| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE4212 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
AWB
99/1568 NABW I |
| Datum
uitspraak: |
20
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
15, 17 en 39 Abw
(= 13, 15
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; begrafeniskosten; erfgenaam; voorliggende voorziening;
geen bijstand voor schulden |
| Essentie: |
Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van de
begrafenis van de broer van betrokkene, omdat betrokkene geen
erfgenaam is van zijn broer en de Wet op de lijkbezorging
derhalve als voorliggende voorziening geldt. Bijzondere bijstand
voor de aldus ontstane schuld is evenmin mogelijk, daar
betrokkene voor- en nadien met zijn bijstandsuitkering
over een inkomen beschikte dat toereikend was om in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht
AWB 99/1568 NABW I
U I T S P R A A K
in
het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente
Brunssum,
gevestigd te Brunssum, verweerder.
Datum bestreden besluit: 25 oktober 1999.
Kenmerk: BJC nr. 4610.
Behandeling ter zitting: 13 maart 2001.
I. Ontstaan en loop van het geding
In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 oktober
1999 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien
van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Bij schrijven van 9 november 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank
op 12 november daaraanvolgend, is namens eiser door mr. R.P.F.
Rober, advocaat te Hoensbroek, hiertegen ter griffie van deze rechtbank
beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 18
november 1999 aangevuld.
De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het
verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 13 maart 2001, alwaar
eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.W. Hendriks.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde dhr. T.G.J. Cizko.
II. Overwegingen
Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de
volgende feiten en omstandigheden.
Eiser ontvangt sedert geruime tijd een bijstandsuitkering vanwege
verweerders gemeente.
Op [dag] juli 1998 is eisers broer overleden. Eiser heeft de begrafenis
van zijn broer geregeld en zich op 10 november 1998 tot verweerder
gewend met het verzoek bijzondere bijstand te verlenen in de
begrafeniskosten ad ƒ8309,67.
Bij besluit van 23 april 1999 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen
omdat begrafeniskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan behoren en op grond van artikel 39 van de
Abw dan ook niet voor
vergoeding in aanmerking komen.
Hiertegen is namens eiser door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift
ingediend. Eiser en zijn gemachtigde hebben gebruik gemaakt van de
gelegenheid het bezwaarschrift op de op 29 september 1999 gehouden
hoorzitting nader toe te lichten, waarvan verslag is opgemaakt.
Het bestreden besluit
In de beslissing op het bezwaarschrift heeft verweerder eisers bezwaren
ongegrond verklaard.
Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd, in navolging van het
advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van verweerders
gemeente, dat begrafeniskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan.
Blijkens de stukken is eiser geen erfgenaam van zijn overleden broer,
zodat eiser ook niet gehouden was de begrafenis te regelen en kosten te
maken.
Tevens was er sprake van een voorliggende voorziening, zijnde de Wet op
de lijkbezorging. Mitsdien is er geen grond over te gaan tot vergoeding
van de begrafeniskosten.
Het beroep
In beroep is zijdens eiser aangevoerd dat eiser als enig familielid na
het overlijden van zijn broer zorg heeft gedragen voor diens begrafenis.
Blijkens de overgelegde verklaring van notaris Hoekstra uit Hoensbroek
zijn er geen andere erfgenamen te traceren.
Eiser acht het niet redelijk en billijk te stellen dat er sprake van een
voorliggende voorziening is; te weten de Wet op de lijkbezorging. Eiser
was hiervan niet op de hoogte. Nu heeft hij een schuld opgebouwd en
maakt verweerder een onvoldoende belangenafweging door deze kosten niet
te vergoeden.
Namens eiser wordt verzocht het bestreden besluit te vernietigen en te
bepalen dat aan eiser bijzondere bijstand wordt toegekend voor de
begrafeniskosten. Kosten rechtens.
De rechtsvraag
De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de
rechterlijke toets kan doorstaan.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of
verweerder terecht de aanvraag om vergoeding van de begrafeniskosten ex
artikel 39 Abw heeft afgewezen.
De beoordeling
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Artikel 39 van de Abw bepaalt:
1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op
bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te
voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van
burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige
draagkracht.
2. (...).
3. (...).
In de huidige bijstandswet is, in tegenstelling tot de vervallen
bepalingen hieromtrent, de fictie dat begrafeniskosten behoren tot de
noodzakelijke kosten van het bestaan niet teruggekeerd. In de Abw
zelf
ontbreekt thans een rechtsplicht om bijzondere bijstand in de
begrafenis- c.q. crematiekosten te verlenen. Verweerders gemeente heeft
blijkens de door haar overgelegde stukken ervoor gekozen de ontstane
kosten als kosten van de nalatenschap te zien.
Dit beleid, dat de rechtbank overigens niet onjuist voorkomt, heeft tot
gevolg dat deze kosten naar rato aan de erven dienen te worden
toegerekend, die elk voor hun deel dat niet uit de nalatenschap kan
worden voldaan bijzondere bijstand kunnen aanvragen. Indien geen van de
erfgenamen zich om een begrafenis bekommert of er geen erfgenamen zijn,
draagt de gemeente op grond van de Wet op de
lijkbezorging zorg voor een
begrafenis.
In casu behoort eiser niet tot de erfgenamen van de overledene, zodat
moet worden geoordeeld dat de door hem gemaakte kosten niet voor
bijzonderebijstandverlening in het kader van de Abw
in aanmerking
komen en verweerder terecht heeft geweigerd de kosten te vergoeden.
De omstandigheid dat eiser zich moreel verplicht voelde zorg te dragen
voor de begrafenis van zijn broer - hoe begrijpelijk ook - en niet op de
hoogte was van de wettelijke bepalingen omtrent de vergoeding c.q.
voorliggende voorziening ervan kan niet tot een ander oordeel leiden.
Voor zover in casu bedoeld is bijzondere bijstand voor een schuld te
verkrijgen, overweegt de rechtbank als volgt.
In artikel 15, eerste lid, van de Abw
is vervat dat degene die bijstand
vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en
die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien,
beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, niet wordt geacht te verkeren in omstandigheden
als bedoeld in artikel 7, eerste lid Abw.
Nu onweersproken vaststaat dat eiser ten tijde van het ontstaan van de
schuld en ook nadien over een inkomen beschikte dat toereikend was om in
de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, staat
artikel 15
voornoemd aan bijstandverlening in de weg.
Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor ongegrond worden gehouden
en kan het bestreden besluit in stand blijven.
III.
Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. J. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. C.
Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2001
door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. J. Sleddens w.g. C.
Schrammen
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 20 maart 2001.
Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in
de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het
hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze
uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel
21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek
een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE4236 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
AWB 99/1668 NABW I |
| Datum
uitspraak: |
18
mei 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65,
69 en
81 Abw
(= 17, 54
en 58 Wwb) /
3:2 en
7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
vermoedelijke inkomsten; beëindiging bijstand; terugvordering;
observaties sociale recherche; niet-ondertekende verklaring;
derdenverklaringen; zorgvuldigheid; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende
inkomsten uit arbeid, omdat betrokkene zijn nadien weersproken
verklaring aan de sociale recherche niet heeft ondertekend, de
observaties van de sociale recherche geen enkel bewijs bevatten
van de vermeende werkzaamheden en de derdenverklaringen niet
zodanig zijn dat daaruit het bestaan van die werkzaamheden kan
worden afgeleid. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht
AWB 99/1668 NABW I
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein,
gevestigd te Stein, verweerder.
Datum bestreden besluit: 19 oktober 1999.
Kenmerk: afd. IV afd. AJZ 2549.
Behandeling ter zitting: 8 mei 2001.
I. Ontstaan en loop van het geding
In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19
oktober 1999 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een
ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Bij schrijven van 3 december 1999, ingekomen ter griffie van deze
rechtbank op 6 december daaraanvolgend, heeft mr. M.J.H.M. Stassen,
advocaat te Valkenburg aan de Geul, namens eiser hiertegen ter
griffie van deze rechtbank beroep ingesteld.
De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede
het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser
gezonden.
.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 8 mei 2001, alwaar
eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.J.M.
Stassen, advocaat te Valkenburg aan de Geul. Verweerder is
verschenen bij gemachtigden W.J.M. Niessen en J.W.M. van Kuijck.
II. Overwegingen
Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de
rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser ontvangt sedert 18 augustus 1997 een uitkering ingevolge de bijstandswetgeving.
Eisers arbeidsovereenkomst met LWM van 1 mei 1998 is per 20 juli
1998 door de werkgever opgezegd.
Naar aanleiding van een heronderzoek is door de sociale recherche
een onderzoek ingesteld naar eventuele werkzaamheden van eiser.
Eiser heeft daarbij ten overstaan van de rechercheurs een
verklaring afgelegd.
Bij besluit van 22 juli 1999 is aan eiser en zijn partner
medegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat gedurende de periode
van 18 augustus 1997 tot 1 maart 1999 niet volledig en correct is
voldaan aan de inlichtingenverplichting ex artikel
65, eerste lid,
van de Abw. Eiser heeft in deze periode werkzaamheden verricht en
is niet willens omtrent de hoogte van de inkomsten daaruit
mededelingen te doen aan verweerder. Op grond hiervan kan het
recht op uitkering over voornoemde periode niet (meer) worden
vastgesteld. Verweerder heeft dan ook besloten eisers recht op
uitkering in te trekken op grond van het bepaalde in artikel
69,
derde lid, van de Abw.
Voorts wordt van eiser een bedrag ad ƒ35.346,33 bruto ex artikel
81, eerste lid, van de Abw teruggevorderd.
Bij schrijven van 25 augustus 1999 is namens eiser hiertegen
bezwaar aangetekend. Eiser en zijn gemachtigde hebben gebruik
gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift ter hoorzitting van
de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften nader toe te
lichten. Van het verhandelde is een verslag opgemaakt.
Het bestreden besluit
In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser
- onder
verwijzing naar het advies van voornoemde commissie -
ontvankelijk en ongegrond verklaard.
Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de rapportage
van de sociale recherche van 9 juli 1999 voor wat betreft de
verrichte observaties niet uitblinkt in duidelijkheid en dat door
eiser weliswaar wordt gesteld dat hij bedoelde periode niet heeft
gewerkt, hetgeen echter onvoldoende is gebleken c.q. aangetoond.
De door eiser afgelegde verklaring berust dan ook op een juiste
grondslag.
Ter hoorzitting is voorts gebleken dat de sociaal rechercheurs het
gestelde in hun rapportage bevestigen.
Het beroep
In beroep is namens eiser aangevoerd dat is nagelaten te motiveren
waaruit is gebleken dat eiser in de betreffende periode - hoewel
zijdens eiser betwist - werkzaamheden heeft verricht en geld heeft
verdiend.
Voorts dient verweerder aannemelijk te maken dat eiser
werkzaamheden heeft verricht en is het niet zo dat eiser dient aan
te tonen dat hij géén werkzaamheden heeft verricht.
Ten slotte wordt namens eiser aangevoerd dat de sociale
rechercheurs ter hoorzitting niet aanwezig waren. Voor zover wordt
bedoeld dat de rechercheurs door verweerder zijn ondervraagd,
zullen zij niet toegeven dat eiser de afgelegde verklaring niet,
althans in een andere context, heeft afgelegd. Zij zullen ook niet
toegeven dat eiser niet heeft verklaard en toegegeven dat hij
naast zijn uitkering inkomsten heeft genoten.
Door verweerder wordt op geen enkele wijze ingegaan op de namens
eiser aangevoerde argumenten, zodat de stellingen verwoord in het
bezwaarschrift op pagina 2, vanaf de vierde alinea, pagina 3 en 4
tot en met de derde alinea worden herhaald.
Ten aanzien van de door [bedrijf A] BV overgelegde verklaring
wordt aangegeven dat de bedrijfsleider ervan een nieuwe verklaring
heeft afgelegd, die wordt overgelegd.
Namens eiser wordt verzocht het bestreden besluit te vernietigen
en te bepalen dat eiser over de periode van 18 augustus 1997 tot 1
maart 1999 aanspraak heeft op een bijstandsuitkering.
Het verweer
In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat
de rapportage van de sociale recherche niet uitblinkt qua
duidelijkheid, maar dat eiser er niet in is geslaagd de
vraagtekens bij zijn activiteiten weg te nemen.
Daarbij kent verweerder een grote waarde toe aan het feit dat
eiser ten overstaan van de rechercheurs heeft verklaard gewerkt te
hebben.
