| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE2699 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3585
NABW |
| Datum
uitspraak: |
5
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42, 43, 45,
47,
52 en
82 Abw (= 31,
31, 31, 32,
34 en 58
Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
inkomsten uit vermogen; dividenduitkering; obligaties; aandelen;
belegging smartengeld; immateriële schade; terugvordering |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens ontvangen dividenduitkeringen
uit een obligatiedividendfonds en aandelenfonds waarin ontvangen
smartengeld is belegd, omdat dergelijke uitkeringen, na aftrek
van de daarop ingehouden dividendbelasting, als niet vrij te
laten inkomsten uit vermogen dienen te worden aangemerkt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3585
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zutphen,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. Q.J. van Leeuwen, werkzaam bij het
Buro voor Rechtshulp te Zutphen, op bij het beroepschrift
aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 22 juni 1999 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, een vraag beantwoord
en nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 januari 2002, waar
appellante en haar gemachtigde - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door D.H.P.G. Buiting, werkzaam bij de
gemeente Zutphen.
II. Motivering
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer
het volgende gebleken.
Aan appellante is met ingang van 1 december 1996 een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. In verband met
een haar overkomen verkeersongeval ontving appellante
schadevergoeding. Zij belegde het haar uitgekeerde smartengeld ad ƒ60.000,- in een obligatiedividendfonds en in een aandelenfonds
van de [X]-bank. Gedaagde besloot de uitkering in verband met
geleden immateriële schade met toepassing van artikel
52, eerste
lid, aanhef en onder e, van de Abw
in zijn geheel niet als vermogen
in aanmerking te nemen.
In april 1998 ontving appellante in verband met over het jaar 1997
door genoemde beleggingsfondsen behaalde rendementen
dividenduitkeringen tot een brutobedrag van ƒ1014,45.
Bij besluit van 13 juli 1998 heeft gedaagde dit bedrag geheel in
aanmerking genomen als inkomen, op grond van artikel
69, derde
lid, van de Abw het besluit tot toekenning van bijstand over de
maand april 1998 herzien en met toepassing van artikel
81, eerste
lid, genoemd bedrag van appellante teruggevorderd.
Gedaagde heeft de tegen dit besluit ingediende bezwaren ongegrond
verklaard bij besluit van 12 januari 1999.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 12 januari 1999
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd,
gedaagde opgedragen een nader besluit op bezwaar te nemen en
beslissingen gegeven omtrent de in eerste aanleg gevraagde
vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde ten onrechte de
ten laste van appellante afgedragen dividendbelasting als middelen
in aanmerking genomen en is het besluit tot herziening en de
daarop gebaseerde terugvordering genomen in strijd met artikel 45
van de Abw.
De rechtbank oordeelde voorts dat geen grond kan worden gevonden
om dividendopbrengsten uit een immateriële schadevergoeding uit
te zonderen van het middelenbegrip en wees het verzoek om
toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) "in verband met de ten onrechte niet toegekende
uitkering" af op grond van de volgende overwegingen:
"Gelet op het in artikel 42 van de Abw
neergelegde uitgangspunt dat in beginsel alle inkomens- en
vermogensbestanddelen van invloed zijn op de bijstandsuitkering, is de
rechtbank van oordeel dat een dividenduitkering, zoals door
eiseres genoten, in beginsel tot de middelen dient te worden
gerekend, tenzij een dergelijke uitkering expliciet bij of
krachtens de Abw van het middelenbegrip is uitgezonderd. De
rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval is.
Ingevolge artikel 43, tweede lid, onderdeel
g, van de Abw wordt
weliswaar niet tot de middelen gerekend rente ontvangen over op
grond van artikel 52, eerste lid,
onderdeel
b, c en d, van de Abw
niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden, een immateriële
schadevergoeding wordt evenwel expliciet in onderdeel e van
laatstgenoemd artikellid als niet in aanmerking te nemen vermogen
vermeld. De rechtbank laat in dit verband nog daar de vraag of een
dividenduitkering gelijkgesteld kan worden met rente, als in
artikel 43, tweede lid, onderdeel g, van de Abw
genoemd.
Voorts kunnen opbrengsten uit een uitkering in verband met geleden
immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank niet
gelijkgesteld worden met de uitkering zélf, welke in artikel
43,
tweede lid, onderdeel j, van de Abw
als niet in aanmerking te nemen
middelen wordt genoemd.
Gelet op het voorgaande kan in het bepaalde van
artikel 43 Algemene bijstandswet (Abw),
alsook in enige andere bepaling bij
of krachtens die wet gesteld, naar het oordeel van de rechtbank
geen grond worden gevonden om dividendopbrengsten uit een immateriële
schadevergoeding uit te zonderen van het middelenbegrip.
(...) Namens eiseres is tevens verzocht om toepassing van artikel
8:73 van de Algemene
wet bestuursrecht
(Awb), bestaande uit
vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet
toegekende uitkering. De rechtbank stelt vast dat uit de aard van
verweerders besluitvorming, welke betrekking heeft op herziening
en terugvordering van reeds verstrekte uitkering, als zodanig niet
voortvloeit dat door eiseres renteschade, als door haar gesteld,
zou zijn geleden."
Blijkens hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan appellante zich
met deze overwegingen niet verenigen.
De Raad overweegt het volgende.
De in april 1998 aan appellante betaalbaar gestelde
dividenduitkeringen zijn middelen als bedoeld in artikel 42 van de
Abw. Deze uitkeringen zijn, gezien de duidelijke en niet voor tweeërlei
uitleg vatbare tekst van het tweede lid van
artikel 43, geen in
dat lid uitgezonderde middelen en dienen, gelet op het bepaalde in
het eerste lid van de artikelen 45 en 47, derhalve als inkomsten
uit vermogen in aanmerking te worden genomen tot het bedrag dat
resteert na aftrek van de daarop ingehouden dividendbelasting.
