|
Uitspraak
eerste kamer Hoge
Raad der Nederlanden
R02/012HR
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude,
tegen
de gemeente Groningen, gevestigd te Groningen, verweerster in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 januari 2000 ter griffie van de Rechtbank te
Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie -
verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die Rechtbank en
verzocht:
ten aanzien van de lopende bijdrage:
- wat betreft het verhaal van nog te maken kosten van bijstand een
bedrag van ƒ1020,- per maand vast te stellen, dat door
[verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald met ingang van de
datum van de beschikking van de Rechtbank;
ten aanzien van de achterstand:
a. het bedrag aan achterstand over de periode 1 juni 1999 tot 1
januari 2000 vast te stellen op ƒ7140,-, vermeerderd met ƒ1020,- per maand tot de datum van de beschikking van de
Rechtbank;
b. te bepalen dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden
betaald ter zake van afbetaling van deze achterstand een bedrag
van ƒ100,- per maand met ingang van een door de Rechtbank te
bepalen datum;
c. te bepalen dat - voor het geval [verzoeker] in gebreke blijft
voornoemd aflossingsbedrag aan de Gemeente te voldoen - door de
Gemeente de totaalsom ad ƒ7140,- verminderd met wat daarop
inmiddels is betaald ineens kan worden ingevorderd.
[Verzoeker] heeft geen verweerschrift ingediend.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2000 het door
[verzoeker] met ingang van 1 juni 1999 aan de Gemeente te betalen
verhaalsbedrag vastgesteld op ƒ1020,- per maand en voorts de
achterstand over de periode vanaf 1 juni 1999 tot 1 april 2000
vastgesteld op ƒ10.200,- met bepaling dat deze achterstand
vanaf 1 april 2000 zal worden voldaan met ƒ100,- per maand.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld
bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 28 november 2001 heeft het Hof de beschikking
waarvan beroep vernietigd en, opnieuw recht doende:
- het door [verzoeker] aan de Gemeente te betalen bedrag ter zake
van verhaal van door de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten
behoeve van de minderjarige kinderen van [verzoeker] en
[betrokkene 1] vastgesteld op ƒ390,- per maand vanaf 1 juni
1999 tot 1 november 2000;
- het totaalbedrag van de achterstand in de betalingen van de
verhaalsbijdrage over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november
2000 bepaald op ƒ6630,-, te verminderen met hetgeen
[verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan;
- [verzoeker] veroordeeld tot betaling van dit totaalbedrag af te
lossen in maandelijkse termijnen van ƒ100,- vanaf de eerste dag
van de maand volgend op deze beschikking totdat dat totaalbedrag
is voldaan;
- bepaald dat voormeld totaalbedrag, verminderd met de daarop
reeds betaalde termijnen, door de Gemeente ineens kan worden
ingevorderd ingeval [verzoeker] in gebreke blijft deze
aflossingsbetalingen te voldoen;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof
heeft [verzoeker] beroep in
cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot
vernietiging en tot afdoening van de zaak door de Hoge
Raad
op de
in de conclusie in 2.9 omschreven wijze.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke
relatie tot mei 1997 heeft geduurd, zijn twee kinderen geboren, op
14 november 1990 en op 11 maart 1993. Beide kinderen zijn door
[verzoeker] erkend.
De Gemeente heeft sedert 21 april 1997 aan [betrokkene 1] een
uitkering verstrekt krachtens de Algemene bijstandswet
naar de
norm van een alleenstaande ouder, welke uitkering mede strekt ten
behoeve van voornoemde bij haar verblijvende minderjarige
kinderen. Bij verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de Gemeente
de door [verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage vastgesteld op ƒ1020,- per maand met ingang van 1 juni 1999. Deze
verhaalsbijdrage heeft uitsluitend betrekking op de beide
minderjarige kinderen jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig
is.
3.2. In het onderhavige geding heeft de Gemeente verzocht het
verhaalsbedrag vast te stellen. In hoger beroep heeft zij verzocht
het door [verzoeker] aan haar te betalen verhaalsbedrag voor beide
kinderen tezamen vast te stellen op ƒ390,- per maand over de
periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te bepalen dat de
over die periode ontstane achterstand zal worden voldaan in
termijnen van ƒ100,- per maand. Bij de behandeling van het
verzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn partijen blijkens
rov. 10 en 11
[rechtsoverweging 10 en 11, red.] van de beschikking van het Hof
het erover eens
geworden dat de behoefte van de beide kinderen ƒ390,- per maand
bedraagt en dat de verhaalsperiode loopt van 1 juni 1999 tot 1
november 2000.
