| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE6067 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Dordrecht |
| Zaaknummer: |
AWB
02/216 |
| Datum
uitspraak: |
12
april 2002 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
7 Abw (= 11
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander;
afwijzing verblijfsvergunning; GBA-code 98; EVSMB; Turken |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens onrechtmatig verblijf in
Nederland, omdat betrokken vreemdelinge ingevolge de Abw c.a.
niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander nu haar
hernieuwde aanvraag om verblijfsvergunning is afgewezen
(waardoor haar verblijf ook in de zin van het EVSMB onrechtmatig
is). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Dordrecht
AWB 02/216
U I T S P R A A K
ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
tegen
Burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, verweerders.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 15 februari 2002, kenmerk PSp/8099, verzonden op 19
februari 2002, hebben verweerders de eerder aan verzoekster toegekende
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (verder te noemen: Abw) met
ingang van 30 januari 2002 beëindigd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster op grond van het bepaalde in artikel
7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen:
Awb) bij brief van 21 maart 2002 een bezwaarschrift ingediend bij
verweerders.
Bij gelijktijdig schrijven, ingekomen op 22 maart 2002, heeft
verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel
8:81 van de Awb ingediend bij de voorzieningenrechter van de
Rechtbank Dordrecht.
Dit verzoek om voorlopige voorziening is op 11 april 2002 ter zitting
behandeld.
Verzoekster is ter zitting niet verschenen.
Verweerders zijn verschenen bij gemachtigde mr. J.G.H. Hartwijk.
II. Beoordeling
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de
Awb kan, indien tegen een
besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan
wel, voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een
voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.
In dit kader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de Koppelingswet,
welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Tengevolge van
het in werking treden van deze wet is onder andere artikel 7 van de
Abw gewijzigd.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken
dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste
lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel
a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur hier
te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel
8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor de
toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de
zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8,
onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg (verder te noemen: het besluit)
wordt voor de toepassing van de Algemene bijstandswet
met een
Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met
e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om
voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6.11 van
de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft
gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in
de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de
Vreemdelingenwet 2000.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het
eerste lid, zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist;
of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting
ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Ingevolge artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft de vreemdeling in
Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 20;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 33;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op
grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
f. (...);
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van
de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het
verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in
de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens
deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de
aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een
beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een
rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te
blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
i. (...);
j. (...);
k. (...);
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het
Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders verzoeksters uitkering
ingevolge de Abw
beëindigd op grond van de omstandigheid dat zij gelet
op het bepaalde in artikel 7 van de Abw
niet behoort tot de
personenkring van de Abw. Verweerders hebben hierbij aangevoerd dat
verzoeksters GBA-code per 30 januari 2002 code 98 is, hetgeen inhoudt
dat zij niet langer meer over een verblijfstitel beschikt.
Verzoekster kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft daartoe
aangevoerd dat zoals de Rechtbank Dordrecht bij uitspraak van 23 maart
2001 heeft vastgesteld artikel 7, tweede en derde lid, van de
Abw
alsmede artikel 1 van het
besluit wegens strijd met artikel 1 van het
Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (verder te
noemen: EVSMB) buiten toepassing dienen te blijven. Tevens heeft zij
aangevoerd niet te weten dat haar GBA-code met ingang van 30 januari
2002 zou zijn veranderd. Voorts heeft zij aangevoerd dat er sprake is
van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat verweerders de
bijstandsuitkering met terugwerkende kracht hebben ingetrokken. Tot slot
heeft verzoekster aangevoerd thans geen inkomen te hebben en niet
verzekerd te zijn tegen ziektekosten.
Uit de stukken is ten aanzien van verzoeksters verblijfsrechtelijke
positie het volgende gebleken.
Verzoekster heeft de Turkse nationaliteit. Zij verblijft sedert 1
oktober 1993 in Nederland. Op 12 oktober 1993 is haar een vergunning tot
verblijf bij haar echtgenoot verleend. Na verbreking van haar huwelijk
is verzoekster haar op 9 maart 1995 een vergunning tot verblijf verleend
voor het verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst, geldig tot 9
maart 1996. Op 19 maart 1996 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om
verlenging van haar verblijfsvergunning. Bij besluit van 16 januari 1997
heeft de korpschef van de politie Zuid-Holland Zuid de aanvraag
afgewezen. Bij besluit van 4 april 1997 heeft de Staatssecretaris van
Justitie het tegen dit besluit door verzoekster ingestelde
administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen laatstbedoeld besluit
heeft verzoekster beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 januari 1999
heeft de arrondissementsrechtbank te Den Haag
het beroep van
verzoekster ongegrond verklaard. Bij uitspraak van dezelfde datum is het
door verzoekster ingediende verzoek om voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 26 januari 1999 heeft de
Staatssecretaris van Justitie aan de korpschef van de politie ZHZ (voor
zover nodig) een last tot uitzetting van verzoekster verstrekt.
Niet in geschil is dat verzoekster op de in geding zijnde datum viel
buiten de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de invoering van de
Koppelingswet geldt.
Met betrekking tot verzoeksters beroep op de bepalingen van het EVSMB
overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge artikel 1 van het EVSMB hebben onderdanen van verdragsstaten
die zich rechtmatig ophouden in één van de andere verdragsstaten en die
niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en
medische bijstand als eigen onderdanen.
Ingevolge artikel 11, onderdeel a, wordt het verblijf van vreemdelingen op
het grondgebied van één der verdragssluitende partijen als rechtmatig in
de zin van dit verdrag beschouwd zolang ten aanzien van hen een
verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is die op grond
van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het
verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, wordt het rechtmatig verblijf
onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen de
betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering
wordt verleend.
Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken
dat verzoekster op 23 februari 2001 wederom een aanvraag tot verblijf
heeft ingediend en voorts dat verzoekster op 30 januari 2002 een
negatieve beschikking op dit verzoek is uitgereikt.
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verzoeksters
verblijf met ingang van 30 januari 2002 dan ook als onrechtmatig in de
zin van artikel 11, onderdeel a, van de EVSMB moet worden
aangemerkt.
Het feit dat de rechtbank in de door verzoekster aangehaalde uitspraak
heeft bepaald dat artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB zo moet worden
uitgelegd dat het rechtmatig verblijf blijft voortduren indien een
geldige last tot uitzetting ontbreekt ook al is er geen geldige
verblijfstitel doet hieraan niet af. De voorzieningenrechter overweegt
hierbij dat thans de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, ingevolge
welke wet de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd wordt afgewezen, van
rechtswege tot gevolg heeft dat de vreemdeling niet langer rechtmatig
verblijf heeft. Een afzonderlijke last tot uitzetting is onder de
Vreemdelingenwet 2000 derhalve niet meer vereist.
Gelet op het vorenstaande kan verzoekster naar voorlopig oordeel van de
voorzieningenrechter geen aanspraken maken op grond van het EVSMB.
Onder de hiervoor geschetste omstandigheden komt het verzoek om
voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking.
Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. Uitspraak
De voorzieningenrechter van de rechtbank
Dordrecht,
gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Awb
af.
Aldus gegeven door mr. B.M. van Dun, voorzieningenrechter, en door deze
en mr. A. Landstra, griffier, ondertekend.
De griffier,
De voorzieningenrechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 12 april 2002.
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IWwb |
x
LJN: |
x
AE6084 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Alkmaar |
| Zaaknummer: |
00/1985
NABW |
| Datum
uitspraak: |
2
augustus 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
8 en 23 Abw
(= 7 en 7
IWwb) |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
ingangsdatum bijstandverlening; datum aanvraag;
inkomstenverrekening; bijstand met terugwerkende kracht |
| Essentie: |
Terecht
is ter zake van de inkomstenverrekening de datum van aanvraag om
algemene bijstand als zelfstandige aangehouden en niet de eerste
dag van het boekjaar van het bedrijf (1 januari), omdat in
beginsel geen bijstand
mag worden verleend over een periode die voorafgaat aan
de datum waarop de aanvraag is ingediend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Alkmaar 00/1985 NABW
U I T S P R A A K
op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente Wervershoof, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Het besluit van verweerder van 13 november 2000.
2. Zitting
Datum: 24 januari 2002.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Heijnen,
advocaat te Hoorn.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde L.M.M. Visser, ambtenaar
bij verweerders gemeente.
3. Feiten die de rechtbank als vaststaand
aanneemt
Eiser exploiteert sinds 1980 een motorfietsbedrijf. In verband met
de slechte bedrijfsresultaten heeft eiser zich tot verweerder
gewend met het verzoek hem een uitkering te verstrekken op grond
van de Algemene bijstandswet (hierna: de Abw) en het
Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (hierna: het Bbz).
Bij besluit van 30 juli 1996 heeft verweerder, overeenkomstig het
advies van de Plaatselijke Commissie Zelfstandigen, dit verzoek
afgewezen omdat eisers bedrijf niet levensvatbaar zou zijn.
Bij besluit van 3 oktober 1996 heeft verweerder eisers bezwaar
tegen het besluit van 30 juli 1996 gegrond verklaard en hem alsnog
met ingang van 1 juli 1996 een uitkering verleend in de vorm van
een renteloze lening.
Bij uitspraak van 10 augustus 1998, reg.nr. 96/1799, heeft de
rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 3 oktober 1996
gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft
daarbij overwogen dat verweerder eisers vermogen te hoog heeft
ingeschat en daarom ten onrechte bijstand heeft verstrekt in de
vorm van een renteloze lening.
Bij brief van 20 oktober heeft verweerder eiser meegedeeld zich te
conformeren aan de uitspraak van de rechtbank, hetgeen meebrengt
dat eiser in aanmerking kan komen voor bijstand om niet. Om dat te
beoordelen, verzoekt verweerder eiser de jaarrekeningen over de
jaren 1996 en 1997 over te leggen.
Bij besluit van 17 februari 1999 heeft verweerder aan eiser over
de periode 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 bijstand om niet
toegekend voor een bedrag van ƒ11.902,56, welk bedrag in
mindering wordt gebracht op de over deze periode aan eiser als
renteloze lening verleende bijstand van ƒ22.444,92. De
resterende geldlening bedraagt daarmee ƒ10.542,36.
Bij besluit van 6 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaar tegen
het besluit van 17 februari 1999 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 september 2000, reg.nr 99/1167, heeft de
rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 6 juli 1999 gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd.
Bij besluit van 13 november 2000, verzonden op 15 november 2000,
heeft verweerder, opnieuw beslissend op eisers bezwaar tegen het
besluit van 17 februari 1999, dat bezwaar gegrond verklaard en
laatstgenoemd besluit gewijzigd door de periode van
bijstandverlening vast te stellen op 19 maart 1996 tot en met 18
maart 1997 en de bijstand om niet over deze periode vast te
stellen op een bedrag van ƒ16.918,84. Dit bedrag wordt in
mindering gebracht op het oorspronkelijke bedrag van de lening van
ƒ22.444,92, zodat een lening resteert van ƒ5526,08, die van
eiser wordt teruggevorderd.
Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 26 december 2000,
bij de rechtbank ingekomen op die dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 19 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift
en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
5.1. In geschil is thans alleen nog de vraag of
verweerder met recht 19 maart 1996 heeft aangehouden als
ingangsdatum voor de aan eiser toegekende bijstandsuitkering.