Hetgeen van de zijde van appellante op dit punt is aangevoerd,
heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad
merkt daarbij op dat het in het beroepschrift genoemde artikel
52,
eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw
in dit geding niet van
belang is, omdat het hier gaat om inkomen in de zin van paragraaf
2 van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Abw.
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 47 dient vervolgens
te worden vastgesteld of dat inkomen betrekking heeft op een
periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, en zo ja, op
welke periode.
Dienaangaande stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken naar
voren komt dat de onderhavige dividenduitkeringen zijn gedaan op
basis van de rendementen van de betreffende beleggingsfondsen over
het jaar 1997 en derhalve geacht kunnen worden betrekking te
hebben op de in 1997 gelegen periode waarin appellante haar
vermogen in die fondsen belegd had. Deze constatering brengt
tevens mee dat er geen plaats is voor herziening van het besluit
tot toekenning van bijstand over de maand april 1998 met
toepassing van artikel 69, derde lid, van de
Abw en bijgevolg ook
niet voor (gedeeltelijke) terugvordering van de aan appellante
verstrekte bijstandsuitkering over de maand april 1998.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het bestreden besluit wegens
strijd met de wet niet in stand kan blijven en wel op gronden die
verder reiken dan de rechtbank heeft gebezigd. De Raad
zal daarom
de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden bevestigen,
voor zover daarbij het inleidend beroep gegrond is verklaard en het
bestreden besluit is vernietigd, en die uitspraak vernietigen,
voor zover daarin gedaagde is opgedragen om met inachtneming van de
uitspraak van de rechtbank een nader besluit te nemen.
Met dit laatste komt tevens de grondslag te ontvallen aan het
inmiddels ter uitvoering van die uitspraak genomen en in dit
geding te betrekken besluit van gedaagde van 5 juli 1999, voor
zover dit ertoe strekt een nader besluit te nemen ter
uitvoering van de uitspraak van de rechtbank.
De Raad acht het in de plaats daarvan aangewezen dat gedaagde het
primaire besluit herroept en vervolgens een nieuw besluit op
bezwaar neemt met betrekking tot de vraag of, en zo ja, in hoeverre
in verband met de in april 1998 ontvangen dividenduitkeringen
terugvordering van voor appellante gemaakte kosten van bijstand
over het jaar 1997 aangewezen is met toepassing van artikel
82,
aanhef en onder a, van de Abw. De Raad tekent
daarbij aan dat
gedaagde bij dat nieuwe besluit op bezwaar in elk geval niet meer
van appellante kan terugvorderen dan het bedrag van de
dividenduitkeringen over 1997 dat resteert na aftrek van de daarop
ingehouden dividendbelasting.
De Raad ziet voorts geen aanleiding om de beslissing van de
rechtbank ter zake van de gevorderde wettelijke rente over ten
onrechte niet toegekende uitkering voor onjuist te houden. Van
vertragingsschade die in zodanig verband staat met gedaagdes in
dit geding aan de orde zijnde besluiten dat zij gedaagde als
gevolg van die besluiten kunnen worden toegerekend, is de Raad
niet gebleken.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing
van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van
appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op €|322,-, wegens verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling
voor het betaalde griffierecht en de proceskosten in eerste aanleg
wordt in stand gelaten.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het
inleidend beroep gegrond is verklaard, het bestreden besluit is
vernietigd en beslissingen zijn gegeven omtrent de vergoeding van
gestelde renteschade, griffierecht en proceskosten in eerste
aanleg;
vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
verklaart het beroep dat geacht moet worden mede te zijn gericht
tegen het besluit van 5 juli 1999, voor zover deze ertoe strekt een
nader besluit te nemen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, gegrond en vernietigt dat besluit
in zoverre;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep tot een bedrag van €|322,-, te betalen door de
gemeente Zutphen;
bepaalt dat de gemeente Zutphen aan appellante het door haar in
hoger beroep betaalde griffierecht van €|77,14 (ƒ170,-)
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 5 maart 2002.
(get.) G.A.J. van
den Hurk.
(get.) P.C. de
Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE3147 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3179
NABW |
| Datum
uitspraak: |
12
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14 en 113
Abw (= 18
en 9 Wwb) |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; hoogte; verzwaring; ingangsdatum; schending
arbeidsverplichtingen; onvoldoende medewerking; werkweigering;
niet deelnemen aan trainingstraject |
| Essentie: |
Terechte
(verzwaarde) maatregel van 20% gedurende twee maanden wegens
herhaalde schending van arbeidsverplichtingen, omdat betrokkene
onvoldoende medewerking heeft verleend, hij passende arbeid
heeft geweigerd en niet heeft deelgenomen aan een
trainingstraject. De maatregel is terecht ingegaan met ingang
van de datum waarop de laakbare gedraging zich voordeed, te meer
betrokkene
reeds diverse malen was gewaarschuwd dat niet-nakoming van de
verplichtingen zal leiden tot een maatregel. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3179
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Veghel,
appellant,
en
[appellant], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
's-Hertogenbosch op 22 april 1999 tussen partijen gewezen
uitspraak nummer 98/1369 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen
geregistreerd onder nummer 99/3180 NABW en 00/2732 NABW, behandeld
ter zitting van 29 januari 2002. Appellant heeft zich doen
vertegenwoordigen door P.W.M. van de Kamp, werkzaam bij de
gemeente Veghel, terwijl gedaagde in persoon is verschenen. Na de
gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst. In de
onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. Motivering
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Gedaagde, geboren in 1964, heeft in juni 1991 zijn studie
technische natuurkunde aan de Hogeschool Q voltooid. Van 1
oktober 1991 tot 15 april 1992 heeft hij een uitkering ingevolge
de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) ontvangen, waarna
hij een jaar bij [werkgever] heeft gewerkt. Aansluitend heeft hij
een halfjaar uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen en
vanaf 12 november 1993 is hem door gedaagde (met enkele korte
onderbrekingen) uitkering ingevolge de Rww, nadien omgezet in een
uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw), verstrekt.