Het Hof heeft met het oog op de vaststelling van het
verhaalsbedrag overwogen dat de door de Gemeente verhaalde
bijstand voor [verzoeker] "als persoonlijke verplichting
volledig fiscaal aftrekbaar" is, zodat [verzoeker] in staat
is een verhaalsbedrag van ƒ434,- per maand, inclusief fiscaal
voordeel, te betalen. Nu dit bedrag de behoefte van de kinderen te
boven gaat, heeft het Hof overeenkomstig het verzoek van de
Gemeente het verhaalsbedrag over de periode 1 juni 1999 tot 1
november 2000 vastgesteld op ƒ390,- per maand en, gelet daarop,
de achterstand over voormelde periode bepaald op ƒ6630,- te
verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft
voldaan. Het heeft voorts de aflossing van de achterstand bepaald
op ƒ100,- per maand (rov. 22-24).
3.3. Onderdeel I, dat zich keert tegen 's Hofs overweging dat de
verhaalde bijstand volledig aftrekbaar is als persoonlijke
verplichting, treft doel. De IB 1964 [Wet op de inkomstenbelasting
1964, red.] bevat noch met betrekking
tot de verschuldigde bijdrage voor het levensonderhoud van een
minderjarig kind, noch met betrekking tot de verhaalsbijdrage voor
een minderjarig kind een bepaling waaruit zodanige aftrekbaarheid
zou volgen.
3.4. Onderdeel II berust op de veronderstelling dat het Hof
zou
hebben geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker]
ressorteert over de relevante periode als beleid hanteert de
verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een
persoonlijke verplichting op de voet van artikel 45 IB 1964. Het
onderdeel mist feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot
cassatie leiden.
3.5. De gegrondbevinding van onderdeel I kan, voor zover het
betreft de periode van 1 juli 1999 tot 1 november 2000, niet tot
vernietiging van de bestreden beschikking leiden, aangezien
[verzoeker] op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de
Advocaat-Generaal onder 2.6-2.8 daarbij geen belang heeft. De Hoge
Raad
zal derhalve deze beschikking slechts vernietigen voor
zover zij betrekking heeft op de maand juni 1999.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu het Hof, in cassatie
onbestreden, heeft vastgesteld dat zonder rekening te houden met
fiscale aftrekbaarheid ƒ272,- per maand voor alimentatie
beschikbaar is (rov. 21), zal de Hoge Raad de bijdrage over de
maand juni 1999 bepalen op dit bedrag en dienovereenkomstig de
achterstand in de verhaalsbijdrage vaststellen op in totaal ƒ6512,-.
4. Beslissing
De
Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te
Leeuwarden
van 28
november 2001, voor zover de achterstand in de betalingen van de
verhaalsbijdragen over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november
2000 is bepaald op ƒ6630,-, en bepaalt die achterstand op ƒ6512,-.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als
voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M.
Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein en in het
openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11
oktober 2002.
CONCLUSIE
R02/012
Mr. Keus
Parket, 31 mei 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
de gemeente Groningen
(hierna: de gemeente)
1. Feiten en procesverloop
1.1. In deze zaak gaat het om de vraag of het hof
terecht heeft
geoordeeld dat de door de gemeente op [verzoeker] verhaalde
bijstand, verstrekt ten behoeve van zijn twee minderjarige
kinderen, als persoonlijke verplichting volledig fiscaal
aftrekbaar is.
1.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (1).
a. Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke
relatie tot mei 1997 heeft geduurd (2), zijn twee thans nog
minderjarige kinderen geboren, te weten [kind 1], geboren op 14
november 1990, en [kind 2], geboren op 11 maart 1993. Beide
kinderen zijn door [verzoeker] erkend.
b. Sinds 21 april 1997 heeft de gemeente aan [betrokkene 1] een
uitkering krachtens de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm
van een alleenstaande ouder verstrekt. Deze uitkering strekte mede
ten behoeve van voornoemde minderjarige kinderen. Bij
verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de gemeente de door
[verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage op ƒ1020,- per maand
met ingang van 1 juni 1999 vastgesteld. Deze verhaalsbijdrage
heeft uitsluitend betrekking op de beide minderjarige kinderen
jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig is.
c. Gelet op het uitblijven van betalingen van de verhaalsbijdrage
door [verzoeker] is de gemeente tot verhaal in rechte overgegaan.
