| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3724 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/5835
NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 Abw (= 35
Wwb) /
3:2
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; meerkosten dieet; normdieet; individualisering;
zorgvuldigheid |
| Essentie: |
Onjuiste
wijze van vaststelling bedrag bijzondere bijstand voor
meerkosten diëten, omdat niet dient te worden uitgegaan van de
optelsom van normdiëten, maar van de kosten in het individuele
geval. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/5835
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente
Den Haag,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te
Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 14
september 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere
stukken ingezonden.
Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd
99/3306 NABW en 00/5832 NABW, behandeld ter zitting van 19 maart
2002.
Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr.
W.G.H. van de Wetering, en heeft gedaagde zich doen
vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente
Den Haag. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de
gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk
uitspraak gedaan.
II. Motivering
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad
uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Appellante heeft op 26 augustus 1998 een aanvraag ingediend om
bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter
voorziening in de kosten van het door haar gevolgde dieet.
Blijkens het dieetvoorschrift van haar behandelend arts dient zij
in verband met voedselintoleranties een benzoëzuur-,
AZO-kleurstoffen- en salicylatenvrij, koemelkvrij, lactosevrij en
biogene aminenbeperkt dieet te volgen.
Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft gedaagde aan appellante over
de periode van 25 augustus 1998 tot en met 31 augustus 1999 bijzondere bijstand voor dieetkosten toegekend
tot een bedrag van ƒ300,- per maand.
Bij besluit van 25 juni 1999 heeft gedaagde de door appellante
tegen het besluit van 29 oktober 1998 ingediende bezwaren in
zoverre gegrond verklaard dat haar ook over de periode van 19
juni 1997 tot en met 24 augustus 1998 ƒ300,- per maand
bijzondere bijstand voor dieetkosten wordt verstrekt.
De rechtbank
heeft het namens appellante tegen het besluit van 25
juni 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak
gemotiveerd bestreden.
Kern van het geschil tussen partijen vormt de vraag of gedaagde
de - als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel
39, eerste lid, (oud)
van de Abw aan te merken - meerkosten van het door appellante
gevolgde dieet op goede gronden heeft vastgesteld op een bedrag
van ƒ300,- per maand.
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde na consultatie van een
GGD-arts de meerkosten van het dieet van appellante vastgesteld
aan de hand van het Werkboek Abw van gedaagde. Daarbij zijn de
volgens dit werkboek bij de normdiëten behorende genormeerde
meerkosten op maandbasis, te weten ƒ45,- voor een benzoëzuur-,
AZO-kleurstoffen en salicylatenvrij dieet, ƒ120,- voor een
koemelkvrij dieet en ƒ135,- voor een lactosevrij dieet bij
elkaar opgeteld, met als resultaat een bedrag van ƒ300,- per
maand. Ten aanzien van het tevens voorgeschreven biogene
aminenbeperkt dieet stelt gedaagde zich op het standpunt dat niet
gebleken is dat dit dieet meerkosten meebrengt.
De eventuele
meerkosten van een dergelijk dieet zijn volgens gedaagde nog niet
uit wetenschappelijk onderzoek gebleken.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 maart 1996,
gepubliceerd in JABW 1996, 119, overweegt de Raad
dat het
combinatiedieet dat appellante als gevolg van meerdere
voedselintoleranties dient te volgen geen eenvoudige optelsom is
van twee of meer normdiëten, maar de uitkomst van een door middel
van het volgens de regels van de dieetleer ineenschuiven van deze
normdiëten, zodat een voor alle diagnosen verantwoord en op de
persoon toegesneden dieet resulteert. De kosten welke aan het
aldus samengestelde dieet zijn verbonden, dienen vervolgens te
worden berekend en afgezet tegen de kosten van de zogenaamde
referentievoeding. De Raad voegt hieraan toe dat de hiervoor
beschreven methode kan, maar niet noodzakelijkerwijs behoeft te
resulteren in een hoger bedrag aan meerkosten dan de som van de
kosten van de normdiëten.
Aangezien gedaagde bij de voorbereiding van het bestreden besluit
verzuimd heeft de hoogte van de voor bijzondere bijstand in
aanmerking komende meerkosten vast te stellen op basis van een
kostenberekening als hiervoor omschreven, is dit besluit naar het
oordeel van de Raad niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen,
zodat het wegens strijd met artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten,
dient te worden vernietigd.
Het is nu aan gedaagde om met het oog op het nieuw te nemen
besluit op bezwaar een nader advies aan te vragen dat is
toegesneden op de specifieke situatie van appellante en op basis
daarvan het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende
dieetkosten opnieuw vast te stellen.