5.1.1. Het in dit geding bestreden besluit is een
besluit op bezwaar gericht tegen het besluit van 17 februari 1999,
dat een nadere beslissing is als bedoeld in artikel
10, eerste
lid, van het Bbz.
Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 september 2000,
reg.nr
99/1167, volgt dat verweerder bij zijn besluit van 17 februari
1999 ten onrechte zonder meer de in zijn besluit van 3 oktober
1996 bepaalde ingangsdatum heeft aangehouden, zonder rekening te
houden met eisers bezwaren daartegen. In het in dit geding
bestreden besluit heeft verweerder er alsnog voor gekozen de datum
van eisers aanvraag om bijstand als ingangsdatum te nemen.
5.1.2. Eiser betoogt in beroep dat het in de rede zou
liggen als ingangsdatum 1 januari 1996 te nemen. De periode van
bijstandverlening zou dan gelijk lopen met het boekjaar van zijn
bedrijf.
5.2. Niet in geschil is dat eiser als zelfstandige een
bedrijf uitoefende en nog steeds uitoefent. Evenmin in geschil is
dat eisers aanvraag om bijstand ziet op algemene bijstand, dat wil
zeggen bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan en niet op bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal.
5.2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de
Abw
wordt aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als
zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep
levensvatbaar is, gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene
bijstand verleend.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de
Abw
heeft deze bijstand,
indien aan een zelfstandige op grond van artikel
8, anders dan ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt
verleend, voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in
maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de hoogte van deze
bijstand, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de
in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, definitief
vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige
een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te
boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.
5.2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder
c, van het
Bbz wordt onder boekjaar verstaan: de periode van twaalf maanden
waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd.
Ingevolge
artikel 1, aanhef en onder
f, van het
Bbz
wordt onder
jaarnorm verstaan: de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som
van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1,
paragraaf 2 en 3, van de wet en de verleende bijzondere bijstand.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het
Bbz
nemen burgemeester
en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de
verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van
de wet,
nadat zij het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep
definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, indien de
verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende
boekjaar behaalde netto-inkomen:
a. minder is dan de jaarnorm, ambtshalve voor het verschil
bijstand verleend, met dien verstande dat de in totaal te verlenen
bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar
evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende
boekjaar bijstand is verleend. De als geldlening verstrekte
bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;
b. gelijk is aan de jaarnorm, de als geldlening verstrekte
bijstand omgezet in een bedrag om niet;
c. meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het
verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening
verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.
5.3. Als uitgangspunt geldt, zoals ook in de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is neergelegd, dat
geen bijstand wordt verleend over een periode die voorafgaat aan
de datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan
slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit
rechtvaardigen.
De rechtbank is echter niet gebleken dat zich in dit geval
dergelijke bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.
5.3.1. Dat het in dit geval gaat om verlening van
algemene bijstand aan een zelfstandige betekent niet dat het
hiervoor weergegeven uitgangspunt niet zou gelden. De rechtbank
heeft hiervoor noch in de Abw,
noch in het
Bbz
enige aanwijzing
kunnen vinden.
Gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onderdeel
a, van het
Bbz
gaan ook de wettelijke voorschriften uit van de mogelijkheid
van bijstandverlening over een periode die niet gelijk valt met
het boekjaar.
5.3.2. Eisers beroep op de uitspraak van de Centrale
Raad van beroep van 16 mei 2000, nr. 99/136 NABW (JABW 2000, 102),
slaagt niet, alleen al omdat in dat geval sprake was van verlening
van bijstand met toepassing van de artikelen
5, 6, 8 en 9 van het
Bbz
en niet, zoals in dit geval, met toepassing van artikel
10 van
het
Bbz.
5.3.3. In het aanvraagformulier van 19 maart 1996 heeft
eiser aangegeven dat zijn keuzejaar, dat is blijkens de gegeven
toelichting het jaar waarover hij de periodieke uitkering wil
hebben, 1995 is. De vraag op het formulier om toelichting op die
keuze voor 1995 heeft eiser niet ingevuld.
Het gegeven dat eiser de bijstandsuitkering over 1995 en dus met
terugwerkende kracht wenste te verkrijgen, acht de rechtbank geen
reden om te oordelen dat op het hiervoor gegeven uitgangspunt een
uitzondering moet worden gemaakt.
5.3.4. Dat het voor eiser gunstiger is om 1 januari
1996 als ingangsdatum te nemen, acht de rechtbank
ten slotte ook
geen bijzondere omstandigheid.
5.4. De conclusie is dat verweerder op goede gronden
heeft gekozen voor 19 maart 1996 als ingangsdatum van eisers recht
op bijstand. Het beroep is dus ongegrond.
5.5. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling ten gunste van eiser.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.
Verweel als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus
2002 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier,
Het lid van de enkelvoudige kamer,
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan
gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van
verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van
de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van
Beroep, postbus
16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist
vindt.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6090 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Alkmaar |
| Zaaknummer: |
01/58
NABW |
| Datum
uitspraak: |
18
april 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3 en 84
Abw (= 3
en 59 Wwb)
/
7:11 Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; terugvordering; hoofdelijk
aansprakelijke; onderhoudsplichtige; rechtsbevoegdheid; EVRM;
ontvankelijkheid bezwaar |
| Essentie: |
Onterechte
niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het
terugvorderingsbesluit gericht aan betrokkene als hoofdelijk
aansprakelijke voor aan zijn echtgenote (van wie hij in de
periode in geding gescheiden leefde) ten onrechte verleende
bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem als
onderhoudsplichtige, omdat hij, overeenkomstig het EVRM, wél
rechtsbevoegd is de terugvordering te bestrijden.
