| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wiw |
x
LJN: |
x
AD8414 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Leeuwarden |
| Zaaknummer: |
01/1106
ABW |
| Datum
uitspraak: |
21
december 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14 en 113 Abw
(= 18 en 9
Wwb) |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; arbeidsverplichtingen; werkweigering;
Wiw-dienstbetrekking; gesubsidieerde baan; recidive |
| Essentie: |
Terechte
oplegging maatregel van 100% gedurende (wegens recidive) twee
maanden, omdat betrokkene passende arbeid (Wiw-dienstbetrekking)
niet heeft aanvaard. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Leeuwarden 01/1106 ABW
U I T S P R A A K
ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sneek, verweerder,
gemachtigde: drs. E.S. Acda, werkzaam in dienst van de gemeente
Sneek.
I. Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2001 (verzonden op 4 december 2001)
heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan met betrekking tot de
toepassing van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 5 december 2001 tot de
president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het
bepaalde in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht
(Awb) een
voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is ter zitting behandeld op 21 december 2001.
Verzoeker is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij
gemachtigde.
II. Motivering
Op grond van artikel 8:81 Awb kan de president van de
rechtbank die
bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de
president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te
kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker
een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige
voorziening.
Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het
geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de
president daaromtrent een voorlopig karakter.
Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan indien het voorlopig oordeel van de president in de
hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit
gegrond verklaard zal moeten worden.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een
maatregel opgelegd, eruit bestaande dat zijn bijstandsuitkering
met ingang van 1 december 2001 gedurende twee maanden met 100% wordt
gekort. De reden hiervoor is dat verzoeker volgens verweerder een
voorziening op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw)
zou hebben geweigerd.
Door verzoeker is hiertegen aangevoerd dat dit besluit zijn
herintreding op de arbeidsmarkt nog verder bemoeilijkt, hetgeen
niet de bedoeling kan zijn. Hij vindt de korting van 100% voorts
onterecht omdat hij herhaaldelijk en aantoonbaar (door middel van
sollicitaties) zijn medewerking heeft verleend aan de Wiw.
Verzoeker vraagt de president het besluit te schorsen teneinde
onherstelbare financiële gevolgen te voorkomen.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Nadat de gesprekken
tussen verzoeker en de heer [X] van het [naam] Ziekenhuis niet tot
een plaatsing op de technische dienst aldaar hadden geleid als
gevolg van de ongemotiveerde opstelling van verzoeker, is aan
verzoeker op 18 september 2001 telefonisch een werkplek als conciërge bij het [school] te [woonplaats] aangeboden. Afgesproken
is dat verzoeker zelf contact zou opnemen met de heer [Y] van deze
instelling. Zoals uit verschillende notities van na die datum
blijkt, is verzoeker deze afspraak niet nagekomen, ondanks een
drietal schriftelijke aansporingen. Op 16 oktober 2001 is de
conclusie getrokken dat verzoeker er "waarschijnlijk geen zin
in heeft". Vervolgens is het bestreden besluit genomen.
Naar het voorlopig oordeel van de president blijkt uit het
voorgaande voldoende duidelijk dat aan verzoeker een concreet
werkaanbod is gedaan. Nu verzoeker daar niet op ingegaan is, is
sprake van een schending van de op hem rustende verplichting
beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wiw, mee te
werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik
te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te
verschijnen (artikel 113, eerste lid, onderdeel f,
Abw). Op grond van artikel 14,
eerste lid, Abw weigeren burgemeester en wethouders in dat geval de bijstand
geheel of gedeeltelijk. Een dergelijke maatregel wordt afgestemd
op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert (artikel 14, tweede lid, Abw).
In het op artikel 14, vijfde lid, Abw
gebaseerde Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en
Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) is in artikel 3,
onderdeel 4, bepaald dat als een gedraging van de vierde categorie onder meer
geldt het niet aanvaarden van passende arbeid. Naar het oordeel
van de president heeft verweerder zich terecht op het standpunt
gesteld dat die situatie zich hier voordoet. Op grond van artikel 5,
eerste lid, onderdeel d, Maatregelenbesluit weigeren burgemeester en
wethouders in zo'n geval de bijstand voor 100% gedurende één maand.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, Maatregelenbesluit
wordt de periode van
weigering van de bijstand verdubbeld indien de belanghebbende zich
binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit
dezelfde of een hogere categorie. In dit verband is van belang dat
aan verzoeker bij beschikking van 17 januari 2001 een maatregel
van 5% korting gedurende één maand is opgelegd wegens een gedraging
van de eerste categorie (verwijtbaar niet ingeschreven hebben
gestaan bij het arbeidsbureau).
Toepassing van artikel 5, tweede lid,
Maatregelenbesluit leidt tot een
verdubbeling van de periode van de weigering tot twee maanden. Het
moet er kennelijk voor worden gehouden dat de regelgever een
systeem in het leven heeft willen roepen waarbij een gedraging van
de lichtste categorie - zoals ook in het onderhavige geval - tot
gevolg heeft dat de sanctie op een in de twaalf maanden daaropvolgende gedraging uit een zwaardere
categorie dubbel bestraft
wordt. De president constateert echter wel de ongerijmdheid dat de
tekst van artikel 5, tweede lid, Maatregelenbesluit
verhindert dat een
verdubbeling van de sanctie wordt toegepast indien de eerste
sanctie het gevolg was van een gedraging van een zwaardere
categorie dan de daaropvolgende. Overigens is de president van
oordeel dat een weigering van 100% gedurende twee maanden, gezien
de opstelling van verzoeker jegens de pogingen hem te doen reïntegreren
in het arbeidsproces, evenredig is met de ernst van de gedraging,
terwijl van omstandigheden die tot een matiging zouden nopen niet
is gebleken.
De president komt dan ook tot de slotsom dat het bezwaarschrift
van verzoeker naar alle waarschijnlijkheid ongegrond zal worden
verklaard, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De president
ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een
proceskostenveroordeling.