Namens appellante is verzocht gedaagde te veroordelen in de
vergoeding van de schade aan de kant van appellante ex artikel
8:73 van de Awb. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat het
bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de
totstandkoming ervan en dat gedaagde een nader besluit dient te
nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad
om zich
over mogelijke schade, die overigens door appellante niet nader is
toegelicht, uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nader
besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader
besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag of en in
hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op €|966,-
voor verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van €|966,-, te betalen door de gemeente
Den Haag;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan appellante het door haar
betaalde griffierecht van in totaal €|104,37
(ƒ230,-)
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 29 april 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AE3731 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
00/2281
NABW en 00/2307 NABW |
| Datum
uitspraak: |
21
mei 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14 en 113 Abw
(= 18 en 9
Wwb) /
XVI Wet BMT
/ 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; schending arbeidsverplichtingen;
sollicitatieverplichting; werkweigering; Melkert-1-baan;
gesubsidieerde arbeid; recidive |
| Essentie: |
Terechte
oplegging maatregel van 10% gedurende één maand wegens niet
solliciteren en maatregel van 20% gedurende twee maanden
(verzwaard in verband met recidive) wegens weigering van een
Melkert-1-baan. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/2281
NABW en 00/2307 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Den Haag, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 24
maart 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Bij brief van 21 maart 2002 heeft appellant nog een nader stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 april 2002, waar
appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente
Den Haag.
II. Motivering
De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de
rechtbank in
rubriek 3 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.
Ter uitvoering van een eerder door de rechtbank
gewezen uitspraak
van 20 november 1998 heeft gedaagde op 27 april 1999 een nieuw
besluit op bezwaar genomen met betrekking tot een tweetal aan
appellant opgelegde kortingsmaatregelen. De eerste aan appellant
opgelegde korting betreft een verlaging van de bijstand met 10%
met ingang van 1 juli 1997 voor de duur van één maand op de grond
dat appellant niet naar vermogen heeft getracht arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen (besluit 1). De tweede aan
appellant opgelegde korting betreft een verlaging van de bijstand
met 20% voor de duur van twee maanden met ingang van 1 december
1997 op de grond dat appellant, nadat hij eerder niet naar
vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen,
door zijn gedragingen de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd
(besluit 2). Bij voormeld besluit van 27 april 1999 heeft gedaagde
het bezwaar tegen de vorengenoemde kortingen ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep dat was gericht tegen besluit 1
gegrond verklaard en heeft met toepassing van artikel
8:72, vierde
lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak
voorzien door te bepalen dat de ingangsdatum van de maatregel moet
worden vastgesteld op 1 augustus 1997. Het beroep dat gericht was
tegen besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank
in hoger beroep
betwist. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de
rechtbank dat gedaagde terecht kortingen op appellants uitkering
toegepast.
De Raad overweegt het volgende.
Met betrekking tot besluit 1
De Raad stelt eerst vast dat gedaagde als tijdvak voor de
beoordeling van de maatregel in aanmerking heeft genomen
appellants gedragingen in de periode van 23 december 1996 tot 23
juni 1997 en de maatregel heeft gehandhaafd op basis van de vanaf
1 juli 1997 geldende tekst van artikel 14 van de
Algemene bijstandswet (Abw) en het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz
(hierna: Maatregelenbesluit). Ingevolge artikel
XVI, eerste lid,
van de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid) had gedaagde echter gelet
op het vorengenoemde tijdvak de tot 1 juli 1997 geldende tekst van
artikel 14 van de Abw en het op deze bepaling gebaseerde
Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Sanctiebesluit) aan zijn
beoordeling ten grondslag moeten leggen. Dit leidt tot de
conclusie dat het besluit van 27 april 1999 voor zover dat betrekking heeft op besluit 1 wegens
strijd met de wet niet in stand kan worden gelaten.
De Raad acht niettemin termen aanwezig om de rechtsgevolgen van
het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten. Hij
overweegt daartoe het volgende.
Artikel 14, tweede lid, onderdeel a, (oud) van de Abw
bepaalt,
voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende in de
periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende
heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in
dienstbetrekking, burgemeesters en wethouders de bijstand in
afwijking van hoofdstuk IV van deze wet lager vaststellen.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij zijn aanvraag van 23
juni 1997 geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij
sollicitaties heeft verricht. Door appellant is gesteld dat hij
bij een taxibedrijf heeft gesolliciteerd, maar ook van deze
sollicitatie heeft appellant geen stukken overgelegd. Gelet op het
vorenstaande moet het er, naar het oordeel van de Raad, voor
worden gehouden dat appellant ten tijde hier van belang niet naar
vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.
De enkele omstandigheid dat appellant zich tijdig heeft aangemeld
bij het arbeidsbureau als werkzoekende geeft onvoldoende
aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
De Raad onderschrijft derhalve het standpunt van gedaagde dat
appellant tijdens de in de hier van belang zijnde periode niet
naar vermogen heeft getracht om arbeid in dienstbetrekking te
verkrijgen en voorts dat dit hem valt te verwijten.
