| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Bw / Awb |
x
LJN: |
x
AE1901 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
01/2457
NABW en 02/1129 NABW-VV |
| Datum
uitspraak: |
9
april 2002 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en hoger beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en
12
Abw (= 11
en –
Wwb)
/
21
Bw / 8:86
Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; Algerijnen |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de
Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat
ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag
worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de
uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag
voor een verblijfsvergunning en derhalve gelijk diende te worden
gesteld met een Nederlander. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 01/2457
NABW en 02/1129 NABW-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, alsmede het verzoek om toepassing van
artikel 8:81
van die wet in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Rotterdam, gedaagde.
I. Inleiding
Namens verzoeker heeft mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg, op
de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 16 maart 2001
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 16 februari 2002 heeft mr. Venema voornoemd de
gronden van het hoger beroep aangevuld en de Raad
nadere stukken
doen toekomen.
Voorts heeft mr. Venema bij brief van 16 februari 2002 verzocht om
toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 maart 2002, waar voor
verzoeker is verschenen mr. Venema, en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de
gemeente Rotterdam.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 18
en
artikel 21 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:81
van de
Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18
van de Beroepswet hoger beroep is
ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet
in verbinding met
artikel 8:86 van de Awb houdt
met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na
de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan
de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van
het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig
om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat
de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, heeft in 1996 een verzoek
om verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland
ingediend. Bij besluit van 12 november 1997 is deze aanvraag
afgewezen. De Staatssecretaris van Justitie
heeft het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift bij besluit
van 3 december 2001 ongegrond verklaard. Namens verzoeker is tegen
dat besluit beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige
voorziening ingediend.
Gedaagde heeft bij besluit van 2 april 1998 aan verzoeker met
ingang van 7 april 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend. Hieraan lagen ten grondslag een bericht van 23
oktober 1997 van de Staatssecretaris van Justitie,
gericht aan de vreemdelingendienst van het regiopolitiekorps
Rotterdam-Rijnmond, inhoudende dat aan verzoeker een positieve
ABW-verklaring ingaande 7 april 1997 diende te worden afgegeven,
en een verklaring van de korpschef in de zin van de
Vreemdelingenwet (Vw) als bedoeld in artikel 45a (oud) van
het Voorschrift Vreemdelingen.
Deze bijstandsuitkering is na de inwerkingtreding van de Wet van
26 maart 1998, Stb. 1998, 203 (hierna: de
Koppelingswet), per 1 juli 1998, voortgezet in afwachting van
duidelijkheid omtrent verzoekers verblijfsstatus.
Bij besluit van 13 november 1998 heeft gedaagde naar aanleiding
van een faxbericht van 9 november 1998 van de vreemdelingendienst
verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 18 december 1998
ingetrokken op grond van artikel 7 van
de
Abw.
Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft gedaagde het namens
verzoeker tegen het besluit van 20 november 1998 ingediende
bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat het recht op
bijstand van verzoeker met ingang van 1 januari 1999 wordt
ingetrokken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het namens verzoeker tegen het besluit van 8 augustus 2000
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de
rechtbank was dit besluit niet in strijd met artikel 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
In hoger beroep is dit oordeel gemotiveerd bestreden.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter
gaat daarvan uit, dat verzoeker op grond van de in de aangevallen
uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels op de
in dit geding relevante datum, zijnde 1 januari 1999, geen recht
meer kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw.
Verzoeker was immers geen vreemdeling in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vw (oud) en hij kon ook niet op grond
van het bepaalde in artikel 7, derde
lid, (oud) van de
Abw in verbinding met artikel 1,
eerste lid, van het Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308)
met een Nederlander worden gelijkgesteld.
Ter beoordeling staat derhalve de vraag of de intrekking van
verzoekers bijstandsuitkering als strijdig met artikel 26 van het
IVBPR kan worden bestempeld.
De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken
van de Raad van 26 juni 2001, onder
meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186 [zie LJN AB2276
en LJN AB2277, red.]. In
die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet
aan artikel 26 van het IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het
uitgangspunt van die wet wat zijn
doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het
algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle
opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om
toelating verzoekt en dat dit ook geldt voor de categorie
vreemdelingen, genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3,
van de Vw (oud). Voorts heeft de Raad geoordeeld dat de
gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte
heeft gekregen in onder meer de Abw
in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de
vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor onder meer degenen die onder de
tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12
(oud) van de Abw bijstand is
verleend.
