| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE0294 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/137 ABW |
| Datum
uitspraak: |
20
februari 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en 12 Abw
(= 11 en –
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met
Nederlander; IVBPR; EVSMB; Turken |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens onrechtmatig verblijf in
Nederland, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a.
niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander nu hij
eerst na inwerkingtreding van de Koppelingswet een
verblijfsvergunning heeft aangevraagd; aan het IVBPR en EVSMB
kan geen recht op bijstand worden ontleend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/137 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag, verweerster.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 15 juni 1999 heeft verweerster aan eiser, een
vreemdeling met de Turkse nationaliteit, met ingang van 15 oktober 1998
een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het
bestaan.
Bij besluit van 27 april 2000 heeft verweerster eisers
bijstandsuitkering met ingang van 25 mei 2000 beëindigd, omdat eiser
niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in
artikel 7, tweede lid, van de Abw
en ingevolge het derde lid op grond van nadere regelgeving niet met een
Nederlander kan worden gelijkgesteld.
Eiser heeft bij brief van 25 mei 2000 bezwaar gemaakt tegen dit besluit
en tevens de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige
voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 19 juli 2000 heeft de president verweersters besluit
van 27 april 2000 geschorst en bepaald dat verweerster eiser met ingang
van 25 mei 2000 een bijstandsuitkering toekent berekend naar de voor
eiser geldende norm.
Eiser is door de afdeling bezwaar en beroep op 21 september 2000 omtrent
zijn bezwaar gehoord.
Bij besluit van 17 november 2000, verzonden 30 november 2000, heeft
verweerster eisers bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27
april 2000 gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 januari 2001 beroep
ingesteld.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd
en tevens bij brief van 26 september 2001 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 7 november 2001 ter zitting behandeld. De rechtbank
heeft het onderzoek ter zitting geschorst, het vooronderzoek hervat en
eiser in de gelegenheid gesteld om de rechtbank nader te informeren over
de hem bekend zijnde gegevens waarop zijn stelling is gebaseerd dat
binnen afzienbare tijd een nieuw explanatory memorandum bij het Europees
verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) zal worden
vastgesteld en dat de inhoud daarvan steun zal bieden aan eisers
opvatting over de uitleg van artikel 11 van het EVSMB.
Bij brief van 19 november 2001 heeft eiser nadere informatie overgelegd.
Op 24 januari 2002 heeft een nadere zitting plaatsgevonden en is de zaak
hervat in de stand waarin zij zich bevond. Eiser is in persoon
verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.E. van Dijk. Verweerster
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.
II. Motivering
In geschil is of verweerster met het besluit van 17 november 2000 het
besluit van 27 april 2000 op goede gronden heeft gehandhaafd.
Vaststaat en niet in geschil is dat eiser geen aanspraak op bijstand kan
ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de
Abw, aangezien hij geen rechtmatig
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot
de personenkring bedoeld in
artikel 7, derde lid, van de Abw,
in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het
Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz.
Tussen partijen is enkel in geschil of eiser aanspraak maakt op een
bijstandsuitkering ingevolge het bepaalde in artikel 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
dan wel de artikelen 1 en 11 van het EVSMB.
Ten aanzien van eisers beroep op artikel 26 van het IVBPR overweegt de
rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de Centrale
Raad van Beroep
in zijn uitspraken van 26 juni 2001 (nrs. 99/2787 en 99/2382 NABW,
gepubliceerd in RSV 2001/188 [LJN
AB2277 en LJN AB2276, red.]) heeft geoordeeld dat bij artikel 7
van de Abw, waarbij aan vreemdelingen
slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke
aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden
toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde
is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 van het
IVBPR ligt. De Raad is voorts van oordeel dat de
gerechtvaardigdheid van bedoeld onderscheid in ieder geval ten
volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli
1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans niet in toereikende
mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling
met toepassing van artikel 12
(oud) van de Abw bijstand is
verleend.
Vaststaat dat eiser zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op
13 oktober 1998 heeft ingediend. Eiser was derhalve op 1 juli 1998
niet in de situatie dat hij een verblijfsrechtelijke procedure in
Nederland mocht afwachten. De rechtbank is, in het voetspoor van
de uitspraken van de Raad van 26
juni 2001, dan ook van oordeel dat reeds hierom de
gerechtvaardigdheid van het in artikel 7
van de Abw gemaakte onderscheid
naar nationaliteit voor eiser ten volle opgaat en eiser aan
artikel 26 van het IVBPR geen aanspraak op bijstand kan ontlenen.
Dat eiser, zoals hij ter nadere zitting heeft gesteld, op 1 juli
1998 ziekengeld genoot en bijstand is verleend met ingang van het
einde van de wachttijd voor de WAO, kan hieraan niet afdoen.
Ten aanzien van eisers beroep op de artikelen 1 en 11 van het
EVSMB overweegt de rechtbank als volgt.
In haar uitspraak van 26 maart 2001 (2001 (AWB 00/11800 ABW) heeft
deze rechtbank geoordeeld dat rechtmatig verblijf in Nederland op
grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw niet onder
rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van het EVSMB valt.
Hiertoe is onder meer overwogen dat voor de bepaling van hetgeen
onder een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning in de zin
van artikel 11 van het EVSMB moet worden verstaan, afgegaan moet
worden op de bewijsstukken die hiertoe voor Nederland in bijlage
III zijn opgenomen. Rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 3, van de Vw komt in de lijst van bewijsstukken
niet voor.
Eiser heeft in beroep, onder meer onder overlegging van het nieuwe
Explanatory Report bij het EVSMB en onder verwijzing naar
jurisprudentie uit de periode voorafgaand aan de invoering van de Koppelingswet, aangevoerd dat
bijlage III geen uitputtende lijst
bevat om vast te stellen of er sprake is van rechtmatig verblijf
als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB. Eiser is dan ook van
mening dat rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 3, van de Vw als een andere soortgelijke vergunning als
bedoeld in artikel 11 van het EVSMB dient te worden beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad in zijn arrest van 1
februari 2002 (nr. C00/090HR) ten aanzien van de reikwijdte van
(artikel 11 van) het EVSMB het volgende heeft overwogen:
"Met betrekking tot vreemdelingen zoals X, die nimmer over een
verblijfsvergunning hebben beschikt, maar alleen het land niet
behoeven te verlaten zolang op hun verzoek tot toelating nog niet
is beslist, bepaalt het verdrag en in het bijzonder artikel 11 niets.
De omstandigheid dat hun verblijf in Nederland ingevolge artikel 1b,
aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt
aangemerkt, brengt niet mee dat dit verblijf ook als rechtmatig
moet worden aangemerkt in de zin van de artikel 1 en 11 van het
verdrag. Daartoe is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van
het verdrag, vereist dat de vreemdeling beschikt over een door de
Staat verstrekte verblijfs- of andere vergunning. De omstandigheid
dat zijn verblijf ingevolge bovengenoemde bepaling uit de
Vreemdelingenwet als rechtmatig wordt aangemerkt, rechtvaardigt
niet de conclusie dat de vreemdeling over zulk een vergunning zou
beschikken. Aangenomen moet derhalve worden dat het verdrag zelf
de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen
geen plicht tot bijstandverlening oplegt."
Nu volgens de Hoge Raad de omstandigheid dat een vreemdeling
rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 1b, aanhef en onder
3, van de Vw niet de conclusie rechtvaardigt dat de vreemdeling
hiermee over een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning
beschikt en het EVSMB zelf de verdragsstaten ten aanzien van deze
categorie vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt,
kan eiser aan het EVSMB geen recht op bijstand ontlenen. Dit
brengt tevens mee dat eisers stellingen inzake bijlage III van het
verdrag verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakt
proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III.