Uit het bepaalde in artikel 14, tweede lid, onderdeel
a, en zesde
lid, (oud) van de Abw
en artikel 3, onderdeel 2, subonderdeel a, en
artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Sanctiebesluit volgt
dat in geval van het in onvoldoende mate trachten arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen de uitkering in beginsel wordt
verlaagd met 10% voor de duur van één maand. Aan de Raad
is niet
gebleken dat de omstandigheden van appellant en de mate van
verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven om de
opgelegde maatregel te matigen met toepassing van artikel
14,
derde lid, (oud) van de Abw.
Met betrekking tot besluit 2
In artikel 113, eerste lid, onderdeel d, (oud) van de
Abw
is voor
de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer de
verplichting opgenomen om na te laten hetgeen inschakeling in de
arbeid belemmert.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw
bepaalt, voor zover hier van
belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk
VIII van de Abw
aan de bijstand verbonden verplichting niet of
niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de
bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.
Uit de gedingstukken blijkt dat met appellant op 30 oktober 1997
in een intakegesprek de mogelijkheden voor een zogenoemde
"Melkert-1-baan" zijn besproken, in welk gesprek
appellant zou hebben aangegeven zich niet beschikbaar te stellen
voor een dergelijke baan omdat deze hem geen of onvoldoende
financieel voordeel zou opleveren. Uit een brief van Werkraat van
3 november 1997 blijkt dat vorengenoemde opstelling van appellant
aanleiding was te concluderen dat appellant een zogeheten "niet-willer" is, waardoor hij zichzelf in de omstandigheden heeft
gebracht dat inschakeling in arbeid ernstig wordt bemoeilijkt of
onmogelijk wordt gemaakt. De Raad heeft in hetgeen appellant
hiertegen heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om te
twijfelen aan de juistheid van de door Werkraat weergegeven feiten
en kan zich derhalve verenigen met de door deze getrokken
conclusie. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat
appellant zelf in een zogeheten arbeidsbemiddelingsbijlage heeft
aangegeven - hetgeen hij ook ter zitting van de Raad heeft
bevestigd - dat hij zich niet beschikbaar stelt voor een, zoals
hij dat noemt, "gefinancierde armoedebaan".
Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Raad
het standpunt van
gedaagde dat appellant - nadat hij eerder in onvoldoende mate
heeft getracht arbeid te verkrijgen - ten aanzien van de
inschakeling in het arbeidsproces eisen heeft gesteld die het
aanvaarden van passende arbeid belemmeren.
Uit het bepaalde in artikel 14, eerste en vijfde lid, van de
Abw
en artikel 3, aanhef en onder 3, subonderdeel
a, en 5, eerste
lid, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz
(hierna: Maatregelenbesluit) volgt dat in geval van gedragingen
die de inschakeling in de arbeid belemmeren de uitkering in
beginsel wordt verlaagd met 20% voor de duur van één maand. Gelet
op hetgeen in deze uitspraak is overwogen met betrekking tot
besluit 1 is de Raad tevens van oordeel dat gedaagde een juiste
toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit door de duur van de opgelegde verlaging van de
bijstand te verlengen met één maand. Aan de Raad is voorts niet
gebleken dat de omstandigheden van appellant en de mate van
verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven om de
opgelegde maatregel met toepassing van artikel
14, tweede lid, van
de Abw
te matigen.
Daartoe merkt de Raad nog op dat in hetgeen appellant als
rechtvaardiging voor zijn weigerachtige opstelling ten aanzien van
arbeidsinschakeling in Melkert-1-banen heeft gegeven geen grond is
te vinden om de verweten gedragingen hem in mindere mate aan te
rekenen.
De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van
appellant.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
met betrekking tot besluit 1:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidende beroep in zoverre gegrond en vernietigt
het besluit van 27 april 1999;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
bepaalt dat de gemeente
Den Haag
aan appellant het in hoger
beroep betaalde griffierecht van
€|77,14
(ƒ170,-) vergoedt;
met betrekking tot besluit 2:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3732 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/3899
NABW en 99/3900 NABW |
| Datum
uitspraak: |
14
mei 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
10, 29
en
39 Abw
(= 12, 20
en 35 Wwb) / 3:4,
4:84 en 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; aanvulling bijstand jongmeerderjarige naar
21-jarigennorm; noodzakelijke bestaanskosten; gemeentelijk
beleid; belangenafweging |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand ter verhoging
naar de gehuwdennorm (beide echtgenoten 21 jaar of ouder) van
het normbedrag
voor gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en
de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, omdat er geen noodzaak
was voor uitwonend zijn en het hebben van noodzakelijke
bestaanskosten die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm.