Voor hen geldt dat er hangende de lopende bezwaar- of
beroepsprocedure onvoldoende grond aanwezig is om de verworven
rechtspositie te beëindigen. Dit wordt eerst anders wanneer
sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing om toelating,
zolang zij althans aan de overige voorwaarden voor een
bijstandsuitkering blijven voldoen.
Vaststaat dat verzoeker behoort tot de categorie vreemdelingen aan
wie onder toepassing van artikel 12
(oud) van de
Abw een bijstandsuitkering is
toegekend en dat verzoeker dat recht na invoering van de Koppelingswet
per 1 juli 1998 in eerste instantie had behouden. Voorts staat
vast dat ten tijde hier van belang nog geen definitieve beslissing
was genomen op het door verzoeker in 1996 ingediende verzoek om
verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland.
Deze feiten en omstandigheden leiden er naar het oordeel van de
voorzieningenrechter toe dat, nu gelet op voornoemde uitspraken
van de Raad de gerechtvaardigdheid
van de
koppelingswetgeving, zoals neergelegd in
de Abw, niet althans niet ten volle
opgaat voor verzoeker, zijn uitkering ten onrechte met ingang van
1 januari 1999 is ingetrokken. Het bestreden besluit dient
derhalve als strijdig met artikel 26 van het IVBPR te worden
beschouwd.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank
had behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het bestreden
besluit wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De
voorzieningenrechter acht het voorts aangewezen dat gedaagde een
nieuw besluit op bezwaar neemt.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om
enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek
afgewezen.
De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze
worden begroot op €|322,- in beroep
en op €|644,- in hoger beroep,
wegens verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een
bedrag groot €|966,-, te betalen
door de gemeente
Rotterdam;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81
van de Algemene wet bestuursrecht
af;
gelast de gemeente Rotterdam aan verzoeker het betaalde
griffierecht van in totaal €|186,37
te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid
van mr. M.C.M. Hamer en uitgesproken in het openbaar op 9 april
2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE2461 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/2732 NABW |
| Datum
uitspraak: |
12 maart 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14 en 113
Abw (= 18
en 9 Wwb) /
7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; hoogte; verzwaring; schending arbeidsverplichtingen;
recidive; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
maatregel van 50% (in plaats van 30%) gedurende twee maanden,
omdat niet viermaal maar driemaal achtereen verwijtbaar geen gevolg
is gegeven
aan een oproep om op het CWI te verschijnen en er geen sprake is
van recidive. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/2732
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Veghel,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op
23 maart 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, nummer 99/2727
NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad
nadere stukken ingezonden.
Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen
geregistreerd onder nummer 99/3179 NABW en 99/3180 NABW, behandeld
ter zitting van 29 januari 2002. Appellant is daar in persoon
verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door P.W.M. van de Kamp, werkzaam bij de gemeente
Veghel.
Na de gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst. In de
onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. Motivering
Gedaagde heeft appellants uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) bij besluit van 16 november 1998 met ingang van
1 december 1998 gedurende twee maanden verlaagd met 50%. Aan dit
besluit is ten grondslag gelegd dat appellant, ondanks oproeping
daartoe, in september 1998 tot viermaal toe niet is verschenen op
het arbeidsbureau. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat ten
aanzien van appellant eerder maatregelen zijn getroffen en dat hij
blijft volharden in zijn negatieve houding ten aanzien van de
inschakeling in het arbeidsproces. Het tegen dat besluit
ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 2 maart 1999
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van
2 maart 1999 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen
dat gedaagde vanwege appellants aanhoudende negatieve gedragingen
ten aanzien van zijn inschakeling in de arbeidsmarkt, welke zijn
uitgemond in twee eerdere maatregelbesluiten, in redelijkheid
heeft kunnen komen tot de thans opgelegde maatregel.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad
uit van het volgende.
Appellant is schriftelijk uitgenodigd om op 2 september 1998 te
verschijnen op het arbeidsbureau voor een gesprek met
[D].
Appellant heeft die afspraak tevoren afgezegd. Desgevraagd heeft
appellant daaromtrent verklaard dat hij dit heeft gedaan om
persoonlijke redenen, althans redenen waar de gemeente niets mee
te maken had. De Raad is niet kunnen blijken dat appellant een
deugdelijke reden had om niet te verschijnen en houdt het er
daarom voor dat appellant verwijtbaar geen gevolg heeft gegeven
aan deze oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid,
te verschijnen.
