 is verzonden, aan het
juiste adres zijn verzonden, zoals dit was geregistreerd in het
bevolkingsregister en bij de sociale dienst. Door de beschikking
van 5 februari 1993 wist u, dan wel had u behoren te weten, dat
het overleg met de advocaat was afgerond, dat de
betalingsverplichting van
ƒ150,- vaststond en dat u hieraan
diende te voldoen. Het is onbestreden dat er een
betalingsachterstand was van vier termijnen, voordat beslag werd
gelegd. Afgezien van de vraag of dit een wettelijke vereiste was
bij de beslaglegging in juni 1993 is vóór het beslag een
schikkingsvoorstel gedaan. Het overleg over de hoogte van de
maandelijkse betaling is naar ons oordeel een overleg over een
minnelijke schikking."
De rechtbank heeft het besluit van 9 juni 2000 vernietigd wegens
strijd met artikel 3:2 van de Awb
en verzoeker opgedragen een
nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Naar
het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker niet overeenkomstig
zijn eigen beleid gehandeld en kan het gelegde beslag niet aan
gedaagde worden tegengeworpen bij de beantwoording van de vraag of
gedaagde voor kwijtschelding in aanmerking komt.
Namens verzoeker is dit oordeel gemotiveerd bestreden.
De president overweegt het volgende.
Artikel 78c, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) geeft
burgemeester en wethouders de bevoegdheid om van terugvordering of
van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende
kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
Op grond van de thans beschikbare gegevens gaat de president ervan uit dat verzoeker ten tijde hier van belang gedurende vijf
jaar volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting van
ƒ150,- per maand had voldaan. Dit betekent dat verzoeker op grond
van artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Abw in dit
geval bevoegd was om van verdere terugvordering af te zien.
Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet overeenkomstig
zijn ter zake geformuleerde beleid heeft gehandeld met als
consequentie dat het gelegde beslag aan gedaagde niet kan worden
tegengeworpen, acht de president niet juist.
Dat oordeel ziet eraan voorbij dat het uitgangspunt van
verzoekers beleid is om in geval van betaling door middel van
beslag niet tot kwijtschelding van (restant)vorderingen over te
gaan. De in de zogeheten werkvoorschriften van verzoeker
geformuleerde uitzondering op dat uitgangspunt voor de situatie
dat blijkt "dat niet in voldoende mate is getracht tot een
minnelijke schikking te komen" leest de president in
samenhang met de uitleg van dat beleid zoals deze in het bestreden
besluit is weergegeven. In dat licht bezien kan naar het oordeel
van de president bezwaarlijk worden aangenomen dat gedaagde het
leggen van vereenvoudigd derdenbeslag niet kan worden verweten en
ook niet worden aangenomen dat in het geval van gedaagde met
succes een beroep op deze uitzondering zou kunnen worden gedaan.
De hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting van gedaagde
alsook de mogelijke gevolgen van niet-stipte nakoming van die
verplichting - waaronder die van beslag - zijn immers duidelijk
gemarkeerd in de aan gedaagde verzonden brief van 5 februari 1993;
vervolgens is op 9 juni 1993 in gedaagdes dossier genoteerd
"er is geen rooie cent afgelost op VI 82400 ondanks
bemiddeling door advocaat".
Het gestelde niet ontvangen van acceptgiro's en aanmaningen door
gedaagde maakt dit niet anders; voor zover daarvan al in het eerste
halfjaar van 1993 sprake is geweest, had het na de ontvangst van
de brief van 5 februari 1993 op de weg van gedaagde gelegen om
hierover contact op te nemen met verzoekers sociale dienst en het
vanaf 1 januari 1993 maandelijks verschuldigde bedrag eventueel op
andere wijze te voldoen.
Op grond van bovenstaande overwegingen is de president tot het
oordeel gekomen dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid
bestaat dat de aangevallen uitspraak in het bodemgeschil geen
stand zal houden. De gevraagde voorlopige voorziening komt voor
toewijzing in aanmerking en de werking van de aangevallen
uitspraak zal worden opgeschort totdat de Raad
heeft beslist op
het hoger beroep.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb acht de president ten
slotte geen termen aanwezig.
III.
Beslissing
De president van de Centrale
Raad van Beroep:
schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 augustus 2001, reg.
nr. 00/3776 NABW.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in
tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 13 december 2001.
(get.) G.A.J. van
den Hurk.
(get.) M.C.M.
Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|