Het gemeentelijk beleid ter zake is in strijd met de wet, daar
het geen afweging van individuele belangen toelaat. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3899
NABW en 99/3900 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amersfoort, appellant,
en
[gedaagde A] en [gedaagde B], beiden wonende te [woonplaats],
gedaagden.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank
Utrecht op 15 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagden heeft mr. G. Bosch, advocaat te Amersfoort, een
verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vragen beantwoord; appellant heeft een tweetal
afschriften uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 april 2002, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn, werkzaam
bij de gemeente
Amersfoort, en waar gedaagden in persoon zijn verschenen,
bijgestaan door mr. Bosch.
II. Motivering
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het
volgende gebleken.
Gedaagde [gedaagde A], geboren [...] 1970, woonde in een
asielzoekerscentrum in Utrecht. Hij trad op 17 maart 1997 in het
huwelijk met gedaagde [gedaagde B], geboren [...] 1977, die bij haar
ouders in Utrecht woonde. [Gedaagde B] bleef na de huwelijksvoltrekking
bij haar ouders wonen tot 20 december 1997, toen zij samen met [gedaagde
A] ging wonen op het adres [P]straat [...] te [woonplaats].
Appellant heeft bij besluit van 8 januari 1998 gedaagden een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend met ingang van 3 december 1997, de datum waarop aan
[gedaagde A] de woning in [woonplaats] was toegewezen. De bijstandsnorm
werd daarbij met toepassing van artikel 29,
eerste lid, aanhef en onder
c, van de Abw, vastgesteld op
ƒ1343,91.
Dit is het op laatstgenoemde datum geldende normbedrag voor gehuwden
waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21
jaar of ouder.
Namens gedaagden is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
Volgens de gemachtigde van gedaagden had toepassing moeten worden
gegeven aan artikel 10 van de
Abw. Appellant heeft dit bezwaar
ongegrond verklaard bij besluit van 9 april 1998. Die
ongegrondverklaring steunt in hoofdzaak op het standpunt van appellant
dat op grond van de door hem gehanteerde beleidsregels verstrekking van
bijzondere bijstand ingevolge artikel 10 van
de
Abw slechts in drie situaties
mogelijk is en dat [gedaagde B] niet in één van deze situaties
verkeert. Deze situaties zijn als volgt door appellant in die
beleidsregels omschreven:
- indien de cliënt op het moment dat recht op bijstand ontstaat reeds
langer dan één jaar niet meer bij zijn of haar ouders woont;
- indien de ouder(s) van de cliënt zijn overleden of in het buitenland
wonen;
- indien de cliënt in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening
buiten het gezinsverband is geplaatst.
De rechtbank
heeft het tegen het besluit van 9 april 1998 ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven tot vergoeding
van griffierecht en proceskosten. Zij heeft daarbij in aanmerking
genomen dat het beleid van appellant inzake de toepassing van artikel 10
van de
Abw in beginsel geacht kan worden
te blijven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, maar dat
niet is gebleken dat appellant heeft onderzocht of er in het geval van
gedaagden sprake was van bijzondere omstandigheden. Het bestreden
besluit is daarom, aldus de rechtbank, mede gelet op artikel 4:84
van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in strijd met het in artikel
3:4 van die wet neergelegde
vereiste van zorgvuldige belangenafweging.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 10 van de Abw luidt
als volgt:
"Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op
bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan
uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm
en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders
niet te gelde kan maken."
In zijn uitspraak van 27 juni 2000, onder meer gepubliceerd in RSV
2000/198, heeft de Raad reeds overwogen
dat bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de
noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige op het
bijstandverlenend orgaan de plicht rust zich een zo goed mogelijk beeld
te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de
aanvrager en dat dit orgaan daarbij onder andere in aanmerking kan nemen
of voor de aanvrager zelfstandige huisvesting wel of niet noodzakelijk
is. Een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van
de aanvrager is dan ook nodig.
Dit is niet anders in een situatie als de onderhavige, waarin een
aanvraag om gezinsbijstand wordt gedaan zowel door een zelfstandig
wonende man ouder dan 21 jaar als door zijn echtgenote, die ten tijde
van de aanvraag jonger is dan 21 jaar, na haar huwelijk bij haar ouders
is blijven wonen, maar voornemens is om samen met haar echtgenoot op
één adres te gaan wonen. Ook hier is een onderzoek naar alle van
belang zijnde omstandigheden van de aanvragers nodig, zodat onder meer
naar de omstandigheden ten tijde van de feitelijke aanvang van de
samenwoning beoordeeld kan worden of de zelfstandige huisvesting van
deze jongmeerderjarige noodzakelijk is.