In mei 1996 is gedaagde vanwege appellant in verband met zijn
langdurige werkloosheid aangemeld bij de Stichting Jongeren onder
begeleiding (hierna: [B]). Deze stichting stelt zich ten doel
samen met de betrokkene intensief te zoeken naar een geschikte
plaats op de arbeidsmarkt. Gedaagde is er bij brief van 8 mei 1996
van in kennis gesteld dat bij weigering en/of onvoldoende
medewerking maatregelen ten aanzien van zijn uitkering genomen
kunnen worden.
Sedert mei 1996 hebben diverse gesprekken en bemiddelingspogingen
plaatsgevonden. In september 1997 is de begeleiding vanwege de
stichting [B] beëindigd omdat gedaagde onvoldoende medewerking
verleende bij het zoeken naar een passende werkkring.
In september 1997 heeft gedaagde voorts, nadat hij in augustus
1997 nog een via uitzendbureau [A] verkregen aanbod tot het
vervullen van een "Melkert-2-vacature" had afgewezen,
verzuimd deel te nemen aan een voor hem passend geacht
groepsgewijs trainingsproject.
Appellant heeft hierop bij besluit van 27 oktober 1997 de
uitkering van gedaagde met ingang van 1 oktober 1997 gedurende
twee maanden verlaagd met 20% wegens gedragingen die de
inschakeling in de arbeidsmarkt belemmeren en het niet dan wel in
onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
tot inschakeling in de arbeid. Hij heeft daarbij tevens overwogen
dat sprake was van herhaald verwijtbaar gedrag.
Het bezwaar van gedaagde tegen dat besluit is bij besluit van 23
december 1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het besluit van 23 december 1997 bij de
aangevallen uitspraak vernietigd en bepaald dat appellant een
nieuw besluit op bezwaar diende te nemen met inachtneming van
hetgeen in die uitspraak is overwogen. Zij heeft daartoe onder
meer overwogen dat het niet deelnemen door gedaagde aan het
groepsgewijs trainingstraject weliswaar onaanvaardbaar moet worden
geoordeeld, maar dat appellant een onjuiste toepassing heeft
gegeven aan artikel 5, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit Abw,
Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) door de in artikel
4, onderdeel 1, subonderdeel b, van datzelfde besluit genoemde periode van
één
maand te verdubbelen zonder dat gedaagde in de daaraan
voorafgaande periode van twaalf maanden reeds een maatregel was
opgelegd. Voorts heeft de rechtbank het bestreden besluit in
strijd geacht met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de getroffen
maatregel is geëffectueerd met ingang van een datum die enige
weken gelegen was vóór de datum waarop het besluit aan gedaagde
schriftelijk bekend is gemaakt.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd
is - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte alleen het niet
deelnemen aan het groepsgewijs trainingsproject in de beoordeling
heeft betrokken, dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan
aan de bevoegdheid van appellant om op grond van individuele
omstandigheden af te wijken van de hoogte of duur van de
voorgeschreven standaardmaatregel en ten slotte dat de rechtbank
de terugwerkende kracht van de maatregel onder de gegeven
omstandigheden ten onrechte niet toelaatbaar heeft geoordeeld.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 113, eerste lid, (oud) van de
Abw is voor de
belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan
is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer de
verplichting opgenomen om na te laten hetgeen inschakeling in de
arbeid belemmert en mee te werken aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid dan wel mee te werken
aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige
bestaansvoorziening bevorderen.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw
bepaalt, voor zover hier van
belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk
VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting niet of
niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de
bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren. In het tweede
lid is bepaald dat een maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Burgemeester en wethouders
zijn volgens het derde lid (oud) daartoe bevoegd indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. In het vierde lid (oud) is
bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot
het eerste en tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld.
Ingevolge artikel 2 van het Maatregelenbesluit nemen burgemeester
en wethouders bij de toepassing van artikel
14, eerste lid, van de Abw de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd
artikel 14, tweede en derde lid, van de Abw.
Artikel 3 van het Maatregelenbesluit
onderscheidt vervolgens de
gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw, in een
viertal categorieën. Tot de tweede categorie behoort onder meer:
het niet dan wel niet in voldoende mate meewerken aan een
onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid en
tot de derde categorie onder meer: het belemmeren van de
inschakeling in de arbeid en het niet dan wel in onvoldoende mate
meewerken aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige
bestaansvoorziening bevorderen.
Blijkens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b respectievelijk
c,
van het Maatregelenbesluit leidt een gedraging van de tweede
respectievelijk derde categorie ertoe dat 10% respectievelijk 20%
van de bijstand gedurende één maand wordt geweigerd.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt
de Raad als vaststaand aan dat het ten behoeve van gedaagde
opgezette Job-begeleidingstraject door zijn eigen toedoen
voortijdig en zonder het beoogde resultaat is beëindigd. Voorts
staat voor de Raad vast dat gedaagde zonder gegronde reden de
mogelijkheid van een zogeheten "Melkert-2-baan" via
het Uitzendbureau [A] onbenut heeft gelaten. Bovendien heeft hij
kort daarna afgezien van deelname aan een voor hem passend te
achten groepsgewijs trainingstraject, ondanks dat hij er vanwege
appellant op was gewezen dat hij daartoe verplicht was.
De Raad is, gelet hierop, met appellant van oordeel dat gedaagde
heeft gehandeld in strijd met de in artikel
113, eerste lid, (oud)
van de Abw neergelegde verplichtingen en dat hem zulks is te
verwijten.