Bij schrijven van 7 september 1998 is appellant opnieuw
uitgenodigd voor een gesprek op het arbeidsbureau en wel op 10
september 1998 om 9.15 uur met het verzoek zich bij de receptie te
melden voor een onderhoud met [D]. Naar zijn zeggen is appellant
daar wel verschenen, maar is hij toen hij [D] niet aantrof kort
daarna - onder achterlating van een briefje voor laatstgenoemde -
weer vertrokken.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellant, te meer nu hij
zich niet bij de receptie heeft aan- of afgemeld, niet op adequate
wijze gevolg heeft gegeven aan de tweede oproep. De Raad kan dit
onderschrijven en voegt daaraan toe dat het appellant mede gelet
op de inhoud van het schrijven van 7 september 1998 duidelijk kon
zijn wat het belang was van de geplande bespreking. Tegen die
achtergrond had van appellant mogen worden verlangd dat hij zich
ten minste bij de receptie zou hebben gemeld en voorts niet zonder
eerst uitdrukkelijk navraag te doen of nadere afspraken te maken,
had mogen vertrekken.
Vaststaat dat appellant vervolgens telefonisch is uitgenodigd om
op 17 september 1998 te verschijnen. Ook toen is appellant niet
verschenen, dit maal omdat hij ziek zou zijn. Desgevraagd heeft
appellant dit niet met medische gegevens aannemelijk kunnen maken,
zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij ook op die datum
zonder deugdelijke grond niet aan de oproep heeft voldaan.
Ten aanzien van de door gedaagde gestelde oproep aan appellant om
op 21 september 1998 te verschijnen, is niet komen vast te staan
dat deze oproep daadwerkelijk is gedaan, zodat deze bij de
beoordeling van de vraag of, en zo ja, welke maatregel in dit geval
was aangewezen buiten beschouwing dient te worden gelaten.
Gelet op het vorenstaande moet er naar het oordeel van de Raad
van
worden uitgegaan dat appellant in de maand september 1998 driemaal niet adequaat heeft gereageerd op een oproep om, in verband
met de inschakeling in de arbeid, te verschijnen, hetgeen hem valt
te verwijten.
Dit betekent dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel
14,
eerste lid, van de Abw en het Maatregelenbesluit Abw,
Ioaw en Ioaz
(hierna: Maatregelenbesluit) gehouden was ten aanzien van
appellant een maatregel te treffen.
De betreffende gedragingen vallen onder artikel
3, aanhef en onderdeel 2, subonderdeel b, van het Maatregelenbesluit. Blijkens
artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van het
Maatregelenbesluit wordt de
verlaging van de bijstand in een dergelijk geval in beginsel
vastgesteld op 10% gedurende één maand.
De Raad stelt vervolgens vast dat de bepalingen van het
Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde in
artikel 14, tweede lid, van de Abw
kan worden afgeweken van de in
dat besluit voorgeschreven standaardmaatregelen. Dit volgt naar
het oordeel van de Raad reeds uit de tekst van en de toelichting
op artikel 2 van het Maatregelenbesluit. Daaruit blijkt
immers dat
burgemeester en wethouders bevoegd blijven tot afstemming op de
individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
verwijtbaarheid. Dit kan er in specifieke situaties toe leiden dat
een zwaardere dan wel lichtere maatregel dan de standaardmaatregel
is aangewezen; de afwijking kan betrekking hebben op de hoogte
en/of de duur van de maatregel.
De Raad acht voorts de door gedaagde gevolgde gedragslijn om
gelijksoortige gedragingen die binnen korte tijd achter elkaar
plaatsvinden bijeen te nemen en te volstaan met één maatregel,
aanvaardbaar. Daarbij wordt aangetekend dat de op te leggen
maatregel niet in strijd mag zijn met het algemeen rechtsbeginsel
dat evenredigheid dient te bestaan tussen de maatregel en de ernst
van de gedragingen.
Niettemin kan het bestreden besluit in dit geval niet in stand
blijven.
Immers dit besluit berust op de grond dat appellant viermaal
verwijtbaar niet adequaat heeft gereageerd op een oproep om op het
arbeidsbureau te verschijnen, terwijl hem dit, gelet op het
voorgaande, slechts driemaal kan worden aangerekend. Voorts is
gedaagde er bij zijn besluit van uitgegaan dat sprake was van
herhaald verwijtbaar gedrag omdat ten aanzien van appellant in mei
1998 reeds om dezelfde reden een maatregel was getroffen. Nu deze
maatregel in rechte evenwel geen stand kan houden (zie de heden
onder nummer 99/3180 NABW gewezen uitspraak van de Raad) is deze
ten onrechte bij de vaststelling van de hoogte van de onderhavige
maatregel betrokken.
