| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / WFA / Gw / Awb |
x
LJN: |
x
AE4538 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/1134
NABW |
| Datum
uitspraak: |
11
juni 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
47a ABW (= 136
Abw) (= 11
WFA) (n.v.t. op Wwb)
/ 10
Gw / 3:4
en 8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
rijksvergoeding
kosten van bijstand; weigering; anonieme tips |
| Essentie: |
Terechte
weigering rijksvergoeding van door de gemeente gemaakte kosten
van bijstand, omdat met de principiële weigering door de gemeente om kennis
te nemen van anonieme tips onvoldoende is gewaarborgd dat het
heronderzoek voldoet aan de wettelijke eisen. Kennisneming van
anonieme tips is niet in strijd met het EVRM, de Wpr of de
Grondwet. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/1134
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Leiden,
appellant,
en
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. E. van der Schans, advocaat te Amsterdam, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 22 januari 1999 tussen
partijen gewezen uitspraak [zie LJN AA1086,
red.], waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 april 2002, waar
appellant is verschenen bij zijn gemachtigden mr. J.F. de Groot,
advocaat te Amsterdam, en N. Graas, werkzaam bij de gemeente
Leiden.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en
J. Zondag, beiden werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)
ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit
geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de
ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier
van belang.
Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft gedaagde de aan appellant over
het dienstjaar 1995 te betalen rijksvergoeding ter zake van onder meer
de ABW vastgesteld in afwijking van de door appellant ingezonden
definitieve kostenopgave over dat jaar. Gedaagde heeft met toepassing
van artikel 47a van de ABW besloten dat de door de gemeente Leiden
gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet
aanvaardbaar zijn tot een bedrag van ƒ38.300,-. Als gevolg hiervan is
de op grond van artikel 47b van de ABW aan de gemeente te betalen
vergoeding tot dat bedrag geweigerd. Gedaagde heeft daartoe - samengevat
- overwogen dat gebleken is dat de gemeente Leiden het standpunt heeft
ingenomen dat anonieme tips nimmer in behandeling worden genomen.
Gedaagde is, blijkens onder andere zijn Circulaire van 4 juli 1995
inzake misbruik en oneigenlijk gebruik van onder meer de ABW, van
oordeel dat het gebruik van feitelijk onderbouwde tips een goed middel
is om fraude op te sporen. Door het niet in behandeling nemen van
anonieme tips zijn, aldus gedaagde, door appellant uitkeringen verstrekt
waarvan de rechtmatigheid niet is verzekerd of waarvan de juiste hoogte
van het uitgekeerde bedrag niet is gewaarborgd.
Bij besluit van 3 december 1997 heeft gedaagde het namens appellant
ingediende bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 1997 ongegrond
verklaard.
Gedaagde heeft daartoe kort gezegd overwogen dat de gemeente bij de
uitvoering van de ABW een zodanig beleid dient te voeren dat alleen
uitkeringen worden verstrekt in de door de wet bedoelde gevallen.
Daarbij dient, gelet op artikel 3 van het Besluit verantwoording en
vergoeding uitkeringskosten ABW, Ioaw en Ioaz (hierna: Bvvu) regelmatig
te worden nagegaan of een uitkering op juiste gronden is verstrekt en of
aanpassing noodzakelijk is. Tussentijds ontvangen signalen kunnen reden
zijn om een nader onderzoek in te stellen. Door geen gebruik te maken
van feitelijk onderbouwde tips van anonieme derden benut appellant niet
alle gegevens bij het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte
uitkeringen. Omdat appellant principieel weigert deze gegevens te
gebruiken, is er sprake van een structurele tekortkoming in het door
appellant gevoerde beleid. Gedaagde heeft in dit verband ook nog
verwezen naar zijn Nota uitgangspunten en normering toetsings- en
maatregelenbeleid uit 1992 (hierna: Nota maatregelenbeleid 1992).
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 3
december 1997 ongegrond verklaard. Hetgeen de rechtbank daartoe heeft
overwogen, komt erop neer dat in artikel 47a van de ABW niet is
aangegeven wanneer kosten niet aanvaardbaar zijn. Naar het oordeel van
de rechtbank stond het gedaagde vrij - en was het uit een oogpunt van
rechtszekerheid ook geboden - om nader aan te geven in welke situaties
naar zijn mening artikel 47a van de ABW toegepast zou kunnen worden. De
rechtbank acht het gelet op de inhoud van de Nota maatregelenbeleid 1992
alsmede de Circulaire van 4 juli 1995 toelaatbaar dat gedaagde in het
kader van genoemd artikel verlangt dat feitelijk onderbouwde tips, ook
als deze anoniem zijn, door de gemeente worden bestudeerd. De rechtbank
ziet in de Wet persoonsregistraties (Wpr), artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) alsmede artikel 10 van de
Grondwet geen belemmeringen
voor gedaagde om van appellant te verlangen over te gaan tot een
onderzoek van feitelijk onderbouwde tips, ook indien deze afkomstig zijn
van anonieme derden.
Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Betwist wordt dat gedaagde
appellant kan verplichten zijn vanaf 1986 ingenomen (principiële)
standpunt, inhoudende het weigeren gebruik te maken van anonieme tips bij
het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen, te
verlaten. Appellant voert daartoe - kort gezegd - aan dat gedaagde zijn
opvatting niet kan baseren op artikel 47a van de ABW. Ook kunnen de door
gedaagde genoemde nota en circulaire de gemeente, aldus appellant, niet
binden en voor zover gedaagde zijn standpunt baseert op artikel 3, eerste
lid, van het Bvvu, is appellant de mening toegedaan dat deze bepaling,
zo hierin al een verplichting kan worden gelezen tot het gebruik maken
van anonieme tips, onverbindend is wegens strijd met artikel 81c van de
ABW.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 47a, eerste lid, van de ABW kan gedaagde besluiten dat
bepaalde door de gemeente gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt
van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn.