Beslissing
De Rechtbank ’s-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. E.J.M. Heijs, A.A.M. Mollee en S.C.
Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2002, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE1085 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zwolle |
| Zaaknummer: |
Abw
00/4774 |
| Datum
uitspraak: |
15
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3, 65, 69,
81 en 84 Abw
(= 3, 17,
54, 58
en 59 Wwb)
/
6:17 en 7:4 Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting;
gedeeltelijke beëindiging bijstand; terugvordering; hoofdelijk
aansprakelijke; anonieme tip; toezending op de zaak betrekking
hebbende stukken |
| Essentie: |
Onterechte
gedeeltelijke beëindiging en terugvordering bijstand over het
eerste halfjaar wegens gezamenlijke huishouding, omdat het
enkele feit van een gezamenlijk afgesloten reisverzekering
onvoldoende is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen en
het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting
niet inhoudt dat het de gemeente vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de
samenwoning.
Voorts onterechte terugvordering op de partner van
alleenstaandeouderbijstand verleend vóór 31 december 1998,
omdat toen artikel 84, tweede lid, Abw nog niet was aangepast. Het
niet toezenden van het volledige dossier aan eisers gemachtigde is
niet in strijd met de wet. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zwolle
Abw 00/4774
U I T S P R A A
K
in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Lelystad, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 10 maart 2000, nummer 99.005952.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder de betaling van
eisers uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) met
ingang van 9 juli 1999 opgeschort.
Namens eiser is tegen dit besluit op 16 juli 1999 bezwaar
aangetekend. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij
schrijven van 19 augustus 1999.
Bij besluit van 28 juli 1999 heeft verweerder eisers Abw-uitkering
herzien over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999
en beëindigd met ingang van 1 juli 1999. Hetgeen gedurende de
periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 ten onrechte
aan eiser en mevrouw X (verder te noemen: mw. X) aan uitkering is
uitbetaald ad
ƒ55.483,19 (een
brutobedrag ad
ƒ46.744,68
betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1997 tot en met 31
december 1998 en een nettobedrag ad
ƒ8738,51
betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni
1999) heeft verweerder bij besluit van eveneens 28 juli 1999 van eiser
teruggevorderd.
Namens eiser is tegen deze besluiten op 29 juli 1999 bezwaar
aangetekend. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van
1 september 1999.
Op 30 juli 1999 heeft eiser met mw. X een verzoek om voorlopige
voorziening ingediend. De President heeft daarop beslist dat beiden
voor de duur van de bezwaarprocedure plus zes weken elk een voorschot
wordt verstrekt berekend naar de helft van de gezinsnorm.
Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder een nieuwe aanvraag
van 14 juli 1999 van eiser om uitkering ingevolge de Abw
naar de norm voor een alleenstaande afgewezen.
Namens eiser is tegen dit besluit op 30 september 1999 bezwaar
aangetekend.
Eiser en zijn gemachtigde hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt de
bezwaarschriften nader toe te lichten tijdens de hoorzitting van de
Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid van 21 december 1999.
De Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid heeft verweerder op 25
januari 2000 geadviseerd eisers bezwaren tegen de gezamenlijke
huishouding en de terugvordering ongegrond te verklaren en eisers
bezwaar tegen de beëindiging van zijn uitkering per 1 juli 1999 gegrond
te verklaren.
Bij het besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder in overeenstemming
met voornoemd advies van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid
eisers bezwaar tegen de beëindiging van zijn bijstandsuitkering gegrond
verklaard in dier voege dat de Abw-uitkering
hervat dient te worden in samenhang met de Abw-uitkering van mw. X,
zodat zij beiden de helft van de norm voor gehuwden ontvangen. Eisers
bezwaren ten aanzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en
de terugvordering ad ƒ55.483,19 heeft verweerder bij dit besluit
ongegrond verklaard.
Namens eiser is tegen dit besluit op 18 april 2000 beroep aangetekend.
De gronden van het beroep zijn aangevuld bij schrijven van 15 mei 2000.
Verweerder heeft op 29 juni 2000 een verweerschrift ingediend.
Mw. X heeft ook een beroepsprocedure gevoerd tegen de ten aanzien van
haar genomen herzienings- en terugvorderingsbesluiten. De uitspraak van
de rechtbank in die zaak, geregistreerd onder nummer 00/4799, is aan
deze uitspraak gehecht. Er is hoger beroep ingesteld.
Eisers beroep is op 14 februari 2002 ter zitting behandeld.
Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K.D. Regter.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H. Evink.
3. Motivering
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden
gehandhaafd.
Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat bij het bestreden
besluit is beslist op de bezwaren inzake de opschorting, de herziening,
de beëindiging en de terugvordering van de bijstandsuitkering. Nog geen
besluit is genomen op het bezwaarschrift tegen verweerders besluit van
13 september 1999 op eisers nieuwe aanvraag, inhoudende de weigering van
bijstand naar de norm voor een alleenstaande per juli 1999. Aan een
oordeel over die laatste weigering komt de rechtbank dus niet toe.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser heeft met ingang van 31 juli 1996 tot en met 30 april 1998 een
uitkering ingevolge de Abw ontvangen naar
de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 mei 1998 heeft
eiser een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.
Aan zijn vermeende partner mw. X is van 28 april 1989 tot en met 17
maart 1996 een uitkering ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW)
verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 18
maart 1996 heeft zij een uitkering ingevolge de Abw
ontvangen, eveneens naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Mw. X is in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op
het adres [...] 20-45. Eiser is in de GBA ingeschreven op het adres [...]
12-62.
Op 30 juli 1999 is rapport uitgebracht door de sociale recherche,
waaruit verweerder heeft geconcludeerd dat eiser en mw. X een
gezamenlijke huishouding voerden met ingang van 1 januari 1997.
3.1. Wettelijk kader
Ingevolge artikel 3, tweede lid, onderdeel a
van de Abw
wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een
ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor
elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten
van de huishouding dan wel anderszins.
Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw, zoals dit artikel
luidde tot 1 juli 1997, doet de belanghebbende aan burgemeester en
wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling
van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de
voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van
bewijsstukken. De wijziging van dit artikellid met ingang van 1
juli 1997 heeft de strekking ervan niet gewijzigd.
Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de
Abw
schorten burgemeester
en wethouders het recht op bijstand op indien de belanghebbende
zich schuldig maakt aan een verzuim. Ingevolge het tweede lid
wordt een hersteltermijn geboden.
Ingevolge artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de
Abw, zoals dit
artikel luidt met ingang van 1 juli 1997, herzien burgemeester en
wethouders een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van
weigering van bijstand, onverminderd het elders in de Abw
bepaalde
ter zake van herziening of intrekking, indien een gedraging als
bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste
lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van bijstand.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kunnen burgemeester en
wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
Indien de verplichting, bedoeld in artikel 65,
of een andere aan de
bijstand verbonden verplichting door belanghebbende niet of niet
behoorlijk is nagekomen dan wel indien de bijstand is verleend op
grond van omstandigheden te wijten aan het feit dat hij blijk
heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de
bijstand ingevolge artikel 81, eerste lid, van de
Abw, zoals dit
artikel luidde tot 1 juli 1997, van hem teruggevorderd voor zover
de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ook de wijziging van dit artikel met ingang van 1 juli 1997 heeft
de strekking ervan niet gewijzigd.