Eén en ander leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden
besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel
7:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in
aanmerking komt. De aangevallen uitspraak kan evenmin standhouden.
De Raad acht het aangewezen dat gedaagde een nieuw besluit op
bezwaar neemt.
Ten overvloede in dit geding overweegt de Raad
dat in dit geval
een maatregel van 30% gedurende twee maanden de rechterlijke toets
wel zou kunnen doorstaan.
Daarbij neemt de Raad in overweging dat appellant in een korte
periode tot driemaal toe verwijtbaar niet adequaat heeft
gereageerd op een oproep, terwijl hij voldoende doordrongen moet
zijn geweest van het belang van de in dat kader te houden
gesprekken, zulks mede bezien in het licht van de langdurige
werkloosheid van appellant, de intensieve bemoeienis van gedaagde
en andere instanties met appellant teneinde zijn inschakeling op
de arbeidsmarkt te bewerkstelligen, alsmede de eerder reeds in
oktober 1997 ten aanzien van appellant getroffen maatregel, welke
onderwerp van geschil was in de zaak onder nummer 99/3179 NABW en
welk besluit bij uitspraak van heden door de Raad in hoger beroep
in stand is gelaten.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te
geven artikel 8:75 van de Awb, omdat niet is gebleken van voor
vergoeding in aanmerking komende proceskosten; in de vergoeding
van reiskosten van appellant in hoger beroep is reeds voorzien met
's Raads uitspraak in het geding nummer 99/3180 NABW.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Veghel aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal €|104,37
(ƒ230,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12
maart 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Heijink.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE2487 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/1244 ABW |
| Datum
uitspraak: |
28
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7
en 12
Abw (= 11
en – Wwb) /
8:68
Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
afwijzing bijstand; Koppelingswet; IVBPR; geen gelijkstelling
met Nederlander; WW |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland,
omdat onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu
betrokkenen eerst na de inwerkingtreding van de Koppelingswet
bijstand hebben aangevraagd. De omstandigheid dat voordien
WW-uitkering werd genoten, doet daaraan niet af. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/1244 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats C], eisers,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag,
verweerster.
I. Ontstaan en loop van het geding
Eisers hebben op 18 augustus 2000 een aanvraag ingediend voor een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan.
Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft verweerster deze aanvraag
afgewezen, omdat eisers niet rechtmatig in Nederland verblijven
als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de
Abw en op grond van
nadere regelgeving niet met een Nederlander kunnen worden
gelijkgesteld.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 14 november 2000
bezwaar gemaakt. Eisers zijn op 8 december 2000 omtrent hun
bezwaar gehoord.
Bij besluit van 23 februari 2001, verzonden op 27 februari 2001,
heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 6 april 2001, bij de
rechtbank per fax op diezelfde dag ingekomen, beroep ingesteld.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
overgelegd en tevens bij brief van 28 september 2001 een
verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 24 januari 2002 ter zitting behandeld.
Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun
gemachtigde mr. P.G.M. Lodder.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.
Siemerink.
Bij brief van 18 februari 2002 is aan partijen te kennen gegeven
dat de enkelvoudige kamer van de rechtbank tot het oordeel is
gekomen dat de zaak ongeschikt is voor behandeling door één
rechter, zodat met toepassing van artikel 8:68 van de
Awb is
beslist het onderzoek te heropenen en de zaak naar een meervoudige
kamer te verwijzen.
Bij brieven van 21 en 22 februari 2002 hebben eisers
respectievelijk verweerster toestemming gegeven om een nader
onderzoek ter zitting achterwege te laten. Hierop heeft de
rechtbank het onderzoek gesloten.
II. Motivering
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden
besluit van 23 februari 2001 in rechte kan standhouden.
Tussen partijen is enkel in geschil of eisers op grond van artikel
26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVBPR) aanspraak maken op een
bijstandsuitkering.
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht
ongegrond is verklaard. Nu eisers ten tijde van de invoering van
de Koppelingswet geen bijstand genoten en het dus niet gaat om beëindiging
van bijstand op grond van de Koppelingswet, kunnen zij volgens
verweerster aan artikel 26 van het IVBPR geen aanspraak op
bijstand ontlenen. Verweerster baseert zich hierbij op de
uitspraak van de
Centrale
Raad van Beroep
van 26 juni 2001 (nr.