1.3. Bij inleidend verzoekschrift van 18 januari 2000 heeft de
gemeente de rechtbank verzocht het door [verzoeker] aan haar te
betalen verhaalsbedrag op ƒ1020,- per maand vanaf 1 juni
1999(3) vast te stellen en te bepalen dat [verzoeker] haar ter
zake
van de afbetaling van de reeds ontstane achterstand een bedrag van
ƒ100,- per maand zal voldoen.
1.4. [Verzoeker] heeft in de procedure voor de rechtbank geen
verweer gevoerd.
1.5. De rechtbank heeft het verzoek van de gemeente bij beschikking
van 4 april 2000 als niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen.
1.6. [Verzoeker] heeft van de beschikking van de rechtbank
tijdig (4) hoger beroep ingesteld en heeft het hof
verzocht het
door hem aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vast te stellen
op een bedrag van ƒ123,- per maand over de periode van 1 juni
1999 tot 4 april 2000.
1.7. De gemeente heeft het verzoek van [verzoeker] ten dele
bestreden en haar initiële verzoek in die zin gewijzigd dat zij
heeft verzocht het door [verzoeker] aan de gemeente te betalen
verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van ƒ390,- per
maand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te
bepalen dat de over die periode ontstane achterstand in termijnen
van ƒ100,- per maand zal worden
voldaan (5).
1.8. Blijkens de beschikking van het hof
van 28 november 2001
hebben partijen tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger
beroep van 22 maart 2001 over verschillende punten overeenstemming
bereikt: de periode waarover de verhaalsverplichting zich
uitstrekt, loopt van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en de
behoefte van beide kinderen samen moet over die periode op ƒ390,- per maand worden gesteld
(rov. 10 en 11). Het hof vervolgt
dan:
"12. Het voorgaande brengt mede dat het hof
met betrekking
tot de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 moet beoordelen of
[verzoeker] over voldoende draagkracht beschikt om de door de
gemeente verzochte verhaalsbijdrage ter zake de door haar gemaakte
kosten van bijstand te voldoen."
Voor zover in cassatie van belang heeft het hof
beslist dat bij de
bepaling van de draagkracht van [verzoeker] in de desbetreffende
periode de (belasting)tarieven van 1999 zullen worden toegepast,
nu de jaaropgave van 1999 als basis dient voor de berekening (rov.
21). Dit uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
Het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] een draagkrachtruimte van
ƒ454,- per maand heeft, waarvan 60%, afgerond ƒ272,- per
maand, beschikbaar is (rov. 21). Ten slotte heeft het hof in rov. 22 als volgt overwogen:
"De door de gemeente verhaalde bijstand is voor [verzoeker]
als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar. Gelet
hierop is [verzoeker] in staat een verhaalsbedrag van ƒ434,- per
maand, inclusief fiscaal voordeel, te betalen. Nu voormeld bedrag
de in rechtsoverweging 10 vastgestelde behoefte van de kinderen te
boven gaat, zal het hof
het door [verzoeker] aan de gemeente te
betalen verhaalsbedrag in de periode 1 juni 1999 tot 1 november
2000 vaststellen op ƒ390,- per maand."
Het hof
heeft de achterstand van [verzoeker] over de periode van 1
juni 1999 tot 1 november 2000 vastgesteld op ƒ6630,-, te
verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft
voldaan, welke achterstand [verzoeker] moet aflossen met ƒ100,-
per maand met ingang van 1 december 2001.
1.9. [Verzoeker] heeft van de beschikking van het hof
tijdig (6)
cassatieberoep ingesteld. De gemeente is in cassatie niet
verschenen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
2.1. Ingevolge artikel 93 Algemene bijstandswet
(Abw) worden de kosten
van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in
Boek 1 BW [Burgerlijk Wetboek, red.] verhaald, onder meer op degene die bij het ontbreken van
gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind
niet of niet behoorlijk nakomt. Bij de beoordeling van het bestaan
van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag
wordt op grond van artikel 95 Abw
rekening gehouden met de maatstaven
die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval
dat de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot
welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding,
scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. In het
systeem van beide bepalingen ligt besloten - en de Hoge
Raad
heeft
in een arrest van 28 februari 1997 uitdrukkelijk bevestigd (7) -
dat voor de omvang van het verhaal van de kosten van bijstand op
de onderhoudsplichtige geen andere maatstaf geldt dan de grens van
de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 BW.
