| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3713 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4675
NABW |
| Datum
uitspraak: |
9
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
54,
69, 81 en 82
Abw (= 34,
54, 58
en 58 Wwb)
/ 6:22 en
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
boedelscheiding; voormalig echtelijke woning; onderbedeling;
aflossing overbedelingsschuld; leenbijstand; geldlening;
bijstand om niet; terugvordering |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van ten onrechte als leenbijstand aangemerkte
bijstand wegens onderbedeling na boedelscheiding (ƒ52.500,-
vermogen in de voormalig echtelijke woning), omdat niet aannemelijk
is gemaakt dat betrokkene ten tijde van het
bestreden besluit een reële mogelijkheid had om betaling ineens
van zijn ex-echtgenote te verlangen, zodat hij enkel kon berusten
in de reeds overeengekomen maandelijkse aflossing ad ƒ420,-,
welke eerst op de bijstand kan worden gekort zodra daarmee de
toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/4675
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Almere,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 4 augustus
1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Mr. H.Y. Hoogeveen, advocaat te Amsterdam, heeft zich als
gemachtigde van gedaagde gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 februari 2002, waar
voor appellant is verschenen mr. G. van der Wal, werkzaam bij de
gemeente Almere, terwijl gedaagde niet is verschenen.
II. Motivering
Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder is
aangeduid en gedaagde als eiser - ontleent de Raad
de volgende
als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eiser is op 29 oktober 1982 met mevrouw [A] getrouwd. Bij
beschikking van deze rechtbank d.d. 13 maart 1996 is tussen hen de
echtscheiding uitgesproken, welke echtscheiding op 15 april 1996
in de registers is ingeschreven. Bij notariële akte van 23
september 1996 is de boedel tussen partijen verdeeld.
In de akte van verdeling is bepaald dat mevrouw [A] de woning
krijgt toebedeeld. Eiser heeft daarvoor een vordering op mevrouw
[A] wegens overbedeling van
ƒ52.500,-, welke vordering door haar
zal worden afgelost in maandelijkse termijnen van
ƒ420,-.
Mevrouw [A] is op 1 februari 1997 begonnen te betalen aan eiser.
Bij besluit d.d. 26 juni 1996 is door verweerder aan eiser een
bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande
ouder met ingang van 1 april 1996. Verweerder heeft in het besluit
het volgende overwogen:
"Bij de toekenning van de bijstand is nog geen rekening
gehouden met het vermogen, bestaande uit een eigen woning. (...)
U dient de afdeling Sociale Zaken op de hoogte te houden van het
verloop van de echtscheidingsprocedure. Afschriften van het
echtscheidingsvonnis en van de akte van scheiding en deling van de
boedel dient u zo spoedig mogelijk aan de afdeling Sociale Zaken
over te leggen. Indien u na de boedelscheiding de beschikking
krijgt over een vermogen, zal de verleende bijstand ingevolge
artikel 82, eerste lid, van de Algemene bijstandswet
op dit vermogen
worden teruggevorderd."
Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaren ingediend.
Bij besluit d.d. 22 januari 1998 heeft verweerder besloten met
toepassing van artikel 69, derde lid, onderdeel
a en/of b, het recht van
eiser op uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1996 te
herzien, zulks op grond van de overweging dat eisers vermogen
ƒ52.500,- bedraagt en dat hij
ƒ5040,- aan
niet-opgegeven
periodieke betalingen heeft ontvangen. Als gevolg van deze
herziening vordert verweerder op grond van artikel 81 en/of
82 een
bedrag van
ƒ33.500,- bruto ontvangen bijstand van eiser terug.
Eiser heeft op 20 februari 1998 tegen het besluit van 22 januari
1998 bezwaar gemaakt.
Op 17 maart 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ter
gelegenheid waarvan eiser zijn bezwaren nader heeft doen
toelichten.
Bij besluit d.d. 4 juni 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift
ongegrond verklaard."
Hieraan voegt de Raad nog toe dat in het besluit van 4 juni 1998
als rechtsgrond voor het besluit tot terugvordering van
ƒ33.500,- uitsluitend artikel 82 van de Algemene bijstandswet
(Abw) is genoemd; over de wijze van terugvordering is in dat
besluit bepaald dat per 1 mei 1998 maandelijks een bedrag van
ƒ420,- op de bijstandsuitkering in mindering wordt gebracht, dat
een bedrag van
ƒ90,38 per maand met die uitkering wordt verrekend
en dat het gereserveerde vakantiegeld niet wordt uitbetaald.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 juni 1998
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
beslissingen gegeven tot vergoeding van proceskosten en
griffierecht aan gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft
appellant ten onrechte het recht van gedaagde op bijstand herzien
en ten onrechte bijstand teruggevorderd.
Appellant heeft dit oordeel gemotiveerd bestreden.
De Raad stelt eerst vast dat bij het besluit van 4 juni 1998 zowel
het primaire besluit tot herziening van het besluit tot toekenning
van bijstand als het primaire besluit tot terugvordering van
ƒ33.500,- is gehandhaafd en dat de
rechtbank in het beroepschrift
van 16 juli 1998 is verzocht om het besluit op bezwaar te
vernietigen en zelf in de zaak te voorzien. Daarmee was dat
besluit in beginsel in al zijn onderdelen aan het oordeel van de
rechtbank onderworpen. De Raad volgt appellant dan ook niet in
zijn stelling dat het beroep beperkt was tot het besluit over de
wijze waarop het terugvorderingsbesluit ten uitvoer zou worden
gelegd. Een uitdrukkelijke beperking van het beroep tot
laatstbedoeld onderdeel van het bestreden besluit valt in de
processtukken in eerste aanleg niet te lezen. Uit de opmerking van
de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de rechtbank dat
gedaagde de gemeente terug wil betalen zodra hij zijn vrij te
laten vermogen heeft opgebouwd, volgt naar het oordeel van de Raad
niet dat het terugvorderingsbesluit niet meer aan het oordeel van
de rechtbank was onderworpen. De gemachtigde van gedaagde heeft
blijkens de gedingstukken met nadruk betoogd dat gedaagde nog niet
kon beschikken over het volledige vermogen dat hem in het kader
van de boedelscheiding toekwam en juist die stelling ziet op de
juridische grondslag waarop appellant zijn besluit tot
terugvordering heeft gehandhaafd.
De Raad merkt vervolgens op dat het herzieningsbesluit wegens
strijd met de wet niet in stand kan blijven, reeds omdat dit
besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel
69, derde lid, aanhef
en onder a en/of b, van de Abw, zoals deze bepaling luidt sedert 1
juli 1997. Hij volstaat in dit verband met te verwijzen naar zijn
uitspraken van 27 juli 1999 en 31 augustus 1999, onder meer
gepubliceerd in RSV 1999/255 en 256. Hierbij wordt aangetekend dat
het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 6:22 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) faalt, omdat geen sprake is van
schending van een vormvoorschrift.
Met betrekking tot het terugvorderingsbesluit is het volgende van
belang.