III.
Beslissing
De president:
- wijst het verzoek af.
Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, fungerend president, en door hem
in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001, in
tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.
w.g. F.P. Dillingh
w.g. D.J. Keur
Schriftelijke uitspraak verzonden op: 24 januari 2002.
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD9031 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/00778 ABW |
| Datum
uitspraak: |
20
december 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
24,
82, 83, 92 en
93
Abw (= 48,
58, 58, 61
en 61 Wwb) /
3:40 en 3:41 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
boedelscheiding; verkoop echtelijke woning; overbedeling;
leenbijstand; geldlening; vastlegging voorwaarden;
verplichtingen; terugvordering |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering leenbijstand wegens te verwachten gelden uit
boedelscheiding en overwaarde van de echtelijke woning, omdat de
precieze voorwaarden, zoals de wijze van terugbetaling,
waaronder de leenbijstand wordt verstrekt niet zijn vastgelegd
(in het toekenningsbesluit). Eerst indien niet aan deze, alsnog
vast te leggen verplichtingen wordt voldaan, dient tot
terugvordering te worden overgegaan. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/00778 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente
Den Haag, verweerster.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 17 augustus 2000 heeft verweerster eiseres
medegedeeld dat de aan eiseres over de periode van 1 juni 1999 tot
en met 31 december 1999 verstrekte uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(verder: Abw) wordt teruggevorderd tot een bedrag van
ƒ10.004,02.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief ingekomen op 15
september 2000 bezwaar gemaakt. Eiseres is op 21 november 2000
gehoord.
Bij besluit van 12 januari 2001 heeft verweerster het
bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij ongedateerde brief,
binnengekomen bij de rechtbank op 28 februari 2001, beroep
ingesteld.
Het beroep is op 4 december 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer J.C. de
Haas.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar
gemachtigde mr. P. Siemerink.
II. Motivering
In geschil is of verweerster het besluit van 12 januari 2001 op
goede gronden heeft genomen.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de sociale dienst heeft
nagelaten haar te vertellen dat haar partner zolang de scheiding
niet was uitgesproken onderhoudsplichtig was jegens zijn gezin.
Eiseres heeft gesteld dat de gemeente Den Haag de aan haar
verleende bijstand gedeeltelijk op haar (ex-)echtgenoot had moeten
verhalen onder toepassing van de artikelen 92 en
93 Abw. Doordat
eiseres niet van die op haar ex-echtgenoot rustende
onderhoudsplicht op de hoogte was en omdat al haar rekeningen
waren geblokkeerd, heeft zij ingestemd met het verlenen van
bijstand in de vorm van een lening. Eiseres heeft gesteld uit het
aan haar wegens overbedeling toekomende bedrag leningen aan de
sociale dienst Rijswijk, haar broer en haar zus te hebben
terugbetaald. Eiseres is niet in staat tot terugbetaling van het
teruggevorderde bedrag.
Verweerster is tot de in geding zijnde terugvordering overgegaan
op grond van artikel 82, aanhef en onder
a, Abw. Daartoe heeft
verweerster overwogen dat de bijstandsuitkering op grond van
artikel 24 Abw is verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat
er nog gelden te verwachten waren uit de boedelscheiding en uit de
overwaarde van de echtelijke woning. Gesteld is dat op 10 december
1999 een bedrag van ƒ63.958,50 aan eiseres is uitgekeerd wegens
overbedeling. Rekening houdend met de terugbetaalde schuld aan de
gemeente Rijswijk is geconcludeerd dat eiseres in staat moet zijn
de netto verstrekte bijstand over de periode 1 juni 1999 tot 1
januari 2000 ter hoogte van ƒ10.004,02 terug te betalen. Het
feitelijk bestaan van overige door eiseres beweerdelijk gemaakte
schulden is niet, dan wel onvoldoende door haar aannemelijk
gemaakt. Bovendien is geen sprake van daadwerkelijke
aflossingsverplichtingen. Het feit dat geen gebruik is gemaakt van
de mogelijkheid van verhaal van bijstand op de onderhoudplichtige
ontslaat eiseres niet van haar verplichting tot terugbetaling van
de aan haar verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening. De
verwachting dat eiseres op korte termijn over voldoende middelen
zou gaan beschikken om over de betreffende periode zelf in de
noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, garandeerde in
voldoende mate de terugbetaling van deze kosten van bijstand. Een
verhaalsprocedure garandeert geen terugbetaling. Gelet op de
verwachte korte duur van de uitkering werd het niet opportuun
geacht hiernaast de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige
te verhalen. Van dringende redenen om af te zien van
terugvordering is volgens verweerster niet gebleken.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw
heeft iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Artikel 24, aanhef en onder a, Abw
bepaalt dat bijstand eveneens
kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht
indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende
op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de
betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien.
Artikel 82, aanhef en onder a, Abw
bepaalt dat de kosten van
bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover
hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is
verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.
Volgens artikel 83, eerste lid, Abw
worden kosten van bijstand
verleend in de vorm van een geldlening ingevolge deze paragraaf
van de belanghebbende teruggevorderd, indien hij de hieruit
voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
Ingevolge artikel 93, aanhef en onder a respectievelijk
b, Abw worden kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht
als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald op
degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn
onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot of minderjarig kind niet
of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn
onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt
respectievelijk op degene die zijn onderhoudsplicht na
echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van
tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt.