2.2. Op grond van artikel
1:404 BW is [verzoeker] verplicht naar
draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding
van de door hem erkende minderjarige kinderen. De omvang van deze
onderhoudsplicht dient te worden bepaald aan de hand van artikel
1:397 BW, op grond waarvan enerzijds rekening wordt gehouden met
de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de
draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.
Bij vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige
pleegt de rechter rekening te houden met de fiscale voordelen die
aan de te bepalen uitkering tot levensonderhoud zijn verbonden.
Zulks ligt ook aan de Trema-alimentatienormen ten grondslag. Zo
wordt in de volgens deze normen uitgevoerde berekening van de
kinderalimentatie een eventueel fiscaal voordeel, verband houdende
met de aftrek wegens buitengewone lasten, toegevoegd aan het
bedrag dat de onderhoudsplichtige geacht wordt in de kosten van
verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen bijdragen (8).
2.3. Als de rechter bij de vaststelling van de verschuldigde
uitkering tot levensonderhoud bepaalde fiscale voordelen in
aanmerking zou nemen, werkt dit in verband met artikel 95
Abw
in de
omvang van de op de onderhoudsplichtige te verhalen kosten van
bijstand door. Daarbij is in beginsel niet van belang of voor
betrokkene in verband met het bijstandsverhaal gelijke fiscale
voordelen zullen gelden. Fiscale voordelen verbonden aan de
uitkering tot levensonderhoud bepalen mede de draagkracht van de
onderhoudsplichtige en daarmee de grens van de onderhoudsplicht
als bedoeld in Boek 1 BW. Voor de toepassing van de artikel 93 en
95 Abw
is die grens vervolgens een gegeven dat niet van de fiscale
gevolgen van het bijstandsverhaal afhankelijk is. Dit stelsel is
niet onredelijk, omdat het in de risicosfeer van de
onderhoudsplichtige zelf ligt als door het niet aanstonds voldoen
aan wettelijke onderhoudsplichten fiscale voordelen verloren gaan.
Onderdeel I
2.4. Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof
in rov. 22 dat de door de gemeente verhaalde bijstand voor [verzoeker]
als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar is. Het
onderdeel voert daartoe aan dat op de belastingplichtige verhaalde
kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van
zijn minderjarige kinderen niet behoren tot de persoonlijke
verplichtingen als bedoeld in artikel
45 Wet op de inkomstenbelasting
1964 (IB 1964) en derhalve niet op die voet fiscaal aftrekbaar
zijn.
2.5. De klacht van het onderdeel is gegrond. Artikel
45, eerste lid, onderdeel e, IB 1964 rekent op de belastingplichtige verhaalde kosten van
bijstand slechts tot diens persoonlijke verplichtingen voor zover
de verhaalde bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van
de duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of de gewezen
echtgenoot strekte (9). Voor verhaal van kosten van bijstand tot
voorziening in het levensonderhoud van de minderjarige kinderen
van de belastingplichtige ontbreekt een vergelijkbare voorziening.
Mogelijk heeft het hof, weliswaar sprekende van de door de
gemeente verhaalde bijstand, in werkelijkheid de ingevolge artikel 95
Abw
bij de vaststelling van de omvang van het te verhalen bedrag
in aanmerking te nemen uitkering tot levensonderhoud bedoeld.
Zoals hiervoor al aangegeven, komt het bij de bepaling van de
omvang van het te verhalen bedrag immers niet aan op eventuele
fiscale voordelen die aan het bijstandsverhaal zijn verbonden,
maar op eventuele fiscale voordelen die een uitkering tot
levensonderhoud als bedoeld in artikel 95
Abw
mede zouden bepalen.