Appellant heeft de gedragingen van gedaagde voorts gekwalificeerd
als vallende onder categorie 3 van het Maatregelenbesluit
en heeft
niet de daarbij, ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder
c,
van het Maatregelenbesluit, behorende standaardmaatregel van 20%
verlaging gedurende één maand genomen, maar de verlaging bepaald
op 20% voor de duur van twee maanden.
De rechtbank is blijkens de aangevallen uitspraak van de
veronderstelling uitgegaan dat appellant kennelijk beoogd heeft
toepassing te geven aan artikel 5, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit (dat inhoudt dat onder bepaalde omstandigheden
de maatregelperiode dient te worden verdubbeld) en heeft
vervolgens geconcludeerd dat in dit geval niet aan de daarvoor
geldende vereisten is voldaan.
Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de
afwijking van de duur van de standaardmaatregel gebaseerd is op
artikel 14, tweede lid, van de Abw.
Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad
met appellant van oordeel dat het bestreden besluit aldus
moet worden verstaan en dat de rechtbank het bestreden besluit ten
onrechte heeft opgevat als berustend op artikel
5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit.
De Raad zal thans bezien of het bestreden besluit, gelezen in
bovenstaande zin, de rechterlijke toets kan doorstaan. Daartoe
overweegt hij het volgende.
De Raad stelt voorop dat de bepalingen van het
Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde in artikel
14, tweede
lid, van de Abw kan worden afgeweken van de in dat besluit
opgenomen standaardmaatregelen. Dit volgt naar het oordeel van de
Raad reeds uit de tekst van en de toelichting op artikel 2 van het
Maatregelenbesluit. Daaruit blijkt immers dat burgemeester en
wethouders bevoegd blijven tot afstemming op de individuele
omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
verwijtbaarheid. Dit kan er in specifieke situaties toe leiden dat
een zwaardere dan wel lichtere maatregel dan de standaardmaatregel
is aangewezen; de afwijking kan betrekking hebben op de hoogte
en/of de duur van de maatregel.
Vervolgens is de vraag aan de orde of appellant in dit geval op
goede gronden heeft besloten tot een zwaardere maatregel dan in
het Maatregelenbesluit is voorzien. Appellant heeft in dat verband
naar voren gebracht dat het hier ging om herhaalde verwijtbare
gedragingen waarop moeilijk telkens met een afzonderlijk
maatregelbesluit kon worden gereageerd. Voorts zouden de verweten
gedragingen elk op zich blijk geven van een bijzonder negatieve
houding van gedaagde ten aanzien van de inschakeling in het
arbeidsproces, zulks in weerwil van de inspanningen die appellant
en andere instanties zich getroosten om gedaagde zo spoedig
mogelijk aan een baan op de arbeidsmarkt te helpen.
De Raad is van oordeel dat appellant in dit geval terecht
toepassing heeft gegeven aan artikel 14, tweede lid, van de
Abw.
Daarbij heeft de Raad met name laten wegen dat het hier een reeks
van gedragingen betrof die in een relatief korte tijd na elkaar
plaatsvonden nog voordat appellant met een op elk van die
gedragingen toegespitst maatregelbesluit had gereageerd. Bezien
tegen de achtergrond van de duur van gedaagdes werkloosheid en de
mate waarin gedaagde al geruime tijd was begeleid zijn deze
gedragingen als ernstig verwijtbaar te kwalificeren. De Raad ziet
geen grond om te oordelen dat appellant met het opleggen van de in
geding zijnde maatregel in strijd is gekomen met enige regel van
geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen
rechtsbeginsel.
Ten aanzien van de gehanteerde ingangsdatum van de maatregel
overweegt de Raad nog het volgende. Het
Maatregelenbesluit geeft
geen regeling met betrekking tot de ingangsdatum van een te
treffen maatregel. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van
de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid, welke wet heeft geleid tot wijziging van onder meer de
artikelen 14 en 69 van de Abw
per 1 juli 1997, is echter als uitgangspunt van de wetgever af te
leiden dat een maatregel in behoort te gaan met ingang van de
datum waarop zich de laakbare gedraging voordeed (Kamerstukken II
1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 22 en 23, en Kamerstukken I 1995-1996,
nr. 114d, blz. 1). In dit licht bezien kan niet, zoals de rechtbank
heeft gedaan, aan appellant worden tegengeworpen dat hij de
ingangsdatum van de maatregel op een eerdere datum heeft bepaald
dan die waarop de onderhavige maatregel aan gedaagde is
meegedeeld. Voor een dergelijk oordeel bestaat in dit geval te
minder aanleiding, omdat gedaagde er diverse malen vóór 1
oktober 1997 door appellant op is gewezen, laatstelijk nog bij
brief van 10 september 1997, dat bij niet-nakoming van de
opgelegde verplichtingen een maatregel zou volgen.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12
maart 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Heijink.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3170 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3195
NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
januari 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65 Abw (= 17
Wwb) / 7:12
en
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen,
spaartegoeden; deposito; schending inlichtingenverplichting;
beëindiging bijstand; motivering |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand niet wegens oververmogen - voor dat
oordeel is er onvoldoende feitelijke grondslag - maar schending
van de inlichtingenverplichting, omdat betrokkene geen
mededeling heeft gedaan van onder andere een op zijn naam staand
spaartegoed in Marokko van ƒ495.000,-,
zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3195
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Veldhoven, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. L.A.M. van den Eeden, advocaat te
Eindhoven, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op
27 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog
nadere gegevens aan de Raad overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den
Eeden, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.M.J. Bressers, werkzaam bij de gemeente
Veldhoven.
II. Motivering
Appellant ontving sedert 1 juli 1990 een (aanvullende)
bijstandsuitkering naast zijn uitkering ingevolge de Algemene
Ouderdomswet.
Op 15 januari 1996 werd appellant na terugkeer uit Marokko op de
luchthaven Schiphol aangehouden en gefouilleerd. Gebleken is toen
dat hij stukken in zijn bezit had waaruit viel op te maken dat
hij een aanzienlijk vermogen had en waarvan ter plekke fotokopieën
zijn gemaakt.