Vaststaat dat eiseres bij besluit van 11 juni 1999 met ingang van
1 juni 1999 bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening,
omdat nog gelden te verwachten waren uit boedelscheiding en
overwaarde van een woning. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat
zij zich dit besluit niet kan herinneren en dat zij niet heeft
begrepen dat het een geldlening betrof. Naar het oordeel van de
rechtbank heeft eiseres niet op geloofwaardige wijze de ontvangst
van genoemd besluit betwist. In haar beroepschrift heeft zij
immers aangegeven wel op de hoogte te zijn van de geldlening. De
rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder
niet tot terugvordering heeft kunnen besluiten omdat het
toekenningsbesluit van 11 juni 1999 niet overeenkomstig het
bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de
Awb op juiste wijze
aan eiseres zou zijn bekendgemaakt en derhalve, gelet op artikel
3:40 van de Awb, niet in werking zou zijn getreden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het bepaalde in artikel
83,
eerste lid, van de Abw zich in dit geval verzet tegen
terugvordering van de aan eiseres verleende bijstand in de vorm
van een geldlening krachtens het bepaalde in artikel 82, aanhef en
onder a, van die wet, zoals verweerder heeft besloten.
Hiertoe wordt overwogen dat in deze vorm van bijstandverlening
besloten ligt dat een belanghebbende zoals eiseres verplicht is
tot terugbetaling van de betaalde leenbijstand en dat, mede uit
een oogpunt van de jegens de belanghebbende in acht te nemen
zorgvuldigheid en rechtszekerheid, in beginsel van het ter zake
van de toekenning van de bijstand bevoegde bestuursorgaan mag
worden verlangd dat in het toekenningsbesluit duidelijkheid wordt
verschaft over de precieze condities waaronder de leenbijstand
wordt verstrekt, waarvan voorwaarden met betrekking tot de wijze
van terugbetaling van de geldlening een onmisbaar bestanddeel
vormen. Artikel 83, eerste lid, van de Abw
is de aangewezen
wettelijke grondslag voor terugvordering van de leenbijstand
indien belanghebbende de uit deze bijstand voortvloeiende
verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
In dit kader stelt de rechtbank vast dat verweerster in het
toekenningsbesluit van 11 juni 1999 niet heeft aangegeven op welke
wijze eiseres haar geldlening diende af te lossen. Niet is
gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerster
heeft mogen afzien van het vermelden van de voorwaarden in die
beslissing. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerster geen
stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiseres langs andere
weg opheldering is verschaft over met betrekking tot de wijze van
terugbetaling op haar rustende verplichtingen.
Uit het vorenstaande volgt dat verweerster bedoelde verplichtingen
voor eiseres alsnog moet concretiseren en vastleggen, waarna
eiseres in staat moet worden gesteld aan deze verplichtingen te
voldoen. Eerst indien eiseres die verplichtingen niet nakomt,
dient verweerster op grond van de dwingende bepaling van artikel
83, eerste lid, Abw over te gaan tot terugvordering van de aan
haar toegekende leenbijstand.
Uit het vorenstaande volgt verder dat bij het bestreden besluit
ten onrechte toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 82,
aanhef en onder a, van de Abw. Het beroep is om die reden gegrond
en het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in
aanmerking.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de in de artikelen 92 en
93 Abw bedoelde verhaalsverplichtingen gelden voor de
gemeente.
Aan die bepalingen kan een belanghebbende zoals eiseres, aan wie
leenbijstand is toegekend, geen recht ontlenen om aan de uit de
haar toegekende leenbijstand voortvloeiende
terugbetalingsverplichting te ontkomen.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou
moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerster op een nieuw besluit te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan eiseres het
door haar betaalde griffierecht, te weten ƒ60,-, vergoedt.
Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar
uitgesproken op 20 december 2001, in tegenwoordigheid van de
griffier mr. drs. M.S.E. Hage.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD9298 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank 's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/2556 ABW |
| Datum
uitspraak: |
6
augustus 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en 12 Abw
(= 11 en –
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
afwijzing bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; TBV
1999/23; Turken |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de
Abw c.a. niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander
aangezien zijn aanvraag om toelating tot Nederland dateert van
na inwerkingtreding van de Koppelingswet. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/2556 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag, verweerder,
ten aanzien van het besluit van 16 mei 2001 van de Commissie Sociale
Zekerheid van de gemeente Den Haag,
waarbij door verweerster op verzoekers aanvraag om een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet
afwijzend is beslist.
1. Zitting
Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 augustus 2001. Verzoeker is
in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.E. van Dijk.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door M.I.E. Rhuggenaath.
2. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb
kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank
beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de
rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de
president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,
gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Uitvoeringsorganisatie
GUO aan verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet met ingang van 28 februari 2001 is
beëindigd.
Op 2 mei 2001 heeft verzoeker zich bij verweerster gemeld voor een
bijstandsuitkering. Deze aanvraag werd op 16 mei 2001 op schrift gesteld
en tevens bij besluit van gelijke datum afgewezen op grond van artikel 7,
tweede en derde lid, van de
Abw alsmede het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz aangezien verzoeker
geen Nederlander is en niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden
op grond van de Abw. Bij brief van 17 juli
2001 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen genoemd afwijzingsbesluit en
tevens bij de president van deze rechtbank
een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De president dient de
vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 16 mei 2001, naar
voorlopig oordeel, bij heroverweging in bezwaar in stand zal blijven.
De president overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het
bezwaarschrift als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van
de
Awb bedraagt de termijn voor het
indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb,
schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die
waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.
Artikel 3:41 van de Awb
bepaalt dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of
uitreiking aan de belanghebbende.
In artikel 6:11 van de Awb
is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend
bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege
blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener
in verzuim is geweest.
Verzoeker heeft aangevoerd het bestreden besluit voor het eerst op 17
juli 2001 te hebben ontvangen na uitreiking door verweerder op diens
wijkkantoor X waar verzoeker zich meldde. Gelet op deze bekendmaking
meent verzoeker op 17 juli 2001 tijdig bezwaar te hebben gemaakt.
De president gaat er vooralsnog van uit, gelet op de door verzoeker
aangevoerde gronden, dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. Hierbij
stelt de president vast dat verweerster geen middelen heeft aangewend om
aan te tonen dat het bestreden besluit daadwerkelijk op 16 mei 2001 is
verzonden.
De president overweegt ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om
bijstand als volgt.