Ingevolge het derde lid van artikel 78 van de
Abw
kunnen
burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
Artikel 84, tweede lid, van de Abw
bepaalt dat, indien de bijstand op grond van artikel
13, tweede
lid, als gezinsbijstand (op 1 januari 1998 is hier ingevoegd:
"aan
gehuwden") had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is
gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in
artikel 65
niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de ten
onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de
persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3
van de Abw
bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de in het eerste en
tweede lid van dit artikel bedoelde personen hoofdelijk
aansprakelijk voor de terugbetaling van ten onrechte gemaakte
kosten van bijstand.
3.2. Standpunt eiser
Namens eiser is in het aanvullend beroepschrift aangevoerd dat
eisers uitkering met ingang van juli 1999 ten onrechte in zijn
geheel is geschorst. Indien gezegd moet worden dat er sprake is
van een gezamenlijke huishouding tussen hem en mw. X, had
verweerder naar eisers mening de uitkering moeten uitbetalen naar
de gezinsnorm.
Verder wordt door eiser erkend dat hij sedert januari 1999 een
gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mw. X. Eiser bestrijdt
evenwel dat hij reeds met ingang van 1 januari 1997 een
gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mw. X. Eiser kan zich
dan ook niet verenigen met de gedeeltelijke beëindiging van zijn
bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met
december 1998.
Eiser kan zich evenmin verenigen met de hoogte van het
terugvorderingsbedrag. In de eerste plaats omdat verweerder zijn
uitkering ten onrechte over de periode van 1 januari 1997 tot en
met december 1998 gedeeltelijk heeft beëindigd. In de tweede
plaats omdat verweerder ten onrechte eisers volledige
bijstandsuitkering over de periode van januari 1999 tot en met
juni 1999 heeft teruggevorderd.
Ten slotte kan eiser zich niet verenigen met de afwijzing van zijn
aanvraag van 14 juli 1999. Eiser is van mening dat sedert de
aanhouding door de sociale recherche in juli 1999 geen sprake meer
is van een gezamenlijke huishouding met mw. X. Eiser is dan ook
van mening dat hem met ingang van juli 1999 een bijstandsuitkering
naar de norm van een alleenstaande toegekend dient te worden.
3.3. Standpunt verweerder
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en mw. X
sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. Eiser
heeft hiervan geen mededeling gedaan aan verweerder, zodat hij
niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel
65, eerste lid, van de Abw.
Aan eiser en mw. X had met ingang van 1 januari 1997 de bijstand als
gezinsbijstand moeten worden verleend. Als gevolg hiervan dient eisers
uitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999
gedeeltelijk te worden beëindigd en dient hetgeen te veel aan
bijstandsuitkering aan eiser en mw. X is uitbetaald van eiser
teruggevorderd te worden.
Voorts is verweerder van mening dat de nieuwe aanvraag van 14 juli 1999
terecht is afgewezen, nu door eiser noch door mw. X is aangetoond dan
wel aannemelijk gemaakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Aan eiser en mw. X komt met ingang van juli 1999 wel een
bijstandsuitkering toe naar de gezinsnorm.
3.4. Beoordeling van het beroep
De opschorting
In het bestreden besluit is niets overwogen of beslist over de juistheid
van de opschorting van eisers uitkering per 1 juli 1999. Weliswaar is de
opschorting "ingehaald" door de beslissing tot beëindiging, maar nu
er wel bezwaar tegen is gemaakt, had een gemotiveerd besluit op het
bezwaar inzake de opschorting niet mogen ontbreken. Op dit punt komt het
bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal op dit
bezwaar alsnog moeten beslissen. Daarbij dient tevens te worden bezien,
of over de maand juli 1997 aan eiser de halve gezinsbijstand is betaald.
Ter zitting is daarover nog onduidelijkheid blijven bestaan.
De herziening en de beëindiging
Ingaande 1 juli 1997 is ingevoerd de Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid (verder te noemen: Wet BMT).
Ingevolge het bij die wet ingevoerde nieuwe derde lid van
artikel 69 van de Abw
dient aan een terugvordering vanaf die datum
een herzieningsbesluit inzake het recht op uitkering vooraf te
gaan.
In het onderhavige geval heeft de terugvordering betrekking op een
periode vóór 1 juli 1997 en een periode na 1 juli 1997. De eis
van een voorafgaand herzieningsbesluit geldt niet in de periode vóór 1 juli 1997. Niettemin heeft verweerder onder toepassing van
het nieuwe artikel besloten de uitkering van eiser ingaande 1
januari 1997 gedeeltelijk te herzien.
De rechtbank stelt vast dat, hoewel verweerder formeel niet het
juiste artikel heeft toegepast, eiser door deze toepassing in elk
geval niet in haar belangen is geschaad. Ook vóór 1 juli 1997
geldt - zij het impliciet - het vereiste van een beoordeling omtrent
het recht op uitkering, waarop de terugvordering is gebaseerd.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en mw. X samenwonen
sedert januari 1999. In geschil is of eiser en mw. X gedurende de
periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 een
gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3
van de Abw.
De rechtbank heeft in de zaak van mw. X bij uitspraak van 1 maart
2001 beslist dat er sprake was van samenwonen met ingang van 1
juli 1997. De overwegingen die in die zaak tot dat oordeel hebben
geleid, gelden als hier herhaald en ingevoegd. De uitspraak is
aangehecht.
De rechtbank voegt hier nog de volgende overwegingen aan toe:
Ingevolge jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep
kan in het geval dat betrokkenen ieder beschikken over afzonderlijke
woonruimte niettemin sprake zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning.
In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat
desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat
slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt
dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen
wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.
Verweerder heeft zich blijkens de gedingstukken, waarvan met name het
rapport van 30 juli 1999 van de sociale recherche, op zijn standpunt
gesteld op basis van:
- anonieme fraudemeldingen van 5 mei 1997 en 28 januari 1998;
- informatie van verzekeringsmaatschappij OLM Het Groene Land;
- processen-verbaal van verhoren van eiser en mw. X;
- observaties gedurende de perioden van 12 februari 1998 tot en met
12 maart 1998 en van 20 januari 1999 tot en met 18 april 1999 op de
adressen [...] 20-45 en [...] 12-62;
- processen-verbaal van verhoren van Z en een anonieme getuige,
buurtbewoners van de [...] 20-45;
- schermprinten van mutatierapporten van de Politie Flevoland
Midden uit 1996 en 1997.
Uit de fraudemeldingen, de verklaringen van (ex) buurtbewoners van de [...]
20-45 te Lelystad, het verslag van het onderzoek in de woning van mw. X
alsmede het verslag van de observaties door de sociale recherche leidt
de rechtbank af dat eiser vrijwel dagelijks in de woning van mw. X
verbleef.
Eén van de buurtbewoners van de [...] 20-45 heeft op 8 juli 1999 onder
meer verklaard dat eiser sedert twee jaar permanent bij mw. X woont;
daarvoor was hij onregelmatig op het adres.
Een andere getuige, die van januari 1997 tot april 1999 naast mw. X
heeft gewoond, heeft verklaard dat er - voor zover zij weet - vanaf het
begin een gezin naast haar woonde.
Uit het verslag van de observaties blijkt dat de auto's op naam van
eiser (of op naam van zijn moeder) in de periode vanaf februari 1998 (en
in de periode van 19 januari 1999 tot en met 18 april 1999) bij bijna iedere
observatie op de parkeerplaats voor de woning van mw. X zijn
waargenomen. Ook is eiser een aantal keren in en om de woning aan de [...]
20-45 gezien.
Voorts blijkt uit het onderzoek in de woning van mw. X in juli 1999 en
uit de verklaringen van mw. X en eiser dat eiser sedert twee jaar een
sleutel had van de woning [...] 20-45. Eiser heeft verder verklaard dat
zijn kleding, papieren en gereedschap zich in de woning van mw. X
bevinden. Als zijn kinderen op bezoek komen, dan is het in het huis van
mw. X. Reeds vanaf juli 1995 is het gezin van mw. X met eiser (en zijn
kinderen) op vakantie gegaan.