Ook als het aangevochten oordeel aldus wordt opgevat, is de klacht
echter gegrond. Artikel
45, eerste lid, onderdeel e,
juncto artikel
30, eerste lid, onderdeel b, IB 1964 rekent tot de persoonlijke verplichtingen slechts
periodieke uitkeringen en verstrekkingen die rechtstreeks uit het
familierecht voortvloeien, voor zover zij niet afkomstig zijn van
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van
de zijlijn. Uitkeringen tot levensonderhoud ten behoeve van de
minderjarige kinderen van de belastingplichtige zijn ook als
zodanig niet als persoonlijke verplichtingen volledig fiscaal
aftrekbaar (10).
2.6. [Verzoeker] heeft bij de klacht van het eerste onderdeel geen
belang als een uitkering in het levensonderhoud van zijn
minderjarige kinderen over de in aanmerking te nemen periode om
andere redenen fiscaal aftrekbaar zou zijn geweest en als de grens
van zijn onderhoudsplicht in verband daarmee niet anders dan in de
aangevochten beschikking zou moeten worden bepaald. Daarbij is in
het bijzonder van belang dat, zoals [verzoeker] zelf in zijn
toelichting op het eerste onderdeel aan de orde heeft gesteld,
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen die in belangrijke mate door de belastingplichtige
worden onderhouden, onder voorwaarden als buitengewone lasten zijn
aan te merken (artikel 46,
eerste lid, onderdeel
a, IB 1964) en tot een bedrag, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen
regels, in aanmerking worden genomen (artikel 46,
tweede lid, IB 1964).
2.7. De wettelijke voorwaarde dat de betrokken kinderen en
pleegkinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige
worden onderhouden, is in artikel
2 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 1990 aldus uitgewerkt dat de op de ouder
drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud ten minste ƒ56,- per week
beloopt (11). In het als bijlage bij de
Trema-alimentatienormen behorende Model voor de nettomethode komt
dit drempelbedrag voor als maandbedrag van ƒ243,-
(12). Naar ook
aan de Trema-alimentatienormen ten grondslag is gelegd, omvatten
de in aanmerking te nemen uitgaven tot voorziening in het
levensonderhoud niet slechts de door de belastingplichtige te
betalen alimentatie, maar ook uitgaven ter zake van de
omgangsregeling met het kind. In het onderhavige geval zijn de
kosten van de omgangsregeling op ƒ128,- per maand vastgesteld
(zie de cijfermatige opstelling in rov. 21).
Volgens [verzoeker] wordt het drempelbedrag ook met inachtneming
van de kosten van omgang niet overschreden. Ik deel die opvatting
niet. Het hof
heeft een (door de behoefte van beide kinderen
ingegeven) bedrag van ƒ390,- per maand met de draagkracht van
[verzoeker] over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 in
overeenstemming geacht. Een uitkering tot levensonderhoud over
dezelfde periode en tot hetzelfde bedrag zou, met de kosten van de
omgangsregeling ten bedrage van ƒ128,-, in een totale bijdrage
in de kosten van het onderhoud van beide kinderen van ƒ518,-
per maand hebben geresulteerd en zou het drempelbedrag van (2 x ƒ243,- =)
ƒ486,- derhalve hebben overschreden. Nu bovendien
zou zijn voldaan aan de in artikel
46, eerste lid, onderdeel a, IB 1964
vervatte voorwaarde dat de belastingplichtige voor de betrokken
kinderen geen recht op kinderbijslag
heeft (13), zouden de
betrokken uitgaven in het bedoelde geval als buitengewone lasten
kunnen worden gekwalificeerd.
Of het voorgaande óók geldt voor de maandelijkse termijnen van ƒ100,- ter aflossing op de door het hof vastgestelde
achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdrage kan, zoals
hiervoor (in nr. 2.3) al is uiteengezet, buiten beschouwing
blijven. Naar ik meen, moet de aftrekbaarheid van die termijnen
overigens worden betwijfeld (14).