Op grond van artikel 7, tweede lid, van de
Abw wordt met de Nederlander,
bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van
de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Op grond van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l,
van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig
verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 20;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 33;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op
grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het
Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.
Verzoeker, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, heeft tegen het
bestreden besluit aangevoerd dat hij wel rechtmatig in Nederland
verblijft aangezien hij de beslissing op bezwaar naar aanleiding van de
afwijzing op de aanvraag tot toelating in Nederland op grond van TBV
1999/23 [TBV: Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire, red.]
in Nederland mag afwachten. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij
ten tijde van de invoering van de Koppelingswet
per 1 juli 1998 rechtmatig in Nederland verbleef en weigering van
bijstand in zijn situatie disproportioneel is. Verzoeker beroept zich
hierbij op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en de hiermee in verband
staande uitspraak van de CRvB van 26 juni
2001 met nummer 99/2382. Tevens is verzoeker van oordeel dat hij recht
op bijstand heeft op grond van artikel 11, onderdeel a, van het
Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (EVSMB), dit
ondanks de uitspraak van deze rechtbank
van 26 maart 2001 met procedurenummer 00/11800. Volgens verzoeker is
hierbij van de zijde van de rechtbank sprake van een misslag.
De president stelt vast dat verzoeker niet beschikt over rechtmatig
verblijf zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a tot en met e
en l, van de Vw 2000. Verzoeker kan derhalve niet gelijkgesteld
worden met een Nederlander op grond van artikel
7, tweede lid, van de Abw.
Voorts stelt de president vast dat het gestelde onder artikel
7, derde lid, van de Abw voor
verzoeker niet van toepassing is aangezien hij nooit beschikte over
rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a tot
en met e en l, van de Vw 2000.
Artikel 26 van het IVBPR bepaalt dat allen gelijk zijn voor de wet en
dat zij zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming
door de wet. De wet verbiedt discriminatie van welke aard ook en
garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen
discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal,
godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. De Centrale
Raad van Beroep
stelt in eerder genoemde uitspraak van 26 juni 2001 vast dat in de Koppelingswet
een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is als bedoeld in
artikel 26 van het IVBPR, nu aan vreemdelingen slechts onder
bepaalde voorwaarden rechten worden verleend die aan Nederlanders
zonder die voorwaarden worden toegekend. De Raad acht voor dit
onderscheid op zich een toereikende rechtvaardiging aanwezig, mede
gelet op de doelstelling van de Koppelingswet (geen aanspraak op
uitkering bij wederrechtelijk verblijf in Nederland en voorkomen
van schijnlegaliteit), dit mede ter ondersteuning van een
consistent vreemdelingenbeleid. Deze rechtvaardiging geldt,
volgens de Raad, ook voor de categorie vreemdelingen aan wie
toestemming is verleend om in afwachting van een beslissing op hun
aanvraag om een verblijfsstatus of in het kader van procedure
daarover (voorlopig) in Nederland blijven. Volgens de Raad gaat de
gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte
heeft gekregen in de Abw in ieder
geval ten volle op voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1
juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de visie
van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de
tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12
(oud) van de
Abw bijstand is verleend.
De president stelt vast dat verzoeker eerst op 2 mei 2001 de
bijstandsuitkering heeft aangevraagd, waarvan de aanspraak daarop
thans onderwerp is van het geschil. Verzoeker behoort derhalve
niet tot de categorie vreemdelingen die ten tijde van de invoering
van de Koppelingswet per 1 juli 1998
een bijstandsuitkering ontving op grond van artikel
12 (oud) van de
Abw. Voorts stelt de president vast
dat verzoeker is uitgeprocedeerd ten aanzien van zijn verzoek om
toelating van 4 december 1996 en dat hij thans een procedure voert
op basis van een tweede verzoek om toelating dat dateert van 21
mei 1999 en dat tevens wordt behandeld als een verzoek om
toelating op grond van het TBV 1999/23. Nu verzoeker zijn
rechtmatig verblijf, inhoudende een gedoogstatus op grond waarvan
verzoeker Nederland niet uitgezet kan worden, ontleent aan een
aanvraag om toelating tot Nederland die dateert van 21 mei 1999 en
derhalve van na invoering van de Koppelingswet, kan de situatie
van verzoeker niet gelijkgesteld worden met de situatie van de
vreemdeling zoals bedoeld in eerder genoemde uitspraak van de Raad.
Verzoeker kan derhalve geen aanspraak op bijstand ontlenen aan
artikel 26 van het IVBPR.
De president is voorts van oordeel dat het beroep dat verzoeker
doet op artikel 11 van het EVSMB faalt, aangezien de gedoogstatus
van verzoeker niet op één lijn gesteld kan worden met een "permit
or such other permission" zoals genoemd in artikel 11 van het
EVSMB. De president verwijst voor de wettelijke bepalingen en de
motivering naar de door beide partijen aangehaalde uitspraak van
de rechtbank van 26 maart 2001
aangezien deze uitspraak bij beide partijen bekend is.
De president ziet niet in dat deze uitspraak van de rechtbank
berust op een kennelijke misslag. De president gaat er hierbij van
uit dat de rechtbank in eerder genoemde uitspraak blijkbaar van
oordeel was dat, ondanks de schijnbare onduidelijkheid in het
EVSMB doordat in artikel 11 geen verwijzing naar bijlage III
staat, in artikel 12 wel een verwijzing naar bijlage III staat,
terwijl boven bijlage III staat dat het een uitwerking van artikel
11 is, de bijlage III, naast wellicht ook op artikel 12, in ieder
geval ook betrekking heeft op artikel 11 van het verdrag. Dit
oordeel van de rechtbank ligt thans voor in hoger beroep bij de Centrale
Raad van Beroep.
Gelet op het bovenstaande komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81
van de
Awb niet voor inwilliging in
aanmerking.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is
de president niet gebleken.