Het watergebruik van de woning [...] 12-62 is vanaf de periode van 17
november 1997 tot 24 november 1998 gehalveerd.
De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht tot het oordeel is
gekomen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op het adres van mw. X aan de
[...] 20-45, alsmede dat eiser en mw. X blijk geven zorg te dragen voor
elkaar.
Uit de verklaring van eiser tegenover de opsporingsambtenaar blijkt dat
eiser zijn woning aan de [...] 12-62 heeft gehandhaafd omdat hij een
plek wil hebben waar hij zich kan terugtrekken.
Het feit dat eiser om deze redenen zijn woning heeft gehandhaafd, wil
evenwel nog niet zeggen dat hij niet feitelijk met mw. X zijn
hoofdverblijf had op het adres van mw. X.
De rechtbank acht het vorenstaande evenwel onvoldoende om aan te nemen
dat eiser en mw. X reeds sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke
huishouding voeren. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het enkele
feit dat eiser en mw. X in januari gezamenlijk een reisverzekering
hebben afgesloten onvoldoende is om aan te nemen dat eiser, ondanks het
feit dat hij een eigen woning heeft, zijn hoofdverblijf heeft op het
adres van mw. X. Ook kan de rechtbank de door verweerder overgenomen
opmerking in het advies van 25 januari 2000 van de
Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid dat de afdeling Sociale Zaken in redelijkheid de datum van 1 januari 1997 in gemoede heeft
kunnen nemen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht
en de afdeling zelf tot de conclusie gezamenlijke huishouding heeft
moeten komen, niet volgen. Dat een betrokkene niet heeft voldaan aan
zijn inlichtingenplicht houdt immers niet in dat het verweerder vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de
samenwoning. Verweerder zal de datum zo goed mogelijk op grond van de
wel bekende gegevens moeten schatten.
Ook de anonieme fraudemeldingen geven aanleiding aan te nemen dat de
datum 1 januari 1997 onjuist moet worden geacht. De eerste fraudemelding
dateert van 5 mei 1997 en bij de tweede fraudemelding op 28 januari 1998
is aangegeven dat eiser en mw. X sedert maart/april 1997 samenwonen.
Gelet op de verklaring van eiser en mw. X in juli 1999 dat eiser sedert
twee jaar een sleutel heeft van de woning van mw. X, alsmede de
verklaring van de anonieme getuige in juli 1999 dat eiser sedert twee
jaar bij mw. X woont, acht de rechtbank het evenals in de zaak van mw. X
aannemelijk dat eiser vanaf 1 juli 1997 heeft samengewoond met mw. X,
waarbij tevens sprake was van zorg dragen voor elkaar.
Gelet op het vorenstaande had de bijstandsuitkering over de periode 1
januari 1997 tot 1 juli 1997 niet mogen worden herzien en eerst per 1
juli 1997 mogen worden beëindigd. Het bestreden besluit komt in zoverre
voor vernietiging in aanmerking.
De terugvordering
Nu gelet op het vorenstaande eiser over 1 januari 1997 tot 1 juli 1997
recht op bijstand voor een alleenstaande heeft behouden, zal ook de
terugvordering over die periode niet in stand kunnen blijven.
Verweerder zal in een nieuw besluit op bezwaar moeten berekenen hoeveel
eiser te veel heeft gehad over 1 juli 1997 tot 1 juli 1999. Met het recht
op halve gezinsbijstand heeft verweerder reeds rekening gehouden, gelet
op de berekeningen gevoegd bij het verweerschrift.
Voorts heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de
vordering op mw. X en ook de aan haar te veel betaalde uitkering bij
eiser teruggevorderd.
In de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale
Raad van Beroep
- zie onder andere RSV 2001/142 - is beslist dat de tot 31
december 1998 geldende tekst van artikel
84, tweede lid, van de Abw
geen basis biedt voor terugvordering mede van de partner met wiens
middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden
in gevallen dat naar de norm voor een alleenstaande ouder
gezinsbijstand is verleend. De wettekst is per 1 januari 1999 [31
december 1998, red.] gewijzigd, zodat daarna wel terugvordering van de
alleenstaandeouderbijstand bij de partner mogelijk is.
In het onderhavige geval betekent dit dat verweerder slechts bij
eiser de aan mw. X te veel betaalde alleenstaandeouderbijstand mag
terugvorderen over de periode 1 januari 1999 tot 1 juli 1999. Ten
onrechte is haar bijstand vóór die periode mede van eiser
teruggevorderd.
Het bestreden besluit komt ook op dit punt voor vernietiging in
aanmerking. Verweerder zal in een nieuwe beslissing op bezwaar het
bedrag waarvoor eiser hoofdelijk aansprakelijk is opnieuw moeten
berekenen en het terugvorderingsbedrag moeten aanpassen.
Het verzenden/de inzage van stukken in de bezwaarprocedure.
Eisers gemachtigde heeft zich erover beklaagd dat de stukken van
de bezwaarprocedure niet, ook niet op verzoek, aan hem worden
toegezonden, maar dat hij ze op verweerders kantoor moet komen
inzien. Dossiers blijken bij inzage soms niet compleet. Voorts
vindt hij dat het ambtelijk advies aan de Bezwaarschriftencommissie tot
die stukken behoort, zodat hem vóór de hoorzitting bekend is
waartegen hij argumenten moet inbrengen. Gemachtigde acht één en
ander onzorgvuldig en heeft de rechtbank verzocht hierover een
oordeel te geven.
Verweerder heeft gesteld dat aan de wettelijke vereisten van
inzage wordt voldaan en dat het ambtelijk advies een intern stuk
is dat niet ter inzage hoeft te liggen. Overigens is de werkwijze
in bezwaar intussen gewijzigd en wordt niet meer vóór de
hoorzitting een uitvoerig ambtelijk advies, waarin het door de Commissie te nemen besluit reeds is uitgeschreven, vervaardigd.
De rechtbank stelt voorop dat het niet zijn taak is in zijn
algemeenheid voor te schrijven hoe verweerder zijn
bezwarenprocedure behoort in te richten. Slechts indien in een
zaak die in beroep aan het oordeel van de rechtbank is onderworpen de voorbereiding van het bestreden besluit
onzorgvuldig of in strijd met de wet is geweest, kan de rechtbank
daarover oordelen.
In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat de stukken
niet aan de gemachtigde van eiser in bezwaar zijn toegezonden. Dit
lijkt in strijd met artikel 6:17
van de
Awb. De rechtbank volgt echter, ook
gelezen artikel 7:4 van de
Awb, de uiteg van de Hoge Raad in
zijn uitspraak van 20 september 2000, nr. 34 604 [LJN
AA7148,
red.],
waarin wordt overwogen dat artikel 6:17 Awb,
alleen voor het geval er een gemachtigde is, regelt aan wie
stukken moeten worden gezonden en niet welke stukken moeten
worden gezonden. Niet toezenden van het (volledige) dossier is dus
niet in strijd met de wet.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat van eiser of zijn
gemachtigde niet mag worden gevergd dat hij de stukken bij
verweerder komt inzien, is niet gebleken, zodat van
onzorgvuldigheid geen sprake is.