De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst heeft in dit kader op
7 april 1997 aan de sociale recherche medegedeeld, onder
overlegging van de betreffende gegevens, dat bij appellant op 15
januari 1996 zijn aangetroffen een op zijn naam gesteld
depositobewijs van 28 juli 1994 met een waarde van (omgerekend) ƒ475.196,-, een op naam van appellant gesteld bankboekje met een
waarde van (omgerekend) ƒ7907,- en een op zijn naam gesteld
depositobewijs van 27 juli 1995 met een waarde van (omgerekend) ƒ495.531,-, alle onder hetzelfde rekeningnummer bij een bank in
Marokko.
Appellant heeft erkend dat de betreffende spaartegoeden op zijn
naam hebben gestaan, maar gesteld dat die spaartegoeden eigendom
waren van zijn in Marokko woonachtige broer en dat hij daarover
feitelijk nooit heeft kunnen beschikken. Ten overstaan van de
sociale recherche zou appellant op 21 mei 1997 verklaard hebben
dat de betreffende tegoeden niet langer dan twee maanden op zijn
naam hebben gestaan. In het aanvullend bezwaarschrift van 27 juni
1997 en ook nadien is van de zijde van appellant gesteld dat de
spaargelden naar zijn inschatting gedurende twee à drie jaar op naam
van appellant hebben gestaan. Blijkens later overgelegde
verklaringen van de desbetreffende broer van appellant, [X],
zouden de spaartegoeden in de periode van 28 juli 1994 tot 11
januari 1996 (mede) op naam van appellant hebben gestaan.
Bij primair besluit van 11 juni 1997 heeft gedaagde de aan
appellant verstrekte uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) per 1 april 1997 beëindigd. Bij het bestreden besluit van
28 november 1997 heeft gedaagde het tegen voornoemd besluit
gerichte bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Dit besluit berust op het standpunt van gedaagde dat appellant
geacht werd te beschikken over spaartegoeden in Marokko tot een
bedrag van ƒ495.000,- en dat dit aanzienlijk meer was dan het
vrij te laten bescheiden vermogen, dat ten tijde hier van belang
voor appellant ƒ19.000,- bedroeg.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 november 1997
ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe
onder meer overwogen dat het tegoed van appellant op de
betreffende Marokkaanse bankrekening op 27 juli 1995 omgerekend ƒ505.181,- bedroeg en dat appellant niet heeft aangetoond dat dit
tegoed nadien is afgenomen, zodat moet worden aangenomen dat
appellant en zijn echtgenote ook op 1 april 1997 nog de
beschikking hadden over een vermogen dat genoemde vermogensgrens
te boven ging.
De Raad
overweegt het volgende.
Bepalend voor de vraag of het vermogen van appellant aan
voortzetting van de bijstandsuitkering in de weg stond, is de
feitelijke vermogenspositie van appellant op 1 april 1997.
Naar het oordeel van de Raad
is er onvoldoende feitelijke
grondslag voor het oordeel dat appellant op 1 april 1997 beschikte
over een vermogen dat groter was dan het hier in aanmerking te
nemen vrij te laten bescheiden vermogen. De beschikbare gegevens
zijn daartoe ontoereikend.
Diezelfde gegevens laten wel zien dat appellant heeft nagelaten
tijdig aan gedaagde mede te delen dat hij in de periode van 28
juli 1994 tot 11 januari 1996 deposito's met een aanzienlijke
waarde op zijn naam had staan, hoewel deze omstandigheid
onmiskenbaar van belang is voor de verlening van bijstand.
Voorts is gebleken dat appellant aan gedaagde geen enkele
mededeling heeft gedaan omtrent de (wijze van) afwikkeling van de
betreffende spaartegoeden, hoewel hem daar vanwege gedaagde wel
uitdrukkelijk om is verzocht.
Appellant heeft ook in hoger beroep gesteld dat gedaagde ten
onrechte gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs
nu, zoals ook uit het rapport van de Nationale
ombudsman van 6
oktober 1998 (nr. 98/432) blijkt, de betreffende douaneambtenaar
toenmaals nog niet bevoegd was om de van appellant in beslag
genomen stukken te kopiëren.
Onder verwijzing naar het arrest van de
Hoge Raad
van 1 juli 1992 (BNB 1992, 306) merkt de Raad
echter op dat de beoordeling ten
aanzien van bijstandverlening wordt beheerst door de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Het gebruik is slechts dan niet
toegestaan indien deze bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze
die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende
overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle
omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is hier
naar het oordeel van de Raad geen sprake.
Gelet op het vorenoverwogene staat vast dat appellant heeft
gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel
65, eerste lid,
(oud) van de Abw. Het gevolg hiervan is dat niet kan worden
vastgesteld of appellant op 1 april 1997 in omstandigheden
verkeerde als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
Abw.
Het vorenstaande leidt de Raad
tot de slotsom dat het bestreden
besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking
komt. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak, waarbij dat
besluit in stand is gelaten.
De Raad ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel
8:72,
derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen
besluit in stand te laten.
De Raad
acht ten slotte termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb. De wegens verleende rechtsbijstand te
vergoeden proceskosten worden begroot op €|644,- in beroep en
op hetzelfde bedrag in hoger beroep, totaal op €|1288,-.