Artikel 50 van de ABW bepaalt dat de vergoeding in en van de kosten van
bijstand, bedoeld in de artikelen 47b tot en met 49, alleen wordt
verleend voor zover de inrichting van de administratie van de bijstand
voldoet aan de daarvoor gestelde regels.
Ingevolge artikel 81c van de ABW kan gedaagde regelen stellen met
betrekking tot de administratie van de gemeenten ter zake van de
uitvoering van deze wet.
In artikel 3, eerste lid, van het Bvvu is bepaald dat, behoudens met
betrekking tot uitkeringen voor periodieke bijzondere bestaanskosten,
burgemeester en wethouders uiterlijk binnen acht maanden na de datum van
ingang van de uitkering dan wel van de beslissing naar aanleiding van
het laatst uitgevoerde onderzoek een beslissing moeten nemen, na opnieuw
alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering
beïnvloeden te hebben onderzocht.
Blijkens het besluit van 3 december 1997 heeft gedaagde de thans in
geding zijnde maatregel wegens overtreding van artikel 3, eerste lid,
van het Bvvu gebaseerd op artikel 47a van de ABW.
De Raad stelt vast dat, gelet op de parlementaire geschiedenis van
artikel 47a van de ABW, tot niet-aanvaardbaarverklaring van gemaakte
kosten van bijstand kan worden overgegaan indien het gemeentelijke
beleid inzake de bijstandverlening afwijkt van de doelstellingen van de
wet.
Gedaagde heeft ter zitting van de Raad aangevoerd, zulks onder
verwijzing naar 's Raads uitspraak van 28 september 1999, nummers
97/6456 ABW en 97/6457 ABW, dat in geval van schending van artikel 3 van
het Bvvu de wettelijke grondslag voor de weigering van (een deel van) de
rijksvergoeding niet gevonden had moeten worden in artikel 47a van de
ABW, maar in artikel 50 van die wet in samenhang met artikel 3 van het
Bvvu.
Deze juiste constatering brengt mee dat het besluit van 3 december 1997
wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.
Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, is de Raad van oordeel dat er
termen aanwezig zijn om met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit geheel in stand te laten. De namens appellant tegen
het besluit aangevoerde bezwaren treffen, zoals hierna zal blijken, geen
doel.
De Raad overweegt daartoe het volgende.
Allereerst is aan de orde de vraag of het Bvvu, meer in het bijzonder
artikel 3, eerste lid, van dat besluit, verbindende kracht mist, zoals
appellant heeft gesteld.
Appellant heeft in dit verband betoogd dat artikel 3, eerste lid, van
het Bvvu verder gaat dan het geven van regels voor de inrichting van de
financiële administratie en het treffen van maatregelen van interne
controle aangezien in deze bepaling ook regels worden gegeven voor
externe controle met de verplichting voor burgemeester en wethouders om
bij het heronderzoek ook gegevens te betrekken die binnenkomen via
tipgevers. Appellant stelt zich op het standpunt dat dit is overgelaten
aan het oordeel van burgemeester en wethouders zoals is vastgelegd in
artikel 11, eerste lid, van de ABW.
Ingevolge de artikelen 50 en 81c van de ABW bestaat de bevoegdheid
nadere regelen te stellen met betrekking tot de administratie van de
gemeenten ter zake van de uitvoering van de ABW. Die nadere regels zijn
neergelegd in het Bvvu.
Aan de term "administratie" in deze bepalingen kan naar het
oordeel van de Raad niet zonder meer worden ontleend welke reikwijdte
hieraan in het kader van de ABW dient te worden toegekend.
Blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 81c van de ABW heeft
de in dat artikel verleende bevoegdheid de bedoeling in de administratie
van de gemeenten op het terrein van de bijstandverlening zoveel
mogelijk uniformiteit te bereiken en de bewerking daarvan in het kader
van de beleidsvoering en het toezicht zo doelmatig mogelijk te maken. De
Raad acht deze omschrijving zodanig dat hieronder mede valt te
begrijpen hetgeen door appellant nader is aangeduid als de externe
controle. De Raad acht hierbij in het bijzonder van gewicht dat de
administratie ook van belang is in het kader van een zo doelmatig
mogelijk toezicht.
Met betrekking tot de door appellant aangehaalde passage uit de memorie
van antwoord waar sprake is van "financiële administratie"
merkt de Raad op dat hiermee niet bedoeld kan zijn dat het begrip
administratie slechts in de door appellant bedoelde beperkte zin moet
worden opgevat. Er is slechts aangegeven dat de Minister van
Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor het stellen van regels
inzake de financiële administratie van gemeenten en dat het uit een
oogpunt van goede coördinatie wenselijk wordt geacht dat van de in
artikel 81c van de ABW gegeven bevoegdheid tot het stellen van regels
geen gebruik wordt gemaakt buiten de Minister van Binnenlandse Zaken om.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan
worden dat met artikel 3, eerste lid, van het Bvvu is getreden buiten de
grenzen van de in de ABW gegeven regelgevende bevoegdheid.
Het beroep dat appellant doet op artikel 11 van de ABW treft geen doel
omdat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, deze bepaling niet ziet
op hetgeen in de onderhavige zaak aan de orde is.
Artikel 3, eerste lid, van het Bvvu schept voor burgemeester en
wethouders de verplichting om in het kader van het heronderzoek rekening
te houden met "alle gegevens die het recht op en de omvang van de
periodieke uitkering beïnvloeden". Deze bepaling kan niet los
worden gezien van de artikel 30a van de ABW en artikel 2, eerste lid,
van het Bvvu neergelegde verplichtingen van burgemeester en wethouders
om zorg te dragen voor een adequate controle op het nakomen van de
inlichtingenverplichting van belanghebbenden, bedoeld in artikel 30,
tweede lid, van die wet, en voor de juistheid en volledigheid van de in
de kostenopgave opgenomen gegevens.