Ingevolge artikel 7:4 van de Awb
dient wel een compleet dossier ter inzage te liggen. Daartoe
behoren ook de op de zaak betrekking hebbende stukken die na het
primaire besluit en vóór de hoorzitting worden geproduceerd,
waaronder ambtelijke adviezen van de afdeling Sociale Zaken,
waarin hun standpunt wordt verwoord en die dus min of meer het
karakter van een verweerschrift hebben. Het aanmerken als "intern"
is geen gewichtige reden die geheimhouding gebiedt, als bedoeld in
het zesde lid van artikel
7:4.
Het "ambtelijk advies" dat in het onderhavige dossier ontbrak
- zo heeft de griffier telefonisch nagevraagd - was echter geen
stuk van de afdeling Sociale Zaken, maar een schrijven met een
concept-advies, opgesteld door de secretaris van de afdeling Bezwaar en
Beroep ten behoeve van de beraadslagingen door de
Bezwaarschriftencommissie. De rechtbank is met verweerder van
oordeel dat een mening van de secretaris van de Commissie, die op
geen enkele wijze een standpunt van de Commissie of van verweerder
inhoudt, niet valt onder het begrip "op de zaak betrekking
hebbende stukken", zodat inzage achterwege mocht blijven.
Voor vernietiging vanwege onzorgvuldigheid in de bezwarenprocedure
ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding.
Conclusie
Gelet op de te verrichten herberekeningen en de overige gebreken
die aan het bestreden besluit kleven, zal de rechtbank niet zelf in
de zaak voorzien, maar volstaan met gegrondverklaring van het
beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent
dat er een geheel nieuw besluit op bezwaar dient te worden genomen
door verweerder met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de
primaire besluiten voor zover nodig worden herroepen.
De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen
in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in
verband met de behandeling van dit beroep, bestaande uit de kosten
ter zake van rechtsbijstand.
4. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op de bezwaren te nemen
met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast dat de gemeente Lelystad
aan eiser het namens hem gestorte griffierecht ad
ƒ60,-
(€|27,23) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten,
welke kosten worden bepaald op €|644,37 (ƒ1420,-)
ter zake van de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente
Lelystad aan de griffier;
Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar
uitgesproken op 15 maart 2002 in tegenwoordigheid van mw. W. Veldman als
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze
uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger
beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum
van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie
van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale
Raad van Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wiw |
x
LJN: |
x
AE1328 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Middelburg |
| Zaaknummer: |
Awb
01/203 |
| Datum
uitspraak: |
17
september 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14 en 113
Abw (= 18
en 9 Wwb) |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; schending arbeidsverplichtingen; weigering passende arbeid;
Wiw-dienstbetrekking; gesubsidieerde baan; meewerken aan
inschakeling in de arbeid; recidive; legaliteitsbeginsel |
| Essentie: |
Onterechte
verzwaring maatregelen tot 20% en 100% gedurende vier (in plaats
van twee) maanden wegens gedragingen die de inschakeling in de
arbeid belemmeren en het tot tweemaal toe niet aanvaarden van
passende arbeid, omdat de gemeente geen eigen beleid mag voeren
dat afwijkt van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (onjuiste
uitspraak, zie LJN AE2461). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Middelburg
Awb 01/203
U I T S P R A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. I. Kraijo, advocaat te Zierikzee,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Schouwen-Duiveland, verweerder.
1. Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 27 oktober 2000 aan eiser met
ingang van:
- 1 augustus 2000 voor de periode van vier maanden een maatregel
opgelegd van 20% vanwege gedragingen die de inschakeling in de
arbeid belemmeren;
- 1 september 2000 voor de periode van twee maanden een maatregel
opgelegd van 100% vanwege het niet aanvaarden van passende arbeid;
- 1 november 2000 voor de periode van vier maanden een maatregel
opgelegd van 100% vanwege het ten tweede male niet aanvaarden van
passende arbeid;
- 1 september 2000 voor de periode van vier maanden een maatregel
opgelegd van 10% vanwege het niet verlenen van de gevraagde
medewerking die nodig is voor de uitvoering van de
wet.
Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 19 februari 2001 heeft verweerder het bezwaar
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het beroep is op 30 augustus 2001 behandeld ter zitting. Eiser is
in persoon verschenen, bijgestaan door zijn genoemde gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde J.
Hinz.
2. Overwegingen
In artikel 113 van de Algemene bijstandswet
(Abw) is - voor zover
hier van belang - bepaald dat de belanghebbende die voor de
zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in
dienstbetrekking verplicht is passende arbeid te aanvaarden en na
te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw
bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de
belanghebbende een op grond van hoofdstuk
VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet
behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand
tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.
Volgens het tweede lid van artikel 14 van de
Abw wordt een
maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst van
de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van
het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
In het vijfde lid van artikel 14 Abw
is bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede
lid nadere regels kunnen worden gesteld.
Ter uitvoering van artikel 14, vijfde lid, van de
Abw geldt met
ingang van 1 juli 1997 het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en
Ioaz (Koninklijk besluit van 19 juni 1996, Stb. 1996, 360) (hierna: het
Maatregelenbesluit).
In artikel 3 van het Maatregelenbesluit is
onder meer bepaald dat
gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren een
gedraging betreft die behoort tot de derde categorie en dat het
niet aanvaarden van passende arbeid een gedraging betreft die
behoort tot de vierde categorie.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het
Maatregelenbesluit wordt
bij een gedraging van de derde categorie 20% van de bijstand
gedurende één maand geweigerd en bij een gedraging van de vierde
categorie 100% van de bijstand gedurende één maand.
In het tweede lid van artikel 5 is bepaald dat de periode van
weigering van de bijstand, genoemd in het eerste lid, wordt
verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw
schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
hogere categorie.
Verweerder heeft de maatregelen gebaseerd op artikel 14, eerst en
tweede lid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is
van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren, het
niet aanvaarden van passende arbeid, het ten tweede male niet
aanvaarden van passende arbeid en het niet verlenen van de
gevraagde medewerking die nodig is voor de uitvoering van de
wet,
zijnde verwijtbaar gedrag in respectievelijk de derde, vierde,
vierde en tweede categorie en recidive als bedoeld in artikel
5,
tweede lid, van het Maatregelenbesluit. Vanwege ernstige
verwijtbaarheid acht verweerder een zwaardere sanctie dan het
Maatregelenbesluit voorschrijft op zijn plaats ten aanzien van de
gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, het ten
tweede male niet aanvaarden van passende arbeid en het niet
verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de
uitvoering van de wet.
Eiser kan zich niet verenigen met de opgelegde maatregelen. Hij is
het niet met verweerder eens dat uit medisch onderzoek is gebleken
dat er ten aanzien van de psychische belastbaarheid geen
beperkingen zijn geconstateerd en dat er evenmin fysieke
beperkingen aanwezig zijn met betrekking tot het verrichten van
arbeid. Eiser ontkent en betwist dat er ten aanzien van psychische
en fysieke belastbaarheid geen beperkingen zijn. Hij heeft een
tennisarm en rugklachten. Bovendien heeft hij ernstige psychische
problemen omdat hij vanwege zijn huidskleur regelmatig wordt
gediscrimineerd en bedreigd. Deze discriminatie is dermate ernstig
dat hij aangifte heeft gedaan. Voorts is door Emergis een
urgentieverklaring voor huisvesting elders overgelegd, bij
voorkeur in een grote stad, waar meer leden van raciale
minderheden wonen. Het uitgevoerde medische onderzoek was
volstrekt onvoldoende en naar zijn psychische gesteldheid is door
de onderzoeker geen onderzoek ingesteld, aldus eiser.