Terecht is zijdens eiser opgemerkt dat de sociale rechercheurs
niet aanwezig waren op de hoorzitting, hetgeen echter niet van
belang is.
Ten aanzien van de rapportage geeft verweerder aan dat het twee
opsporingsambtenaren betreft die hun rapport ambtsedig hebben
opgemaakt; eiser is daarbij op zijn cautieplicht gewezen [lees:
eiser is daarbij cautie verleend, red.], waarvan
hij geen gebruik heeft gemaakt. Ook is door de sociale recherche
een proces-verbaal opgemaakt. Overigens blijkt uit de rapportage
dat dit aan eiser is voorgelezen en dat eiser hierin volhardde.
Met betrekking tot de verklaring van [bedrijf A] BV blijkt dat
nogmaals wordt verklaard dat eiser regelmatig materialen heeft
betrokken bij dit bedrijf. Thans wordt echter gesteld dat eiser
gedurende de periode augustus 1998 tot maart 1999 zeker geen
regelmatige klant was. Een overzicht kan echter niet gegeven
worden.
Verweerder is van oordeel dat aan deze verklaring niet de gevolgen
verbonden kunnen worden die eiser hieraan wenst te verbinden.
De rechtsvraag
De rechtbank dient te beoordelen
of verweerder in strijd met een
geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen
rechtsbeginsel het bestreden besluit heeft genomen.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of
verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten de uitkering
in te trekken en terug te vorderen.
De beoordeling
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Artikel 65, eerste lid, van de Abw
luidt:
De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek
of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend
maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de
bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt
betaald.
Artikel 69, derde lid, van de Abw
bepaalt:
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde
ter zake van
herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
bijstand en ter zake van weigering van bijstand, herzien
burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of trekken zij
dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel
14,
eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot
een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 81 van de Abw
- voor zover van belang - bepaalt:
Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14
of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.
De rechtbank is - onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie
ter zake - in beginsel van oordeel dat betrokkenen kunnen worden
gehouden aan hetgeen zij in hun ondertekende verklaringen hebben
verklaard.
Blijkens de rapportage van de sociaal recherche d.d. 13 juli 1999
heeft eiser verklaard: "Ik geef toe dat ik gedurende de
uitkeringsperiode heb geadverteerd, offertes heb uitgebracht en
werkzaamheden heb uitgevoerd, zonder die werkzaamheden en de
daarvoor ontvangen gelden aan de gemeente te hebben opgegeven.
Gedurende de gehele uitkeringsperiode heb ik van tijd tot tijd
gewerkt, acquisitie gedaan, bestellingen geplaatst, etc.
Over hetgeen ik verdiend heb, wil ik geen verklaring afleggen. Ook
niet omtrent de mensen die voor mij eventueel zouden hebben
gewerkt. Ik heb wel met mensen gewerkt, doch ik wil hierover niets
verklaren. Ook wil ik niets vertellen over opdrachtgevers en
leveranciers." Eiser heeft deze verklaring echter niet
ondertekend.
Mitsdien kan op grond van deze verklaring naar het oordeel van de
rechtbank niet worden geconcludeerd dat eiser in de bedoelde
periode werkzaamheden heeft verricht.
Voorts bevatten naar het oordeel van de rechtbank de observaties
gehouden in de periode van 25 januari 1999 tot 12 februari 1999
als genoemd in de rapportage van de sociale recherche geen enkel
bewijs dat eiser gedurende deze periode werkzaamheden heeft
verricht.
Door hoveniersbedrijf [bedrijf B] BV is bij brief van 29 april
1999 verklaard dat eiser geen klant is. Door [bedrijf C]
Transporten en Bouwstoffen BV is bij brief van 14 mei 1999
medegedeeld dat eiser in de door verweerder genoemde periode
sporadisch bouwstoffen heeft afgehaald. Door [bedrijf A] BV is bij
brief van 6 juli 1999 verklaard dat eiser in de door verweerder
genoemde periode klant was van het bedrijf en dat hij regelmatig
bestratingsmateriaal heeft afgenomen, doch dat nu in hun
boekhoudsysteem contante betalingen niet apart zijn uit te draaien
het geven van een overzicht niet mogelijk is. Bij brief van 1
december 1999 heeft [bedrijf A] BV nog verklaard dat eiser tot
heden regelmatig materialen heeft betrokken met uitzondering van
de periode augustus 1998 tot maart 1999.
Deze verklaringen van derden acht de rechtbank niet zodanig dat
hieruit kan worden afgeleid dat eiser in de door verweerder
genoemde periode werkzaamheden heeft verricht. Ook het feit dat
eiser gedurende een periode van vier maanden een trilplaat heeft
gehuurd bij [bedrijf D] Techniek maakt dit oordeel niet anders nu
uit verklaringen van derden blijkt dat dit in hun opdracht voor
door hen uitgevoerde werkzaamheden is gebeurd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerders besluit dat
eiser in de bedoelde periode werkzaamheden heeft verricht niet,
althans onvoldoende wordt onderbouwd.
Op grond van het bovenstaande komt het bestreden besluit in
aanmerking voor vernietiging wegens strijd met het zorgvuldigheids-
c.q. motiveringsbeginsel zoals neergelegd in de artikelen 3:2 en
7:12 van de Awb en kan ook de terugvordering geen stand houden.
Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij
de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking
op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld
overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel
2, eerste lid,
onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 2 punten met een waarde van ƒ710,- toe voor
de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting
en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud
van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 2 x ƒ710,- x 1 = ƒ1420,-
De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de
reiskosten van eiser wegens. [wegens het verschijnen ter zitting, red.].
Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel
2,
eerste lid, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht
en
artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in
strafzaken door de rechtbank vastgesteld op ƒ21,58, zijnde de
reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.
Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van deze
kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb te worden
betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75
van de Awb wordt als volgt beslist.
III.
Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op
het bezwaarschrift van 25 augustus 1999 met inachtneming van deze
uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde
griffierecht ten bedrage van ƒ60,- wordt vergoed door de
gemeente Stein;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de
beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot
op ƒ1441,58 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand ƒ1420,-), te vergoeden door de gemeente Stein aan de griffier van
de arrondissementsrechtbank te Maastricht.
Aldus gedaan door mr. J. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. C.
Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 mei
2001 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van
voornoemde griffier.
w.g. C. Schrammen
w.g.