Het categorisch ter zijde leggen en na binnenkomst onmiddellijk
vernietigen van alle feitelijke informatie die afkomstig is van personen
die onbekend wensen te blijven, verdraagt zich hiermee naar het oordeel
van de Raad niet. Aldus is namelijk onvoldoende gewaarborgd dat het
heronderzoek voldoet aan de eisen van artikel 3 van het Bvvu zoals die
ook blijken uit de nota van toelichting bij het Bvvu.
De Raad wijst er voorts op dat vanaf het begin van de jaren negentig er
zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau meer aandacht is gekomen
voor het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van onder meer
de ABW en dat een ontwikkeling in gang is gezet waarbij
misbruikbestrijding als een volwaardige taak binnen het
uitvoeringsproces wordt opgevat. Ook binnen deze ontwikkeling past het
dat rekening wordt gehouden met door al dan niet anonieme derden
aangereikte tips, mits relevant en voldoende feitelijk onderbouwd, als
een middel om fraude op te sporen. Verwezen wordt naar gedaagdes reeds
eerder genoemde Circulaire van 4 juli 1995 alsmede naar de Handreiking
ten behoeve van de opstelling van een beleidsplan fraudebestrijding
Algemene Bijstandswet, welke als bijlage is gevoegd bij de brief van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 20 juni 1994.
Dat de ABW een wet is die appellant in medebewind uitvoert, geeft
appellant, gelet op de tekst en strekking van de ter zake geldende
controlebepalingen, anders dan hij meent, niet de vrijheid om anonieme
tips in het kader van zijn heronderzoeksplicht zonder meer ter zijde te
leggen.
Appellant heeft gesteld dat sprake is van strijd met artikel 29, tweede
lid, van de Wet op de persoonsregistratie (Wpr). De Raad deelt die
opvatting niet. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die
bepaling kan bij het geven van inlichtingen over de herkomst worden
volstaan met globale informatie. Voorts biedt artikel 30 van de Wpr de
mogelijkheid om de herkomst van de aanleiding voor het onderzoek in het
belang van de controle en het toezicht in het geheel niet aan de
betrokkene te melden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat
één en
ander ertoe leidt dat het voor de houder van de registratie als bedoeld
in artikel 29 van de Wpr niet noodzakelijk is om de identiteit van de
tipgever te achterhalen alvorens de gegevens op te nemen in de
persoonsregistratie. Ook kan de Raad appellant niet volgen in zijn
betoog dat de Wpr met zich zou brengen dat appellant gehouden is te
onderzoeken of de informatie waarop de tip betrekking heeft op
rechtmatige wijze is verkregen en dat zulks in het geval van een
anonieme tip niet mogelijk is. De Raad wijst erop dat ook een niet-anonieme
tip niet de garantie biedt dat de verstrekte inlichtingen op
rechtmatige wijze door de tipgever zijn verkregen. Wat hiervan verder
ook zij, de tip zal, mits relevant en voldoende feitelijk onderbouwd,
slechts de aanleiding kunnen zijn voor het instellen van een onderzoek
en alleen de in het kader van dit onderzoek verkregen gegevens kunnen,
indien daartoe voldoende gronden bestaan, aanleiding vormen het
betreffende recht op uitkering te herzien of in te trekken.
Appellant heeft voorts betoogd dat de verplichting tot het in
behandeling nemen van anonieme tips als zodanig in strijd is met het in
artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de
Grondwet neergelegde en door
appellant te respecteren recht op privacy. De Raad kan appellant hierin
evenmin volgen. Met de rechtbank is de Raad op dit punt van oordeel dat
de vraag of de in de tip vermelde gegevens bij gebruik ervan schending
van deze bepalingen oplevert eerst kan worden beantwoord als de tip is
beoordeeld en nader is onderzocht.
Appellant is verder van mening dat gedaagde in het besluit van 3
december 1997 bij de berekening van de maatregel is uitgegaan van een
onjuiste maatstaf. Appellant is van opvatting dat gedaagde hierbij ten
onrechte is uitgegaan van de Regeling forfaitaire
percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz van 13 december 1996 (Stcrt. 1996, 247).
Hij stelt in dit verband dat genoemde regeling is vastgesteld onder
vigeur van de Algemene
bijstandswet zoals die op 1 januari 1996 in
werking is getreden, terwijl het in dit geval gaat om het dienstjaar
1995 toen de ABW nog gold.
De Raad overweegt hieromtrent het volgende.
De Nota maatregelenbeleid 1992 ziet onder meer op situaties waarin
sprake is van een weigering van de rijksvergoeding op basis van artikel
50 van de ABW. Indien het met de tekortkoming gemoeide financiële
beslag niet kan worden gekwantificeerd, wordt de maatregel, aldus deze
nota, bepaald op een forfaitair bedrag berekend op basis van het
totaalbedrag dat de desbetreffende gemeente als rijksvergoeding
declareert. In het geval dat de zwaarte van de tekortkoming als licht
wordt aangemerkt, bedraagt de maatregel in het eerste jaar 0,5% van de
gedeclareerde rijksvergoeding. Dit zou in het geval van appellant leiden
tot een maatregel ter hoogte van ƒ461.192,- op jaarbasis. Blijkens de
gedingstukken heeft gedaagde in verband met het overigens verantwoorde
uitvoeringsbeleid ter zake van de ABW in de gemeente Leiden de maatregel
vastgesteld op een bedrag van ƒ38.300,- over vijf maanden, hierbij
aansluiting zoekend bij de hierboven genoemde
regeling.