99/2382 NABW [LJN AB2276,
red.]).
Eisers zijn van mening dat hen niet kan worden tegengeworpen dat
zij op 1 juli 1998 geen bijstandsuitkering ontvingen, nu zij toen
nog een WW-uitkering genoten en aansluitend op deze WW-uitkering
om bijstand hebben gevraagd. Zij zijn van mening dat zij vanwege
hun op 1 juli 1998 reeds bestaande verworven rechtspositie
ingevolge artikel 26 van het IVBPR wel recht op een
bijstandsuitkering hebben.
De rechtbank overweegt als volgt.
In een viertal uitspraken van 26 juni 2001 (nr. 99/2382 NABW, nr.
99/2787 NABW, nr. 00/4666 ALGEM en nrs. 00/3097 e.a. AKW, onder meer gepubliceerd in respectievelijk RSV 2001/188, AB
2001/277, AB 2001/276 en AB 2001/244 [LJN
AB2276, LJN AB2277,
LJN AB2323 en LJN AB2324,
red.]), heeft de Centrale
Raad van Beroep
bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het
IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt ervan wat zijn
doelstelling en gehanteerd middel betreft bij hem in het algemeen
niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie
vreemdelingen, genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de
Vw.
Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn op een beslissing op
een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder
begrepen, terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een
rechterlijke beschikking uitzetting van de aanvrager achterwege
dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten. De Raad heeft
voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de
koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw,
de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de
werknemersverzekeringswetten in ieder geval ten volle opgaat voor
gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating
verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor degenen die onder de tot 1 juli
1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de
Abw
bijstand is verleend en voor degenen die onder de tot 1 juli
1998 geldende regeling op reguliere wijze hun verzekeringspositie
krachtens de AKW en de verzekeringswetten hebben verworven. Nu
immers ten aanzien van deze vreemdelingen de gevolgen van
niet-gelegaliseerd verblijf, welke de koppelingswetgeving bedoelt
te voorkomen, reeds zijn ingetreden, kan de beëindiging van de
verworven rechtspositie niet worden beschouwd als een geschikt en
noodzakelijk middel om het gestelde doel te bereiken, zodat het
gemaakte onderscheid naar nationaliteit, leidend tot het
tenietdoen van de verworven rechtspositie, ten aanzien van deze
gevallen niet gerechtvaardigd kan worden geacht. Voor deze groep
vreemdelingen geldt dat er onvoldoende grond is om de verworven
rechtspositie op andere wijze te beëindigen dan als voorzien in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, te weten eerst wanneer
sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het
verzoek om toelating.
De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting vast dat A op 1 juli 1998 een WW-uitkering
genoot en zijn verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht
afwachten. Hij behoorde dan ook tot de groep vreemdelingen ten
aanzien van wie de WW-uitkering, gelet op artikel 26 van het IVBPR,
niet met toepassing van de Koppelingswet
kon worden beëindigd.
Eiser heeft zijn WW-uitkering gedurende de gehele periode dat hij
hierop recht had, tot 29 augustus 2000, ook daadwerkelijk
behouden.