J. Sleddens
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 18 mei 2001.
Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de
uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij
de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht. De termijn
voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de
datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in
artikel 21 van de Beroepswet juncto
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
de President van de Centrale Raad van Beroep op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE4247 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Roermond |
| Zaaknummer: |
00/845
NABW K1 |
| Datum
uitspraak: |
3
april 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3,
65, 69 en 81
Abw (= 3,
17, 54
en 58 Wwb) /
3:46
en 6:22 Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting;
beëindiging bijstand; terugvordering; hoofdverblijf in dezelfde
woning; scheiding van tafel en bed; zwerver; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende
gezamenlijke huidhouding, omdat uit het geheel van feiten en
omstandigheden niet is af te leiden dat betrokkene en haar
partner, van wie zij van tafel en bed is gescheiden en die een
zwervend bestaan leidt, hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben gehad. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Roermond 00/845 NABW K1
U I T S P R A A K
inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats],
eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 10 augustus 2000,
kenmerk 12656/4061.
Datum van behandeling ter zitting: 21 februari 2001.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder het recht op
bijstand van eiseres ingaande 11 juni 1997 tot en met 30 september
1999 herzien, alsnog vastgesteld dat eiseres geen recht heeft
gehad op bijstand in die periode, zodat aan eiseres een bedrag van
ƒ54.201,70 aan bijstand over die periode ten onrechte is
betaald. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door
verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde
besluit gegrond verklaard wegens een inhoudelijk motiveringsgebrek
van het primaire besluit. Verweerder heeft het besluit van 28
maart 2000 met toepassing van artikel 6:22 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in stand gelaten en het bezwaar voor het
overige ongegrond verklaard.
Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de
gemachtigde van eiseres gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21
februari 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. J.H.M.H. Janssen als haar raadsman, en waar verweerder
zich heeft doen vertegenwoordigen door A.A.T.M. Brouns.
II. Overwegingen
Bij beschikking van 18 juli 1997 is aan eiseres met ingang van 11
juni 1997 een uitkering op grond van de Algemene
bijstandswet
(Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij
beschikking van 19 november 1997 is kennelijk aan eiseres met ingang van 1 juli 1997 tevens een toeslag toegekend
van aanvankelijk 10% en met ingang van 1 november 1997 van 20%.
Naar aanleiding van een periodieke hercontrole in
september/oktober 1999, waarbij aan de zijde van verweerder het
vermoeden was ontstaan dat [partner], van wie eiseres sedert 1988
gescheiden van tafel en bed leeft, mogelijk bij haar zou wonen, is
door de sociale recherche een onderzoek uitgevoerd naar de
rechtmatigheid van de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering.
Bij besluit van 22 oktober 1999 is de uitkering van eiseres
ingaande 1 oktober 1999 beëindigd. Tegen dat besluit zijn geen
rechtsmiddelen aangewend.
Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder eiseres meegedeeld
dat is gebleken dat eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot
en met 30 september 1999 een gezamenlijke huishouding heeft
gevoerd met haar partner [partner], waarvan zij geen of
onvolledige opgave heeft gedaan op de daarvoor bestemde
inkomstenformulieren. Verweerder stelt voorts dat indien het
besluit op basis van de nu bekende gegevens correct zou zijn
genomen, er geen recht op uitkering zou hebben bestaan gedurende
de periode vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999. Om deze
reden heeft verweerder besloten het recht op uitkering van eiseres
met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 september
1999 te herzien op grond van de artikel 65 juncto
69, derde lid,
van de Abw
en voor zover het betreft de periode vóór 1 juli 1997
op grond van artikel 30, tweede lid, van de oude tot 1 januari
1996 geldende Algemene Bijstandswet. Tevens vermeldt verweerder
dat als gevolg van de herziening van het toekenningsbesluit
eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september
1999 te veel uitkering heeft ontvangen voor een bedrag van ƒ54.201,70 en dat eiseres over de terugvordering van dit bedrag en
de wijze waarop dit wordt geïncasseerd nog een aparte beschikking
ontvangt. Verweerder stelt tot slot dat als eiseres geen bezwaren
heeft tegen deze herzieningsbeschikking, dit betekent dat de
periode van de herziening en de hoogte van het terug te betalen
bedrag is komen vast te staan.
Verweerder baseert zich daarbij op de resultaten van een
fraudeonderzoek neergelegd in een rapport van 16 maart 2000.
In bezwaar wordt aangevoerd dat verweerders besluit is genomen in
strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de
Awb nu de partner
van eiseres vast verblijft op zijn boot en er van een gezamenlijke
huishouding geen sprake is. Eiseres stelt zich op het standpunt
dat uit het rapport van de sociale recherche blijkt dat financiële
aangelegenheden van haar partner via het adres van eiseres lopen,
maar dat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat
eiseres en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden.
Omdat [partner] hier te lande geen vaste woon- en verblijfplaats
heeft en het voor een aantal zaken zoals de garage, de verzekering
en de wagen noodzakelijk is een adres in Nederland te hebben,
lopen uit praktisch oogpunt de genoemde zaken via het adres van
eiseres. [Partner] gebruikt het adres van zijn broer in Maaseik
(België) als postadres. Eiseres meent dat er slechts indirect
bewijs van enige verwevenheid van administratieve kwesties is,
maar dat daarmee nog niet is aangetoond dat eiseres en [partner]
samenwonen. Een gezamenlijke huishouding zou pas aannemelijk zijn
indien zou worden aangetoond dat [partner] regelmatig bij eiseres
verbleef, hetgeen eenvoudig had gekund door te laten posten. Het
feit dat eiseres enige administratieve zaken voor [partner]
waarneemt, is niet verboden en de aanleiding daarvoor is gelegen in
het feit dat zij samen een goede verstandhouding hebben. Het is
echter zeker geen criterium om aan te tonen dat er sprake is van
een gemeenschappelijke huishouding in de zin van de Abw. Voor de
verzekeringspolis van [partner] is een goede reden, te weten dat
beiden langdurig hun ziektekostenverzekering bij de CZ-groep
hadden ondergebracht en eiseres hoefde bij het waarnemen van de
verzekeringszaken slechts met één maatschappij zaken te doen.
Eiseres verwijst nog naar een uitspraak van de president van de
rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 mei 1997 (JABW 1997, 150).