De Raad is van oordeel dat de zwaarte van deze maatregel de rechterlijke
toetsing kan doorstaan, waarbij tevens in de beschouwingen is betrokken
dat van strijd met artikel 3:4 van de Awb, in die zin dat de maatregel
als hier aan de orde in geen verhouding staat tot de ernst van de
appellant verweten gedraging, geen sprake is.
Ten slotte is nog aangevoerd dat door het ontbreken van het
voorgeschreven horen van appellant alsmede door het ontbreken van het
voorgeschreven bestuurlijk overleg gedaagde heeft gehandeld in strijd
met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook deze grief treft geen doel. Uit de
gedingstukken blijkt dat op 20 januari 1995 de rijksconsulent gedaagdes
standpunt aangaande anonieme tips met vertegenwoordigers van appellant
heeft besproken. Gedaagde heeft in zijn brieven van 28 juni 1995 en 12
april 1996 zijn beleid op dit punt nogmaals uiteengezet. De Raad is niet
gebleken dat aldus onvoldoende overleg is gevoerd dan wel dat het
overleg zoals dat is gevoerd niet voldoet aan de eisen die daaraan uit
een oogpunt van zorgvuldigheid dienen te worden gesteld.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten
worden met toepassing van de in de bijlage
bij het Besluit proceskosten bestuursrecht
genoemde gewichtsfactor "zwaar" begroot op in
totaal
€|1866,- wegens in beroep en in hoger beroep verleende
rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 december
1997;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€|1866,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C.
van Sloten en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE4985 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummer: |
AWB
01/896 NABW |
| Datum
uitspraak: |
5
juni 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 en 106 Abw
(= 35 en 55
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; verhuis- en inrichtingskosten; voorwaarde tot
inkomensbeheer; budgettering |
| Essentie: |
Onterechte
oplegging voorwaarde tot inkomensbeheer bij
bijzonderebijstandverlening voor verhuis- en inrichtingskosten,
omdat die voorwaarde geen verband houdt met aard en doel van de eenmalig verleende
bijzondere bijstand. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Arnhem
AWB 01/896 NABW
U I T S P R A A K
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in
het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 23 april 2001.
2. Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2000 heeft verweerder aan eiser
bijzondere bijstand toegekend voor verhuis- en inrichtingskosten
tot een bedrag van maximaal ƒ3000,-, onder meer onder de
voorwaarde van inkomensbeheer door het Budget Advies Centrum (BAC).
Tegen dit besluit heeft eiser op 21 december 2000 bezwaar gemaakt.
Het bezwaar is op 20 maart 2001 behandeld door de
bezwaarschriftencommissie van de dienst Sociale Zaken en Arbeid.
Eiser is niet op de hoorzitting verschenen.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het
bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit
gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend dat op
9 mei 2001 bij verweerder is ingekomen en op 10 mei 2001 als
beroepschrift is doorgestuurd naar de rechtbank. Op 28 mei 2001
heeft eiser de gronden van het beroepschrift aangevuld.
Verweerder heeft op 22 mei 2001 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 mei
2002. Eiser is daar, met bericht van verhindering, niet
verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
W.A.A. van Wees, werkzaam bij de gemeente
Arnhem.
3. Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de
rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ontvangt eiser
een uitkering ingevolge de Algemene
Ouderdomswet. Op 24 oktober
2000 heeft hij een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in
verhuis- en inrichtingskosten. Deze aanvraag is in eerste
instantie afgewezen, omdat de noodzaak van verhuizing onvoldoende
was aangetoond en wegens onvoldoende besef van
verantwoordelijkheid. Zo zou eiser in de afgelopen twaalf jaar
zonder aanwijsbare noodzaak acht keer zijn verhuisd, laatstelijk
naar een kamer in een pension waarvan de maandlasten ƒ1150,-
bedroegen.
Naar aanleiding van een gesprek met eiser op 27 november 2000 is
besloten dat eiser eenmalig geholpen moest worden om zijn situatie
weer zo normaal mogelijk te krijgen, onder de voorwaarde dat eiser
zich zou aanmelden bij het BAC.
Op 1 december 2000 heeft eiser een intakegesprek gehad met het BAC.
Zijn financiële situatie bleek niet dusdanig problematisch dat
inkomensbeheer nodig was. Omdat eiser een verwarde indruk maakte,
achtte het BAC het echter beter om eisers inkomen toch voor ten
minste het eerste halfjaar onder beheer te nemen.
Bij primair besluit van 8 december 2000 is alsnog bijzondere
bijstand om niet verleend, onder de voorwaarden van
inkomstenbeheer en uitbetaling van de bijstand na indiening van de
nota’s.
Op 19 december 2000 heeft eiser een tweede gesprek gehad met het
BAC. Daarbij is in overleg met eiser een principeafspraak tot
inkomensbeheer gemaakt voor de duur van een halfjaar.
Blijkens het bestreden besluit liggen aan de voorwaarde tot
inkomensbeheer eisers persoonlijke omstandigheden ten grondslag.
Eiser kan zich met die voorwaarde niet verenigen. De voorwaarde is
zijns inziens niet noodzakelijk nu hij aan zijn financiële
verplichtingen kan voldoen en zijn financiële situatie
overzichtelijk is. De voorwaarde staat zijns inziens ook niet in
verhouding tot het verkrijgen van bijzondere bijstand voor
verhuis- en inrichtingskosten.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 106, van de Abw, kunnen burgemeester en
wethouders aan de bijstand onder meer verplichtingen verbinden
die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van
bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.