Voorts is eiser van mening dat verweerder nader dient te motiveren
waarom aan de discriminerende uitingen niet een zodanig gewicht
kan worden toegekend dat als gevolg daarvan geen arbeid zou kunnen
worden verricht. Het is volgens eiser niet volledig juist dat hij
als gevolg van discriminerende uitingen geen arbeid kan
verrichten. In tegenstelling tot het beeld dat van hem wordt
gegeven, was hij wel degelijk voornemens om te werken. In de
omgeving waar hij te werk werd gesteld, werd hij wederom
gediscrimineerd, met als gevolg dat hij niet meer durfde te werken.
Eiser is van mening dat het, gelet op het feit dat hij zowel
psychisch als fysiek eenvoudigweg niet in de gelegenheid was om
arbeid te verrichten die van hem werd gevraagd, meer dan een halfjaar niet uitkeren van een bijstandsuitkering buitensporig is.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep voor zover
dat betrekking heeft op de opgelegde maatregel vanwege het niet
verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de
uitvoering van de wet van 10% voor de periode van
vier maanden
ingetrokken.
De rechtbank dient thans te beoordelen of verweerder eiser op
goede gronden verwijt dat hij vanwege zijn gedragingen de
inschakeling in arbeid heeft belemmerd en hij tweemaal niet heeft
voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te aanvaarden.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser vanwege zijn gedragingen
de inschakeling in arbeid heeft belemmerd en tweemaal niet heeft
voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te aanvaarden
gegrond op een rapportage van de afdeling Sociale Zaken van 20
september 2000.
Blijkens deze rapportage is eiser regelmatig door medewerkers van
de afdeling Sociale Zaken opgeroepen voor een gesprek over zijn
sollicitatieactiviteiten. Tijdens deze gesprekken heeft eiser
steeds nieuwe argumenten aangevoerd waardoor het steeds moeilijker
werd hem te bemiddelen. Zo heeft eiser achtereenvolgens aangevoerd
dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet met alcohol en tabak
mocht werken, hij vanwege psychische klachten niet over straat
durfde, hij binnenkort naar Eindhoven zou verhuizen, hij een eigen
bedrijf wilde starten en hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet
met vrouwen mocht werken. Uit de rapportage blijkt voorts dat
eiser, nadat hij erop was gewezen dat door het arbeidsbureau
medewerkers voor de fruitpluk werden gevraagd, zich op 1 september
2000 bij het arbeidsbureau heeft gemeld en daar duidelijk heeft
laten blijken geen zin te hebben in deze werkzaamheden en heeft
verklaard dat hij bij een sollicitatiegesprek zou zeggen medische
belemmeringen te hebben. Voorts blijkt uit de rapportage dat eiser
op 27 september 2000 afwijzend heeft gereageerd op een aanbod voor een
Wiw-dienstbetrekking bij De Zuidhoek.
Ten aanzien van eisers grief dat hij zowel psychisch als fysiek
niet in de gelegenheid was om arbeid te verrichten die van hem
werd gevraagd, is de rechtbank van oordeel dat het, mede gelet op
het rechtens onaantastbare besluit van 16 november 1999, waarbij
aan eiser is meegedeeld dat hij niet is aan te merken als
arbeidsgehandicapt en hij in staat moet worden geacht tot het
verrichten van arbeid op de reguliere arbeidsmarkt, op de weg van
eiser had gelegen om zijn stelling te onderbouwen door
bijvoorbeeld een verklaring van een arts.
Nu eisers stelling niet van enige medische onderbouwing is
voorzien, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de
juistheid van verweerders opvatting dat eiser heeft geweigerd
passende arbeid te aanvaarden.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat
verweerder eiser op goede gronden verwijt dat hij vanwege zijn
gedragingen de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd en hij
tot tweemaal toe niet heeft voldaan aan zijn verplichting om
passende arbeid te aanvaarden en dat mitsdien sprake is van
gedragingen van respectievelijk de derde en tweemaal de vierde
categorie. Verweerder was dus verplicht een maatregel toe te
passen als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van de
Abw.
Bij de derde categorie hoort volgens het Maatregelenbesluit
een
maatregel van 20% gedurende één maand en bij de vierde categorie
een maatregel van 100% gedurende één maand. In het onderhavige
geval is gelet op het besluit 10 maart 2000 sprake van recidive,
zodat verweerder de periode van weigering van de uitkering terecht
heeft verdubbeld.
De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat verweerder
vanwege het niet aanvaarden van passende arbeid terecht heeft
besloten tot een maatregel per 1 september 2000 van 100% voor de
periode van twee maanden.
Het beroep is in zoverre ongegrond.
Verweerder heeft gemeend voor de gedragingen die de inschakeling
in de arbeid hebben belemmerd en voor het ten tweede male niet
aanvaarden van passende arbeid vanwege ernstige verwijtbaarheid
een zwaardere maatregel te mogen opleggen dan het Maatregelenbesluit
voorschrijft.
De rechtbank kan zich hiermee niet verenigen en overweegt daartoe
het volgende.
Het Maatregelenbesluit is een op artikel 14 van de
Abw gebaseerde algemene maatregel van bestuur in de vorm van een
koninklijk besluit. Het is mitsdien geen gemeentelijk beleidsregel, waarvan
door verweerder in een bepaald geval gemotiveerd kan worden
afgeweken
[onjuist, zie LJN
AE2461, red]. Verweerder heeft in dezen dus geen beleidsvrijheid,
maar dient de wet en het Maatregelenbesluit te volgen. Dit is ook
in het belang van de rechtsgelijkheid en van de rechtszekerheid.
Verweerder meent in het eerste en tweede lid van artikel 14 van de
Abw desondanks ruimte te kunnen vinden voor een geïndividualiseerde
sanctie. Artikel 14, eerste en tweede lid, van de
Abw zijn echter
nader ingevuld met het Maatregelenbesluit. De ernst van de
gedraging en de zwaarte van de maatregel is volledig en minutieus
geregeld in het categorieënsysteem. Valt de gedraging volledig
aan de betrokkene te verwijten en gelden geen bijzondere
omstandigheden, dan dient de maatregel onverkort te worden
toegepast. De mate van verwijt en de omstandigheden waarin de
individuele belanghebbende verkeert, kunnen hooguit reden zijn voor
verlichting van de maatregel. Het derde en vierde lid van artikel 14
geven een mogelijkheid om van een maatregel af te zien, niet om
deze te verwaren. Een verzwaring in een individueel geval
verdraagt zich ook niet met het legaliteitsbeginsel, waaraan
sancties behoren te voldoen. Overigens is de rechtbank niet
gebleken van bijzondere omstandigheden die voor een verlichting
van de sanctie in eisers geval aanleiding geven.
De rechtbank oordeelt in verband met het bovenstaande de door
verweerder aan eiser opgelegde maatregelen van 20% gedurende vier maanden en 100% gedurende
vier maanden in strijd met de wet en het
Maatregelenbesluit.
Het beroep is in zoverre gegrond.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te
veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
ƒ1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee
proceshandelingen.
Het vorenstaande leidt tot de navolgende uitspraak.