De omstandigheid dat de WW-uitkering van A, gelet op artikel 26
van het IVBPR, niet met toepassing van de Koppelingswet kon worden
beëindigd, brengt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet
mee dat aan eisers, zoals zij stellen, aansluitend een
bijstandsuitkering had behoren te worden toegekend. Ten aanzien
van B kan deze stelling reeds hierom geen doel treffen, nu niet
zij maar haar man een WW-uitkering heeft gehad. Maar ook ten
aanzien van A reikt de bescherming van artikel 26 van het IVBPR
niet zover als eisers veronderstellen. Nu immers in het kader van
de Abw
geen sprake is van een situatie waarin de gevolgen van
niet-gelegaliseerd verblijf, welke artikel 7 van de
Abw
bedoelt te
voorkomen, reeds waren ingetreden - het gaat hier om de weigering
een bijstandsuitkering toe te kennen en niet om de beëindiging
van een bestaande bijstandsuitkering - is er geen plaats voor het
oordeel dat deze weigering niet kan worden aangemerkt als een
geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel van artikel 7
van de Abw
te bereiken. Verweerster heeft het in deze bepaling
gemaakte onderscheid naar nationaliteit in het geval van eiser dan
ook terecht gerechtvaardigd geacht. De enkele omstandigheid dat
eiser, die ook ten tijde van de zitting nog immer zijn
verblijfsrechtelijke procedure mocht afwachten, thans wellicht nog
recht op een bijstandsuitkering zou hebben gehad als reeds vóór
1 juli 1998 zijn WW-uitkering zou zijn beëindigd en hem een
bijstandsuitkering zou zijn toegekend, kan er niet aan afdoen dat
eisers bijstandsaanvraag feitelijk na de inwerkingtreding van de
Koppelingswet is ingediend en verweerster deze aanvraag met
inachtneming van artikel 7 van de Abw, zoals dit artikel met
ingang van 1 juli 1998 was komen te luiden, diende toe te passen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond
dient te worden verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. E.J.M. Heijs, E.R. Eggeraat en D. de Loor
en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2002, in
tegenwoordigheid van de griffier mr. C.G.M. van Ede.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Gw |
x
LJN: |
x
AE2489 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/1053 ABW |
| Datum
uitspraak: |
4
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
4,
7, 13, 39
en 67
Abw
(= 4, 11,
18, 35
en 43 Wwb)
/ 94 Gw |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
bijzondere bijstand voor illegaal kind; reiskosten van en naar
school |
| Essentie: |
Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten van
kinderen van en naar school wegens onrechtmatig verblijf in
Nederland van die kinderen, omdat het de rechtmatig in Nederland
verblijf houdende betrokkenen zijn die de bijstand hebben
aangevraagd en de Abw aan het begrip kind niet de voorwaarde
verbindt dat het kind rechtmatig in Nederland verblijf dient te
houden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/1053 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zoetermeer, verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Op 27 oktober 2000 heeft eiser samen met zijn echtgenote ten
behoeve van twee dochters bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) aangevraagd voor de kosten van reizen van het
huisadres naar het X in Y en terug.
Bij besluit van 8 november 2000 heeft verweerder de gevraagde
bijstand afgewezen aangezien beide dochters niet in het bezit zijn
van een geldig verblijfsdocument.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 november 2000
een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaren door de Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen op 29 januari
2001.
De Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen heeft op 29
januari 2001 advies uitgebracht aan verweerder.
Bij besluit van 15 februari 2001 heeft verweerder het bezwaar van
eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 maart 2001,
ingekomen bij de rechtbank op 26 maart 2001, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken bij
brief van 23 april 2001 overgelegd.
Het beroep is op 31 januari 2002 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en
Z.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.M. van
Dijk.
II. Motivering
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd
dat niet voldaan wordt aan het gestelde in artikel 7 van de
Abw.
De kinderen voor wie de bijstand wordt gevraagd, zijn geen
Nederlander en kunnen voor de Abw niet gelijkgesteld worden met
een Nederlander omdat zij niet behoren tot één van de categorieën
vreemdelingen zoals genoemd in artikel 7, tweede en derde lid, van
de Abw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit het volgende ingebracht.
Eiser is van mening dat de gemeente Zoetermeer op enige wijze de
reiskosten naar Y dient te betalen omdat de gemeente Zoetermeer
niet over een internationale schakelklas beschikt waardoor de
dochters genoodzaakt zijn voor passend onderwijs naar Y te reizen.
Omdat de Abw het sluitstuk van de sociale wetgeving is en het
recht op onderwijs een sociaal grondrecht is, is eiser van mening
dat verweerder deze kosten dient te vergoeden.
Ten aanzien van dit sociale grondrecht verwijst eiser naar artikel
26 van de Universele verklaring van de rechten van de mens,
artikel 13 van het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 2 van het Eerste Additioneel Protocol bij het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele
vrijheden en artikel 28 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het
kind. Ingevolge artikel 94 van de
Grondwet gaan
deze verdragen boven de wet en kan eiser zich hierop individueel
beroepen.
Het weigeren van bijstand voor de onderhavige kosten omdat de
kinderen vreemdelingen zijn die buiten de Abw vallen, is volgens
eiser strijdig met de geest van genoemde verdragen. Eiser verwijst
naar een passage uit een tijdschrift van 17 juni 1998 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen waarin staat
vermeld: "elke in ons land verblijvende vreemdeling die jonger
is dan 18 jaar - ongeacht zijn verblijfsstatus - moet tot het
onderwijs worden toegelaten". Volgens eiser brengt deze bepaling
met zich mee dat de reiskosten naar de onderwijsinstelling vergoed
dienen te worden voor mensen die van een bijstandsuitkering moeten
leven.