Aangezien eiser geen periodieke bijstandsuitkering ontvangt, is
verweerder in deze slechts bevoegd om verplichtingen op te leggen
die verband houden met aard en doel van de eenmalig verleende
bijzondere bijstand.
De rechtbank ziet niet in hoe de verplichting tot inkomensbeheer
hiermee verband zou kunnen houden. Anders dan de eveneens
opgelegde voorwaarde dat de uitbetaling geschiedt na indiening
van de nota’s, verzekert de verplichting tot inkomensbeheer niet
dat de bijstand wordt aangewend voor het beoogde doel en raakt het
evenmin de aard van de verleende bijstand, die om niet is
verstrekt.
Dat inkomensbeheer, gelet op eisers persoonlijke omstandigheden,
wellicht in zijn voordeel zou zijn, betekent op zichzelf nog niet
dat verweerder ook bevoegd is eiser daartoe te verplichten.
De slotsom is dan ook dat verweerder met de oplegging van de
voorwaarde tot inkomensbeheer de grenzen van zijn bevoegdheid
heeft overschreden en dat het bestreden besluit in zoverre in
aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met de
wet.
Aangezien dit gebrek eveneens kleeft aan het primaire besluit ziet
de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel
8:72, vierde
lid, van de Awb
zelf in de zaak te voorzien en ook het besluit van
8 december 2000 te vernietigen, voor zover daarbij de voorwaarde
tot inkomensbeheer is gesteld.
De rechtbank acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een
proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de
Awb,
nu de rechtbank niet is gebleken van door eiser gemaakte
proceskosten.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op het
bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2001, alsmede het
hieraan voorafgaande besluit van 8 december 2000, voor zover
hierbij is besloten dat eisers inkomen door het BAC onder beheer
wordt genomen;
bepaalt dat de gemeente Arnhem aan eiser het door hem betaalde
griffierecht van
€|27,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar
uitgesproken op 5 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. F.M.Th.
Quaadvliet als griffier.
De griffier,
De rechter,
Verzonden op: 5 juni 2002.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het
bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de
Awb, binnen zes weken
na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE5639 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
01/5120
NABW |
| Datum
uitspraak: |
23
juli 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
120
Abw
(= – Wwb) / 6:7
Awb
|
| Trefwoorden: |
hoger
beroep; niet-ontvankelijk; overschrijding indieningstermijn;
mandaat |
| Essentie: |
Niet-ontvankelijkverklaring
hoger beroep van B&W, omdat zij weliswaar een
besluit tot het instellen van hoger beroep hebben genomen, doch
eerst na het verstrijken van de termijn voor het instellen van
hoger beroep.
|
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 01/5120
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 21 september 2001 is, op in een aanvullend
beroepschrift van 18 oktober 2001 aangevoerde gronden, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 augustus 2001, reg.nr. ABW 00/3776 NABW, verzonden op
16 augustus 2001.
Namens gedaagde heeft mr. Ph. Burgers, werkzaam bij Bureau
Rechtshulp Amsterdam-West, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 juli 2002, waar
appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A.
Edelaar, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam, en gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. Burgers.
II. Motivering
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen
omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van gedaagde
tegen een besluit van appellant ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) van 9 juni 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen.
Bij het beroepschrift van 21 september 2001 is namens appellant
tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld door de chef
Beroep van de Concernafdeling Juridische Zaken van de Sociale
Dienst Amsterdam. In het beroepschrift is aangegeven dat het
besluit van appellant tot het instellen van het hoger beroep zo
spoedig mogelijk zal worden nagezonden.
Als bijlage bij het aanvullend beroepschrift is aan de Raad een
afschrift gezonden van het besluit van appellant van 5 oktober
2001 tot het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen
uitspraak.
In het verweerschrift heeft de gemachtigde van gedaagde onder meer
aangevoerd dat het besluit van 5 oktober 2001 na het verstrijken
van de termijn voor het instellen van hoger beroep is genomen,
hetgeen "zou moeten leiden tot een niet in behandeling nemen
van het hoger beroep".
De Raad ziet zich, reeds ambtshalve, allereerst gesteld voor de
vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
In artikel 18 van de Beroepswet -
voor zover hier van belang - is
bepaald dat hoger beroep bij de Raad tegen een daarvoor in
aanmerking komende uitspraak van de rechtbank kan worden ingesteld
door een belanghebbende en het bestuursorgaan. In het onderhavige
geval is appellant het betrokken bestuursorgaan.
Op grond van artikel 168 van de Gemeentewet (tekst van 1 januari
1994 tot en met 15 januari 2002) kan het College van burgemeester
en wethouders (het College) de uitoefening van één of meer van
zijn bevoegdheden opdragen aan één of meer van zijn leden, tenzij
de regeling waarop de desbetreffende bevoegdheid steunt zich
daartegen verzet. Gesteld noch gebleken is dat op het in dit
geding van belang zijnde tijdstip ten aanzien van de bevoegdheid
van appellant tot het instellen van hoger beroep in bijstandszaken
toepassing was gegeven aan artikel 168 van de Gemeentewet.
Artikel 120, eerste en tweede lid, van de Abw
(tekst met ingang
van 1 januari 1998) luidt:
-1. Burgemeester en wethouders kunnen slechts met toestemming
van de gemeenteraad aan gemeenteambtenaren mandaat verlenen tot
het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand.
Burgemeester en wethouders geven daarbij algemene instructies.
-2. Het in het eerste lid bedoelde mandaat kan zich niet
uitstrekken tot het beschikken op bezwaarschriften en tot het
instellen van beroep.
Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel
120,
tweede lid, van de Abw volgt dat aan het instellen van beroep een
besluit van het betrokken College zélf ten grondslag dient te
liggen. Mandatering van die bevoegdheid (aan een
gemeenteambtenaar) is niet toegestaan. Uit de memorie van
toelichting blijkt dat de wetgever dit vereiste heeft gesteld
omdat "het belang van de te beslissen zaken vereist (...) dat
wordt beslist door het bestuurlijk college dat voor het bestreden
besluit verantwoordelijk is". De Raad heeft geen
aanknopingspunt gevonden voor een oordeel van de wetgever dat dit
niet evenzeer zou (behoren te) gelden voor andere besluiten tot
het instellen van een rechtsmiddel, waaronder hoger beroep.
Daarbij is van belang dat artikel 120, tweede lid, van de
Abw
zijn
oorsprong vindt in artikel 29a, tweede lid, van de (oude) Algemene
Bijstandswet, welke bepaling tot stand is gekomen onder het
toenmalige stelsel van rechtsbescherming in bijstandszaken waarin
tegen het primaire besluit eerst bezwaar kon worden gemaakt,
vervolgens administratief beroep kon worden ingesteld bij het
desbetreffende College van gedeputeerde staten en ten slotte (ook
voor het betrokken College) beroep op de Kroon openstond.
Vaststaat dat in het onderhavige geval appellant weliswaar een
besluit tot het instellen van hoger beroep heeft genomen, doch
eerst na het verstrijken van de termijn voor het instellen van
hoger beroep. Op grond daarvan dient het hoger beroep
niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het wettelijke stelsel van
enerzijds een (behoudens artikel 6:11 van de
Algemene wet bestuursrecht) strikte termijn voor het instellen van hoger beroep
van zes weken en anderzijds het (behoudens artikel 168 van de
Gemeentewet) even strikte vereiste van artikel
120, tweede lid,
van de Abw brengt immers met zich dat een besluit van het
betrokken College tot het instellen van hoger beroep vóór het
verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep
moet zijn genomen. Voor een andersluidend oordeel ziet de Raad
geen ruimte.
Met dit wettelijke stelsel acht de Raad overigens niet in strijd
een binnen de termijn voor het instellen van hoger beroep namens
het betrokken College ingesteld hoger beroep ontvankelijk te
achten indien het besluit van dat College tot het instellen van
hoger beroep vóór het verstrijken van de termijn voor het
instellen van hoger beroep is genomen, maar eerst na het
verstrijken van die termijn door de Raad wordt ontvangen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten in hoger beroep van gedaagde, begroot op
€|644,-
voor verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep tot een bedrag van
€|644,-, te betalen door de gemeente
Amsterdam;
bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van
€|327,- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. Th.C van Sloten als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M.
Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 23 juli 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6057 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/5336
NABW |
| Datum
uitspraak: |
25
juni 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3, 65 en 69
Abw (= 3,
17 en 54
Wwb) /
7:12 en 8:73 Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; beëindiging bijstand; terugvordering;
eerdere gezamenlijke huishouding; huurder; wederzijdse zorg;
motivering; renteschadevergoeding |
| Essentie: |
Onterechte
beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende
gezamenlijke huishouding, omdat het langer is geleden dan twee
jaar dat betrokkene eerder met haar huidige huurder een
gezamenlijke huishouding voerde en voorts in de periode in
geding niet is gebleken van zorg
dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/5336
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen,
op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 12
oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van Asperen heeft vragen beantwoord en nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van
Asperen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. H. Blokzijl, werkzaam bij de gemeente
Groningen.
II. Motivering
Appellante heeft van mei 1993 tot april 1994 een uitkering
ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor gehuwden
ontvangen samen met [X] (hierna: [X]), met wie zij toen een
gezamenlijke huishouding voerde. Zij ontving vanaf april 1994
uitkering naar de norm voor een eenoudergezin. Vervolgens is haar
een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) toegekend
naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Op een zogeheten maandelijkse verklaring Abw, gedateerd 21 juli
1997, gaf appellante een wijziging in haar woonsituatie op.
Volgens die opgave was op 1 juli 1997 een huurder bij haar komen
inwonen. Uit informatie uit de gemeentelijke basisadministratie
bleek dat [X] zich op 14 april 1994 had doen uitschrijven op
het adres van appellante en zich opnieuw op dat adres had doen
inschrijven op 23 juli 1997. Gedaagde beëindigde de betaling van
de uitkering van appellante met ingang van 1 september 1997.
Mr. Van Asperen heeft namens appellante tegen deze feitelijke beëindiging
bezwaar gemaakt bij brief van 6 oktober 1997.
Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft gedaagde het besluit tot
toekenning van uitkering aan appellante ingetrokken met ingang van
1 juli 1997 en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31
augustus 1997 ontvangen bijstand tot een bedrag van ƒ3408,62 van
haar teruggevorderd. Mr. Van Asperen heeft namens appellante tegen
dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 24 oktober 1997.
Bij besluit van 22 oktober 1997 heeft gedaagde op aanvraag van
appellante opnieuw een uitkering naar de norm voor een
alleenstaande ouder toegekend met ingang van 7 oktober 1997.
Tegen het uitblijven van een beslissing op laatstgenoemd bezwaar
heeft mr. Van Asperen beroep ingesteld bij brief van 2 februari
1998.
Bij besluit van 5 maart 1998 heeft gedaagde de bezwaren ongegrond
verklaard onder verwijzing naar het bepaalde in artikel
3, derde
lid, aanhef en onder a en c, (oud) van de Abw
en met een bepaling
omtrent de wijze van invordering.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen
het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 24 oktober 1997
niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 5
maart 1998 ongegrond verklaard en beslissingen gegeven tot
vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Het namens appellante ingestelde hoger beroep is gericht tegen
deze uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van
5 maart 1998 ongegrond is verklaard. Appellante betwist dat zij
vanaf 1 juli 1997 met [X] een gezamenlijke huishouding voerde.