Hoofdelijkaansprakelijkstelling is eerst mogelijk met ingang van
31 december 1998, de datum van wijziging van artikel 84 Abw ter
zake. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Alkmaar 01/58 NABW
U I T S P R A A K
op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente Schagen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Het besluit van verweerder van 28 november 2000.
2. Zitting
Datum: 24 januari 2002.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J.
Wedemeijer, advocaat te Alkmaar.
Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij
gemachtigde H. de Ruiter, ambtenaar bij verweerders
gemeente.
3. Feiten die de rechtbank als vaststaand
aanneemt
Bij besluit van 4 april 2000, verzonden op 3 mei 2000, heeft
verweerder de bijstandsuitkering van [echtgenote], echtgenote van
eiser, met ingang van 9 december 1998 ingetrokken en de in de
periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 aan haar ten
onrechte uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage
van ƒ34.602,35 teruggevorderd.
Eveneens bij besluit van 4 april 2000, verzonden op 3 mei 2000,
heeft verweerder de aan eisers echtgenote in de periode 9 december
1998 tot en met 31 januari 2000 ten onrechte uitgekeerde
periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van ƒ34.602,35
teruggevorderd van eiser.
Tegen dit laatste besluit is namens eiser bij brief van 26 mei
2000, door verweerder ontvangen op 29 mei 2000, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 november 2000, verzonden op 6 december 2000,
heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 4 januari 2001,
bij de rechtbank ingekomen op die dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 10 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift
en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
5.1. Het inhoudelijke geschil tussen partijen betreft
de vraag of verweerder met recht de aan eisers echtgenote in de
periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 uitgekeerde
periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van ƒ34.602,35
terugvordert van eiser. Eerst moet de rechtbank echter de vraag
beantwoorden of verweerder eisers bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.1.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit
op het standpunt gesteld dat eisers bezwaar zich feitelijk keert
tegen verweerders besluit van 4 april 2000 waarbij met
terugwerkende kracht vanaf 9 december 1998 het recht op bijstand
van eisers echtgenote is ingetrokken. Bij dat besluit, stelt
verweerder, is eiser volgens jurisprudentie van de Centrale Raad
van Beroep geen belanghebbende. Daarom behoeft verweerder alleen
de vragen te beantwoorden of de aan eisers echtgenote ten onrechte
verstrekte bijstand op juiste gronden mede is teruggevorderd van
eiser en of het nadeelbedrag juist is berekend. Deze vragen
beantwoordt verweerder bevestigend. Dringende redenen om af te
zien van terugvordering zijn verweerder ten slotte niet gebleken.
5.1.2. Eiser heeft in beroep - kort weergegeven -
aangevoerd dat zijn bezwaar zich keerde tegen het tot hem gerichte
terugvorderingsbesluit en niet tegen het intrekkings- en
terugvorderingsbesluit van dezelfde datum dat gericht was aan zijn
echtgenote, zodat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is
verklaard. Verder stelt eiser dat ook hem, in deze procedure, het
recht toekomt om te weerleggen dat de reden voor intrekking en
terugvordering van de aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand -
namelijk dat eiser en zijn echtgenote gedurende de betrokken
periode een gezamenlijke huishouding zouden hebben gevoerd -
onjuist is. Eiser licht ook toe waarom van zo'n huishouding geen
sprake was en voert nader bewijs aan. Ten slotte wijst eiser erop
dat hem ook ingevolge artikel 6 van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (hierna: het EVRM) in samenhang met artikel 1 van het
Protocol van 20 maart 1952 bij dit verdrag het recht toekomt te
bestrijden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dit
te laten toetsen door een onpartijdige rechter.
5.1.3. Verweerder heeft de terugvordering van eiser
gebaseerd op artikel 84, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet (hierna: de Abw).
Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de
Abw, zoals dit luidt
vanaf 31 december 1998, worden, indien de bijstand op grond van
artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten
worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de
belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, niet of
niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van
bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als
bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand
rekening had moeten worden gehouden.
5.2. Voor de beoordeling van het geschil ontleent de
rechtbank aan de gedingstukken de volgende feiten en
omstandigheden.
Eiser en zijn echtgenote, beiden van Iraanse nationaliteit, zijn
in 1981 gehuwd. Zij hebben twee kinderen. In verband met
huwelijksproblemen heeft eisers echtgenote met haar jongste kind
in februari 1998 de gemeenschappelijke woning aan de [adres]
verlaten. Vanaf 25 november 1998 woont zij met beide kinderen aan
de [adres].
Met ingang van 9 december 1998 heeft verweerder eisers echtgenote
een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een
alleenstaande ouder, vermeerderd met een toeslag van 20% van het
geldende minimumloon.
Naar aanleiding van informatie van de zijde van de gemeente
Harenkarspel - inhoudende dat eiser en zijn echtgenote regelmatig
samen werden gesignaleerd - heeft verweerder het Regionaal Bureau
Sociale Recherche bij brief van 13 januari 1999 verzocht een
onderzoek in te stellen naar frauduleus handelen. Het eindrapport
van dit onderzoek is gedateerd 29 februari 2000. De conclusie
ervan is dat eiser vanaf begin december 1998 zijn feitelijke
hoofdverblijf in de woning van zijn echtgenote aan de [adres] had.
Bij beschikking van 9 maart 2000 heeft de Rechtbank Alkmaar, op
het op 13 oktober 1999 ingekomen verzoek van eisers echtgenote
daartoe, de scheiding van tafel en bed tussen eiser en zijn
echtgenote uitgesproken.
Bij besluit van 4 april 2000 heeft verweerder het recht op
bijstand van eisers echtgenote vanaf 9 december 1998 ingetrokken
en de aan haar in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari
2000 uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand teruggevorderd.