3. Beslissing
De president van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee als fungerend president en in het
openbaar uitgesproken op 6 augustus 2001, in tegenwoordigheid van de
griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD9356 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/11800 ABW |
| Datum
uitspraak: |
26
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7 Abw (= 11
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
afwijzing bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; EVSMB; TBV 1999/23;
Turken |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijstand,
omdat betrokken vreemdeling niet beschikte over een (tijdelijke)
verblijfs- of vestigingsvergunning en aldus niet rechtmatig verblijf hield in de zin van het
EVSMB, zodat hij niet kan worden gelijkgesteld met een
Nederlander in de zin van Abw c.a. Bij Circulaire van de
Minister van SZW van 17 februari 2000 is bepaald dat voor alle nieuwe bijstandsaanvragen de
Koppelingswet
onverkort van toepassing is en dat lopende
uitkeringen vóór 1 mei 2000, met toepassing van een redelijke
uitlooptermijn van vier weken, dienen te worden beëindigd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 00/11800 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag,
verweerster.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 7 maart 2000 heeft verweerster op de aanvraag van
eiser van 3 februari 2000 om bijstand in de noodzakelijke kosten
van het bestaan ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) afwijzend
beslist op de grond dat eiser niet rechtmatig in Nederland
verblijft zoals bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de
Abw waardoor eiser niet gelijkgesteld kan worden met een
Nederlander.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 maart 2000 een
bezwaarschrift bij verweerster ingediend.
Bij besluit van 29 september 2000 heeft verweerster het bezwaar
gegrond verklaard - slechts - in zoverre dat verweerster aan eiser
over de periode 3 februari 2000 tot 25 mei 2000 alsnog een
uitkering ingevolge de Abw heeft toegekend. Verweerster heeft de
bijstandsuitkering per 25 mei 2000 geweigerd op de grond zoals
vermeld in het primaire besluit van 7 maart 2000.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 november 2000,
ingekomen bij de rechtbank op 20 november 2000, beroep ingesteld.
Daarnaast heeft eiser bij brief van 17 november 2000 een verzoek
om voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken bij
brief van 29 november 2000 overgelegd.
Het verzoek om voorlopige voorziening is door de fungerend
president van deze rechtbank bij uitspraak van 10 januari 2001
afgewezen (procedurenummer AWB 00/11793 ABW).
Het beroep is op 6 februari 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr.
J.M.M. Brouwer alsmede door een tolk S. Yelteking. Verweerster
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van
Heerenbeek.
II. Motivering
Vaststaat en niet in geschil is dat verzoeker geen aanspraak op
bijstand kan ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de
Abw,
aangezien hij geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel
1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in
geschil dat verzoeker niet behoort tot de personenkring, bedoeld in
artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met
artikel 1,
eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw
en Ioaz.
De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of eiser per
25 mei 2000 wel recht op een bijstandsuitkering heeft krachtens
wettelijke bepalingen dan wel vanwege verdragsrechtelijke
verplichtingen op grond van het EVSMB als gevolg waarvan
gelijkstelling met een Nederlander aan de orde is.
Met het oog op deze beoordeling zijn de navolgende wettelijke
voorschriften en verdragsbepalingen van belang.
Artikel 1b, aanhef en onder 1 en 3, van de Vw:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig
verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van
toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf
houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
(...)
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;"
Artikel 1 van het Europees verdrag betreffende sociale en medische
bijstand (EVSMB):
"Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich te
waarborgen dat onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar
grondgebied waarop dit verdrag van toepassing is en niet
beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde
voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op
sociale en medische bijstand (hierna aangeduid als
"bijstand"), zoals deze is geregeld door de geldende
wetgeving in dat deel van haar grondgebied. "
Artikel 11 van het EVSMB:
"(a) Het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van
een der Verdragsluitende Partijen wordt als rechtmatig in de zin
van dit verdrag beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs-
of andere soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond
van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor
het verblijf in dat land. Verzuim om een dergelijke vergunning te
doen verlengen, brengt voor de betrokken persoon geen verval van
het recht op bijstand teweeg indien het verzuim uitsluitend aan
zijn achteloosheid te wijten is.
(b) Rechtmatig verblijf wordt onrechtmatig op het ogenblik waarop
een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is
uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend."
Vaststaat en niet in geschil is dat eiser ten tijde hier van
belang rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 1b,
aanhef en onder 3, van de Vw. Dit omdat hij op 25 mei 2000 in
afwachting was van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 28
februari 1999 gericht tegen een afwijzing van zijn verzoek van 17
december 1998 om een verblijfsvergunning en van een beslissing op
een aanvraag om toelating tot Nederland op grond van het
Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Hij mocht de
beslissing in Nederland afwachten en mocht in afwachting daarvan
niet uitgezet worden.
Eiser stelt dat verweerster ten onrechte weigert hem ook op en na
25 mei 2000 een bijstandsuitkering te verstrekken aangezien hij
toen rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 1b,
aanhef en onder 3, van de Vw en hij gelet op dit rechtmatig
verblijf en het feit dat hij Turks onderdaan is op grond van het
EVSMB gelijk gesteld dient te worden met een Nederlander en
zodoende recht heeft op een uitkering ingevolge de Abw. Eiser
beroept zich hierbij op artikel 11, onderdeel a, van het
EVSMB. Eiser
is van mening dat gezien zijn rechtmatig verblijf hier te lande op
grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw er sprake is
van een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in artikel 11, onderdeel
a, van het EVSMB. Verweerster heeft, samengevat, aan de beëindiging
van de bijstandsuitkering per 25 mei 2000 het volgende ten
grondslag gelegd.