Volgens haar gemachtigde is artikel 3, derde lid, (oud) van de
Abw in strijd met artikel 6 van het Europees
verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De Raad overweegt het volgende.
Met betrekking tot de betekenis van de door gedaagde gehanteerde
bepalingen, op basis waarvan gedaagde het (wederom) bestaan van
een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [X] zonder
verder onderzoek heeft aangenomen en, daarvan uitgaande, tot
intrekking en terugvordering is overgegaan, zijn twee eerdere
uitspraken van de Raad van belang. De eerste uitspraak is die van
29 januari 2002, onder meer gepubliceerd in RSV 2002/118 [LJN
AE0165, red.]. In die
uitspraak heeft de Raad uitvoerig gemotiveerd waarom artikel
3,
vierde lid, van de Abw geen belemmering bevat die onverenigbaar
zou zijn met de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM
voortvloeiende eis van "equality of arms". De tweede uitspraak is
die van 2 mei 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/137 en
JABW 2000/104, waarin de Raad een ongerechtvaardigd onderscheid
heeft geconstateerd tussen niet met elkaar gehuwd geweest zijnde
personen die een gezamenlijk hoofdverblijf hebben en die voor de
toepassing van de ABW/Abw eerder de rechtsgevolgen hebben
ondervonden van het voeren van een (duurzame) gezamenlijke
huishouding, en niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen die
dezelfde rechtsgevolgen reeds hebben ervaren voor de toepassing
van één van de in artikel 2 van het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding 1995 [zie artikel
2 van het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding 1998, red.] genoemde
"andere wetten" met materieel eenzelfde partnerbegrip. In verband daarmee
heeft de Raad in die uitspraak de in artikel
3, derde (thans:
vierde) lid, aanhef en onder a, van de Abw
voorkomende, niet nader
omlijnde term "eerder" - onderdeel van de zinsnede
"eerder voor de
verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt" -
gepreciseerd in die zin dat ook voor de toepassing van de ABW/Abw
voor personen als appellante, die tot de eerstgenoemde groep
behoort, bij de toepassing van die bepaling een in de tijd
beperkte periode van twee jaar geldt, analoog aan de beperkte
doorwerking in de tijd van eerdere registraties als gezamenlijke
huishouding in andere wetten.
De Raad voegt daar thans nog aan toe dat evenvermelde precisering
niet in de weg staat aan toepassing van artikel
3, tweede (thans:
derde) lid, van de Abw indien daarvoor voldoende feitelijke
grondslag aanwezig is.
Voor het overige verwijzend naar de motivering van deze uitspraken
stelt de Raad vervolgens vast dat de door de gemachtigde van
appellante opgeworpen grief dat artikel 3, derde (thans: vierde)
lid, van de Abw in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het
EVRM weliswaar faalt, maar dat in haar geval toch geen sprake kan
zijn van toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder
a en
c, van de Abw. Vaststaat immers dat de door gedaagde aangegrepen
situatie waarin appellante en [X] eerder voor de verlening van
bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, buiten de periode van twee
jaar gelegen is. Gezien de in hoger beroep door de gemachtigde van
appellante overgelegde gegevens stelt de Raad tevens vast dat
daarmee genoegzaam is aangetoond dat van een geldend
samenlevingscontract, vereist voor de toepassing van artikel
3,
derde lid, aanhef en onder c, (oud) van de Abw, tussen appellante
en [X] nooit sprake is geweest.
De Raad stelt voorts vast dat in dit geding van de zijde van
gedaagde geen feitelijke gegevens zijn aangedragen waaruit kan
worden afgeleid dat appellante en [X] in de hier van belang
zijnde periode van 1 juli 1997 tot 7 oktober 1997 blijk hebben
gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins,
als omschreven in artikel 3, tweede lid, (oud) van de
Abw.
Het vorenstaande houdt in dat op basis van de thans ter
beschikking staande gegevens niet kan worden aangenomen dat
appellante en [X] in genoemde periode een gezamenlijke
huishouding voerden. Hiermee is ook gegeven dat het besluit van 5
maart 1998 wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) geen stand houdt voor zover
daarbij het primaire besluit tot intrekking en terugvordering is
gehandhaafd.
Het besluit van 5 maart 1998 houdt om de zojuist genoemde reden
evenmin stand voor zover daarbij het bezwaar tegen de feitelijke
beëindiging van de bijstandsuitkering van appellante ongegrond is
verklaard. De Raad merkt in dit verband op dat in dat besluit een
afzonderlijke, op het bezwaar tegen de feitelijke beëindiging
toegesneden, motivering ontbreekt. De motivering van dat besluit
ziet geheel op de bezwaren tegen het besluit van 16 oktober 1997
tot intrekking en terugvordering in verband met de door gedaagde
aangenomen schending van de inlichtingenplicht wegens het voeren
van een gezamenlijke huishouding van appellante en [X] vanaf 1
juli 1997.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de uitspraak van de rechtbank,
voor zover deze is aangevochten, niet in stand kan
blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de
Raad het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 gegrond
verklaren en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te
nemen.
In verband met deze opdracht ligt het thans niet op de weg van de
Raad om zich over de door de gemachtigde van appellante gevraagde
vergoeding van renteschade uit te spreken, omdat nog niet
vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij
het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden aan de
vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel
8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
€|805,-, wegens verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 gegrond en
vernietigt dat besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger
beroep tot een bedrag van
€|805,-, te betalen door de gemeente
Groningen aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellante het in hoger
beroep betaalde griffierecht van
€|77,14 (ƒ170,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Heijink.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Abw
kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van
schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip
gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de
uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad
van Beroep in te zenden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IWwb |
x
LJN: |
x
AE6058 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/5618
NABW |
| Datum
uitspraak: |
2
juli 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
8 Abw (= 7
IWwb) |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
bedrijfskapitaal; oudere
zelfstandige; inkomenscriterium |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal, omdat
betrokken oudere zelfstandige (55+) niet in de situatie verkeerde dat hij duurzaam over een
ontoereikend inkomen uit bedrijf beschikte om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/5618
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Venlo,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. R.H.A. Julicher, advocaat te Venray, op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Roermond op
22 september 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van
21 mei 2002, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn
verschenen.