Het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder
a, van de Abw verplicht het
bijstandverlenend orgaan kosten van bijstand van de
belanghebbende terug te vorderen voor zover hij naderhand met
betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in
aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling
3, beschikt of kan beschikken.
Anders dan appellant heeft betoogd, gaat het in dit geding niet om
leenbijstand, maar om kosten van bijstand die geacht moet worden om
niet aan gedaagde te zijn verleend vanaf 1 april 1996. Uit de
omstandigheid dat in het besluit tot toekenning van bijstand per
die datum de toepassing van artikel 82 in het vooruitzicht is
gesteld indien gedaagde de beschikking krijgt over een vermogen
dat uitgaat boven de ingevolge artikel 54 van de
Abw geldende
vermogensgrens, volgt niet dat die bijstand geacht kan worden bij
wijze van geldlening te zijn verstrekt.
Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 42 tot en met 54
van de Abw zal nu moeten worden nagegaan of ten tijde van het
bestreden besluit sprake was van het naderhand (kunnen) beschikken
over in aanmerking te nemen middelen tot een bedrag groot
ƒ33.500,-, zoals appellant heeft aangenomen.
Uit het echtscheidingsconvenant dat gedaagde en [A] zijn
overeengekomen, vloeit voort dat laatstgenoemde een schuld wegens
overbedeling heeft tot een bedrag van
ƒ52.500,- aan gedaagde. De
aflossing van die schuld geschiedt, zoals in dat convenant tussen
hen overeengekomen, in termijnen van
ƒ420,- per maand.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat [A] niet alsnog bereid
is gebleken om het nog niet afgeloste gedeelte van voormeld bedrag
van
ƒ52.500,- in één keer aan gedaagde te betalen. Appellant
heeft niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde ten tijde van het
bestreden besluit een reële mogelijkheid had om betaling ineens
van [A] te verlangen.
Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad
niet
worden gezegd dat gedaagde ten tijde van het bestreden besluit
over het in het bestreden besluit genoemde bedrag van
ƒ33.500,-
kon beschikken. De waarde van de maandelijkse bedragen waarover
hij na het sluiten van het convenant wel beschikte of
redelijkerwijs kon beschikken, bedroeg minder dan de toepasselijke
vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de
Abw.
Het bestreden terugvorderingsbesluit is derhalve terecht niet in
stand gelaten.
Daarmee is ook aan het besluit over de wijze van terugvordering de
grondslag komen te ontvallen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit
terecht door de rechtbank is vernietigd. Die uitspraak komt dan
ook voor bevestiging in aanmerking.
Een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit door gedaagde kan
in dit geval achterwege blijven. Ter zitting is gebleken dat de
inhoudingen op de uitkering van gedaagde zijn stopgezet en dat bij
brief van 16 augustus 1999 aan de gemachtigde van gedaagde is
meegedeeld dat het op de vordering reeds ontvangen bedrag
(inclusief ingehouden vakantiegeld) aan gedaagde zal worden
terugbetaald. Aangezien het primaire besluit op dezelfde
onhoudbaar gebleken grondslag berust en ook de daarin vermelde
toepassing van artikel 81 van de Abw
niet als juist kan worden
aanvaard, zal de Raad met toepassing van artikel
8:72, vierde lid,
van de Awb zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 22
januari 1998 vernietigen.
De Raad is ten slotte niet gebleken van proceskosten van gedaagde
in hoger beroep die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van
de Awb in aanmerking kunnen komen.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
vernietigt het besluit van 22 januari 1998;
bepaalt dat van de gemeente Almere een recht van
€|322,- wordt
geheven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.G. Treffers en mr. drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 9 april 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3716 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4410
NABW en 99/4411 NABW |
| Datum
uitspraak: |
16
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 Abw
(= 11 Wwb) /
4:6 Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
verblijfsvergunning met terugwerkende kracht;
herzieningsverzoek; bijstand met terugwerkende kracht; nieuwe
feiten of omstandigheden; Spanjaarden |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing herzieningsverzoek tot verkrijging van bijstand met
terugwerkende kracht naar de gehuwdennorm (in plaats van de
alleenstaandeoudernorm), omdat de enkele omstandigheid dat aan
de echtgenote met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning
is verleend daarvoor onvoldoende is. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/4410
NABW en 99/4411 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Roermond, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellanten heeft mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen,
op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 7 juli
1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens nog
nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 maart 2002, waar
appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Lemmen,
voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. A. Brouns, werkzaam bij de gemeente
Roermond.
II. Motivering
[appellant] (appellant) is op [...] 1994 gehuwd met [appellante]
(appellante), van Spaanse afkomst. Op [...] 1995 is hun beider kind
geboren.
Bij besluit van gedaagde van 26 april 1995 is aan appellant met
ingang van 6 maart 1995 een bijstandsuitkering verstrekt naar de
norm voor een eenoudergezin. Daarbij is overwogen dat ten
behoeve van appellante geen uitkering kan worden verstrekt daar
zij niet beschikt over een geldige verblijfstitel. Appellanten
hebben tegen dat besluit geen rechtsmiddel aangewend.
De bijstandsuitkering van appellant is bij besluit van 12 november
1996 met ingang van 1 november 1996 omgezet in een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw), naar de norm voor een
alleenstaande ouder. Appellant heeft hierin berust.
Op 17 maart 1997 hebben appellanten gedaagde verzocht om hen
alsnog met ingang van 6 maart 1995 bijstand te verlenen naar de
norm voor gehuwden in plaats van de hem toegekende bijstand naar
de norm voor een eenoudergezin. Gedaagde heeft dat verzoek bij
besluit van 15 mei 1997 afgewezen.
Bij het thans bestreden besluit van 28 september 1998 heeft
gedaagde dat besluit gehandhaafd.
Gedaagde heeft appellanten eerst met ingang van 7 maart 1997 in
aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering naar de norm voor
gehuwden.
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van
gedaagde in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft die vraag
bevestigend beantwoord. De Raad overweegt hieromtrent het
volgende.
De Raad stelt vast dat hier aan de orde is een verzoek van
appellanten aan gedaagde om terug te komen van zijn eerdere,
rechtens onaantastbare besluit van 26 april 1995.
Genoemd verzoek is gebaseerd op de omstandigheid dat door de
Staatssecretaris van Justitie bij beschikking van 7 maart 1997 aan
appellante alsnog een verblijfsvergunning is verleend, met ingang
van 6 maart 1995, geldig tot 6 maart 1996, onder gelijktijdige
verlenging van de geldigheidsduur tot 6 maart 1998 en onder
daaraan verbonden voorwaarden.
Tussen partijen is niet in geschil dat hier sprake is van nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in
artikel 4:6, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
en ook de Raad gaat hiervan uit.
Niettemin heeft gedaagde het onderwerpelijke verzoek van
appellanten niet ingewilligd.