Bij besluit van 28 november 2000, de datum waarop ook het in deze
procedure bestreden besluit is genomen, heeft verweerder het
bezwaar van eisers echtgenote tegen dit aan haar gerichte
intrekkings- en terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.
5.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers
bezwaar zich duidelijk keerde tegen het tot hem gerichte
terugvorderingsbesluit. Dat eiser in bezwaar ook aanvoerde dat
verweerder ten onrechte was uitgegaan van een gezamenlijke
huishouding van hem en zijn echtgenote maakt dit niet anders. Het
aanvoeren van argumenten die niet ter zake doen - nog daargelaten
of eiser dat heeft gedaan - is geen reden om een bezwaar
niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien de rechtbank ook verder
niet is gebleken van enige reden voor niet-ontvankelijkverklaring
van eisers bezwaar komt het bestreden besluit voor vernietiging in
aanmerking omdat het is genomen in strijd met artikel
7:11, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zo
begrijpt de rechtbank, ook op het standpunt gesteld dat eiser de
reden voor intrekking van het recht op uitkering van zijn
echtgenote niet kan aanvechten. De rechtbank acht dit standpunt
onjuist.
5.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit
geding - over de terugvordering van eiser van aan zijn echtgenote
uitgekeerde bijstand - sprake van een geschil ter zake van "civil
rights and obligations" in de zin van artikel 6, eerste lid,
van het EVRM. Dit impliceert dat aan de elementaire eisen die uit
artikel 6 van het EVRM voortvloeien recht moet worden gedaan.
Hiertoe behoort dat "the merits of the matter" ter
toetsing kunnen worden voorgelegd aan een onpartijdige rechter.
5.4.2. Terugvordering van eiser van de aan eisers
echtgenote uitgekeerde bijstand is, gezien artikel
84, tweede lid,
van de Abw, alleen mogelijk indien sprake is van ten onrechte
gemaakte kosten van bijstand. De vraag of er sprake is van ten
onrechte aan eisers echtgenote uitgekeerde bijstand behoort naar
het oordeel van de rechtbank dan ook tot "the merits of the
matter". Dat hierover al bij een ander besluit is beslist -
namelijk bij het tot eisers echtgenote gerichte intrekkingsbesluit,
waarbij eiser niet als belanghebbende in de zin van de Algemene
wet bestuursrecht is aan te merken - maakt dit niet anders.
Juist
omdat eiser geen belanghebbende in hiervoor bedoelde zin is bij
dat intrekkingsbesluit, is hij niet in de gelegenheid om de vraag
of er sprake is van ten onrechte aan zijn echtgenote uitgekeerde
bijstand in een procedure over dat intrekkingsbesluit ter toetsing
voor te leggen aan de rechter.
5.4.3. Uit het voorgaande volgt dat nu eiser het in
geding zijnde terugvorderingsbesluit aanvecht, hij daarbij de
vraag aan de orde mag stellen of er wel sprake is van ten onrechte
gemaakte kosten van bijstand. Als vervolgens moet worden
geoordeeld dat dat niet het geval is, komt daarmee de grondslag
aan het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit te ontvallen.
Verweerder zal bij het opnieuw besluiten op eisers bezwaar dus ook
aandacht moeten besteden aan hetgeen eiser op dit punt aanvoert.
Nu verweerder heeft nagelaten dat te betrekken bij de
heroverweging die tot het bestreden besluit heeft geleid, is het
bestreden besluit ook in zoverre genomen in strijd met artikel
7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.5. De rechtbank merkt overigens op dat verweerder
voor de intrekking van het recht op bijstand van eisers echtgenote
ten onrechte van belang heeft geacht dat eiser en zijn echtgenote
gedurende de betrokken periode een gezamenlijke huishouding zouden
hebben gevoerd. De rechtbank verwijst hier naar haar uitspraak van
heden, reg.nr. 00/1964 NABW, inzake het geschil tussen eisers
echtgenote en verweerder over de intrekking van het recht op
bijstand van eisers echtgenote en de terugvordering van ten
onrechte uitgekeerde bijstand (die uitspraak is aan deze uitspraak
gehecht).
5.6. In de tot 31 december 1998 geldende tekst van
artikel 84, tweede lid, van de Abw
ontbraken de woorden "aan
gehuwden". Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep - de rechtbank verwijst naar de uitspraak van 10 april
2001, RSV 2001, 142 - biedt de tot 31 december 1998 geldende tekst
van artikel 84, tweede lid, van de Abw
geen basis voor
terugvordering mede van de persoon met wiens middelen bij de
verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat
naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is
verleend. Gezinsbijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder
is immers ook gezinsbijstand. Aan de voorwaarde voor toepassing
van deze bepaling is dus niet voldaan omdat het verlenen van
gezinsbijstand niet achterwege is gebleven.
De toevoeging van "aan gehuwden" in de tekst van deze
bepaling heeft dit anders gemaakt. Aan de voorwaarde voor
toepassing is, anders dan daarvoor, vanaf 31 december 1998 voldaan
indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten
worden verleend, maar dat achterwege is gebleven.
5.6.1. Vaststaat dat eisers echtgenote van 9 december
1998 tot en met 31 januari 2000 gezinsbijstand naar de norm voor
een alleenstaande ouder heeft ontvangen. Terugvordering ingevolge
artikel 84, tweede lid, van de Abw
is, gelet op het voorgaande,
pas mogelijk vanaf 31 december 1998. Verweerder heeft dus ten
onrechte de aan eisers echtgenote in de periode 9 tot 31 december
1998 uitgekeerde bijstand van eiser teruggevorderd.
5.6.2. Het bestreden besluit komt daarom ook voor
vernietiging in aanmerking omdat het is genomen in strijd met
artikel 84 van de Abw.