Ten tijde van de aanvraag om bijstand van eiser, op 3 februari
2000, was de Circulaire van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) van 6 november 1998 van kracht, waarin
uitvoering werd gegeven aan een vonnis van 7 oktober 1998 van de
president van de rechtbank te Den Haag
in een tegen de Staat
der Nederlanden aangespannen kort geding. In deze circulaire werd
aangegeven dat onderdanen van verdragspartijen van het EVSMB voor
de bijstandverlening dienen te worden gelijkgesteld met
Nederlanders indien zij rechtmatig in Nederland verblijven in de
zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Op basis hiervan
heeft verweerster aan eiser een bijstandsuitkering toegekend met
ingang van datum aanvraag, zijnde 3 februari 2000.
De Circulaire van 6 november 1998 werd door de Minister van SZW
bij Circulaire van 17 februari 2000 ingetrokken na de uitspraak in
hoger beroep van het vonnis van 7 oktober 1998 door het Gerechtshof te
Den Haag van 20 januari 2000 waarin het Gerechtshof oordeelde dat het enkele feit dat een vreemdeling niet
kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd, nog niet
betekent dat hij voor de Abw op grond van het EVSMB
gelijkgesteld
dient te worden met een Nederlander. Voorts oordeelde het
Gerechtshof dat de door de Staat aangevoerde
rechtvaardigingsgrond, te weten het realiseren van een effectief
en restrictief vreemdelingenbeleid, voorshands als een objectief
te rechtvaardigen doelstelling moet worden gekwalificeerd.
De Minister van SZW deelde in zijn Circulaire van 17 februari 2000
voorts mee dat voor alle nieuwe bijstandsaanvragen de Koppelingswet
onverkort van toepassing is en dat lopende
uitkeringen vóór 1 mei 2000, met toepassing van een redelijke
uitlooptermijn van vier weken, dienden te worden beëindigd. Op
grond van deze circulaire heeft verweerster de bijstandsuitkering
van eiser met ingang van 25 mei 2000 beëindigd.
Met betrekking tot de vraag of "rechtmatig verblijf" in
de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw op één lijn
kan worden gesteld met een "permit or such permission" zoals
genoemd in artikel 11 van het EVSMB, overweegt de rechtbank als
volgt.
Het EVSMB is tot stand gekomen op 11 december 1953. Publicatie van
de originele Engelse en Franse tekst vond plaats in Tractatenblad
(Trb.) 1954, 100. De Nederlandse tekst werd gepubliceerd in Trb. 1954, 200. Uit de publicatie in
Trb. 1955, 116, blijkt dat
de Staten-Generaal van Nederland op 6 juni 1955 haar goedkeuring
aan het verdrag verleende.
Het verdrag heeft als doel een grotere eenheid tussen de leden van
de Raad van Europa tot stand te brengen, in bijzonder om hun
sociale vooruitgang te bevorderen. Het verdrag bevestigt het
beginsel van gelijkheid van behandeling van de verdragsonderdanen
ten aanzien van de socialezekerheidswetgeving. Het verdrag kent
twee grondbeginselen. Namelijk een discriminatieverbod naar
nationaliteit als gevolg waarvan verdragsonderdanen in het
gastland bij rechtmatig verblijf toegang tot sociale en medische
bijstand hebben conform de eigen onderdanen (artikel 1 en 11);
daarnaast geldt als grondbeginsel dat verdragsonderdanen niet
gerepatrieerd mogen worden op grond van het feit dat zij bijstand
genieten (artikel 6, onderdeel a). Dit laatste geldt echter alleen in het
geval zij al langer dan vijf jaar onafgebroken in Nederland wonen.
In het geval men 55 jaar of ouder is, geldt een termijn van tien jaar
(artikel 7). Bij een verblijf korter dan vijf dan wel tien jaar kan
dus wel gerepatrieerd worden in het geval men bijstand geniet.
Bij het verdrag is een bijlage III gevoegd. Deze bijlage heeft als
titel "Lijst van bewijsstukken, erkend als bewijs voor verblijf
en bedoeld in artikel 11 van het verdrag". Uit de publicatie van
deze bijlage in Trb. 1991, 82, blijkt dat voor Nederland in
deze bijlage de volgende bewijsstukken zijn opgenomen:
Netherlands:
a. Temporary residence permit.
b. Residence card issued to nationals of EEC member States.
c. Permanent residence permit.
d. Residence permit issued indefinitely ex article 10, para 2, of the
Aliens Act.
De residence permit ex article 10, para 2, of the Aliens Act die
onder d wordt genoemd, betreft de destijds in artikel 47 van
het Vreemdelingenbesluit geregelde verblijfvergunning voor
onbepaalde tijd voor leden van het gezin van Nederlanders en van
houders van een vestigingsvergunning.
Bijlage III is voor wat betreft Nederland sinds 1991 niet
gewijzigd.
De rechtbank is van oordeel dat voor de bepaling van hetgeen onder
verblijfs- of andere soortgelijke vergunning (in de originele
tekst "a permit or such other permission") moet worden verstaan,
afgegaan moet worden op de bewijsstukken die hiertoe voor
Nederland in bijlage III van het EVSMB zijn opgenomen.
Onder de Vreemdelingenwet, zoals die luidde ten tijde van de
opstelling van bijlage III in 1991, waren dat - naast onderdanen
van de EEG-lidstaten - de vreemdelingen aan wie het ingevolge
artikel 9 en 10 van de Vw was toegestaan tijdelijk of voor
onbepaalde tijd in Nederland te verblijven.
Er is geen reden om op grond van de Vreemdelingenwet 1994 aan bijlage III een ruimere betekenis toe te kennen nu de artikelen 9
en 10 van de Vw daarin in hoofdzaak ongewijzigd zijn teruggekomen.
Met de zogenaamde Koppelingswet is per 1 juli 1998 artikel 1b in
de Vreemdelingenwet ingevoegd. Gezien de doelstelling van de
Koppelingswet en het uitdrukkelijk door de regering naar voren
gebrachte standpunt dat een beperking van de kring van
vreemdelingen met aanspraak op bijstand tot de vreemdelingen met
rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1,
van de Vw niet in strijd is met het EVSMB, kan niet worden
aangenomen dat hiermee een verruiming van het bepaalde in bijlage
III van het verdrag wordt beoogd.