II. Motivering
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant exploiteert sedert 1970 een eenmanszaak. De
bedrijfsactiviteiten bestaan uit het schrijven en publiceren van
culinaire artikelen en kookboeken. Appellant heeft, voor zover hier
van belang, op 12 november 1998 een aanvraag bij gedaagde
ingediend om bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal tot een
bedrag van ƒ16.000,-. Gedaagde heeft de aanvraag, nadat bij het
IMK Intermediair te Eindhoven (hierna: het IMK) advies was
ingewonnen, bij besluit van 22 juni 1999 afgewezen omdat het
bedrijf van appellant niet levensvatbaar is in de zin van artikel
1, aanhef en onder b, van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz). Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde de
grondslag van de afwijzing bij besluit van 21 juli 1999 gewijzigd,
in die zin dat niet is voldaan aan de eis dat appellant een
inkomen uit bedrijf geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de
noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank,
voor zover van belang, onder toepassing van artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door appellant tegen het
besluit van 21 juli 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit
onderdeel van de uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de
Algemene
bijstandswet (Abw) heeft de zelfstandige wiens bedrijf of
zelfstandig beroep niet levensvatbaar is in zijn hoedanigheid van
zelfstandige geen recht op bijstand, tenzij belanghebbende 55 jaar
of ouder is, het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een
aaneengesloten periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de
aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat
duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien.
Blijkens de toelichting op artikel 8 van de
Abw is daarmee beoogd
de bepalingen uit het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit
zelfstandigen (Bz) te herstructureren. Zo vormt artikel
8, derde
lid, aanhef en onder a, van de Abw, gelezen in samenhang met
artikel 13 van het Bbz, in wezen een neerslag van hetgeen tot 1
januari 1996 in artikel 25, eerste lid, van het Bz was geregeld.
Laatstgenoemd artikel stelt in de aanhef dat aan de oudere
zelfstandige slechts bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal
wordt verstrekt indien deze beschikt over een inkomen dat duurzaam
beneden de jaarnorm ligt. Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef
en onder d, van het Bz wordt onder jaarnorm verstaan: het in
één
jaar van toepassing zijnde bedrag ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan overeenkomstig het bepaalde
in hoofdstuk II, paragraaf 1, van het Bijstandsbesluit landelijke
normering (Stb. 1983, 132), verhoogd met het bedrag van de ten
laste van de zelfstandige komende premie van een verzekering tegen
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze premie uit een oogpunt van
bijstandverlening aanvaardbaar is.
Naar het oordeel van de Raad is met het opnemen van artikel
8,
derde lid, aanhef en onder a, in de Abw
niet tevens een
inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het voorheen
geldende artikel 25, eerste lid, van het Bz. Uit één en ander
vloeit voort dat met de in artikel 8, derde lid, aanhef en onder
a, van de Abw gestelde eis dat de zelfstandige een inkomen uit
bedrijf of zelfstandig beroep geniet dat duurzaam ontoereikend is
om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt
bedoeld dat deze duurzaam een inkomen uit bedrijfs- of
beroepsuitoefening geniet dat ligt beneden het niveau van de voor
appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in
artikel 30 van de Abw. Ten tijde in geding beliep die
bijstandsnorm ƒ2069,18 per maand, derhalve ƒ24.830,16 op
jaarbasis.
Uit de zich onder de gedingstukken bevindende financiële gegevens
leidt ook de Raad af dat appellant ten tijde in geding uit zijn
bedrijf reeds gedurende een reeks van jaren een inkomen genereerde
dat de voor hem toepasselijke bijstandsnorm in ruime mate
overtrof. Reeds gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellant
niet in de situatie verkeerde dat hij duurzaam over een
ontoereikend inkomen uit bedrijf beschikte om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien. Nu aldus niet is voldaan aan
één van de cumulatieve eisen van artikel 8, derde lid, aanhef en
onder a, van de Abw is appellant terecht niet in aanmerking
gebracht voor bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.
Hetgeen door appellant in hoger beroep is gesteld ten aanzien van
het door gedaagde, naar de mening van appellant ten onrechte,
afwijken van het IMK-advies heeft de Raad niet tot een ander
oordeel kunnen brengen. Naar het oordeel van de Raad is gedaagde
immers op goede gronden afgeweken van het niet in alle opzichten
heldere IMK-advies, te meer nu het IMK ter bepaling van het niveau
van de noodzakelijke bestaanskosten aansluiting lijkt te zoeken
bij een subjectief criterium ("zijn" kosten van het
bestaan), terwijl ter zake - zoals hierboven is uiteengezet - dient
te worden uitgegaan van een objectief gegeven, te weten de voor
betrokkene geldende bijstandsnorm.
Aan het vorenstaande kan evenmin afdoen hetgeen appellant naar
voren heeft gebracht met betrekking tot zijn aangifte
inkomstenbelasting over het jaar 1998, reeds omdat het in dat
kader nog vast te stellen belastbare inkomen niet op één lijn
kan worden gesteld met het hier in aanmerking te nemen inkomen uit
bedrijf.
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak,
voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om gedaagde met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de
proceskosten van appellant.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.G. van Sloten als voorzitter en mr. drs.
N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 2 juli 2002.
(get.) Th.G. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|