In deze procedure staat de rechtbank voor de vraag of verweerder
op goede gronden de afwijzing om bijstand in de reiskosten van
twee dochters naar en van het X in Y in bezwaar heeft gehandhaafd.
Ter beantwoording van deze vraag zijn de navolgende wettelijke
bepalingen van belang.
Ingevolge artikel 4, onderdeel c, van de
Abw wordt onder gezin
verstaan: de gehuwden met de tot hun last komende kinderen.
Ingevolge artikel 4, onderdeel d, van de
Abw wordt onder kind
verstaan: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind.
Ingevolge artikel 4, onderdeel e, van de
Abw wordt onder ten laste
komend kind verstaan: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de
alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan
maken.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op
bijstand van overheidswege.
Ingevolge het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het
eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (zoals dit artikel tot
1 april 2001 luidde).
Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de
Abw
wordt ten aanzien
van de personen die een gezin vormen de bijstand en de daaraan
verbonden verplichtingen afgestemd op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van het gezin.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de
Abw, voor zover van
toepassing, heeft het gezin recht op bijzondere bijstand voor
zover dit niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de
aanwezige draagkracht.
Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de
Abw stellen burgemeester
en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of,
indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve
vast.
Ingevolge het tweede lid wordt de bijstand door de echtgenoten
gezamenlijk aangevraagd dan wel door één van hen met
schriftelijke toestemming van de ander.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt
de rechtbank het volgende voor voldoende vaststaand aan.
Eiser en zijn echtgenote, beiden van buitenlandse nationaliteit,
beschikken over een geldige verblijfsvergunning op grond waarvan
zij ingevolge artikel 7, tweede lid, van de
Abw gelijkgesteld
zijn met een Nederlander.
Eiser en zijn echtgenote hebben conform artikel 67 van de
Abw
de
bijzondere bijstand op grond van artikel 39, eerste lid, van de
Abw
aangevraagd in verband met kosten die gemaakt worden ten
behoeve van twee dochters.
Op de inkomstenverklaring die betrekking heeft op de periode van 1
juni 2000 tot en met 30 juni 2000 maken eiser en zijn echtgenote
melding van de inwoning van deze twee dochters. Ten tijde van het
bestreden besluit waren deze dochters 16 en 17 jaar. Op 31 juli
2001 hebben deze dochters een verzoek om een vergunning tot
verblijf ingediend voor verblijf bij ouder(s) en loonarbeid. Zij
staan niet in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente
Zoetermeer ingeschreven.
Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar de afwijzing van de
bijzondere bijstand voor de reiskosten van genoemde dochters
gehandhaafd op de grond dat deze dochters niet over een rechtmatig
verblijf in de zin van artikel 7 van de Abw
beschikken.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit het samenstel van het
wettelijk kader zoals hierboven is weergegeven, volgt dat het de
gehuwden zijn die, gezamenlijk, de bijstand vragen. Het zijn deze
aanvragers die Nederlander dienen te zijn dan wel dienen te
beschikken over rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel
7,
tweede lid, van de Abw. Toekenning van bijstand wordt afgestemd op
het gezin, waaronder de gehuwden met de tot hun last komende
kinderen wordt verstaan. Een kind komt ten laste van de ouders
wanneer het een eigen kind of stiefkind is dat in Nederland woont
en waarvoor de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan
maken.
Nu het eiser en zijn echtgenote zijn die de bijstand hebben
aangevraagd en zij beschikken over rechtmatig verblijf ingevolge
artikel 7, tweede lid, van de Abw, en voorts nu in
artikel 4 van
de Abw
onder de begripsomschrijving van kind niet als voorwaarde
is gegeven dat dit kind dient te beschikken over rechtmatig
verblijf, bestaat er geen wettelijke grondslag voor de door
verweerder gehanteerde afwijzing van bijstand op grond van het
ontbreken van dit rechtmatig verblijf van de kinderen. Verweerder
heeft deze motivering als enige aan de afwijzing ten grondslag
gelegd. Het bestreden besluit kan derhalve niet op de daarin
aangegeven grond in stand blijven.