Voorts ziet de rechtbank ook in het gebruik van de zinsnede
"or
such other permission" geen grond voor een ruimere uitleg van
artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB. Zij baseert dit oordeel mede
op het feit dat in het kader van de behandeling van het verdrag in
de Eerste en Tweede Kamer bij de toelichting op de artikelen 11
tot 14 van het EVSMB hierover enkel is opgemerkt dat deze
artikelen handelen over het verblijf, in hoeverre dit als
rechtmatig moet worden beschouwd, hoe de duur hiervan kan worden
berekend en hoe gerekend kan worden bij onderbreking hiervan.
(Handelingen I 1954-1955, no. 161, en Handelingen II 1954-1955,
3952, no. 1.) Daarin heeft de rechtbank derhalve geen aanknopingspunten
gevonden voor de conclusie dat Nederland een ruimere uitleg van
het begrip rechtmatig verblijf ex artikel 11 van het EVSMB voor
ogen heeft gestaan dan uit bijlage III naar voren komt. Uit de
toelichting op de artikelen 11 tot 14 van het EVSMB in onderdeel 9
van het Explanatory Memorandum, waar is vermeld dat deze "self-explanatory"
zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden
afgeleid dat het begrip rechtmatig verblijf als bedoeld in die
artikelen niet aan de hand van de in de bijlage III genoemde
bewijsstukken mag worden afgebakend.
Aangezien eiser niet beschikte over een (tijdelijke) verblijfs- of
vestigingsvergunning, als bedoeld in artikel 9 en 10 van de Vw,
kan niet gesteld worden dat eiser ten tijde hier in geding
rechtmatig verblijf hield in de zin van het EVSMB. Eiser komt
derhalve op grond van dit verdrag niet voor gelijkstelling met een
Nederlander in aanmerking. Verweerster heeft derhalve op goede
gronden de bijstand per 25 mei 2000 geweigerd.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij kennis heeft genomen
van de aanwijzingen dat in het verleden aan het EVSMB een ruimere
toepassing zou zijn gegeven. Het Gerechtshof heeft in zijn
uitspraak van 20 januari 2000 (gepubliceerd in JABW 2000/40)
geoordeeld dat de Staat, ook als zij in het verleden heeft gemeend
dat de onderhavige vreemdelingen (al dan niet op basis van het
EVSMB) aanspraak op bijstand konden maken tot een ander inzicht
kan komen. De rechtbank oordeelt daarover niet anders en voegt
hieraan toe dat blijkens het bovenstaande het gewijzigde beleid
van de Staat niet tot gevolg heeft dat daarmee de aanspraak op
bijstand voor vreemdelingen zodanig beperkt wordt dat sprake is
van strijd met de verplichtingen op grond van het EVSMB.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is niet gebleken.
III.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. T.M.A. Claessens, C.J. Waterbolk en S.C.
Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2001, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AD9473 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/1376
NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
januari 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
20 en 54 Abw
(= 34 en 34
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vermogen;
verzekeringsuitkering; bedrijfsbrand; oververmogen; beëindiging
bijstand |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens ontvangen vermogen uit
verzekeringsuitkering in verband met het afbranden van de
shoarmazaak van betrokkene, omdat hij gemaakte schulden niet
aannemelijk heeft kunnen maken en er geen sprake is van
benadeling ten opzichte van eigenwoningbezitters. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/1376
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den
Haag, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Den Haag, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 3
maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 12
november 2001 desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar
appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente Den
Haag.
II. Motivering
Appellant heeft van april 1993 tot eind 1994 samen met een
compagnon een shoarmazaak geëxploiteerd. Nadat deze in november
1994 was afgebrand, is appellant een bijstandsuitkering ingevolge
de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers toegekend. Deze
uitkering is met ingang van 1 april 1997 omgezet in een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw).
Op grond van de bevindingen van een in september 1997 gestart
onderzoek naar de uitkering van verzekeringsgelden tot een bedrag
van
ƒ124.225,- aan appellant en zijn partner heeft gedaagde - na
de uitkering eerst te hebben stopgezet - bij besluit van 1
december 1997 de uitkering van appellant met ingang van 1
september 1997 beëindigd.
Bij besluit van 21 april 1998 heeft gedaagde het besluit van 1
december 1997 na gemaakt bezwaar gehandhaafd. Zowel het primaire
besluit als het besluit van 21 april 1998 berusten op de grond dat
het vermogen van appellant op 1 september 1997 het vrij te laten
vermogen van
ƒ19.000,- overtreft, zodat hij geacht wordt te
kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.
De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 21
april 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar haar
oordeel heeft gedaagde terecht geconcludeerd dat het in aanmerking
te nemen vermogen van appellant per september 1997 het vrij te
laten vermogen overschreed, nu vaststaat dat hij zijn deel van de
verzekeringsgelden heeft ontvangen en gegevens ontbreken welke
aannemelijk doen zijn dat tegenover dat vermogen schulden stonden.
Namens appellant is het oordeel van de rechtbank gemotiveerd
bestreden. Naast de reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte
grieven is aangevoerd dat sprake is van een ongerechtvaardigd
verschil in behandeling van eigenaars/bewoners van een eigen
woning met overwaarde ten opzichte van personen als appellant die
over vermogen in een andere vorm beschikken. Eigenaars/bewoners
van een eigen woning worden bevoordeeld, doordat voor hen een
aanvullende vrijstelling van vermogen geldt.
Voor de Raad is op grond van de ter zake beschikbare gegevens
genoegzaam komen vast te staan dat appellant in augustus 1997 de
helft heeft ontvangen van de op de rekening van zijn compagnon
overgemaakte verzekeringsuitkering in verband met de brand in de
shoarmazaak, en als gevolg daarvan op 1 september 1997 beschikte
over een bedrag dat de voor hem ingevolge artikel 54 van de
Abw geldende vermogensgrens aanzienlijk te boven gaat.