Blijkens de gedingstukken houdt het door appellant vastgestelde beleid
ter zake van de toepassing van artikel 10 van
de
Abw in dat toepassing van dat
artikel slechts mogelijk is indien de jongmeerderjarige in één van de
drie hierboven omschreven situaties verkeert. Aldus wordt echter naar
het oordeel van de Raad
de strekking van artikel 10 van de Abw
miskend. Er kunnen zich wel degelijk ook buiten de door appellant
omschreven situaties omstandigheden voordoen waarin de noodzaak van
uitwonend zijn van een jongmeerderjarige en het hebben van noodzakelijke
bestaanskosten die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm
aan de orde is. Verwezen wordt in dit verband nog naar de uitspraak van
4 juni 1996, gepubliceerd in JABW 1996/172, met betrekking tot de
toepassing van artikel 1, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet en
artikel 5 van het Bijstandsbesluit landelijke normering.
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het beleid van appellant in
strijd is met artikel 10 van de Abw
en dat het op grond daarvan genomen besluit van 9 april 1998 terecht,
zij het niet op een juiste grond, is vernietigd.
Het is de Raad voorts niet ontgaan dat het
aan gedaagden toegekende recht op gezinsbijstand reeds is toegekend met
ingang van 3 december 1997 ondanks het tevoren aan appellant gemelde
feit dat tot het moment dat de woning in [woonplaats] volledig zou zijn
ingericht [gedaagde B] nog bij haar ouders in Utrecht zou verblijven en
[gedaagde A] in het asielzoekerscentrum. De gemachtigde van gedaagden
heeft desgevraagd meegedeeld dat zij op 20 december 1997 feitelijk op
het adres [P]straat [...] te [woonplaats] zijn gaan wonen.
Op grond van alle thans ter beschikking staande gegevens is de Raad
niet tot de overtuiging kunnen komen dat op 20 december 1997 reeds
sprake was van een zodanig ernstige situatie dat van [gedaagde B] niet
langer gevergd kon worden dat zij nog tijdelijk bij haar ouders bleef
wonen en dat de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgingen boven de
op die datum voor gedaagden toepasselijke bijstandsnorm.
De Raad heeft in dit verband ook acht geslagen op de correcties die ter
zitting door de gemachtigde van appellant zijn gemaakt bij het in
bezwaar door de gemachtigde van gedaagden overgelegde overzicht van
kosten. Die correcties zijn niet weersproken. Het overzicht van kosten
is ook niet nader met bewijsstukken door gedaagden onderbouwd. De
gemachtigde van appellant heeft er voorts nog op gewezen dat naast de
toegekende algemene bijstand ook afzonderlijk bijzondere bijstand voor
diverse kosten is toegekend, dit laatste - naar de Raad aanneemt - met
toepassing van artikel 39 van de Abw.
Hetgeen van de zijde van gedaagden is aangevoerd, acht de Raad
ontoereikend om tot een ander oordeel te komen. Zelfs indien aangenomen
zou moeten worden dat de relatie van [gedaagde A] met de ouders van
[gedaagde B] slecht was - nadere gegevens hierover ontbreken in het
dossier - dan betekent dat nog niet dat voortzetting van het verblijf
van [gedaagde B] bij haar ouders vanaf 20 december 1997 niet langer
redelijkerwijs van haar gevergd kon worden. Het feit dat [gedaagde B]
toen zwanger was en in april 1998 een kind verwachtte, acht de Raad,
mede gezien de al langer bestaande situatie van afzonderlijke
huisvesting, niet zodanig bijzonder dat op grond daarvan gezegd zou
moeten worden dat zelfstandige huisvesting in de woning van haar
echtgenoot in [woonplaats] vanaf 20 december 1997 noodzakelijk was.
De situatie na de geboorte van het kind van gedaagden staat in dit
geding niet ter beoordeling van de Raad,
omdat die wijziging in de gezinssituatie voorwerp is geweest van
afzonderlijke besluitvorming van appellant en tot toekenning van een
hoger bedrag aan algemene bijstand aan gedaagden heeft geleid. De vraag
of zij samen met hun kind in de woning van de ouders van [gedaagde B]
hadden kunnen wonen, is in dit geding dan ook niet aan de orde.
Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
Een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar acht de Raad
hier niet aangewezen. Wel is er gelet op het hiervoor overwogene
aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in
stand te laten en voorts om appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagden in hoger beroep. De kosten worden begroot op €|805,-
wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep
tot een bedrag van €|805,-, te betalen
door de
gemeente Amersfoort;
bepaalt dat van de gemeente Amersfoort een recht van €|327,-
wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 14 mei 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE3799 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3306
NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
39 Abw (= 35
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten diëtistenconsult; toegelaten instelling voor
dieetadvisering |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten diëtistenconsult,
omdat geen gebruik wordt gemaakt van een toegelaten instelling
voor dieetadvisering. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3306
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente
Den Haag,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. B.J. van Dorp, advocaat te Voorburg,
op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank
's-Gravenhage op 21 mei 1999
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere
stukken ingezonden.
Vervolgens heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk,
zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.
Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd
00/5832 NABW en 00/5835 NABW, behandeld ter zitting van 19 maart
2002. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. W.G.H. van de Wetering, en heeft gedaagde zich doen
vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente
Den Haag.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak
gedaan.
II. Motivering
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad
uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Appellante is in verband met diverse voedselallergieën door haar
behandelend arts verwezen naar een diëtiste. Op 19 juni 1997
heeft zij een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in onder
meer de kosten van consulten door "Vlieg en Melse diëtisten".
Deze aanvraag is bij besluit van 4 augustus 1997 afgewezen.
Bij besluit van 21 april 1998 heeft gedaagde de door appellante
tegen het besluit van
4 augustus 1997 ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe
is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
"U heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom in
uw situatie geen gebruik gemaakt kan worden van de reguliere
procedures, die voorzien in advisering door een diëtist(e) welke
in overleg kan treden met de behandelend specialist en die tevens
voorzien in advisering door een arts.
In uw situatie is er sprake van een bestaand
samenwerkingsverband tussen de behandelend specialist van het
ziekenhuis en de door u gewenste diëtistenpraktijk. Het is zeer
goed voorstelbaar dat u een sterke voorkeur heeft in de lijn van
die relatie uw dieetadviezen te ontvangen, te meer gezien de
complexe allergie en uw angst voor allergische reacties op
mogelijk verkeerde adviezen. Dit doet echter niet af aan het feit
dat door middel van gebruikmaking van de normale kanalen via
Thuiszorg Den Haag op adequate wijze voor u dieetadviezen te
krijgen zijn.
De kosten voor lidmaatschap van de kruisvereniging en
de entreekosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan die uit de reguliere maandelijkse inkomsten bestreden
moeten en kunnen worden.
De kosten van bezoeken aan en consulten door
"Vlieg en Melse diëtisten" te Woerden behoren niet tot
de voor u noodzakelijke kosten van het bestaan."
De rechtbank
heeft het namens appellante tegen het besluit van 21
april 1998 ingestelde beroep, voor zover hier van belang, ongegrond
verklaard. Zij was met gedaagde van oordeel dat de noodzaak voor
consulten bij "Vlieg en Melse diëtisten" niet is komen
vast te staan.
Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de Raad
vast dat
het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de beslissing van
de rechtbank
om haar beroep tegen de weigering van bijzondere
bijstand voor de kosten van de consulten van "Vlieg en Melse
diëtisten" ongegrond te verklaren.
De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger
beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om tot een
andersluidend oordeel dan de rechtbank
te komen. Daartoe overweegt
hij het volgende.
In artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw
is bepaald dat,
onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht
heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het
gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2
en 3, en de aanwezige draagkracht.
Met betrekking tot de noodzaak van de onderhavige kosten is uit de
gedingstukken gebleken dat dieetadvisering vanaf 1 januari 1997
ingevolge het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering tot de aanspraken behoort in het kader van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. In de regio Den Haag is
de Stichting Thuiszorg Den Haag (hierna: Thuiszorg Den Haag)
toegelaten als instelling voor dieetadvisering. Diëtisten van Thuiszorg Den Haag verstrekken gratis dieetadviezen aan leden van
de kruisvereniging.
In verband hiermee kunnen de kosten van advisering door diëtisten
van de - niet als instelling voor dieetadvisering toegelaten -
praktijk "Vlieg en Melse diëtisten" naar het oordeel
van de Raad niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als
bedoeld in artikel 39, eerste lid, (oud) van de
Abw.
Appellante heeft ter ondersteuning van haar stelling dat Thuiszorg
Den Haag in haar geval niet de noodzakelijke hulp kan bieden een
brief van die instelling van 22 juni 1999 overgelegd waarin onder
meer staat dat de diëtisten van Thuiszorg Den Haag voor de
klachten die appellante heeft tengevolge van een complexe
voedselallergie op dit moment nog geen gespecialiseerde zorg
kunnen bieden.
Naar het oordeel van de Raad is met deze brief de noodzaak van
dieetadvisering door "Vlieg en Melse diëtisten" echter
niet aangetoond. In dit verband wijst de Raad erop dat Thuiszorg
Den Haag als toegelaten instelling voor dieetadvisering op grond
van artikel 4 van de "Uitkomst van Overleg Zorgverzekeraars
Nederland/KPZ/LVT inzake overeenkomst zorgverzekeraar -
instelling voor dieetadvisering" ervoor zorg dient te dragen
dat zijn personeel beschikt over de kennis en kunde die voor een
kwalitatief verantwoorde zorgverlening noodzakelijk is en dat de
opleiding en bijscholing zodanig is dat zij over een kwalitatief
verantwoorde kennis en kunde kunnen (blijven) beschikken.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 29 april 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3802 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4756
NABW |
| Datum
uitspraak: |
7
mei 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
13, 65
en 69 Abw
(= 18, 17
en 54 Wwb)
/
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
co-ouder;
co-oudertoeslag; schending inlichtingenverplichting; herziening
bijstand; feitelijke verblijfsituatie kinderen |
| Essentie: |
Terechte
herziening bijstand wegens schending van de
inlichtingenverplichting, omdat betrokkene geen mededeling heeft
gedaan van het geen invulling geven aan het afgesproken
co-ouderschap, waardoor hij ten onrechte co-oudertoeslag heeft
ontvangen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 99/4756
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zwijndrecht, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. G.A.H. Wiekamp, advocaat te
Hendrik-Ido-Ambacht, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 30
juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad
op 26 maart 2002.