Gedaagde achtte de enkele omstandigheid dat de
Staatssecretaris van Justitie op 7 maart 1997 aan appellante met ingang van 6 maart
1995 een vergunning tot verblijf heeft verleend daarvoor
onvoldoende. Blijkens de stukken en het ter zitting verhandelde
heeft gedaagde bij zijn besluitvorming voorts onder meer in
aanmerking genomen dat honorering van het verzoek van appellanten
ten materiële neerkomt op het verlenen van bijstand over een
voorbije periode waartoe in het kader van bijstandverlening in
het algemeen geen ruimte bestaat.
Dat is in het onderhavige geval naar het oordeel van gedaagde niet
anders, waarbij hij erop heeft gewezen dat niet is gebleken dat in
de onderwerpelijke periode van 6 maart 1995 tot 7 maart 1997 niet
is voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
van appellante; appellant ontving in die periode een
bijstandsuitkering op basis waarvan ook appellante tegen
ziektekosten was verzekerd; tevens is aan appellant in de genoemde
periode bijzondere bijstand om niet verstrekt tot een bedrag van ƒ2100,- voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, terwijl
die goederen normaliter uit de uitkering moeten worden betaald;
ten slotte is de moeder van appellant kennelijk bij tijd en wijle
financieel bijgesprongen.
De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat de enkele
omstandigheid dat de
Staatssecretaris van Justitie
aan appellante
op 7 maart 1997 een vergunning tot verblijf met ingang van 6 maart
1995 heeft verleend onvoldoende is om gedaagde gehouden te achten
om het verzoek van appellanten om terug te komen van het besluit
van 26 april 1995 in te willigen.
Zoals in de aangevallen uitspraak met juistheid is overwogen,
dient immers een weigering om van een in rechte onaantastbaar
geworden besluit terug te komen te worden geëerbiedigd, tenzij
aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich
dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan
in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit
ongedaan te maken.
De Raad is niet tot het oordeel kunnen komen dat gedaagdes thans
bestreden besluit het hiervoor geformuleerde toetsingskader niet
kan doorstaan. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat
inderdaad niet is gebleken dat in de onderhavige periode niet is
voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van
appellante. Van het ontstaan in die periode van aantoonbare
schulden, waaraan daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling
is verbonden, is niet gebleken. Voorts kan de Raad er niet aan
voorbij zien dat appellant blijkens de gedingstukken in de periode
(kort) vóór de toekenning van bijstand per 6 maart 1995, bezien
vanuit het oogpunt van bijstandverlening, aanzienlijke middelen
heeft verworven waarvan hij gedaagde bij zijn aanvraag om bijstand
per 6 maart 1995 geen mededeling heeft gedaan.
Het moet ervoor worden gehouden dat hij die middelen heeft kunnen
aanwenden om in de kosten van het bestaan van appellante te
voorzien.
De Raad komt mitsdien tot het oordeel dat het bestreden besluit
van 28 september 1998 en de aangevallen uitspraak, voor zover deze
is aangevochten, in stand kunnen blijven.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing
te geven aan artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. H.G.
Rottier als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2002.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE3719 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4152
NABW |
| Datum
uitspraak: |
16 april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
10 Bln (= 48 Abw)
(= 33 Wwb) |
| Trefwoorden: |
inkomsten; onderhuur; inhouding |
| Essentie: |
Terechte
inhouding op de bijstand van inkomsten uit onderhuur, ten tijde
in geding een vast normbedrag. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/4152
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. E.R.M. Russel, advocaat te Groningen,
op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Groningen op 28 juni 1999 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadien nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van
5 maart 2002, waar partijen - zoals tevoren aangekondigd - niet
zijn verschenen.
II. Motivering
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad
uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Appellant ontvangt sedert 1975 een bijstandsuitkering naar de norm
voor een echtpaar. Hij is eigenaar van het uit een benedenwoning
en een bovenwoning bestaande pand [P]straat [...] en [...]a en
heeft blijkens de huurovereenkomst een deel van de woning
[P]straat [...] verhuurd. In verband met de inkomsten uit verhuur is met
ingang van 1 mei 1990 op zijn bijstandsuitkering een korting
toegepast, welke is berekend door op de huurinkomsten de
eigenaarlasten van de woning [P]straat [...] in mindering te
brengen.
Naar aanleiding van een eind 1994/begin 1995 uitgevoerd
heronderzoek heeft gedaagde bij besluit van 15 juni 1995 de
bijstandsuitkering van appellant per 16 juni 1995 beëindigd op de
grond dat hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, zodat
de noodzaak om de uitkering voort te zetten niet kan worden
vastgesteld. Een nieuw verzoek om bijstand van 21 juni 1995 is bij
besluit van 7 augustus 1995 op dezelfde grond afgewezen. Nadat
appellant alsnog de benodigde gegevens had verstrekt, is hem bij
besluit van 14 september 1995 ingaande 16 juni 1995 weer een
bijstandsuitkering toegekend. Bij de vaststelling van de hoogte
van die uitkering is rekening gehouden met het feit dat appellant
een onderhuurder heeft door op de uitkering een korting van
ƒ190,24 toe te passen op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en
onder b, van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln).
Appellant heeft tegen de besluiten van 15 juni 1995, 7 augustus
1995 en 14 september 1995 bezwaar gemaakt.
Bij een drietal afzonderlijke besluiten van 8 oktober 1996 heeft
gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 15 juni 1995 en 7
augustus 1995 gegrond en de bezwaren van appellant tegen het
besluit van 14 september 1995 ongegrond verklaard. Namens
appellant is tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak
ongegrond verklaard.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of
gedaagde terecht en op goede gronden op de aan appellant bij
besluit van 14 september 1995 ingaande 16 juni 1995 toegekende
bijstandsuitkering een korting van
ƒ190,24 per maand wegens
onderverhuur heeft toegepast.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de
rechtbank, bevestigend.
Daartoe overweegt de Raad dat de toegepaste korting in
overeenstemming is met artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b,
van het Bln, waarin is bepaald dat bij verhuur aan één
onderhuurder een bedrag van (ten tijde hier van belang)
ƒ190,24
per maand op de uitkering in mindering wordt gebracht. Blijkens de
wetsgeschiedenis van deze bepaling is niet van belang of sprake is
van verhuur door de eigenaar of door de huurder van een woning.
Voor de in hoger beroep herhaalde stelling van appellant dat de
onderhavige korting met terugwerkende kracht is toegepast,
aangezien de beëindiging van de bijstandsuitkering van appellant
met ingang van 16 juni 1995 na bezwaar teniet is gedaan, is in de
gedingstukken geen steun te vinden. Ter zake blijkt immers dat
gedaagde na de beëindiging van de bijstandsuitkering per 16 juni
1995 op basis van de door appellant tijdens de
bezwaarschriftprocedure verstrekte informatie bij besluit van 14
september 1995 alsnog tot aansluitende toekenning van bijstand is
overgegaan, zij het dat bij die gelegenheid tevens is onderkend
dat op die uitkering de onderhuurkorting als bedoeld in artikel 10
van het Bln dient te worden toegepast. Als uitvloeisel van deze
toekenning zijn de bezwaren tegen de besluiten van 15 juni 1995 en
7 augustus 1995 gegrond verklaard.