3. Uitspraak
De arrondissementsrechtbank te
Middelburg:
verklaart het beroep ongegrond voor zover het de per 1 september
2000 opgelegde maatregel van 100% gedurende twee maanden betreft;
verklaart het beroep gegrond voor zover het de per 1 augustus 2000
en per 1 november 2000 opgelegde maatregelen van 20% gedurende
vier maanden en van 100% gedurende vier maanden betreft en vernietigt in
zoverre het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming
van het in deze uitspraak gestelde;
bepaalt dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan eiser het door hem
betaalde griffierecht ten bedrage van
ƒ60,- (zestig gulden)
vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de
zijde van eiser begroot op
ƒ1420,- (veertienhonderdtwintig
gulden), te betalen door de gemeente Schouwen-Duiveland aan eiser.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2001
door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen,
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep
instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het
indienen van een beroepschrift bij de
Centrale
Raad van Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van
verzending van deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE1353 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/2644
NABW |
| Datum
uitspraak: |
2 oktober 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
51 en 54
Abw (= 34
en 34 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vermogen;
lijfrentepolis; koopsompolis; afkopen; beëindiging bijstand;
oudedagsvoorziening |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens oververmogen, omdat de afkoop van
de lijfrente-/koopsompolis (bedoeld als oudedagsvoorziening)
redelijkerwijs kan worden gevergd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2644
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Leidschendam [zie gemeente
Leidschendam-Voorburg, red.], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. N.H.G. Beltman, advocaat te Amsterdam,
op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Den Haag op 29 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft op verzoek
van de Raad nog een stuk in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad
van 21 augustus
2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
N.H.G. Beltman, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. F.J. IJspeerd, werkzaam bij de gemeente
Leidschendam.
II. Motivering
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de in rubriek 3 van
de aangevallen uitspraak vermelde, als vaststaand aan te nemen
feiten en omstandigheden.
Gelet op de inhoud van de gedingstukken gaat het in dit geding om
de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 24 maart 1998
terecht de beëindiging van appellants uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) met ingang van 1 april 1998 heeft
gehandhaafd.
Aan die beëindiging ligt gedaagdes standpunt ten grondslag dat
appellant op de datum in geding beschikte over in aanmerking te
nemen vermogen dat hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens.
Tot dit vermogen heeft gedaagde gerekend de afkoopwaarde van een
door appellant in 1980 afgesloten Lijfrente Koopsom Plan.
Appellant heeft zowel bij de rechtbank als in hoger beroep
aangevoerd dat de afkoop van deze polis redelijkerwijs van hem
niet te vergen is, omdat hij die heeft afgesloten met als doel een
pensioenvoorziening te treffen. Voorts heeft appellant in beide
instanties een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 7, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand
wordt verleend door burgemeester en wethouders.
Tot die middelen behoren ook de vermogensbestanddelen in de zin
van artikel 51 van de Abw, te weten de waarde van de bezittingen
waarover de betrokkene bij de aanvang van de bijstandverlening
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die
worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand
wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in
artikel 47 van de Abw. Van het vastgestelde vermogen blijft voor
een alleenstaande ingevolge artikel 54, onderdeel
a, van de Abw ten
tijde hier van belang
ƒ9700,- buiten beschouwing.
De Raad stelt eerst vast dat tussen partijen niet in geschil is -
en ook de Raad gaat daarvan uit - dat evenvermelde Lijfrente
Koopsom Plan op de datum in geding af te kopen was en een waarde
had die het in artikel 54, onderdeel a, van de
Abw vermelde bedrag aan
vermogen dat buiten beschouwing blijft ruimschoots overtrof.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 november 2000,
gepubliceerd in JABW 2001/2, is de Raad
met de rechtbank in het
onderhavige geding van oordeel dat, bezien vanuit het oogpunt van
de Abw, het afkopen van een Lijfrente Koopsom Plan van appellant
redelijkerwijs kan worden gevergd. Daarbij is van belang dat aan
de Abw en de daarop gebaseerde regelgeving het beginsel ten
grondslag ligt dat een betrokkene in de eerste plaats zelf
verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. In het
kader van die wetstoepassing komt aan het namens appellant
gestelde belang van het (verder) kunnen opbouwen van een
oudedagsvoorziening geen betekenis toe. Het gaat hier slechts om
de aanspraken van appellant op 1 april 1998, de datum in geding,
en de daarbij ingevolge hoofdstuk IV, afdeling
3, van de Abw in
aanmerking te nemen middelen van appellant.
De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellants
grief dat er sprake is van een ongelijke behandeling van
vergelijkbare gevallen, te weten met de categorie personen die
eveneens een pensioen opbouwen, doch dat doen via een niet
afkoopbare polis of verplichte pensioenopbouw, faalt. Die personen
kunnen niet kiezen voor afkoop en verzekerden als appellant kunnen
dat wel: in zoverre is er geen sprake van vergelijkbare gevallen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten,
voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en in het
openbaar uitgesproken op 2 oktober 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE1887 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4563
NABW en 01/5610 NABW |
| Datum
uitspraak: |
2
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
30 en 59a ABW (= 65
en 84
Abw) (= 17
en 59 Wwb)
/ 32,
69, 78 en
81 Abw
(= 24, 54,
58 en 58
Wwb)
/ 1:2
en 8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
niet-rechthebbende partner; illegale vreemdeling; hoofdelijk
aansprakelijke; rechtssubject |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand wegens oververmogen en inkomsten,
omdat aan betrokken illegale vreemdeling als niet-rechthebbende
partner geen bijstand is verleend en zij aldus niet hoofdelijk
aansprakelijk kan worden gesteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/4563
NABW en 01/5610 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Almere,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 27 juli 1999 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 15
november 1999 heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam,
namens appellante de gronden voor het hoger beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad
op 19 februari
2002, waar appellante en haar gemachtigde - zoals aangekondigd -
niet zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. G. van de Wal, werkzaam bij de gemeente
Almere.
II. Motivering
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad
uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Appellante heeft de Zweedse nationaliteit. Zij diende op 30
januari 1995 samen met [A] (hierna: [A]) een aanvraag om
bijstand in bij gedaagde. Gedaagde kende uitsluitend aan [A] met
ingang van 1 februari 1995 uitkering ingevolge de Algemene
Bijstandswet (ABW) toe. Deze uitkering werd berekend naar de norm
voor een eenoudergezin onder overweging dat appellante in
Nederland verbleef zonder een geldige titel en zij niet in
Nederland werd gedoogd door het hoofd van de vreemdelingendienst.
De uitkering werd ingaande 1 oktober 1996 beëindigd.
Appellante en [A] dienden een nieuwe aanvraag om bijstand in op 7
oktober 1996. Met ingang van die datum is aan [A] uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar
de norm voor een alleenstaande ouder onder overweging dat
appellante geen recht heeft op bijstand omdat zij niet over een
verblijfsvergunning beschikt.
Bij brief van 13 februari 1998 heeft gedaagde appellante en [A]
in kennis gesteld van het volgende:
"Uit ter zake verricht onderzoek is gebleken dat de heer [A] gedurende vorengenoemde periode, waarin de uitkering is
genoten, geen gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende
rechtsplicht ex artikel 30 ABW
(oud)/65 Abw
(nieuw) het bijstandverlenende orgaan al datgene wat van belang is voor de
verlening van de bijstand of de voortzetting van verleende
bijstand mededeling te doen. Uit dit onderzoek is gebleken dat [u,
red.] gedurende vorengenoemde periode kon beschikken over een meer dan
de bescheiden vrij te laten vermogen [lees: kon beschikken over
meer dan het vrij te laten bescheiden vermogen, red.]. Tevens is gebleken dat door
mevrouw [appellante] inkomsten zijn genoten welke kenbaar hadden
moeten worden gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan.
Als gevolg hiervan heeft u gedurende deze periode geen recht gehad
op een (volledige) uitkering op grond van de Rww/Abw
[Rww: Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (met ingang van 1
januari 1996 vervallen), red.] volgens de
aan u toegekende norm.
Om deze reden hebben wij besloten het recht op uitkering van de
heer [A] met terugwerkende kracht vanaf 30 januari 1995 tot 1
februari 1998
- met toepassing van artikel 69, derde lid,
Abw - te herzien.
Als gevolg van deze herziening van het recht op bijstand heeft de
heer [A] een bedrag van
ƒ75.989,96 bruto ten onrechte ontvangen
(zie bijlage 1).