2.8. Voor de aftrek van buitengewone lasten als hier bedoeld geldt
een forfaitaire regeling. Voor kinderen ouder dan 6 maar jonger
dan 12 jaar worden de uitgaven tot voorziening in het
levensonderhoud in aanmerking genomen tot een bedrag van ƒ675,-
per kalenderkwartaal per kind. Over 1999 correspondeert dit bedrag
bij een belastingdruk van 37,05% over de in aanmerking te nemen
(tweede) schijf met een fiscaal voordeel van ƒ83,- per maand
per kind (15). Dit bedrag wordt ook genoemd als het voordeel uit
fiscale buitengewonelastenaftrek per kind van 6 tot en met 11 jaar over
het jaar 1999 in de Tarieven en modellen, behorende bij de
Trema-alimentatienormen (16). In rov. 22 is het hof
van een
nagenoeg gelijk fiscaal voordeel van ((ƒ434,- - ƒ272,-) : 2
=) ƒ81,- per maand per kind uitgegaan, alhoewel het spreekt van
volledige fiscale aftrekbaarheid (17). In zoverre heeft [verzoeker]
geen belang bij aantasting van het aangevochten oordeel. In
verband met de buitengewone lastenaftrek zal bij de vaststelling
van de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW geen
geringer fiscaal voordeel in aanmerking moeten worden genomen dan
dat waarvan het hof is uitgegaan.
De mate van onderhoud dient per kwartaal te worden beoordeeld (18).
Slechts indien de uitgaven voor een kind op jaarbasis ten minste
(52 x ƒ56,- =) ƒ2912,- bedragen, wordt de aftrek, zonder
toetsing van de mate van onderhoud per kwartaal, over het gehele
jaar toegestaan. De uitgaven van [verzoeker] zouden in het jaar
1999 (over de periode van juni tot en met december) (7 x ƒ518,-
: 2 =) ƒ1813,- per kind hebben bedragen en in het jaar 2000
(over de periode van januari tot en met oktober) (10 x ƒ518,- :
2 =) ƒ2590,-. Over geen van beide jaren zou het
minimumjaarbedrag zijn gehaald. De vereiste mate van onderhoud
had daarom per kwartaal moeten worden getoetst. De laatste twee
kwartalen van 1999 en de eerste drie kwartalen van 2000 zijn in
dat verband niet problematisch. De in aanmerking te nemen
onderhoudsplicht over het tweede kwartaal van 1999 en het vierde
kwartaal van 2000 zou zich echter tot één maand beperken. Over
geen van beide kwartalen zou [verzoeker] met een bedrag van ten
minste (2 x 13 x ƒ56,- =) ƒ1456,- in het onderhoud van
beide kinderen hebben bijgedragen. Op grond van artikel
9, derde lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 is voor de toepassing
van de buitengewonelastenaftrek de toestand bij het begin van het
kalenderkwartaal echter beslissend. Dit geldt ook voor de vraag of
een kind in belangrijke mate door de belastingplichtige wordt
onderhouden (19). Bij het begin van het vierde kwartaal van 2000
droeg [verzoeker] met het vereiste bedrag van ƒ56,- per week
per kind in het onderhoud van de kinderen bij, bij het begin van
het tweede kwartaal van 1999 niet. Over het vierde kwartaal van
2000 zou de buitengewonelastenaftrek derhalve kunnen worden
toegestaan, over het tweede kwartaal van 1999 niet. Tenzij men
zich op het standpunt zou willen stellen dat het gemis van het
fiscale voordeel over de maand juni 1999 wordt gecompenseerd door
de omstandigheid dat de draagkracht van [verzoeker] over de andere
maanden een enigszins hogere dan de berekende bijdrage van ƒ390,- per maand toeliet, heeft [verzoeker] in zoverre belang bij
de klacht van het onderdeel dat voor de maand juni 1999 niet van
een fiscaal voordeel kan worden uitgegaan en de bijdrage voor die
maand op het beschikbare deel van de draagkrachtruimte ten bedrage
van ƒ272,- (zoals door het hof in rov. 21
berekend) dient te
worden vastgesteld. Dit zou vervolgens tot een achterstand over de
periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 van in totaal (ƒ6630,- -
ƒ118,- =) ƒ6512,- leiden.
2.9. Uit het vorenstaande volgt dat [verzoeker] slechts belang
heeft bij vernietiging van de aangevochten beschikking voor zover
deze betrekking heeft op de maand juni 1999. Over die maand heeft
het hof
de draagkracht van [verzoeker] op een te hoog bedrag
vastgesteld als gevolg van de veronderstelling dat een bijdrage in
het levensonderhoud van zijn kinderen over die maand voor
[verzoeker] aftrekbaar zou zijn. De Hoge
Raad
kan de zaak zelf
afdoen door de onderhoudsbijdrage voor beide kinderen tezamen over
de maand juni 1999 te bepalen op een bedrag van ƒ272,- per
maand in plaats van ƒ390,- per maand, waardoor het totale door
de gemeente te verhalen bedrag komt op
ƒ6512,-. In rov. 21
noemt het hof een bedrag van ƒ272,- als het beschikbare deel
van de draagkrachtruimte van [verzoeker] zonder dat met de
mogelijkheid van fiscale aftrek is rekening gehouden. Tegen deze
overweging heeft [verzoeker] geen cassatieklachten gericht.