De Raad wijst er in dit verband nog op dat het
bijstandverlenend
orgaan gerechtigd is om op grond van een herbeoordeling van het
recht op (voortzetting van de) bijstandsuitkering over te gaan tot
intrekking dan wel herziening van het recht op uitkering over een
reeds verstreken periode of tot beëindiging dan wel wijziging van
de uitkering voor de toekomst, mits daarbij niet in strijd wordt
gehandeld met enige regel van (on)geschreven recht of enig
algemeen rechtsbeginsel.
Hetgeen appellant in hoger beroep overigens nog heeft aangevoerd
heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig voor toepassing van
artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. H.G.
Rottier als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2002.
get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3721 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4340
NABW, 99/4561 NABW, 99/4399 NABW en 99/4562 NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5a ABW (= 3
Abw)
(= 3 Wwb) / 65,
69 en 81 Abw
(= 17,
54 en 58
Wwb)
/ 1:2,
7:12,
8:69, 8:72
en 8:75
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; beëindiging bijstand; terugvordering;
intrekking verklaring; ongeoorloofde druk sociale recherche;
belanghebbende; grondslag uitspraak; omvang geschil; motivering;
kosten getuige |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke
huishouding voor zover het betreft de ingangsdatum, omdat die
(eerdere) ingangsdatum onvoldoende aannemelijk is geworden.
In
het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een
opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en
komt aan het intrekken daarvan, of het achteraf
ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toe.
De rechtbank
is buiten de omvang van het aan haar
voorgelegde geschil getreden door de wijze van effectuering van
de terugvordering in haar oordeel te betrekken. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/4340
NABW, 99/4561 NABW, 99/4399 NABW en 99/4562 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden wonende te [woonplaats],
betrokkenen,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Namens betrokkenen heeft mr. R. van Asperen, advocaat te
Groningen, op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Groningen op
27 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Het College van burgemeester en wethouders (hierna: het College)
heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden eveneens tegen deze
uitspraken hoger beroep ingesteld.
Namens partijen zijn verweerschriften ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad
op 19
maart 2002. Betrokkenen zijn daar in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. H.G.E. Klatter, advocaat te Veendam. Het
College heeft zich daar laten vertegenwoordigen door drs. R.J.
Bakker, werkzaam bij de gemeente
Groningen. Tevens is als getuige
gehoord [getuige], wonende te [woonplaats].
II. Motivering
[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) ontving sedert 1972 een
uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor een
eenoudergezin respectievelijk naar de norm voor een
alleenstaande, welke uitkering ingaande 1 januari 1997 is omgezet
in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de
norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder.
Naar aanleiding van een onderzoek van de sociale recherche,
waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 16
december 1997, heeft het College bij besluit van 18 december 1997
besloten het recht op uitkering van [betrokkene 1] met ingang van
1 januari 1992 in te trekken. Aan dit besluit is ten grondslag
gelegd dat [betrokkene 1] sedert 1 januari 1992 op het adres [P]straat te [woonplaats] een gezamenlijke huishouding heeft
gevoerd met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) zonder daarvan
mededeling te doen aan het College, waardoor zij niet heeft
voldaan aan de verplichting om inlichtingen te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering
of de voortzetting of hoogte daarvan. Voorts is bij dat besluit
bepaald dat de in de periode van 1 januari 1993 tot en met 30
november 1997 aan [betrokkene 1] verstrekte bijstandsuitkering tot
een bedrag van
ƒ106.684,86 van haar wordt teruggevorderd. Daarbij
is aangegeven dat het teruggevorderde bedrag binnen 30 dagen na
dagtekening van het besluit dient te worden overgemaakt op de
girorekening van de dienst SOZAWE van de gemeente Groningen en
dat, indien dit niet mogelijk is, voor het treffen van een
betalingsregeling een nader invorderingsbesluit kan worden
aangevraagd.
Het College heeft bij besluit van 18 december 1997 de kosten van
aan [betrokkene 1] toegekende bijstand over de periode van 1
januari 1993 tot en met 30 november 1997 mede teruggevorderd van
[betrokkene 2] tot een bedrag van
ƒ106.684,86. Tevens is in dat
besluit aangegeven dat [betrokkene 2] het teruggevorderde bedrag
binnen 30 dagen na dagtekening van het besluit dient over te maken
op de girorekening van de dienst SOZAWE van de gemeente Groningen
en dat, indien dit niet mogelijk is, voor het treffen van een
betalingsregeling een nader invorderingsbesluit kan worden
aangevraagd.
Namens betrokkenen is bezwaar gemaakt tegen deze primaire
besluiten.
Namens betrokkenen heeft mr. Van Asperen, voornoemd, bij brief van
5 juni 1998 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op
het bezwaar.
Het College heeft het bezwaar van [betrokkene 1] tegen het aan
haar gerichte primair besluit bij besluit van 11 juni 1998
(hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. Het bezwaar van
[betrokkene 2] tegen het aan hem gerichte primair besluit is bij
besluit van 11 juni 1998 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met de
registratienummers 98/571 NABW en 99/721 NABW (hierna: uitspraak
1) het beroep van [betrokkene 1] tegen het niet tijdig nemen van
een beslissing op haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens
vervallen procesbelang. Voorts heeft zij het beroep van
[betrokkene 1] tegen besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit
vernietigd, voor zover het de wijze van effectuering van de
terugvordering betreft, onder bepaling dat het College ter zake
van de invordering een nader besluit op bezwaar zal dienen te
nemen. Het College is veroordeeld tot vergoeding van het
griffierecht en de proceskosten.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met de
registratienummers 98/572 NABW en 99/720 NABW (hierna: uitspraak
2) het beroep van [betrokkene 2] tegen het niet tijdig nemen van
een beslissing op zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens
vervallen procesbelang. Voorts heeft zij het beroep van
[betrokkene 2] tegen besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit
vernietigd, voor zover het de wijze van effectuering van de
terugvordering betreft, onder bepaling dat het College ter zake
van de invordering een nader besluit op bezwaar zal dienen te
nemen. Het College is ook in die uitspraak veroordeeld tot
vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
[Betrokkene 1] is blijkens het aanvullend beroepschrift
uitsluitend in hoger beroep gekomen van uitspraak 1 voor zover het
betreft de intrekking van haar uitkering. Zij is van mening dat de
rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij sinds 1 januari
1992 een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene 2]. Zij
stelt dat zij vanaf die datum niet heeft samengewoond en dat
evenmin sprake is geweest van wederzijdse verzorging. De
verklaringen, afgelegd tegenover de sociale recherche, heeft zij,
naar haar mening, onder ongeoorloofde druk afgelegd.
[Betrokkene 2] is blijkens het aanvullend beroepschrift
uitsluitend in hoger beroep gekomen tegen de tussen [betrokkene 1]
en het College gewezen uitspraak 1 van de rechtbank
voor zover
daarin is geoordeeld over de intrekking van de uitkering van
[betrokkene 1].