5.7. Gezien de overwegingen hiervoor is het beroep
gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd omdat het
is genomen in strijd met de artikelen 7:11 van de
Algemene wet bestuursrecht en 84 van de
Abw.
5.8. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te
veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn
beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, met
toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€|644,- voor door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank met toepassing van het
bepaalde in de bijlage bij dit besluit zowel voor het opstellen
van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting 1 punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als
gemiddeld.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op
eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast dat de gemeente aan eiser het voor de
behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht van
€|27,23 (ƒ60,-) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser voor de
behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€|644,-;
- wijst de gemeente Schagen aan als de rechtspersoon
die de proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van het griffierecht en de
proceskosten dient te worden gedaan aan eiser.
Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Verweel als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2002 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van mr.
P.H. Lauryssen
als griffier.
De griffier,
Het lid van de enkelvoudige kamer,
Verzonden op: 30 juli 2002.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan
gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van
verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van
de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van
Beroep, postbus
16002, 3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist
vindt.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6141 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
01/42 NABW |
| Datum
uitspraak: |
13
maart 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14,
70 en 113
Abw (= 18,
– en 9 Wwb)
/ 7:12,
8:10
en
8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; schending arbeidsverplichtingen; verzwaring; recidive;
motivering |
| Essentie: |
Terechte
oplegging maatregel van 35% gedurende (wegens verzwaring en
recidive) twee maanden, omdat betrokkene stelselmatig
arbeidsverplichtingen heeft geschonden. Betrokkenes echtgenote
kan geen verwijt worden gemaakt, daar de aan haar opgelegde
arbeidsverplichtingen onduidelijk zijn geformuleerd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 01/42 NABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser 1 en eiser 2]. echtgenoten, wonende te [woonplaats],
eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Lisse, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 5 juni 2000, verzonden op 15 juni 2000, heeft
verweerder eisers uitkering krachtens de Algemene
bijstandswet (Abw) voor de duur van twee maanden, ingaande 1 juni 2000,
geweigerd, waarbij de omvang van de weigering is vastgesteld op 99%
van de uitkering.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 12 juli 2000 een
bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Eisers zijn op 10 oktober
2000 omtrent hun bezwaren gehoord.
Bij besluit van 27 november 2000, verzonden op 28 november 2000,
heeft verweerder de bezwaren van eisers gedeeltelijk gegrond
verklaard en de opgelegde maatregel gewijzigd in een weigering van
de uitkering voor de duur van twee maanden, waarbij de omvang van de
weigering is vastgesteld op 50%.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 3 januari 2001
beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting door de enkelvoudige kamer van
deze rechtbank op 2 oktober 2001. Eiser is in persoon verschenen,
bijgestaan door zijn advocaat mr. J.A. Korver. Verweerder heeft
zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde W. Sierevogel.
Op 3 oktober 2001 heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank
besloten de zaak voor behandeling door te verwijzen naar de
meervoudige kamer.
Het beroep is door de meervoudige kamer van deze rechtbank
behandeld op 31 januari 2002. Eiser is in persoon verschenen,
bijgestaan door zijn advocaat mr. J.A. Korver. Verweerder heeft
zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde B. Blonk.
2. Motivering
In geschil is of de aan eisers opgelegde maatregel, voor zover in
het besluit op bezwaar gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
Ter beantwoording van deze vraag zijn de navolgende wettelijke
bepalingen en voorschriften van belang.
Artikel 14 van de Abw, voor zover van belang, bepaalt:
"1. Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de
bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het
verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de
verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet binnen de
door burgemeester en wethouders daarvoor vastgestelde termijn is
nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel
8,
zesde lid, onderdel b, artikel 65, derde of vierde lid,
artikel 70,
vierde lid, of een op grond van hoofdstuk
VIII aan de bijstand
verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen,
weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel
of gedeeltelijk.
2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op
de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
(...)
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen
burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen
van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
het eerste en het tweede lid nadere regels worden gesteld."
Artikel 70 van de Abw, voor zover van belang, bepaalt:
"1. Bij een besluit tot toekenning of voortzetting van bijstand
wordt ten minste mededeling gedaan van:
(...)
b. de verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk
VIII die in het
betrokken geval aan de bijstand zijn verbonden.
2. Bij een besluit tot wijziging van bijstand wordt ten minste
mededeling gedaan van de wijziging en de op die wijziging
betrekking hebbende gewijzigde verplichtingen. Voorts wordt,
indien daarvoor aanleiding bestaat, in het besluit nogmaals
mededeling gedaan van de eerder aan de bijstand verbonden
verplichtingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a en b.
(...)"
Artikel 113 (zoals dit artikel luidde vóór 1 januari 2002) van de
Abw,
voor zover van belang, bepaalt:
"1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in
het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is
verplicht:
a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te
verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen dat hij als werkzoekende geregistreerd is
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op
grond van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
c. passende arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die
noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet
inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen
van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een
aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
(...)"
Artikel 2 van het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit), bepaalt:
“Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel
14, eerste lid, van de Abw, onderscheidenlijk bij de toepassing
van artikel 20, vierde lid, van de Ioaw
en artikel 20, eerste lid, van de Ioaz, de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd
artikel 14, tweede en derde lid, van de Abw,
onderscheidenlijk
artikel 20, vijfde en zesde lid, van
de Ioaw en de Ioaz.”
Artikel 3 (zoals dit artikel luidde vóór 1 januari 2002)
van het
Maatregelenbesluit, voor zover van
belang, bepaalt:
"De gedragingen, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de Abw,
worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. eerste categorie:
a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, dan wel de inschrijving niet of
niet tijdig doen verlengen;
(...)
2. tweede categorie:
a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te
verkrijgen;
(...)