Beslist dient te worden als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en
in hoger beroep tot een bedrag groot €|1288,-, te betalen aan
de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Veldhoven aan appellant het betaalde
griffierecht van ƒ60,- (€|27,23) in beroep en ƒ170,-
(€|77,14) in hoger beroep (totaal
€|104,37) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de
Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari
2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Ioaw / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE3262 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3568
NABW |
| Datum
uitspraak: |
12
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
– en 34
(oud) Ioaw /
43 en 111
(oud) Abw
(= 31 en –
Wwb) |
| Trefwoorden: |
premie;
incentive; terugwerkende kracht; inkomstenvrijlating;
deeltijdwerk; vrijwilligerswerk; bekendmaking gemeentelijk
beleid |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing van premies (premie deeltijdwerk en
activiteitenpremie) met terugwerkende kracht, omdat aan het
gemeentelijk beleid ter zake ruime algemene bekendheid is
gegeven en betrokkene derhalve tijdig een aanvraag had kunnen
indienen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 99/3568
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sittard-Geleen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Als gevolg van gemeentelijke herindeling treedt in dit geding
gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en
wethouders van de voormalige gemeente
Sittard. In deze uitspraak
wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester
en wethouders van de gemeente Sittard.
Namens appellante heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te
Woerden, op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak
van de rechtbank Maastricht van 20 mei 1999, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 4 oktober 1999 meegedeeld geen
aanleiding te zien voor het indienen van een verweerschrift.
Gedaagde heeft de Raad
desgevraagd op 15 november 2001 en 28
januari 2002 nadere stukken toegezonden.
Bij brief van 17 januari 2002 zijn namens appellante eveneens
nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 januari 2002, waar
appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Meerbach,
voornoemd, en gedaagde door mr. P.M. Hellenbrand, werkzaam bij de
gemeente Sittard-Geleen.
II. Motivering
Appellante ontvangt sedert 26 juli 1996 een uitkering ingevolge de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw).
Gedaagde heeft bij twee afzonderlijke besluiten van 14 en 17 juni
1997 afwijzend beslist op een verzoek van appellante van 17
december 1996 om toekenning van een activiteitenpremie en een
premie deeltijdwerk als bedoeld in de Verordening premiebeleid ter
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, zoals
vastgesteld door de raad van de gemeente
Sittard op 14 december
1995 (hierna: de Verordening premiebeleid).
Appellante heeft tegen beide bovengenoemde besluiten
bezwaarschriften ingediend. Gedaagde heeft bij het bestreden
besluit van 2 december 1997 de bezwaren gegrond verklaard en aan
appellante alsnog evengenoemde premies toegekend, echter niet met
terugwerkende kracht tot 26 juli 1996, de door appellante gewenste
ingangsdatum, maar met ingang van 17 december 1996.
Namens gedaagde is in het verweerschrift aan de rechtbank
meegedeeld dat de ingangsdatum van de premies bij nader inzien
dient te worden gesteld op 16 oktober 1996, omdat gebleken was dat
appellante zich reeds op 16 oktober 1996 had gemeld bij de
afdeling sociale zaken met de bedoeling om een aanvraag voor beide
premies in te dienen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Namens appellante is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de
rechtbank in het gestelde in het verweerschrift aanleiding had
moeten zien om het bestreden besluit te vernietigen en gedaagde te
veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde
griffierecht. Voorts is aangevoerd dat appellante reeds bij haar
aanvraag om een periodieke Ioaw-uitkering heeft gemeld dat zij
inkomsten had uit werkzaamheden in deeltijd en dat zij daarnaast
diverse onbetaalde activiteiten als vrijwilliger verrichtte.
Zij was er toen niet mee bekend dat zij voor het verkrijgen van
premies in verband met deze werkzaamheden een aparte aanvraag in
moest dienen. Als gevolg van onvoldoende voorlichting van de zijde
van de gemeente
Sittard heeft zij, aldus haar gemachtigde, pas
nadat zij zich op 16 oktober 1996 opnieuw bij de afdeling sociale
zaken had vervoegd, daadwerkelijk een aanvraag voor de premies
ingediend.
De Raad
stelt eerst vast dat de bevoegdheid van gedaagde om de
onderhavige premies te verstrekken berust op artikel
111, derde
lid, (oud) van de Algemene bijstandswet
en artikel 34, derde lid,
(oud) van de Ioaw, alsmede op de ter uitvoering daarvan
vastgestelde Verordening premiebeleid. Zowel in de tekst van deze
verordening als in de publieksfolder die de Dienst Sociale Zaken
en Welzijn in januari 1996 over de premieregeling heeft
uitgebracht, staat duidelijk vermeld dat de premies slechts op
aanvraag toegekend kunnen worden.
De Raad
acht het niet onjuist dat bij de bepaling van de datum met
ingang waarvan premies als hier aan de orde worden toegekend als
uitgangspunt wordt gehanteerd dat in beginsel geen premie wordt
verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop de
aanvraag is ingediend. In de doelstelling van de Verordening
premiebeleid, die gericht is op de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening, ziet de Raad, anders dan de gemachtigde van
appellante, geen grond om hier een ander uitgangspunt te kiezen.
Dit laat onverlet dat van dat uitgangspunt kan worden afgeweken
indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Gedaagde heeft er terecht op gewezen dat onbekendheid met
regelgeving geen grond is om van voormeld uitgangspunt af te
wijken.
Het verwijt van onvoldoende voorlichting treft geen doel. Uit de
gedingstukken blijkt dat gedaagde het bestaan van de Verordening
premiebeleid op ruime schaal bekend heeft gemaakt. Niet alleen is
deze verordening gepubliceerd in het blad "Gemeente Sittard"
van januari 1996, dat huis aan huis verspreid is, maar ook in een
uitgave van de "Maas en Mijn". Appellante had er
derhalve niet van kunnen uitgaan dat de premies ambtshalve, en
gekoppeld aan haar Ioaw-uitkering, toegekend zouden worden.
Daartoe bestond te minder grond aangezien appellante reeds bij
brief van 24 juli 1996 was meegedeeld dat zij voor een Ioaw-uitkering in aanmerking kwam en in die brief niet over
premies werd gerept.
De Raad
is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat niet
gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan
appellante met ingang van een eerdere datum dan 16 oktober 1996 de
premies toegekend hadden moeten worden.