Het College is in hoger beroep gekomen van de uitspraken 1 en 2
uitsluitend voor zover daarin is geoordeeld over de wijze van
effectuering van de terugvordering. Het heeft erop gewezen dat
hiertegen noch in bezwaar noch in beroep bij de rechtbank grieven
naar voren zijn gebracht en dat de rechtbank door daarover toch
een oordeel te geven buiten de omvang van het geschil is getreden.
Het hoger beroep van [betrokkene 2]
De Raad is van oordeel dat [betrokkene 2] geen belanghebbende
is,
als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de intrekking van de bijstandsuitkering
van [betrokkene 1]. Aangezien zijn hoger beroep uitsluitend
betrekking heeft op dit onderdeel van uitspraak 1, dient dit hoger
beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Verwezen wordt naar
's Raads uitspraak van 18 mei 1999, gepubliceerd in RSV 1999/213.
Het hoger beroep van het College
De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat door
betrokkenen noch in bezwaar noch in beroep grieven naar voren zijn
gebracht tegen de wijze van effectuering van de terugvordering.
Ter zitting van de rechtbank is namens betrokkenen expliciet
gesteld dat het (nog) niet getroffen zijn van een
betalingsregeling niet in geschil is. De Raad is gelet hierop van
oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het aan haar
voorgelegde geschil is getreden door de wijze van effectuering van
de terugvordering in haar oordeel te betrekken. Dusdoende heeft
zij het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de
Awb miskend.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraken in zoverre dienen te
worden vernietigd.
Het hoger beroep van [betrokkene 1]
De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat besluit 1,
voor zover daarbij de intrekking van het recht op uitkering van
[betrokkene 1] met ingang van 1 januari 1992 is gehandhaafd,
gebaseerd is op artikel 69, derde lid, van de
Abw, zoals deze
bepaling sedert 1 juli 1997 luidt. Besluit 1 berust in zoverre op
een onjuiste wettelijke grondslag. Verwezen wordt naar 's Raads
uitspraak van 31 augustus 1999, gepubliceerd in RSV 1999/256.
Met betrekking tot hetgeen partijen hebben gesteld omtrent de door
het College aangenomen gezamenlijke huishouding van [betrokkene 1]
en [betrokkene 2] vanaf 1 januari 1992 overweegt de Raad
voorts
nog het volgende.
Het standpunt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet mogen
worden gehouden aan de verklaringen die zij op 1 december 1992
tegenover de sociale recherche hebben afgelegd omdat deze
verklaringen onder ongeoorloofde druk zouden zijn afgelegd, wordt
verworpen. Uit 's Raads vaste jurisprudentie vloeit voort dat in
het algemeen van de juistheid van een tegenover een
opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring mag
worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf
ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt.
Dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun verklaringen onder
ongeoorloofde druk hebben afgelegd is voor de Raad onvoldoende
aannemelijk geworden. Uitgaande van deze verklaringen is voor de
Raad evenwel onvoldoende komen vast te staan dat [betrokkene 1] en
[betrokkene 2] (reeds) met ingang van 1 januari 1992 gezamenlijk
in huisvesting zijn gaan voorzien. De verklaringen die [betrokkene
1] en [betrokkene 2] op 1 december 1997 tegenover de sociale
recherche hebben afgelegd, zijn op dit punt ontoereikend. [Betrokkene 1] heeft toen verklaard dat [betrokkene 2] sinds vier
of vijf jaar op haar adres verblijft, maar dat zij het niet
precies meer weet, en [betrokkene 2] dat hij "vermoedelijk" begin
1992 bij [betrokkene 1] is gaan wonen. Ter zitting van de Raad
heeft de getuige [getuige] een verklaring afgelegd waaruit kan
worden afgeleid dat [betrokkene 2] niet eerder dan eind 1992 bij
[betrokkene 1] is ingetrokken. Nu aanwijzingen voor het tegendeel
noch door de sociale recherche, noch door het College zijn
vastgesteld, moet de Raad het er, gelet op deze verklaringen in
hun onderlinge samenhang bezien, voor houden dat [betrokkene 1] en
[betrokkene 2] eind 1992 hoofdverblijf zijn gaan houden in
dezelfde woning en niet eerder. Daarmee is gegeven dat op 1
januari 1992 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding als
bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet. Besluit 1,
voor zover dat ziet op de intrekking ingaande die datum van de
uitkering van [betrokkene 1], is daarom tevens in strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Awb
en dient dan ook in zoverre
te worden vernietigd.
Aangezien het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit op
dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust, acht de Raad
het
aangewezen om ook het besluit van 18 december 1997 in zoverre te
vernietigen met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om het College te
veroordelen in de proceskosten van [betrokkene 1] in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op €|644,- voor verleende
rechtsbijstand, €|38,12 voor reiskosten van [betrokkene 1]
en €|88,35 voor de kosten van de meegebrachte getuige, in totaal
€|770,47. Voor een proceskostenveroordeling in verband met
het namens [betrokkene 2] ingestelde hoger beroep ziet de Raad
geen aanleiding.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
99/4399 NABW:
verklaart het hoger beroep van [betrokkene 2] niet-ontvankelijk;
99/4561 en 4562 NABW:
vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover deze betrekking
hebben op de wijze van terugvordering;
99/4340 NABW:
vernietigt de ten aanzien van [betrokkene 1] en het College
gewezen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de intrekking
van de uitkering van [betrokkene 1] bij besluit 1;
verklaart het inleidend beroep van [betrokkene 1] tegen besluit 1
in zoverre gegrond en vernietigt besluit 1 in zoverre;
vernietigt het aan [betrokkene 1] gerichte besluit van 18 december
1997 voor zover het betrekking heeft op de intrekking van haar
uitkering;
veroordeelt het College in de proceskosten van [betrokkene 1] in
hoger beroep tot een bedrag van €|770,47, te betalen door de
gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Groningen aan [betrokkene 1] het in hoger
beroep betaalde griffierecht van €|77,14
(ƒ170,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 29 april 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep
ingevolge de
Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de
wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de
op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een
beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der
Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3723 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Rotterdam |
| Zaaknummer: |
NABW
98/1564-DGG |
| Datum
uitspraak: |
20
december 2000 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
18a Bln (= 39 Abw)
(= 35 Wwb)
/ 3:2 en 7:11
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten bankstel, strijkplank, strijkijzer, wasmachine
en trapladder; gewijzigde feiten of omstandigheden tijdens
bezwaarprocedure; zorgvuldigheid |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van een bankstel,
strijkplank, strijkijzer, wasmachine en trapladder, omdat niet
mag worden uitgegaan van de gewijzigde omstandigheden na het
tijdstip van het primaire besluit, te weten dat betrokkene
inmiddels weer bij zijn ex-echtgenote inwoont in een volledig
ingerichte woning. (De redactie betwijfelt de juistheid
van deze uitspraak). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Rotterdam
NABW 98/1564-DGG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. A.Th.