3. derde categorie:
a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
(...)"
Artikel 5 van het Maatregelenbesluit, voor zover van belang,
bepaalt:
"1. De weigering, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw,
wordt vastgesteld op:
a. 5 procent van de bijstand gedurende één maand bij
gedragingen van de eerste categorie;
b. 10 procent van de bijstand gedurende één maand bij
gedragingen van de tweede categorie;
c. 20 procent van de bijstand gedurende één maand bij
gedragingen van de derde categorie;
(...)
2. De periode van weigering van de bijstand, genoemd in het eerste
lid, wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf
maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw
schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
hogere categorie."
Eisers worden de volgende gedragingen verweten:
a. Eiser heeft zich belemmerend gedragen ten aanzien
van de inschakeling in de arbeid, doordat hij bij zijn
sollicitatie naar een vacature bij de BV [bedrijf], die was
opengesteld per 27 april 2000, heeft aangegeven pas per 8 mei 2000
te willen beginnen en per 10 juli 2000 te stoppen in verband met
een voorgenomen vakantie. Weliswaar kan, gelet op de
tegenstrijdige verklaringen van werkgever/arbeidsbureau en eiser
niet worden vastgesteld dat eiser passende arbeid heeft geweigerd,
aldus verweerder, maar wel dat eiser zich onvoldoende flexibel
heeft opgesteld. Dit is een gedraging van de derde categorie
(20%).
b. Eiseres heeft zich niet ingeschreven bij het
arbeidsbureau en heeft geen sollicitaties verricht en heeft
bovendien verklaard zich niet beschikbaar te willen stellen voor
arbeid. Daardoor heeft eiseres niet naar vermogen getracht
passende arbeid te verwerven, hetgeen een gedraging is van de
tweede categorie (10%).
c. Eiseres heeft zich niet ingeschreven bij het
arbeidsbureau, hetgeen een gedraging is van de eerste categorie
(5%).
d. Eiser heeft in de periode van 15 februari 2000 tot
mei 2000 slechts twee sollicitaties verricht. Niet gebleken is dat
eiser - via een uitzendbureau - mondelinge sollicitaties heeft
verricht. Eiser heeft bovendien aangegeven niet via uitzendbureaus
te willen werken. Daardoor heeft eiser niet naar vermogen getracht
passende arbeid te verwerven, hetgeen een gedraging is van de
tweede categorie (10%).
e. Eiser heeft zijn inschrijving bij het arbeidsbureau
niet tijdig verlengd, waardoor hij van 16 tot 27 oktober 1999 niet
als werkzoekende was ingeschreven. Dit is een gedraging van de
eerste categorie (5%).
Verweerder heeft aan het bestreden besluit voorts het volgende ten
grondslag gelegd:
- bij het opleggen van de maatregel is rekening
gehouden met de ernst van de gedragingen, de mate van
verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van
belanghebbenden;
- er is sprake van meerdere maatregelwaardige
gedragingen door beide belanghebbenden;
- op grond van de Wet boeten, maatregelen
en terug- en invoering sociale zekerheid kunnen
meerdere verschillende maatregelwaardige gedragingen middels
cumulatie van de op grond van het Maatregelenbesluit van
toepassing zijnde maatregelen op hetzelfde moment worden
gesanctioneerd ;
- cumulatie van de verschillende van toepassing zijnde
maatregelen leidt tot één maatregel van 50%, bestaande uit 5%
plus 5% plus 10% plus 10% plus 20%, wegens het respectievelijk
niet tijdig verlengen van de inschrijving bij het arbeidsbureau
door eiser, het zich niet laten inschrijven bij het arbeidsbureau
door eiseres, het niet naar vermogen trachten passende arbeid te
verkrijgen door eiser, het niet naar vermogen trachten passende
arbeid te verkrijgen door eiseres, het zich belemmerend gedragen
ten aanzien van de inschakeling in arbeid door eiser;
- op grond van artikel 14, tweede lid, van de
Abw
is
een verdubbeling van de maatregel van 50% tot een periode van twee
maanden te rechtvaardigen, gelet op het verleden van stelselmatig
verzuim van de aan de bijstandsuitkering verbonden verplichtingen
en het grote aantal getoonde verzuimen dat aan de cumulatieve
maatregel ten grondslag ligt.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit het volgende ingebracht.
Eiser is van mening zich niet belemmerend te hebben gedragen
inzake de arbeidsinschakeling. Volgens hem was er met de werkgever
overeenstemming ten aanzien van de ingangsdatum van de
werkzaamheden alsmede over de geplande vakantie. Het feit dat de
werkgever iemand anders heeft aangenomen, is hem niet te verwijten.
Eisers zijn verder van mening dat zij zich voldoende hebben
ingespannen om arbeid te verkrijgen. De maatregel is ten onrechte
toegepast. Indien er sprake is van verwijtbaar gedrag, dan zijn
eisers van mening dat dit geen maatregel van 50% rechtvaardigt.
Voorts zijn eisers van mening dat verweerder het niet ingeschreven
hebben gestaan door eiser bij het arbeidsbureau over de periode
van 16 oktober 1999 tot 27 oktober 1999 niet mee kon nemen gelet
op het tijdsverloop tussen deze gedraging en besluitvorming over
de arbeidsverplichtingen van eiser. Voorts zijn eisers van mening
dat de maatregelen ten aanzien van eiseres ingetrokken dienen te
worden aangezien de arbeidsverplichtingen uitsluitend voor eiser
gelden.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 15 februari 2000 aan
eisers de arbeidsverplichtingen als volgt zijn opgelegd:
"- de opgelegde arbeidsplicht voor 28 uur per week
voor de heer [eiser 1] handhaven;
- mevrouw [eiser 2] eveneens de arbeidsplicht op te
leggen;
- belanghebbenden zelf te laten bepalen wie de
arbeidsplicht op zich neemt."