De Raad
stelt vervolgens met de gemachtigde van appellante vast
dat de nadere standpuntbepaling namens gedaagde in het
verweerschrift in eerste aanleg gedeeltelijk aan het beroep
tegemoet kwam en dus niet tot ongegrondverklaring van dat beroep
had mogen leiden. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak
vernietigen, het inleidend beroep gegrond verklaren, het bestreden
besluit vernietigen en gedaagde opdragen met inachtneming van het
vorenstaande een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In dat besluit
dient gedaagde tevens de hoogte van de toe te kennen premies aan
te geven.
De Raad
acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing
van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
te veroordelen
in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op €|1288,-|, wegens verleende
rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit van 2 december 1997;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van €|1288,-, te betalen door de gemeente
Sittard-Geleen;
bepaalt dat de gemeente Sittard-Geleen aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal €|102,10 (ƒ225,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12
maart 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Heijink.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AE3268 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/1531 ABW |
| Datum
uitspraak: |
28
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
86
en 87 Abw
(= 60 en 60
Wwb) / XVI
Wet BMT /
3:2 en 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
verhoging aflossingsbedrag; aflossingscapaciteit; aanvullend
bezwaarschrift; vorderingen vóór 1 juli 1997; zorgvuldigheid;
motivering |
| Essentie: |
Onterechte
ongegrondverklaring bezwaar tegen de verhoging van het
maandelijkse aflossingsbedrag van fraudeschulden, omdat ten
onrechte ervan is uitgegaan dat geen aanvullend bezwaarschrift
zou worden ingediend en er geen onderscheid is gemaakt tussen de
vorderingen vóór inwerkingtreding van de Wet BMT en die erna. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/1531 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Naaldwijk [zie gemeente Westland,
red.], verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Eiser heeft over de periode 4 juni 1994 tot 1 maart 1999 een
uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen.
Bij uitspraak van 2 april 1998 heeft de kantonrechter te Delft
vastgesteld dat eiser over de perioden 1 februari 1994 tot en met
30 april 1994, 1 februari 1995 tot en met 31 maart 1995 en 1 maart
1996 tot 1 april 1996 wegens verzwegen inkomsten ƒ2399,29 te veel uitkering heeft ontvangen. Er is een aflossingsverplichting
vastgesteld van ƒ60,- per maand.
Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 1999 over de periode
van oktober 1996 tot en met december 1996 van eiser een bedrag aan
te veel uitgekeerde bijstand teruggevorderd van ƒ5440,24. Eiser
heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder over de periode
1 januari 1997 tot 1 januari 1999 een bedrag van ƒ41.066,73 aan
te veel uitbetaalde bijstand van eiser teruggevorderd. Eiser heeft
tegen dit besluit evenmin bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 13 januari 2000 de
aflossingscapaciteit van eiser vastgesteld op ƒ184,44 per maand.
Tegen dit besluit heeft eiser op 31 januari 2000 een
bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is door verweerder bij
besluit van 15 maart 2000 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen
dit besluit geen beroep ingesteld.
Bij besluit van 19 februari 2001 heeft verweerder de
aflossingscapaciteit van eiser gewijzigd in ƒ203,89.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 februari 2001, en
nader aangevuld bij brief van 7 maart 2001, een bezwaarschrift bij
verweerder ingediend.
Bij besluit van 2 maart 2001, verzonden op 14 maart 2001, heeft
verweerder het bezwaar van eiser (kennelijk) ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 april 2001 beroep
ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
overgelegd en tevens bij brief van 29 mei 2001 een verweerschrift
ingediend.
De zaak is op 29 januari 2002 ter zitting behandeld.
Eiser noch zijn gemachtigde mr. M.H. van 't Hof zijn verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw H. den
Besten-van der Elst.
II. Motivering
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit van 2 maart 2001 waarbij het bezwaar tegen de hoogte van
de aflossingscapaciteit ongegrond is verklaard in rechte
gehandhaafd kan blijven.
Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de
openstaande vorderingen niet weersproken worden en vaststaan. De
aflossingscapaciteit van ƒ203,89 per maand is conform het
gemeentelijk beleid vastgesteld en na herberekening zijn geen
fouten geconstateerd.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onvoldoende
draagkracht heeft om aan een aflossingscapaciteit van ƒ203,89 te
kunnen voldoen.
Hij is van mening dat het maandbedrag niet correct is berekend.
Tevens is hij het niet eens met de hoogte van de totale schuld,
aangezien hij een grote periode gescheiden heeft geleefd van zijn
echtgenote. De helft van zijn uitkering werd maandelijks
overgemaakt aan zijn echtgenote, terwijl zijn echtgenote
zelfstandig recht had op een alleenstaandenuitkering.
Ten slotte is eiser van mening dat verweerder hem in zijn belangen
heeft geschaad, aangezien bij het bestreden besluit op zijn
bezwaar van 20 februari 2001 is beslist zonder dat verweerder op het
aanvullend bezwaar van gemachtigde van eiser heeft gewacht.
Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 7 maart 2001 een
aanvullend bezwaarschrift ingediend. Het bestreden besluit is op 2
maart 2001 genomen, maar pas op 14 maart 2001 verzonden.
Verweerder was derhalve reeds geruime tijd vóór verzending van het
bestreden besluit in het bezit van het aanvullend bezwaarschrift.
In reactie op hetgeen eiser heeft gesteld, voert verweerder in
zijn verweerschrift aan dat het niet relevant is dat eiser
gedurende een bepaalde periode gescheiden heeft geleefd van zijn
echtgenote. Eiser heeft verzuimd deze informatie door te geven.
Voorts heeft eiser de termijn tegen de hoogte van de vorderingen
ongebruikt laten verstrijken, waardoor een beroep tegen de hoogte
van de vorderingen geen kans van slagen heeft. Het aanvullende
bezwaarschrift heeft geen aanleiding gevormd om terug te komen op
het genomen besluit.