Appellant is daar verschenen in persoon, bijgestaan door mr.
Wiekamp voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door C.M.T. de Paepe, werkzaam bij de gemeente
Zwijndrecht.
II. Motivering
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht
van 8 december 1993 is
de echtscheiding tussen appellant en [ex-echtgenote] uitgesproken.
Blijkens het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van
15 juli 1993 is tussen partijen onder meer overeengekomen dat zij
gezamenlijk de ouderlijke macht voortzetten, dat zij onderling
afspraken zullen maken over het verblijf van de kinderen (die
respectievelijk zijn geboren [...] 1981 en [...] 1984) bij ieder van
hen en dat zij ieder voor de helft zullen bijdragen in de kosten
van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Bij besluit van 5 juli 1996 is de eerder aan appellant toegekende
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm
voor een alleenstaande met ingang van 1 januari 1996 gewijzigd en
verhoogd met een zogenoemde co-oudertoeslag.
Bij besluit van 24 juni 1998 heeft gedaagde onder toepassing van
artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dit luidt sedert 1 juli
1997, het besluit van 5 juli 1996 herzien en de uitkering met
ingang van 1 januari 1996 nader vastgesteld op de norm voor een
alleenstaande zonder co-oudertoeslag. De reden daarvoor was dat
bij heronderzoek was gebleken dat de destijds gemaakte afspraken
omtrent het beurtelings verblijf van de kinderen bij appellant en
zijn gewezen echtgenote in de praktijk geen gestalte hadden
gekregen.
Het daartegen gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 4
september 1998 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer
overwogen dat appellant heeft erkend dat zijn beide zoons sedert 1
januari 1996 niet voor ten minste 50% van de tijd bij hem thuis hun
verblijf hebben gehad en daar zijn verzorgd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 september 1998
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank,
kort gezegd, in aanmerking genomen dat de door gedaagde alsnog
toegepaste alleenstaandennorm in overeenstemming is met het door
hem ter zake van onder meer co-ouderschap gevoerde en kenbaar
gemaakte beleid, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is
gebleken die tot afwijking van dat beleid noopten.
Ten aanzien van de toegepaste terugwerkende kracht heeft de
rechtbank overwogen dat gedaagde daartoe gerechtigd was, aangezien
appellant de ingevolge artikel 65 van de
Abw op hem rustende
inlichtingenverplichting heeft geschonden door gedaagde geen
mededeling te doen van de omstandigheid dat de feitelijke
invulling van het co-ouderschap duidelijk anders was dan
aanvankelijk was besproken en overeengekomen.
Namens appellant is de aangevallen uitspraak in hoger beroep
gemotiveerd bestreden.
Daarbij is naar voren gebracht dat appellant ermee zou kunnen
leven als de co-oudertoeslag met ingang van 1 september 1997 zou
worden beëindigd.
De Raad stelt vast dat de herziening van het recht op uitkering
blijkens het bestreden besluit berust op artikel
69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw, zoals deze bepaling sedert 1 juli
1997 luidt. Dit is niet juist nu de herziening deels ziet op het
recht op uitkering over een periode vóór 1 juli 1997. Het
besluit op bezwaar komt in zoverre wegens strijd met de wet voor
vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak
waarbij dat besluit geheel in stand is gelaten.
De Raad acht het aangewezen om te bezien of de rechtsgevolgen van
het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand
gelaten kunnen worden met toepassing van artikel
8:72, derde lid,
van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij overweegt daartoe het
volgende.
a. Met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli
1997
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de
Abw wordt onder
alleenstaande verstaan de ongehuwde die geen tot zijn last komende
kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Artikel 4, aanhef en onder b, van de Abw
bepaalt dat onder
alleenstaande ouder wordt verstaan de ongehuwde die de volledige
zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen
gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de
Abw stemmen
burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden
verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
van de betrokken persoon.
De Raad is van oordeel dat bij een zogenoemd co-ouderschap,
waarbij de kinderen beurtelings bij één van de ouders verblijven
en de zorg voor hen wordt gedeeld, de bijstandbehoevende ouder -
gelet op evenvermelde begripsomschrijvingen - niet als
alleenstaande of alleenstaande ouder kan worden aangemerkt.