Tilburg, advocaat te Spijkenisse
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Spijkenisse,
verweerder.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Op 24 maart 1995 heeft eiser een aanvraagformulier ingediend voor
bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van een bankstel,
strijkijzer en strijkplank.
Bij besluit van 13 april 1995 heeft verweerder de aanvraag
afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 mei 1995 bezwaar
gemaakt.
Op 21 augustus 1995 heeft eiser een aanvraagformulier ondertekend
voor bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van een
wasautomaat en een trapladder.
Verweerder heeft bij besluit van 3 juli 1996 deze aanvraag
afgewezen.
Bij brief van 7 augustus 1996 is namens eiser tegen dit besluit
bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 juli 1998 (verzonden op 28 juli 1998) heeft
verweerder de bezwaren van 1 mei 1995 en 7 augustus 1996
niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze niet gericht zijn
tegen de afwijzing van bijzondere bijstand inzake de
aanschafkosten van een bankstel, een strijkijzer, een strijkplank,
een wasmachine en een trap. Voor het overige zijn de bezwaren
ongegrond.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is namens eiser
bij brief van 12 augustus 1998 beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 2 december 1998 een verweerschrift
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2000.
Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer P.
Nieuwenhuijsen.
2. Overwegingen
2.1. Feiten
Eiser, geboren op 22 februari 1932, ontvangt vanaf 8 februari 1995
een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW)
naar de norm van een alleenstaande. Eerder ontving hij tezamen met
zijn (ex-)echtgenote een uitkering.
Verweerder heeft op 13 april 1995 besloten eisers aanvraag van 24
maart 1995 voor bijzondere bijstand in de kosten van een
bankstel, strijkijzer en strijkplank af te wijzen onder de
overweging dat deze kosten gerekend worden tot de algemene
bestaanskosten, welke uit de verstrekte uitkering bestreden dienen
te worden.
In zijn bezwaarschrift van 1 mei 1995 heeft eiser aangegeven
bezwaar te maken tegen de afwijzing van een renteloze lening van
ƒ500,-. Eiser heeft daarbij aangegeven het geld nodig te hebben in
verband met "aanschaffingen van levensprioriteit", zoals een
wasmachine, en om de openstaande schulden uit zijn huwelijk te
kunnen voldoen.
Op 11 juli 1995 is eiser in de gelegenheid gesteld zijn bezwaar
mondeling toe te lichten. Tijdens de hoorzitting heeft eiser erop
gewezen dat hij in zijn overspannenheid vergeten is tevens
bijzondere bijstand aan te vragen voor de aanschaf van een
wasmachine, een koffiezetapparaat en vitrage. Ook heeft eiser
aangegeven dat zijn woonlasten, in verhouding tot zijn inkomen,
onredelijk hoog zijn.
Op 11 juli 1995 heeft de secretaris van Kamer II van de Algemene
bezwaar- en beroepscommissie aan het hoofd van verweerders dienst
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe) bericht dat
eisers bezwaar naar het oordeel van de commissie gegrond dient te
worden verklaard: tengevolge van eisers echtscheiding is er
noodzakelijke boedel aangeschaft, terwijl de reserveringen al
zijn aangewend en er geen voorliggende voorziening is. Een
huisbezoek is nodig teneinde te inventariseren welke goederen nog
aangeschaft moeten worden. Tevens is voorgesteld eiser te
verzoeken zijn bezwaar alsnog in te trekken wanneer de toekenning
wordt verstrekt.
In augustus 1995 heeft een huisbezoek plaatsgehad blijkens het
advies van de Algemene bezwaar- en beroepscommissie (Kamer II). Een rapport naar aanleiding van dit huisbezoek is niet bij de
gedingstukken aangetroffen en heeft verweerder ook later niet
kunnen overleggen.
In augustus 1995 heeft eiser een intrekking bezwaarschrift
ondertekend. Op de intrekking staat vermeld dat de gevraagde
bijstand alsnog zal worden toegekend en dat de intrekking werkt
zodra hiertoe besloten is.
Op 21 augustus 1995 heeft eiser een tweede aanvraag ondertekend
voor bijzondere bijstand. Het betreft de aanschafkosten van een
wasautomaat en een trapladder.
Naar moet worden aangenomen, heeft de ondertekening van deze
documenten plaatsgehad naar aanleiding van vorenbedoeld huisbezoek
en vervolgcontact met verweerders sociale dienst.
Vervolgens heeft op 8 februari 1996 een huisbezoek plaatsgevonden.
De rapportage (van dezelfde datum) vermeldt dat eiser voldoende
huisraad heeft. Wat nog ontbreekt is een wasmachine en een
trapleer. Geadviseerd wordt de aanvraag voor leenbijstand af te
wijzen.
Op 9 april 1996 is eisers huurcontract voor de woning aan de
[woonadres] te [woonplaats] door de verhuurder ontbonden omdat eiser
gedurende de maanden januari, februari en maart 1996 geen huur had
betaald. Eiser heeft zich vervolgens gemeld bij de noodopvang van
het Leger des Heils aan de [adres] te [plaatsnaam], alwaar hij vanaf
20 juni 1996 verbleef.
Op 3 juli 1996 heeft verweerder besloten eisers aanvraag van 21
augustus 1995 af te wijzen onder de overweging dat de aanschaf van
een wasmachine en trapleer behoren tot de algemene bestaanskosten,
welke voldaan moeten worden uit het periodieke inkomen of door
middel van gespreide betaling.
Eisers gemachtigde heeft verweerder op 15 juli 1996 verzocht om
het bezwaar van 1 mei 1995 opnieuw te agenderen nu nog steeds niet
is voldaan aan de voorwaarden waaronder intrekking van het bezwaar
heeft plaatsgevonden. Dit verzoek is gevolgd door een nadere
toelichting bij brief van 7 augustus 1996.
Bij brief van eveneens 7 augustus 1996 is namens eiser bezwaar
tevens gemaakt tegen de beslissing van 3 juli 1996. In het
bezwaarschrift wordt gesteld dat op 21 augustus 1995 geen
bijzondere bijstand is aangevraagd. Op deze datum was eiser
uitgenodigd te verschijnen ten kantore van SoZaWe in verband met
de afwikkeling van het bezwaarschrift van 1 mei 1995, dat gegrond
zou worden verklaard. In plaats van dat de bijzondere bijstand
werd gerealiseerd, werd eisers bezoek abusievelijk opgevat als een
nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand.
Tengevolge van dit handelen heeft eiser nog immer niet de
bijzondere bijstand verkregen waar hij recht op had. Eiser acht de
behandeling van zijn bezwaarschrift van 1 mei 1995 erg
onzorgvuldig en verwijt verweerder grove nalatigheid.