De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 21 februari 2001 aangegeven
dat hij een kopie van het bestreden besluit aan zijn advocaat
heeft gezonden. Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 7 maart
2001, bij verweerder binnengekomen op 8 maart 2001, een aanvullend
bezwaarschrift ingediend. Het bestreden besluit is op 2 maart 2001
genomen en op 14 maart 2001 verzonden. Verweerder heeft in reactie
op de brief van gemachtigde van eiser bij brief van 16 maart 2001
aangegeven dat hij op 14 maart 2001 een beslissing op bezwaar
heeft genomen en dat er beroep tegen dit besluit openstaat.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder er, gezien de opmerking
van eiser in zijn bezwaarschrift van 21 februari 2001, op bedacht
had moeten zijn dat eiser zich in het kader van dit bezwaar zou
laten bijstaan door een advocaat en met een aanvulling van de
gronden van het bezwaar zou kunnen komen. Door te beslissen op het
bezwaar van eiser zonder bij hem te informeren naar de betekenis
van bedoelde opmerking in het bezwaarschrift en er zonder meer van
uit te gaan dat geen aanvulling van de gronden van het bezwaar zou
volgen, heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit
niet de daarbij vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. Het
beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt om die
reden voor vernietiging in aanmerking.
In verband hiermee ziet de rechtbank zich thans gesteld voor de
vraag of voldoende grond aanwezig is om te bepalen dat de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden
gelaten.
Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de vaststelling van de
aflossingscapaciteit alle vorderingen tezamen betreft en derhalve
mede de vordering die bij beschikking van 2 april 1998 door de kantonrechter te Delft
is vastgesteld.
Het terugvorderingbesluit van deze vordering is op 26 september
1996 bekendgemaakt, derhalve vóór de inwerkingtreding van de Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(Wet BMT). De rechtbank stelt vast dat, gelet op de strekking
van artikel XVI, tweede lid, Wet
BMT, ten aanzien van besluiten
die bekend zijn gemaakt vóór 1 juli 1997 de vóór deze datum
geldende procedureregels van toepassing blijven. De rechtbank is
van oordeel dat een redelijke toepassing van deze bepaling in het
onderhavige geval met zich brengt dat tegen een nader besluit van
verweerder ter zake van de aflossing van de vordering waarop het
terugvorderingsbesluit van 26 september 1996 en de uitspraak van
de kantonrechter te Delft
van 2 april 1998 betrekking hebben geen
rechtsmiddelen op grond van de Awb openstaan en dat verweerder bij
de eventuele niet-nakoming daarvan een rechtsvordering bij die
kantonrechter moet instellen. Een andere benadering leidt immers
tot de uit een oogpunt van rechtszekerheid voor de belanghebbende
ongewenste situatie dat verweerder, gelet op het bepaalde in
artikel 87, eerste lid, van de Abw, uit hoofde van het nadere
besluit over de wijze van betaling van de desbetreffende vordering
van rechtswege een nieuwe executoriale titel zou verkrijgen,
terwijl onduidelijk is hoe deze titel zich verhoudt tot de
executoriale titel uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter
ter zake van dezelfde vordering waarover verweerder reeds de
beschikking had.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit de uit genoemd
overgangsrecht voortvloeiende procedurele gevolgen voor de
vaststelling van de aflossingscapaciteit van eiser miskend door
geen onderscheid te maken tussen enerzijds de vordering waarop het
terugvorderingsbesluit van 26 september 1996 en de uitspraak van de
kantonrechter
van 2 april
1998 betrekking hebben en anderzijds de overige vorderingen waarop
de na 1 juli 1997 aan eiser bekendgemaakte
terugvorderingsbesluiten betrekking hebben. In verband met
bedoelde gevolgen had verweerder bij de berekening van de
draagkracht in het kader van de vaststelling van de
aflossingscapaciteit aan moeten geven welk deel van het het totale
bedrag van ƒ203,89 eerstgenoemde vordering bestrijkt en welk
deel betrekking heeft op de andere vorderingen. Nu verweerder dit
heeft nagelaten, is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd
en genomen in strijd met het artikel
7:12, eerste lid, eerste
volzin, van de Awb, waarin is bepaald dat de beslissing op bezwaar
dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de
bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Ook om deze reden
wordt het beroep gegrond verklaard.
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder opnieuw moet beslissen
op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen. Verweerder zal bij de te nemen beslissing
alsnog vorengenoemd onderscheid moeten maken en vervolgens het
bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, voor zover dit
betrekking heeft op het gedeelte van het bedrag van de
aflossingscapaciteit dat ziet op de vordering uit 1996, gelet op
vorengenoemd overgangsrecht, niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het primaire besluit, voor zover dit betrekking heeft op het
gedeelte van genoemd bedrag dat de andere vorderingen bestrijkt,
zal verweerder op grond van de daartegen door eiser aangevoerde
bezwaren opnieuw in heroverweging moeten nemen. Daarbij merkt de
rechtbank op dat, anders dan eiser kennelijk veronderstelt, de
vordering als zodanig niet ter discussie kan worden gesteld.
In het vorenstaande ziet de rechtbank voorts aanleiding verweerder
op grond van artikel 8:75, eerste lid,
Awb te veroordelen in de
door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte
proceskosten. Met inachtneming van het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de voor vergoeding
in aanmerking komende kosten vast op €|322,-. Daarbij is in
aanmerking genomen 1 punt voor het indienen van het
beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1)
en een waarde per punt van €|322,-.
Aangezien ten behoeve van eiser ter zake van dit beroep een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,
dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de
Awb de
betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
III.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Naaldwijk als rechtspersoon aan eiser het
door hem betaalde griffierecht, te weten €|27,23, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van €|322,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier van de
rechtbank dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar
uitgesproken op 28 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. C. Rouw.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|