Blijkens de wetgeschiedenis heeft de wetgever er ook bewust van
afgezien het begrip co-ouder te definiëren en daarvoor een
afzonderlijke norm in de wet op te nemen. Dit betekent dat
burgemeester en wethouders in voorkomende gevallen van
co-ouderschap de bijstand dienen af te stemmen op de specifieke
omstandigheden van het individuele geval. Het staat hen daarbij
vrij ter zake richtlijnen vast te stellen.
Gedaagde hanteerde ten tijde in geding ten aanzien van
co-ouderschapsregelingen de richtlijn inhoudende dat aan de
bijstandbehoevende ouder afhankelijk van de feitelijke
verblijfplaats van de kinderen en de daaraan gekoppelde verzorging
een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande sec dan
wel verhoogd met een co-oudertoeslag van 10% (zijnde de helft van
het verschil tussen de (landelijke) alleenstaandennorm en de norm
voor een alleenstaande ouder) werd verleend. De Raad
acht deze
richtlijn niet in strijd met de Abw dan wel anderszins
onaanvaardbaar.
Onder de gedingstukken bevindt zich een op 17 april 1996
gedateerde en door appellant ondertekende gespreksbevestiging
waaruit kan worden afgeleid dat de kinderen op fifty-fiftybasis
ten huize van appellant respectievelijk zijn gewezen echtgenote
zouden verblijven.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat voor
de Raad vast dat de kinderen van appellant in weerwil van de in
evengenoemde gespreksbevestiging neergelegde afspraken van meet af
aan niet in betekenende mate ten huize van appellant hebben
verbleven. Daarmee staat tevens vast dat appellant ten tijde in
geding voor de toepassing van de Abw
als alleenstaande moet worden
aangemerkt en derhalve slechts aanspraak kon maken op de
bijstandsnorm voor een alleenstaande.
De omstandigheid dat appellant in het bijzonder in de beginperiode
feitelijk regelmatig - met name op de dagen dat zijn gewezen
echtgenote wegens het verrichten van werkzaamheden afwezig was -
ten huize van zijn gewezen echtgenote als oppas en verzorger na
schooltijd heeft gefungeerd, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt
voor de stelling van appellant dat hij in die periode regelmatig
kosten ten behoeve van de kinderen heeft gemaakt, aangezien het
bij dergelijke kosten, voor zover zij meer bedragen dan in het
familieverkeer als gebruikelijk en redelijk moet worden beschouwd,
in de rede ligt een financiële regeling met de gewezen echtgenote
te treffen.
Ten aanzien van de toegepaste terugwerkende kracht onderschrijft
de Raad hetgeen de rechtbank
daaromtrent heeft overwogen. Hij
voegt daar nog aan toe dat het appellant onder de gegeven
omstandigheden redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de
feitelijke verblijfsituatie van de kinderen van doorslaggevende
betekenis was voor de toekenning van de co-oudertoeslag.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het
bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op onderhavige
periode in stand kunnen blijven.
b. Met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot 24 juni 1998
De hiervoor onder a vermelde gegevens bieden naar het oordeel van
de Raad voldoende steun voor het standpunt van gedaagde dat de
kinderen van appellant ook in deze periode in hoofdzaak verbleven
in de woning van de gewezen echtgenote van appellant. Daar komt
nog bij dat appellant zelf heeft aangegeven dat, mede gelet op de
leeftijd van de kinderen, aan de feitelijke zorg voor de kinderen
door hem (ook ten huize van zijn gewezen echtgenote) per 1
september 1997 een einde is gekomen.
Aangezien appellant van één en ander in strijd met de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw
op hem rustende
inlichtingenplicht geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan, was
gedaagde derhalve gerechtigd tot herziening van de
bijstandsuitkering over de onderhavige periode.
De Raad ziet in het geval van appellant voorts geen dringende
redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de
Abw, zodat
gedaagde niet bevoegd is om van herziening van de
bijstandsuitkering af te zien.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de
periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 voor vernietiging in
aanmerking komt en voor het overige dient te worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze
worden begroot op €|644,- in beroep wegens verleende
rechtsbijstand en op eenzelfde bedrag in hoger beroep eveneens
wegens verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de
herziening van de uitkering van appellant over de periode van 1
januari 1996 tot 1 juli 1997;
verklaart het inleidend beroep van appellant in zoverre gegrond en
vernietigt het besluit van 4 september 1998 in zoverre;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het
besluit van 4 september 1998 geheel in stand blijven;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en
in hoger beroep tot een bedrag van €|1288,-, te betalen door
de gemeente Zwijndrecht;
bepaalt dat de gemeente Zwijndrecht aan appellant het in beroep en
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €|102,10
(ƒ225,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|