Bij gelegenheid van de hoorzitting wordt van de zijde van eiseres
naar voren gebracht dat [partner] slechts sporadisch bij haar was
en dat eiseres en [partner] elkaar onregelmatig zien. Zij leven
niet met elkaar en hebben een goede verstandhouding op de momenten
dat zij elkaar zien. Eiseres acht het onbegrijpelijk dat
verweerder niet meer feitelijk heeft laten onderzoeken of
[partner] in de genoemde periode bij eiseres leefde. Op de vraag
waarom eiseres en haar partner alleen van tafel en bed zijn
gescheiden, antwoordt eiseres dat een definitieve scheiding beide
partners niet boeide. Haar ex-echtgenoot heeft destijds de
echtelijke woning verlaten en eiseres heeft berust in de ontstane
situatie. Er was geen aanleiding om de echtscheidingsprocedure te
continueren.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten het
bezwaar van eiseres gegrond te verklaren ten aanzien van een
inhoudelijk motiveringsgebrek, het besluit van 28 maart 2000 op
grond van artikel 6:22 van de Awb
in stand te laten en het bezwaar
voor het overige ongegrond te verklaren. Daarbij stelt verweerder
zich op het standpunt dat het besluit van 28 maart 2000 ten
aanzien van de feiten en omstandigheden op basis waarvan is
geconcludeerd dat er sprake is van een herstelde samenwoning
onvoldoende is gemotiveerd, ofschoon in het onderzoek ter
voorbereiding van de besluitvorming de feitelijke woon- en
leefsituatie van eiseres wel voldoende is onderkend. Verweerder is
van mening dat uit de bevindingen van de sociale recherche kan
worden geconcludeerd dat er in de relevante periode sprake is
geweest van een gezamenlijke huishouding. Het niet permanent bij
elkaar wonen van de beide echtgenoten leidt verweerder niet tot de
conclusie dat er geen sprake meer is van een herstelde
samenwoning. Verweerder weegt daarbij mee dat de partner van
eiseres ook niet aangeeft waar hij dan elders zou wonen, anders
dan bij eiseres. Ook bij een tijdelijk verblijf elders heeft de
partner van eiseres zijn woonstede bij eiseres kennelijk niet
willen opgeven. Verweerder gaat ervan uit dat indien de partner
van eiseres zijn andere woon- of verblijfplaats niet kan of wil
aangeven, het voor de hand ligt dat hij zijn financiële
aangelegenheden niet via eiseres laat beheren. Het komt verweerder
niet waarschijnlijk voor dat er in de relevante periode een goede
reden aanwezig was om de financiële aangelegenheden van de
partner door eiseres te laten beheren, anders dan dat er sprake is
van een financiële verstrengeling als bedoeld in de Abw.
Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat posten niet meer
relevante gegevens zou hebben opgeleverd omdat de partner van
eiseres regelmatig in het buitenland schijnt te verblijven.
Tot slot verwijst verweerder naar een uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep van 6 april 1999 (JABW 1999/92) [LJN
ZB8214, red.]
waarin door de Raad criteria zijn aangegeven wanneer gehuwden in
het kader van de Abw als ongehuwden aangemerkt kunnen worden als
zij duurzaam gescheiden leven.
Bij schrijven van 27 september 2000 wordt namens eiseres beroep
ingesteld, waarbij wordt gesteld dat het bestreden besluit is
genomen in strijd met het motiveringsbeginsel en tevens met het
evenredigheidsbeginsel. Verzocht wordt een termijn te gunnen om de
gronden van dit beroepschrift aan te vullen. Bij brief van 30
oktober 2000 deelt de gemachtigde mede door eiseres niet in de
mogelijkheid te zijn gesteld om het beroep met nadere gronden aan
te vullen en de gemachtigde verzoekt dan ook een beslissing te
nemen op het thans bestaande procesdossier en daarbij met name de
in bezwaar naar voren gebrachte gronden in ogenschouw te nemen.
De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de
rechterlijke toets kan doorstaan.
Vooropgesteld zij dat de rechtbank het bestreden besluit leest als
een ongegrondverklaring van de door eiseres aangevoerde grieven in
bezwaar, waarbij de motivering zoals die blijkt uit het primaire
besluit is aangevuld.
Uit de redactie van het bestreden besluit volgt dat verweerder, in
afwijking van het bepaalde in het primaire besluit van 28 maart
2000, het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11
juni 1997 tot en met 30 september 1999 heeft herzien op grond van
het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de
Abw
zoals dat
artikellid luidt sedert 1 juli 1997, in samenhang met het bepaalde
in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Naar het oordeel van de
rechtbank is het besluit ten onrechte gebaseerd op artikel
69,
derde lid, van de Abw
voor zover het betreft de periode
voorafgaand aan 1 juli 1997. De rechtbank verwijst daarvoor naar
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 augustus 1999
(RSV 99/256) [LJN AA5738, red.].
Gelet op het vorenstaande is er aanleiding het beroep tegen de
ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de herzieningsbeslissing
voor zover het betreft de gehanteerde wettelijke grondslag voor de
periode voorafgaand aan 1 juli 1997 voor gegrond te houden en het
bestreden besluit in zoverre te vernietigen.
Vervolgens heeft de rechtbank bezien of er aanleiding is om met
toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Awb de
rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit
in stand te laten. Daarvoor bestaat in beginsel aanleiding indien
komt vast te staan dat met toepassing van de juiste wettelijke (jurisprudentiële)
grondslag de herzieningsbeslissing materieel overeind zal kunnen
blijven.
In tegenstelling tot de sedert 1 juli 1997 in artikel
69, derde
lid, van de Abw
opgenomen verplichting tot herziening was het met
terugwerkende kracht wijzigen van in het verleden bij rechtens
onaantastbaar geworden besluiten vastgestelde aanspraken onder het
oude regime van zowel de Abw
als de oude ABW niet geregeld. De
rechtbank is van oordeel dat hier de algemene leer van de Centrale
Raad van Beroep moet worden toegepast met betrekking tot het ten
nadele terugkomen op rechtens onaantastbaar geworden besluiten.