Ten aanzien van de door eiser genoemde bepalingen in
internationale verdragen op grond waarvan hij meent dat er recht
op de gevraagde bijstand bestaat, merkt de rechtbank op dat geen
van de genoemde bepalingen een ieder verbindende voorschriften
bevat. Uit deze verdragsbepalingen vloeit dan ook geen
rechtstreekse aanspraak op bijstand voort voor de gevraagde
kosten. Voorts voegt de rechtbank hier aan toe dat genoemde
bepalingen weliswaar betrekking hebben op de vrije toegang tot
onderwijs, doch de reikwijdte van deze bepalingen zich niet
uitstrekt tot de reiskosten naar dit onderwijs.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden
verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank
ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit
in stand te laten. Verweerder wordt opgedragen een nieuwe
beslissing op bezwaar te nemen.
III.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2001;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de rechtspersoon, de gemeente
Zoetermeer, aan eiser
het door hem betaalde griffierecht, te weten €|27,23, vergoedt.
Aldus gegeven door mrs. A.A.M. Mollee, L.P. Bosma en F.J. Verbeek
en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2002, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE2641 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Middelburg |
| Zaaknummer: |
Awb
01/365 |
| Datum
uitspraak: |
14 september 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
Artt. 51
en 53 Abw
(= 34 en 34
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vermogen;
kunstproductie beeldend kunstenaar; waarde in het economisch
verkeer; weigering bijstand |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijstand wegens oververmogen, omdat de opgeslagen en
deels beschadigde kunstproductie van betrokken beeldend
kunstenaar niet enige reële waarde vertegenwoordigd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Middelburg
Awb 01/365
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. H. Goedegebure, advocaat te Tholen,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tholen,
verweerder.
1. Procesverloop
Eiser heeft op 16 november 2000 een uitkering aangevraagd op grond
van de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 19 december 2000 heeft verweerder deze aanvraag
afgewezen.
Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 8 mei 2001 heeft verweerder dit bezwaarschrift
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het beroep is op 10 september 2001 behandeld ter zitting. Eiser is
daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de ambtenaar M.J.
de Rijke.
2. Overwegingen
Artikel 51 van de Abw bepaalt - voor zover hiervan belang
- dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen
waarover de betrokkene bij de aanvang van de bijstandverlening
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op
dat tijdstip aanwezige schulden.
Ingevolge artikel 53 Abw
wordt de waarde van de bezittingen
vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering om eiser
een uitkering ingevolge de Abw
toe te kennen, gehandhaafd. Aan die
weigering ligt ten grondslag dat het vermogen van eiser is
vastgesteld op ƒ97.695,46, welk vermogen het vrij te laten
vermogen van ƒ10.000,00 ruimschoots te boven gaat.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting poogt eiser als
beeldend kunstenaar in zijn levensonderhoud te voorzien. Het door
verweerder in aanmerking genomen vermogen betreft eisers
aanzienlijke kunstproductie, vervaardigd in een lange reeks van
jaren.
In de kortelings gewezen uitspraak Awb 01/468 VV en 01/380 inzake
een geschil tussen eiser en burgemeester en wethouders van de gemeente
Goes
omtrent de toepassing van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
is geoordeeld dat voornoemd bestuursorgaan terecht uitkering op
grond van die wet heeft geweigerd. Daarbij is overwogen dat eiser,
mede gelet op de ter zake uitgebrachte adviezen, niet beroepsmatig
als kunstenaar werkzaam is.
Gelet hierop is de rechtbank in dit geschil van oordeel dat niet
aannemelijk is geworden dat de (opgeslagen en deels beschadigde)
kunstproductie enige reële waarde vertegenwoordigt in de zin van
artikel 53 Abw.
Verweerder heeft mitsdien ten onrechte die kunstproductie als enig
vermogen beschouwd dat zou moeten worden meegenomen bij de
beoordeling van de aanvraag om bijstand.
Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient dan
ook vanwege het ontbreken van een voldoende feitelijke grondslag
te worden vernietigd.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te
veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
ƒ1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee
proceshandelingen.
3. Uitspraak
De arrondissementsrechtbank te
Middelburg:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de gemeente Tholen aan eiser het door hem betaalde
griffierecht ten bedrage van
ƒ60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de
zijde van eiser begroot op
ƒ1420,- (veertienhonderdtwintig
gulden), te betalen door de gemeente Tholen aan de griffier.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2001
door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van P.C.M. van Leeuwen,
griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep
instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van
een beroepschrift bij de
Centrale
Raad van Beroep,
postbus 16002,
3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van
deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|