Op grond van artikel 84 Abw
is ook mevrouw [appellante] aansprakelijk
voor de ten onrechte verstrekte bijstand.
Wij hebben besloten dit bedrag, met toepassing van artikel 78,
eerste lid,
81, eerste lid, en 84 Abw
van u beiden terug te vorderen. U bent beiden
hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling."
Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft gedaagde de namens
appellante en [A] ingediende bezwaren tegen de in voormelde brief
van 13 februari 1998 vervatte besluiten ongegrond verklaard.
Tegen het besluit van 31 augustus 1998 hebben appellante en [A]
bij de rechtbank afzonderlijk beroep ingesteld. Bij uitspraak van
13 januari 1999 heeft de rechtbank het namens [A] ingestelde
beroep niet-ontvankelijk verklaard. [A] heeft tegen die uitspraak
geen rechtsmiddel aangewend.
Bij uitspraak van 27 juli 1999 heeft de rechtbank het namens
appellante tegen het besluit van 31 augustus 1998 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen die laatste uitspraak
gekeerd. Zij heeft gesteld dat het recht op bijstand van [A] ten
onrechte is herzien en dat ten onrechte van [A] en van haar is
teruggevorderd. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat zij niet
is aan te merken als belanghebbende in de zin van de artikelen
81,
eerste lid, en 84, eerste en derde lid, van de
Abw, omdat de aan
[A] verleende bijstand gebaseerd is op artikel 32 van de
Abw. Zij
heeft voorts onder meer aangevoerd dat het horen is geschied in
strijd met het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad ziet zich in deze gedingen ambtshalve gesteld voor de
vraag of gedaagde appellante terecht heeft ontvangen in haar
bezwaren voor zover deze gericht zijn tegen het besluit tot
herziening (lees: intrekking) van de aan [A] toegekende
bijstandsuitkering en het besluit tot terugvordering van deze
persoon. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend op grond van het
volgende.
Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de
Awb wordt
onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks
bij een besluit is betrokken.
Op grond van de gedingstukken staat vast dat gedaagde aan
appellante als niet-rechthebbende partner geen bijstand heeft
verleend, zodat zij niet kan worden aangemerkt als subject van de
hier in geding zijnde bijstandverlening. Dit brengt mee dat
appellante niet kan worden beschouwd als een persoon met een bij
het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A]
rechtstreeks betrokken belang. Onder verwijzing naar zijn
uitspraak van 18 mei 1999, gepubliceerd in RSV 1999/213, merkt de Raad
hierbij nog op dat de omstandigheid dat appellante hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld voor de kosten van de aan [A] verleende
bijstand niet meebrengt dat zij kan worden beschouwd als een
persoon met een bij dat intrekkingsbesluit rechtstreeks betrokken
belang.
Evenmin kan appellante worden beschouwd als een persoon met een
bij het besluit tot terugvordering van [A] rechtstreeks betrokken
belang (vergelijk ook 's Raads uitspraak van 9 januari 2001,
gepubliceerd in RSV 2001/73).
Zij is uitsluitend belanghebbende in de zin van artikel
1:2,
eerste lid, van de Awb bij het besluit om ten aanzien van haar tot
terugvordering over te gaan.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellante
niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar bezwaren
voor zover deze gericht zijn tegen het besluit tot intrekking van
de bijstandsuitkering van [A] en het besluit tot terugvordering
van deze persoon. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de
aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven. Doende
hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het
inleidend beroep van appellante in zoverre gegrond verklaren en
het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij haar bezwaren
tegen het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A] en het besluit tot terugvordering van
[A] ongegrond zijn
verklaard. De Raad zal voorts met toepassing van artikel
8:72,
vierde lid, van de Awb de bezwaren van appellante in zoverre
niet-ontvankelijk verklaren.
Ook overigens kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.
Met betrekking tot het nu te bespreken besluit tot terugvordering
van appellante is namelijk het volgende van belang.
Dit besluit ziet op kosten van aan [A] toegekende bijstand over
de periode van 30 januari 1995 tot 1 februari 1998 en is gebaseerd
op artikel 84 van de Abw. De gemachtigde van gedaagde heeft ter
zitting aangegeven dat dit terugvorderingsbesluit over het in
geding zijnde tijdvak tot 1 januari 1996 had moeten worden
gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de ABW en vanaf 1
januari 1996 op artikel 84, eerste lid, van de
Abw.
Ten aanzien van de strekking van artikel 59a, eerste lid, van de
ABW is in de memorie van toelichting bij de Wet van 15 april 1992,
Stb. 1992, 193 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 598, nr. 3,
blz. 14) onder meer
opgemerkt:
"Aan gehuwden en aan degenen die een gezamenlijke huishouding
voeren wordt de bijstand overeenkomstig het bepaalde in de
artikelen 5 en 5a als een geheel vastgesteld. Daarbij wordt met de
middelen van de tot het gezin of de gezamenlijke huishouding
behorende personen rekening gehouden. Het rekening houden met de
aanwezige middelen dient op overeenkomstige wijze te geschieden
indien met betrekking tot de ingevolge genoemde artikelen
terugvordering aan de orde is. Dit betekent dat de terugvordering
niet alleen gericht is op de persoon aan wie de bijstand is
uitgekeerd, maar zich uitstrekt tot de personen die in de
bijstand, bedoeld in de artikelen 5 en 5a, zijn begrepen."
Evenzo is ten aanzien van de strekking van artikel
84, eerste lid,
van de Abw
in de memorie van toelichting te lezen dat dit
artikelonderdeel niet alleen gericht is op de persoon aan wie de
bijstand is betaald, maar tevens op de personen die in de
gezinsbijstand zijn begrepen (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545,
nr. 3, blz. 172).
Appellante was als niet-rechthebbende partner niet in de
onderhavige aan [A] verleende gezinsbijstand begrepen. De door
gedaagde vastgestelde bijstandsnorm voor
[A] was er juist op
gericht geweest om te voorkomen dat indirect aan appellante
bijstand werd verleend (zie ook 's Raads uitspraak van 20 juni
1995, gepubliceerd in RSV 1995/293, en de tekst en de
wetsgeschiedenis van artikel 32 van de Abw
in Kamerstukken II
1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 135). Zij is daarom niet aan te
merken als betrokkene in de zin van artikel 59a, eerste lid, van
de ABW, respectievelijk als belanghebbende in de zin van artikel
84, eerste lid, van de Abw.
Aangezien - naar ter zitting is erkend - de toepassing van
artikelen 59a, tweede lid, van de ABW en 84, tweede lid, van de
Abw
(tekst tot 31 december 1998) in dit geval evenmin aan de orde
kan zijn, betekent het vorenstaande dat het bestreden besluit,
voor zover daarbij het besluit van 13 februari 1998 tot
terugvordering van appellante is gehandhaafd, wegens strijd met de
wet dient te worden vernietigd.
De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel
8:72,
vierde lid, van de Awb tevens het besluit van 13 februari 1998 tot
terugvordering van appellante te vernietigen.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven van appellante
geen bespreking meer.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel
8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellante. Deze kosten worden begroot op €|644,- in beroep en
op €|322,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij ongegrond zijn
verklaard de bezwaren van appellante tegen de besluiten tot
intrekking van de aan [A] verleende bijstand en tot
terugvordering van laatstgenoemde;
verklaart die bezwaren van appellante niet-ontvankelijk;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is gehandhaafd
het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante
van kosten van aan [A] verleende bijstand alsmede dat besluit;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van €|966,-, te betalen door de gemeente
Almere;
bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal €|97,56 (ƒ215,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.G. Treffers en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 2 april 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|