Uit het oogpunt van rechtszekerheid behoort de beëindiging dan
wel herziening van een periodieke bijstandsuitkering in het
algemeen niet eerder in te gaan dan op de datum waarop de
betrokkene van het daartoe strekkende besluit heeft kunnen kennis
nemen of zoveel eerder als de betrokkene van deze beëindiging dan
wel herziening in kennis is gesteld. Voor het beëindigen dan wel
herzien met terugwerkende kracht is in het algemeen dan ook
slechts reden indien de betrokkene wist, behoorde te weten of
redelijkerwijs kon vermoeden dat hem in strijd met de bij of
krachtens de van toepassing zijnde bijstandswet gestelde regels
een uitkering wordt verleend.
Op grond van artikel 69, derde lid, van de
Abw
zoals dat
artikellid luidt met ingang van 1 juli 1997 en voor zover voor dit
geding relevant, herzien burgemeester en wethouders een
toekenningsbesluit indien het niet of niet behoorlijk nakomen van
een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de
Abw
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van bijstand.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat schending van de
inlichtingenplicht, als neergelegd in artikel
65, eerste lid, van
de Abw
- zowel vóór als na 1 juli 1997- de reden is voor herziening
van het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 juni
1997 tot en met 30 september 1999. Verweerder is daarbij van
mening dat eiseres met de heer [partner] in de periode in geding
een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
Eiseres is gehuwd met (en van tafel en bed gescheiden van) de heer
[partner]. Ingevolge het bepaalde in artikel
4, aanhef en onder c,
van de Abw
vormen zij een gezin. Op grond van artikel 3, tweede
lid, onderdeel b, van de Abw
wordt als ongehuwde (mede) aangemerkt
degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst
sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen,
gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning betreft, waardoor
ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de
ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als
bestendig is bedoeld.
Twee echtgenoten leven niet langer duurzaam gescheiden indien zij
de echtelijke samenwoning herstellen. Van herstel van de
echtelijke samenwoning kan naar het oordeel van de rechtbank in
het algemeen slechts sprake zijn indien de echtgenoten (wederom)
hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
De rechtbank ziet zich dan ook in het bijzonder geplaatst voor
beantwoording van de vraag of eiseres en de heer [partner] hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanwezigheid van
kleding en toiletartikelen van de heer [partner] voortvloeit dat
hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres van eiseres. Voorts
verwijst verweerder naar het feit dat de heer [partner] een
sleutel heeft van de woning van eiseres. Voor het overige baseert
verweerder zich op het feit dat de heer [partner] bij de
behartiging van een deel van zijn financiële belangen het adres
van eiseres als postadres gebruikt en dat eiseres een deel van
[partner]s administratie verzorgt.
Eiseres stelt daar tegenover dat de door verweerder bedoelde
toiletartikelen niet aan de heer [partner], maar aan eiseres
toebehoren. Voor de aanwezigheid van kleding van de heer [partner]
geeft eiseres aan dat dat veelal maatkleding betreft die zij voor
de heer [partner] bewaart omdat hij die kleding bij gebrek aan een
vaste woon- of verblijfplaats niet allemaal bij zich kan houden.
Dat eiseres een deel van [partner]s administratie verzorgt en
toestaat dat [partner] haar adres als postadres gebruikt,
verklaart eiseres uit de jarenlange (goede) verstandhouding tussen
haar en de heer [partner] en uit het zwervende bestaan van de heer
[partner].
Voor zover er sprake is van enige mate van financiële
verstrengeling is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet
voortvloeit dat de heer [partner] in de periode in geding zijn
hoofdverblijf heeft gehad in de woning van eiseres. Dat daardoor
bij verweerder een zeker vermoeden is ontstaan (of bevestigd)
omtrent [partner]s verblijf bij eiseres acht de rechtbank
begrijpelijk, maar daarmee is niet gezegd dat die constatering
bijdraagt aan het aannemelijk maken van gezamenlijke huisvesting.
Voorts is de rechtbank niet overtuigd geraakt van de stelling van
verweerder dat het in deze om toiletartikelen van de heer
[partner] ging.
Voor de aanwezigheid van kleding van de heer [partner] in de
woning van eiseres heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank
een verklaring gegeven die niet ongeloofwaardig overkomt en waar
verweerder niets overtuigends tegenover heeft gesteld.
Verweerders stelling dat bij gebrek aan kennis van de vaste woon-
of verblijfplaats van de heer [partner] ervan uitgegaan moet
worden dat hij dan wel bij eiseres verblijft, volgt de rechtbank
niet. Die stelling miskent immers het feit (los van de vraag of
dat wenselijk is) dat er mensen zijn die een zwervend bestaan
verkiezen.
Verweerder erkent dat posten geen (relevante) informatie zou
opleveren of zou hebben opgeleverd omdat verweerder er kennelijk
met eiseres en de heer [partner] van uitgaat dat de heer [partner]
meestal elders verblijft. Verweerder erkent daarmee naar het
oordeel van de rechtbank dat niet is aan te tonen of niet zal
kunnen worden aangetoond dat de heer [partner] zijn hoofdverblijf
bij eiseres heeft. Overigens merkt de rechtbank op dat posten ook
relevante informatie oplevert als uit de resultaten iets anders
voortvloeit dan hetgeen verweerder tracht aan te tonen.
Ook overigens kan de rechtbank uit het geheel van feiten en
omstandigheden niet afleiden dat eiseres en de heer [partner] in
de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op
onvoldoende gronden gesteld dat er sprake is van gezamenlijke
huisvesting van eiseres en de heer [partner].
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep van
eiseres gegrond dient te worden verklaard, dat het bestreden
besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat er geen
aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van
het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal worden
opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.
De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond
van het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb te veroordelen in de
proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in
verband met de behandeling van dit beroep, één en ander
overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen
wordt 1 punt toegekend (voor het verschijnen ter zitting). Het
gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen
correspondeert met de wegingsfactor 1.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III.
Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Roermond;
gelet op het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres
met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de
rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op ƒ710,- (zijnde de kosten van
rechtsbijstand, te vergoeden door verweerders gemeente aan de
griffier der gerechten in het arrondissement Roermond);
bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door of namens
deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ60,- volledig
vergoedt.
Aldus gedaan door mr. J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van J.N.
Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april
2001.
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 3 april 2001.