Appellant heeft gesteld dat hij bij de start van de shoarmazaak
schulden heeft moeten maken bij familie en vrienden en deze
schulden nog moest aflossen van de door hem ontvangen
verzekeringsgelden. Naar het oordeel van de Raad
is appellant er
echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij destijds
daadwerkelijk geld heeft geleend, zodat het feitelijk bestaan van
de gestelde schulden niet is aangetoond. De Raad kan voorts aan de
verklaringen van derden over de door appellant gestelde schulden
en de door appellant overgelegde schuldbekentenissen en kwitanties
niet die betekenis toekennen welke appellant daaraan toegekend
wenst te zien.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het vermogen
waarover appellant op 1 september 1997 kon beschikken in de weg
stond aan voortzetting van zijn bijstandsuitkering.
Met betrekking tot de in hoger beroep opgeworpen grief van
appellant overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij de
opvatting van gedaagde in zijn verweerschrift dat appellant in
strijd met de regels van goede procesorde handelt door deze grief
pas nu aan de orde te stellen, niet onderschrijft. De Raad is van
oordeel dat wanneer een belanghebbende een grief tijdig kenbaar
maakt aan de Raad en de gedaagde partij in de gelegenheid is
geweest gemotiveerd op die grief te reageren, geen geschreven of
ongeschreven rechtsregel aan beoordeling van die grief in de weg
staat. Niet gebleken is dat appellant met het aanvoeren van deze
grief buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een
eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien
bepaalde (mogelijke) gebreken van het bestreden besluit aan de
orde te stellen.
Appellant heeft terecht gesignaleerd dat sprake is van een
onderscheid in behandeling tussen belanghebbenden met vermogen in
de vorm van een eigen, door henzelf bewoonde woning en
belanghebbenden die over vermogen in een andere vorm beschikken en
net als hij een woning huren. Artikel 20, derde lid, van de
Abw voorziet immers in een verruimde vrijlating van vermogen van een
belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin
bewoonde eigen woning. Ingevolge deze bepaling, zoals deze ten
tijde hier van belang luidde, blijft van het vermogen als hier
bedoeld buiten beschouwing
ƒ15.000,- alsmede de helft van het
meerdere, doch in totaal ten hoogste
ƒ60.000,-.
De verruiming van de vrijlating van in de eigen woning gebonden
vermogen is met ingang van 1 januari 1983 ingevoerd door invoeging
per 1 januari 1983 van artikel 8a in het tot 1 januari 1996
gevigeerd hebbende Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln).
Uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging van het Bln blijkt met
betrekking tot de rechtsgrond van deze verruimde vrijlating onder
meer het volgende:
"Sinds medio 1980 is langdurige werkloosheid in Nederland
toegenomen. Daardoor worden op grotere schaal dan voorheen
werklozen geconfronteerd met de middelentoets van de ABW. De
middelentoets houdt in dat de aanspraak op bijstand alleen
aanwezig is voor zover niet met eigen inkomen en/of vermogen in het
bestaan kan worden voorzien. Is vermogen vastgelegd in een eigen
woning, dan betekent dit dat, onder vrijlating van het zogenaamde
bescheiden vermogen, waarvan de bedragen zijn vastgesteld in artikel
8 Bln, dit vermogen voor de bestaansvoorziening dient te worden
ingezet. Onder bepaalde voorwaarden is er dan de mogelijkheid tot
bijstandverlening in de vorm van een geldlening onder beding van
hypotheek.
Met name de toepassing van de vermogenstoets op het eigen huis is
maatschappelijk in discussie gekomen. Uit de vele reacties vanuit
verschillende maatschappelijke geledingen valt op te maken dat
blijkbaar in het rechtsgevoel van velen leeft dat het niet
gerechtvaardigd is het vermogensbezit, dat het eigen huis
vertegenwoordigt, uiteindelijk vrijwel totaal aan te tasten. In
het regeerakkoord is dan ook vastgelegd dat zal worden bezien of
in de bijstandsregelingen met betrekking tot vrijlating van eigen
vermogen meer rekening kan worden gehouden met het eigenwoningbezit, mits de budgettaire consequenties daarvan
aanvaardbaar zijn.
Onder handhaving van het beginsel van de ABW dat rekening moet
worden gehouden met de eigen middelen acht het kabinet thans een
zekere verruiming van de vrijlating aanvaardbaar boven het in alle
gevallen geldende bedrag van het bescheiden vermogen, indien
vermogen is vastgelegd in de eigen woning.
De argumenten daarvoor zijn dat de overheid het eigenwoningbezit
bevordert en dat de betrokkenen door eigen financiële inspanning
voor hun huisvesting hebben gezorgd, terwijl veel huurders
aanspraak kunnen maken op individuele
huursubsidie. Op deze
gronden is een speciale beoordeling van het vermogen in het eigen
huis gerechtvaardigd voor degenen die voor hun levensonderhoud
van de bijstand afhankelijk worden. Het verschil in rechten dat
hierdoor ontstaat ten opzichte van degenen met vermogensbezit in
andere vorm en met cliënten die alleen voor bepaalde kosten
bijstand nodig hebben, mag echter niet te groot worden. Ook de
budgettaire mogelijkheden maken het nodig dat de verruiming binnen
aanvaardbare grenzen blijft."
Eenzelfde gedachtegang ligt ten grondslag aan artikel
20, derde
lid, van de Abw (zie Kamerstukken II
1993-1994, nr. 19, blz. 6).
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat voor de door
appellant gesignaleerde ongelijke behandeling gezien de
doelstelling van deze extra vrijlatingsfaciliteit voor bewoners
van een eigen woning een voldoende rechtvaardiging bestaat en dat
deze verruimde vermogensvrijlating ook een geschikt middel is om
dit doel te verwezenlijken. Dit betekent dat de grief van
appellant geen doel treft.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de
Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari
2002.
(get.) G.A.J. van
den Hurk.
(get.) P.C. de
Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|