Op 9 oktober 1996 heeft de secretaris van Kamer II van de Algemene
bezwaar- en beroepscommissie eiser onder meer medegedeeld dat zijn
bezwaar van 7 augustus 1996 gelijktijdig zal worden behandeld met
het nog openstaande bezwaar van 1 mei 1995. Voorts heeft de
secretaris laten weten dat verweerder bij de behandeling van de
bezwaren rekening moet houden met alle feiten en omstandigheden
die zich hebben voorgedaan tot het moment waarop de beslissing op
bezwaar genomen wordt. Er zal dus nogmaals moeten worden nagegaan
of de bijzondere bijstand op grond van eisers huidige situatie
(waarbij hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft) verleend
kan worden. Aangezien eisers omstandigheden behoorlijk veranderd
zijn, komt de herbeoordeling, naar het oordeel van de secretaris,
in feite neer op de behandeling van een geheel nieuwe aanvraag.
Eiser wordt verzocht aan te geven of hij voortzetting van de
bezwaarprocedure nog zinvol acht.
Na omzwervingen is eiser op 10 november 1996 weer bij zijn
ex-echtgenote gaan wonen aan het [nieuw adres] te [woonplaats].
Vanaf dat moment is weer gezinsbijstand aan hen beiden verstrekt,
zij het dat de bijstand op grond van artikel 72 van de
Algemene bijstandswet (hierna: Abw) afzonderlijk aan eiser en zijn
ex-echtgenote werd uitbetaald.
Eisers gemachtigde heeft de secretaris van de bezwaar- en
beroepscommissie op 7 juli 1997 verzocht de bezwaarprocedure voort
te zetten.
Eiser is op 14 oktober 1997 in de gelegenheid gesteld zijn
bezwaren mondeling toe te lichten. Daarbij is namens eiser onder
meer aangegeven dat de constatering die vermeld staat in de
rapportage van 8 februari 1996 niet juist is. In eisers woning was
weliswaar huisraad aanwezig, maar het betrof geen normale
huisraad. Het waren tweedehands artikelen en spullen die eiser bij
het grof vuil had weqqehaald. Ten onrechte is dit niet in de
rapportage vermeld.
Ook heeft eiser gesteld schadevergoeding te eisen in verband met
geleden immateriële schade en geleden schade in verband met de
vernietiging van zijn spullen aan de stadswerf. Eiser heeft
tijdens de hoorzitting ook aangegeven dat hij inmiddels met zijn
ex-echtgenote naar [woonplaats] is verhuisd. Zijn ex-echtgenote
gedoogt hem, maar hij kan niet bij haar blijven wonen. Eiser stelt
voorts toch wat te moeten hebben als hij weer op zichzelf gaat
wonen.
Eveneens op 14 oktober 1997 heeft Kamer II van de Algemene bezwaar-
en beroepscommissie haar advies uitgebracht. Geadviseerd
wordt de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze
gericht zijn tegen het niet verlenen van bijstand voor de
vervanging van huisraad die eiser bij het grof vuil en tweedehands
heeft aangeschaft, dan wel voor een eventuele toekomstige
woninginrichting. Datzelfde advies wordt gegeven voor zover de
bezwaren gericht zijn tegen het niet krijgen van bijstand voor
rekeningen uit de huwelijksperiode, voor andere
levensprioriteiten, voor woonkosten en voor het verzoek om
schadevergoeding. Voorts wordt geadviseerd de bezwaren van 1 mei
1995 en 7 augustus 1996 ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.
In de bestreden beslissing van 21 juli 1997 geeft verweerder aan
zich te kunnen vinden in het advies van de bezwaarcommissie. Er
wordt besloten de bezwaren die niet gericht zijn tegen de
afwijzing van de bijstandsaanvragen in de aanschafkosten van een
bankstel, strijkijzer, strijkplank, wasmachine en een trap
niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige zijn de
bezwaarschriften wel ontvankelijk maar ongegrond omdat er geen
behoefte meer is aan genoemde duurzame gebruiksgoederen door de
wijziging van de woonsituatie van eiser.
2.2. Standpunten van partijen
Eiser is van mening dat verweerder na de hoorzitting van 11 juli
1995 de indruk heeft gewekt en de toezegging heeft gedaan dat een
tegemoetkoming in de vorm van bijstand voor een aantal roerende
zaken zou plaatsvinden. Eiser heeft daartoe tevens een intrekking
van zijn bezwaarschrift getekend, onder de voorwaarde dat hem
alsnog de toegezegde leenbijstand zou worden verstrekt.
De behandeling van het bezwaarschrift heeft daarna onnodig lang
geduurd, mede doordat verweerder ten onrechte van een vermeende
nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand is uitgegaan.
Verder wijst eiser erop dat hij tijdens de hoorzitting van 11
juli 1995 melding heeft gemaakt van zijn hoge woonlasten in
verhouding tot zijn inkomen. Eiser is van mening dat verweerder
tijdens de hoorzitting de indruk heeft gewekt dat in zijn
woonkosten zou worden voorzien. In de bestreden beslissing heeft
verweerder hieromtrent echter geen beslissing genomen.
Naar aanleiding van het door eiser gestelde merkt verweerder op
dat uit de brief 11 juli 1995, gericht aan het hoofd van de
afdeling SoZaWe, blijkt dat voor de afwikkeling van eisers
bezwaarschrift van 1 mei 1995 eerst nog een huisbezoek dient
plaats te vinden teneinde te inventariseren welke goederen nog
aangeschaft moeten worden en voor welk bedrag dan leenbijstand
verleend kan worden. Tijdens het huisbezoek is echter gebleken dat
eisers omstandigheden dusdanig veranderd waren dat teruggekomen
diende te worden op het voorlopig oordeel omtrent het
bezwaarschrift.
Voorts wijst verweerder erop dat terecht is uitgegaan van een
tweede aanvraag voor bijzondere bijstand, nu eiser zelf het
aanvraagformulier, waarmee hij bijstand aanvraagt voor een
wasautomaat en een trap, heeft ondertekend.
Ten aanzien van het door eiser gestelde met betrekking tot de
tegemoetkoming in de woonlasten merkt verweerder op dat eiser
nimmer een aanvraag hiertoe heeft ingediend. Van de bezwaar- en
beroepscommissie kan derhalve niet verwacht worden dat zij zich
tevens een oordeel vormt over een aanvraag die nooit is ingediend.
De commissie kan er wel op wijzen dat voor eisers probleem een
oplossing bestaat in de vorm van een woonkostentoeslag, maar van
een concrete toezegging hieromtrent is geen sprake geweest.
Verweerder ziet geen reden om af te wijken van hetgeen vermeld
staat in de bestreden beslissing en verzoekt het beroep ongegrond
te verklaren.
2.3. Wettelijk kader
In het onderhavige geding zijn, gelet op het toepasselijke
overgangsrecht, van toepassing de bepalingen van de ABW en de
daarop gebaseerde regelingen zoals deze tot 1 januari 1996
luidden.
Op grond van artikel 1, eerste lid van de ABW, voor zover hier van
belang, wordt door burgemeester en wethouders bijstand verleend
aan iedere Nederlander die in zodanige omstandigheden verkeert of
dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Ingevolge artikel 18a van het Bijstandsbesluit landelijk normering
(hierna: Bln) wordt bijstand ter voorziening in de bijzondere
kosten van het bestaan verleend indien individuele omstandigheden
leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan die naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de uitkering in de algemeen noodzakelijk kosten van het
bestaan en de aanwezige draagkracht. Slechts in bijzondere
omstandigheden geeft dit artikel de mogelijkheid tot het afwijken
van de hoofdregel dat men zelf in de algemeen noodzakelijk kosten
van het bestaan dient te voorzien.