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad
van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep
bedraagt zes weken.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE4370 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6025
NABW |
| Datum
uitspraak: |
4
juni 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9,
11 en 39 Abw
(= 13, 16
en 35 Wwb) |
| Trefwoorden: |
detentie;
beëindiging bijstand; bijzondere bijstand voor vaste woonlasten;
zeer dringende redenen; gedetineerde |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens detentie en terechte afwijzing
bijzondere bijstand voor vaste woonlasten, omdat
niet is komen vast te staan dat gedurende de periode van detentie
de woonlasten voor rekening van betrokkene zijn gekomen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep
99/6025 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Nijmegen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen,
op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 2 november 1999
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2002. Appellant
is daar verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Tummers
voornoemd, terwijl gedaagde zich, zoals bericht, niet ter zitting
heeft doen vertegenwoordigen.
II. Motivering
De Raad gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 14 april 1998 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) met ingang van
2 februari 1998 beëindigd op de grond dat appellant ingaande 2
februari 1998 rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
De door appellant tegen het besluit van 14 april 1998 ingediende
bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 24 augustus 1998 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 24
augustus 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank
heeft - kort samengevat - geoordeeld dat gedaagde op grond van de
detentie van appellant de bijstandverlening aan appellant terecht
heeft beëindigd, terwijl er evenmin aanleiding was appellant op
grond van het door gedaagde gevoerde beleid in aanmerking te
brengen voor bijzondere bijstand voor doorbetaling van zijn vaste
lasten aangezien niet is gebleken dat hij die heeft.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die
uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
a, van de
Abw is bepaald
dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht
op bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit
voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere
bijstand. Derhalve verzet dit voorschrift zich ertegen dat aan
appellant tijdens zijn detentie algemene dan wel bijzondere
bijstand wordt verleend.
Ingevolge artikel 11 (oud) van de Abw
zijn burgemeester en
wethouders bevoegd aan een persoon die geen recht heeft op
bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf
1 bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe
noodzaken.
Gedaagde heeft de aanspraak van appellant op algemene dan wel
bijzondere bijstand mede beoordeeld aan de hand van het beleid dat
hij in het kader van de hem bij artikel 11 (oud) van de
Abw gegeven bevoegdheid als voormeld heeft ontwikkeld. Volgens dat
beleid kan - voor zover van belang - bij veroordeling tot een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf gedurende maximaal zes maanden
bijzondere bijstand worden verstrekt voor doorbetaling van vaste
lasten. Onder vaste lasten dienen te worden verstaan woonlasten
zoals huur, gas, water en licht.
De Raad overweegt dat - zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren
komt - burgemeester en wethouders eerst dan bevoegd zijn met
toepassing van artikel 11 (oud) van de Abw
bijstand te verlenen
indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute
noodsituatie. Het onderhavige beleid van appellant gaat daaraan
voorbij en is dan ook met artikel 11 (oud) van de
Abw in strijd.
Gezien het voorgaande heeft het onderhavige beleid van appellant
het karakter van buitenwettelijk beleid. De Raad komt in dit
verband een terughoudende toets toe. Met inachtneming hiervan is
de Raad niet kunnen blijken dat het bestreden besluit behoort te
worden vernietigd. In het bijzonder heeft de Raad vastgesteld dat
het bestreden besluit in overeenstemming met het onderhavige
buitenwettelijke beleid is genomen. Daartoe overweegt de Raad dat
niet is komen vast te staan dat gedurende de periode van zijn
detentie woonlasten voor rekening van appellant zijn gekomen.
Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant in hoger
beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.
Evenals de rechtbank heeft de Raad op grond van de gedingstukken
niet tot het oordeel kunnen komen dat in het geval van appellant
sprake was van dagdetentie als omschreven in de Circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 april 1997,
kenmerk BZ VOL/97/7012, inzake detentie en bijstandverlening, nog
daargelaten of appellant hieraan een aanspraak zou kunnen ontlenen
op doorbetaling van zijn bijstandsuitkering.
De Raad kan appellant ten slotte niet volgen in diens opvatting
dat de beëindiging van de bijstandverlening tijdens zijn
detentie hem de mogelijkheid ontneemt om een financiële bijdrage
voor zijn in Marokko verblijvende gezin over te maken, hetgeen een
belemmering opwerpt welke niet te verenigen is met het uit artikel
8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende recht op
gezinsleven. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uitoefening
van het recht op gezinsleven op zich niet wordt belemmerd door de
toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel
9, eerste lid,
aanhef en onder a, van de Abw en de hantering van het
territorialiteitsbeginsel. De bescherming die artikel 8 van het
EVRM biedt, strekt niet zover dat het bijstandverlenend orgaan
verplicht is de betrokkene ook tijdens zijn detentie financieel in
staat te stellen om zijn in het buitenland verblijvende gezin te
onderhouden.
Hetgeen overigens nog door appellant naar voren is gebracht kan de
Raad niet tot een ander oordeel leiden.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2002.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE4494 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
AWB
01/205 NABW |
| Datum
uitspraak: |
26
april 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
78 en 88 (oud)
Abw (= 58
en – Wwb)
/ 1:3
en 4:6 Awb |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
herzieningsverzoek; kantonrechtersbeschikking; feitelijke
handeling; appellabel besluit; nieuwe feiten of omstandigheden;
requeste civiel |
| Essentie: |
Terechte
niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de schriftelijke
mededeling dat niet in discussie wordt getreden over de hoogte
van de door de kantonrechter vastgestelde terugvordering, omdat
die mededeling geen appellabel besluit is. Zo er al sprake zou
zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, kan ter zake van
herziening van de in kracht van gewijsde gegane
terugvorderingsbeschikking enkel een requeste civiel worden
ingediend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem
AWB 01/205 NABW
U I T S P R A A K
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in
het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 13 december 2000, verzonden op 19
december 2000.
2. Feiten en procesverloop
Eiser ontving sedert 9 november 1992 een bijstandsuitkering.
Bij besluit van 28 augustus 1996 heeft verweerder van eiser een
bedrag van ƒ5873,60 netto teruggevorderd. Tegen dit besluit
heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 20 januari 1997 heeft verweerder het van eiser
terug te vorderen bedrag gewijzigd en nader vastgesteld op ƒ25.381,77 bruto.
Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder eisers bezwaar
voor zover gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk
verklaard.
Naar aanleiding van een door verweerder op 2 augustus 1999
ingediend verzoekschrift heeft de kantonrechter bij beschikking
van 19 mei 2000 vastgesteld dat verweerder van eiser de brutobedragen van ƒ20.849,96, ƒ4397,10 en ƒ190,96 (tezamen
voormeld bedrag van ƒ25.381,77) kan terugvorderen.