Onderdeel II
2.10. Onderdeel II van het cassatiemiddel, dat ervan uitgaat dat
het hof
heeft geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker] ressorteert over de periode waarover de gemeente de verleende
bijstand wenst te verhalen als beleid hanteert de
verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een
persoonlijke verplichting op de voet van artikel
45 IB 1964, mist
feitelijke grondslag.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en tot afdoening van de zaak
door de Hoge
Raad
op de hiervoor in nr. 2.9 omschreven wijze.
De Procureur-Generaal bij de Hoge
Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1. Zie de beschikking van het hof
van 28 november 2001 onder 5-7.
2. Blijkens blz. 2 van het appelrekest zijn [verzoeker] en
[betrokkene 1] op 15 oktober 2000 weer gaan samenwonen.
3. De rechtbank spreekt in de rechtsoverwegingen en het dictum van
haar beschikking kennelijk abusievelijk van 1 juni 2000.
4. Zie rov. 1 en 2 van de beschikking van het hof van 28 november
2001.
5. Blz. 2, eerste alinea, van de beschikking van het hof.
6. Artikel
426, eerste lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, red.]; het verzoekschrift tot cassatie is op 28
januari 2002 ter griffie van de
Hoge Raad
ingekomen.
7. HR 28 februari 1997, NJ 1997, 306.
8. Zie de - in de onderhavige zaak relevante - Bijlage
Alimentatienormen 1999, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 4, nrs.
30-37.
9. Vakstudie IB 1964, aant. 67 bij artikel
45.
10. Vakstudie IB 1964, aant. 57 bij artikel
45.
11. Dit bedrag is tussen 1983 en 2001 ongewijzigd gebleven (aant.
34 bij artikel
46 IB).
12. Zie de - in de onderhavige zaak relevante - Bijlage
Alimentatienormen 1999, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 4, nrs. 35
en 37.
13. Over de relevante periode moest [verzoeker] worden geacht geen
recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet voor
zijn niet tot zijn huishouding behorende minderjarige kinderen te
hebben. Zie artikel
46, tweede lid, IB 1964 en artikel
10, onderdeel b,
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 juncto artikel
18, vierde lid, Algemene Kinderbijslagwet; zie ook Vakstudie
IB 1964, aant. 31-32
bij artikel
46.
14. Op grond van artikel
46, vijftiende lid, IB 1964 geldt ook in verband met buitengewone lasten een kasstelsel: buitengewone lasten komen voor
aftrek in aanmerking op het tijdstip dat zij worden betaald. M.i.
moet ook op dat tijdstip de mate van onderhoud worden getoetst. De
maandelijkse termijnen voldoen, als zij al als uitgaven tot
voorziening in het levensonderhoud van de kinderen kunnen worden
aangemerkt, niet aan de kwantitatieve norm van ƒ56,- per week
per kind.
15. Blijkens de aanslag IB 1999, overgelegd als prod. 5 bij het
beroepschrift, was over 1999 een bedrag van ƒ13.673,- in de
tweede schijf belast. De belastingdruk over de tweede schijf
bedroeg over 2000 37,95%; bij die belastingdruk zou met het
forfaitaire bedrag van ƒ
675,- per kwartaal een fiscaal voordeel
van (ruim) ƒ85,- per maand corresponderen.
16 Bijlage Alimentatienormen 1999, Tarieven en tabellen, Trema
1999, nr. 2, Bijlage, blz. 12, nr. 31.
17. Het fiscaal voordeel zou bij werkelijk volledige aftrekbaarheid
meer hebben bedragen, te weten ruim ƒ95,- per maand per kind.
18. Vakstudie IB 1964, aant. 30, 34, 38, 42 en 44 bij artikel
46.
19. HR 29 augustus 1997, VN 1997, blz. 3171, in het bijzonder rov.
3.3.
|
|