2.4. Beoordeling
Ter zitting is aan de orde geweest de vraag of eiser thans nog een
belang heeft bij de onderhavige procedure. Het betreft immers
bijzondere bijstand voor goederen die reeds vele jaren geleden is
afgewezen. Indien deze destijds zou zijn toegewezen, had eiser de
daaruit voortkomende lening inmiddels hebben moeten aflossen.
Voorts heeft hij op dit moment aan bijzondere bijstand ook geen
behoefte meer. In dit verband heeft zijn gemachtigde opgemerkt dat
eiser hecht aan het oordeel van de rechtbank omtrent de
zorgvuldigheid van verweerders handelen in deze. Hij meent dat de
rechtbank het bestreden besluit vanwege strijd met het
zorgvuldigheidsbeginsel zou dienen te vernietigen. Daarna zou
verweerder bij het dan te nemen besluit wederom de bezwaren
ongegrond kunnen verklaren en de aanvraag van eiser om bijzondere
bijstand afwijzen.
Louter de behoefte aan een principieel oordeel over de (on)zorgvuldigheid
van de besluitvormingsprocedure vormt niet een voldoende
procesbelang bij een oordeel van de rechtbank over de
rechtmatigheid van het bestreden besluit. Nu de gemachtigde van
eiser ter ondersteuning van zijn betoog uitvoerig is ingegaan op
de gevolgen die het handelen van verweerder heeft gehad en met
name in welke nare omstandigheden eiser is komen te verkeren,
neemt de rechtbank aan dat eiser mogelijk aanspraak wenst te maken
op schadevergoeding indien de onrechtmatigheid van het bestreden
besluit zou komen vast te staan. Dit vormt wel een voldoende
procesbelang, zodat de rechtbank eiser in zijn beroep ontvankelijk
acht.
Met betrekking tot dit beroep overweegt de rechtbank het
navolgende.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd
dat eiser geen behoefte meer heeft aan de in de aanvragen vermelde
duurzame gebruiksgoederen, aangezien er een wijziging is
opgetreden in zijn woonsituatie.
Verweerder doelt hiermee, blijkens het advies van de bezwaar- en
beroepscommissie van 14 oktober 1997 (welk advies verweerder
tevens ten grondslag heeft gelegd aan de bestreden beslissing), op
het feit dat eiser op 10 november 1996 weer bij zijn ex-echtgenote
is gaan wonen, die in een compleet ingerichte woning woonde. Dit
leidt verweerder tot de conclusie dat eiser vanaf november 1996
geen behoefte meer heeft aan een bankstel, een strijkijzer, een
strijkplank, een trap en een wasautomaat.
Verweerder is, zoals eveneens in het advies vermeld staat, van
mening dat conform artikel 7:11 van de
Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) de heroverweging van een primair besluit dient te
geschieden aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die
gelden tot het moment waarop de beslissing op het bezwaar genomen
wordt.
Eerder had de secretaris van Kamer II van de Algemene bezwaar- en
beroepscommissie reeds van deze gedachtegang laten blijken in de
hiervoor in rubriek 2.1 genoemde brief van 9 oktober 1996.
De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen en overweegt
daartoe het volgende.
Het primaire besluit van 13 april 1995 heeft betrekking
op de aanvraag van 24 maart 1995. Het primaire besluit van 3 juli
1996 heeft betrekking op eisers aanvraag van 21 augustus 1995.
In het algemeen zal een besluit op een aanvraag als hier in geding
naar zijn aard zien op de toestand tot en met de datum waarop het
besluit is genomen. De rechtbank is niet gebleken van
omstandigheden waarom dat in casu anders zou zijn. De rechtbank
heeft overigens geconstateerd dat nog daargelaten de lange duur
van de bezwaarprocedure het primaire besluit op de tweede, door
verweerder zelf geëntameerde aanvraag bijna een jaar na deze
aanvraag is genomen.
Ingevolge artikel 7:11 van de Awb
vindt op grondslag van het
bezwaar heroverweging van het primaire besluit plaats. In het
algemeen dient bij deze heroverweging rekening te worden gehouden
met sedert het tijdstip van het primaire besluit gewijzigde en/of
nieuwe feiten en omstandigheden. Bij de heroverweging van op
bijstand betrekking hebbende besluiten ligt dit evenwel anders.
Volgens vaste jurisprudentie van de
Centrale
Raad van Beroep
(en
voorheen ook de Afdeling rechtspraak van de Raad van State) komt in
die zaken bij de heroverweging aan feiten en omstandigheden die
zich hebben voorgedaan na het beoordelingsmoment of de
beoordelingsperiode slechts betekenis toe indien zij een ander
licht werpen op het feitencomplex dat aan het primaire besluit ten
grondslag lag (vgl. CRvB 25 februari 1997, AB 1997/238 [LJN
ZB6752,
red.] en CRvB 25 juli 2000, JABW 2000/146)
Verweerder heeft in strijd hiermee gehandeld door de gewijzigde
omstandigheden in eisers woonsituatie, welke gelegen zijn in de
periode ná die waarop de primaire besluiten betrekking hebben,
bij de besluitvorming in bezwaar te betrekken. Het bestreden
besluit dient reeds om die reden te worden vernietigd. Eisers
beroep wordt gegrond verklaard.
De rechtbank voegt daaraan ten overvloede toe dat de wijze waarop
verweerder de bezwaren heeft behandeld haar onzorgvuldig voorkomt.
Na de eerste hoorzitting en het advies van de betreffende
commissie had het op de weg van verweerder gelegen om voortvarend
tot een besluit te komen op de grondslag van het bezwaar en met
inachtneming van de juiste feiten en omstandigheden. Verweerder
heeft de zaak voor eiser onnodig gecompliceerd door eiser
documenten te laten tekenen tot intrekking van het bezwaar onder
de voorwaarde dat tot toekenning zou worden overgegaan en tot
indiening van een nieuwe aanvraag. Vervolgens hebben de beide
daardoor ontstane bezwarenprocedures onnodig lang geduurd.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de
kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot
aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank
bepaalt de hoogte daarvan op
ƒ1420,- aan kosten van door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten
waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben,
is de rechtbank niet gebleken.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van het
afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de
bezwaarschriften neemt met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Spijkenisse aan eiser het door hem
betaalde griffierecht vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van
ƒ1420,- en wijst de gemeente Spijkenisse aan als de rechtspersoon
die deze kosten aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.I. Degeling. De beslissing is,
in tegenwoordigheid van mr. W.G.G. Jepma als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 20 december 2000.
De griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 22 december 2000.
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen -
en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen
bij de
Centrale
Raad van Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes
weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
afschrift van deze uitspraak is verzonden.
NB: De redactie betwijfelt de juistheid van deze uitspraak.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|