Tegen deze beschikking heeft eiser geen beroep ingesteld.
Bij brief van 10 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om
een nieuwe berekening van het teruggevorderde bedrag.
Bij brief van 15 augustus 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld
dat hij over de hoogte van de terugvordering, die door de kantonrechter
is nagerekend en (inmiddels onherroepelijk) is
vastgesteld, niet meer in discussie treedt.
Bij brief van 16 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om
uitleg omtrent loonheffing bij een uitkering en loonheffing bij
terugvordering.
Op 14 september 2000 heeft eiser aan verweerder een gecorrigeerde
berekening van de terugvordering toegezonden, met het verzoek om
een bevestiging van de juistheid daarvan.
In reactie hierop heeft verweerder bij schrijven van 15 september
2000 eiser nogmaals meegedeeld dat niet meer inhoudelijk op de
kwestie zal worden ingegaan. Twijfels over de juistheid van de
terugvordering had eiser in de procedure bij de kantonrechter
kunnen indienen of in beroep tegen de beschikking van de
kantonrechter kunnen aanvoeren.
Verweerder heeft dit standpunt, mede ten aanzien van de brutering
van de vordering, herhaald bij brieven van 25 september 2000, 3
oktober 2000 en 1 november 2000.
Op 16 oktober 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering
van verweerder om inhoudelijk in te gaan op zijn verzoek van 14
september 2000 en de weigering een berekening te geven van het
verschil tussen de op de uitkering ingehouden en de
teruggevorderde loonheffing.
Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2000 heeft
verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft X namens eiser op 24 januari 2001 beroep
ingesteld.
Verweerder heeft op 19 februari 2001 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 maart
2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn vader, X.
Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
3. Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,
waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk
niet-ontvankelijk heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan
doorstaan.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eisers bezwaar
niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van
de Awb, nu aan het algemene antwoord op eisers verzoek geen
rechtsgevolg is verbonden.
Eisers beoogt met zijn beroep wijziging van het door de kantonrechter
vastgestelde bedrag dat hij aan verweerder dient
terug te betalen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de
Awb wordt onder een
besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een
bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de
Awb kan slechts tegen een
besluit bezwaar en beroep worden ingesteld.
Ingevolge artikel 8:5 van de Awb
is van bezwaar en beroep
uitgezonderd een besluit genomen op grond van een wettelijk
voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij
deze wet
behoort.
Artikel 4:6 van de Awb schept de mogelijkheid om een
bestuursorgaan te verzoeken terug te komen op een rechtens
onaantastbaar geworden besluit. Een belanghebbende dient bij een
dergelijk verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden te vermelden.
De beslissing op een dergelijk verzoek is een besluit als bedoeld
in artikel 1:3 van de Awb.
De vraag die zich hier voordoet, is of verweerder het verzoek van
eiser, dat neerkomt op een verzoek om terug te komen op een in
kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking van de kantonrechter, had dienen aan te merken als een verzoek als
bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
Verweerder heeft op 28 augustus 1996 en 20 januari 1997 weliswaar
besloten tot terugvordering, maar het betrof besluiten waartegen
destijds op grond van de bepalingen in de Algemene
bijstandswet
en
de bijlage
bij de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk was. Een
procedure tot terugvordering diende tot 1 juli 1997 door een
verzoekschrift bij de kantonrechter
aanhangig gemaakt te worden.
Uit een besluit tot terugvordering als zodanig vloeide geen
terugbetalingsverplichting voort en voor het stuiten van de
verjaringstermijn was niet bepalend het terugvorderingsbesluit,
maar de datum van indiening van een verzoekschrift bij de
kantonrechter. De rechtbank verwijst in dit verband naar de
uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2000, NJ
2001/58 [LJN AA9135, red.].
In casu is er geen sprake van een terugvorderingsbesluit van
verweerder dat in bezwaar en/of beroep is gehandhaafd, maar van
een rechtens onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of
omstandigheden die, ware zij bekend geweest, tot een ander
oordeel hadden kunnen leiden, ligt het naar het oordeel van de
rechtbank niet op de weg van verweerder om het besluit van de
kantonrechter ongedaan te maken.
Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2001, JABW 2001/78 [LJN
ZB9221, red.].
De Raad heeft daar weliswaar overwogen dat het niet onmogelijk is
dat een bestuursorgaan na 1 juli 1997 een besluit neemt omtrent
terugvordering van kosten van bijstand over een tijdvak waarover
ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane
terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Het betrof echter een
besluit tot aanvullende terugvordering, dat geen wijziging bracht
in de beschikking van de kantonrechter.
De rechtbank overweegt voorts dat in de op 1 juli 1997,
respectievelijk 1 augustus 1998, inwerking getreden artikelen
78a en 78c van de Algemene
bijstandswet
aan burgemeester en wethouders de
bevoegdheid is gegeven om onder bepaalde omstandigheden van
(verdere) terugvordering af te zien. Toewijzing van een dergelijk
verzoek kan meebrengen dat een door de kantonrechter
vastgestelde
terugvordering feitelijk niet volledig wordt ingevorderd. De
grondslag daarvan is echter niet gelegen in een wijziging van de
hoogte de terugvordering, maar in de omstandigheden als genoemd in
de betreffende artikelen. De thans in geding zijnde verzoeken van
eiser kunnen niet worden gezien als een verzoek om toepassing van
artikel 78a of artikel 78c
van de Abw.
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder
de verzoeken van eiser terecht niet heeft aangemerkt als een
verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de
Awb en dat de reactie(s)
van verweerder een feitelijke mededeling is, die niet kan worden
aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat er
geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de
Awb.
Verweerder heeft eisers bezwaar dan ook terecht kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank merkt ten slotte nog op dat het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering voor het herroepen van vonnissen eigen
voorwaarden en een eigen procedure kent middels de mogelijkheid
tot het indienen van een requeste civiel. In hoeverre een
dergelijk verzoek in casu kans van slagen heeft, staat niet ter
beoordeling aan de sector bestuursrecht van de rechtbank.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een
proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de
Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende
beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar
uitgesproken op 26 april 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B.
Moll van Charante als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op: 26 april 2002.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het
bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de
Awb, binnen zes weken
na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|