Voorts stelt de rechtbank dat eiser reeds bekend was met de
arbeidsverplichtingen en dat eiseres bij dit besluit voor het
eerst de arbeidsverplichtingen opgelegd kreeg.
Gelet op het bepaalde in het voornoemde artikel 70 van de
Abw
diende verweerder in het besluit tot oplegging van de
arbeidsverplichtingen aan eiseres, nu zij deze verplichtingen voor
het eerst opgelegd kreeg, precies mee te delen wat deze
verplichtingen inhielden. De rechtbank is van oordeel dat
verweerder door aan te geven dat eisers zelf konden bepalen wie
van hen de arbeidsplicht op zich zou nemen de omvang van de
arbeidsverplichtingen voor eiseres dermate onduidelijk heeft
geformuleerd dat het de rechtbank niet onbegrijpelijk voorkomt dat
eiseres zich niet heeft gerealiseerd dat zij zich diende in te
schrijven bij het arbeidsbureau
alsmede dat zij diende te solliciteren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres
genoemde gedragingen niet verweten kunnen worden.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de vaststelling van
de omvang van de weigering ten onrechte rekening gehouden met
genoemde verwijtbare gedragingen die aan eiseres toegerekend zijn
en kan het bestreden besluit niet in stand blijven wegens strijd
met artikel 7:12, eerste lid, van de
Awb.
Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor
vernietiging in aanmerking.
Aangezien verweerder met toepassing van artikel
14, tweede lid,
van de Abw gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire
bevoegdheid om de zwaarte van de maatregel te individualiseren,
ziet de rechtbank geen ruimte om met toepassing van artikel
8:72,
vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Verweerder
wordt opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Ten behoeve
hiervan overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden en
terecht de volgende verwijtbare gedragingen bij eiser heeft
vastgesteld:
Eiser heeft bij zijn sollicitatie naar een vacature bij de BV
[bedrijf],
die was opengesteld per 27 april 2000, zich te beperkt opgesteld
door te stellen niet eerder dan per 8 mei 2000 te willen beginnen.
Eiser heeft ook niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat BV
]bedrijf] akkoord was met een latere arbeidsaanvaarding.
Eiser heeft niet naar vermogen getracht passende arbeid te
verwerven. Hij heeft in de periode van 15 februari 2000 tot mei
2000 slechts twee sollicitaties verricht. Voorts heeft eiser
aangegeven niet via uitzendbureaus te willen werken.
Eiser stond van 16 tot 27 oktober 1999 niet als werkzoekende
ingeschreven bij het arbeidsbureau. Nu verweerder eiser in verband
met deze uitschrijving nog geen maatregel had opgelegd en het
tijdsverloop tussen de uitschrijving en de maatregel circa acht maanden
bedraagt, heeft verweerder terecht met deze verwijtbare gedraging
rekening gehouden.
Op grond van bovengenoemde verwijtbare gedragingen was verweerder
ingevolge artikel 14, eerste lid, van de
Abw gehouden een
maatregel toe te passen. Aangezien de verwijtbare gedragingen
opgenomen zijn in het Maatregelenbesluit, is verweerder in
beginsel gehouden dit Maatregelenbesluit toe te passen. De drie te
onderscheiden verwijtbare gedragingen zouden op grond van het
Maatregelenbesluit opgeteld tot een maatregel van 35% leiden,
namelijk 20% in verband met de gedraging die de inschakeling in de
arbeid belemmerde, 10% in verband met het niet naar vermogen
trachten passende arbeid te verkrijgen en 5% in verband met het
niet tijdig doen verlengen van de inschrijving bij het arbeidsbureau.
Eiser heeft eerder, bij besluit van 16 februari 2000, een
maatregel opgelegd gekregen in verband met het in onvoldoende mate
meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk
geachte scholing of opleiding. Deze verwijtbare gedraging valt
onder categorie 3 van het Maatregelenbesluit. Gelet op het
bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit komt
de periode van weigering ten aanzien van de opgelegde maatregel
van 20% voor verdubbeling in aanmerking.
Verweerder heeft de periode van weigering ten aanzien van alle
drie de maatregelen verdubbeld onder toepassing van artikel
14,
tweede lid, van de Abw. Hiertoe is verweerder overgegaan gelet op
het stelselmatig verzuim van de aan de bijstandsuitkering
verbonden verplichtingen en het grote aantal getoonde verzuimen
dat aan de cumulatieve maatregel ten grondslag ligt. Naar het
oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee geen onjuiste
toepassing gegeven aan artikel 14, tweede lid, van de
Abw en staat
een maatregel van 35% gedurende twee maanden rekening houdend met
het stelselmatig verzuim door eiser van de aan de
bijstandsuitkering verbonden verplichtingen in redelijke
verhouding tot de verwijtbare gedragingen waaraan eiser zich
schuldig heeft gemaakt.
De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing
van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de door eisers in
verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze
kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht
vastgesteld op
€|805,-, te weten
€|322,- voor
het indienen van een beroepschrift door een advocaat,
€|322,-
voor het verschijnen bij de eerste zitting door een advocaat en
€|161,- voor het verschijnen bij de tweede zitting door een
advocaat bij een zaak van gemiddeld gewicht.
Aangezien ten behoeve van eisers ter zake van dit beroep een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,
dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de
Awb
de
betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
3. Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Lisse als rechtspersoon aan eisers het
door hen betaalde griffierecht, te weten
€|27,23 vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van
€|805,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier moet
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. L.P. Bosma, A.A.M. Mollee en F.J. Verbeek,
en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2002, in
tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.
Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IWwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6166 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
02/2118
NABW en 02/2156 NABW-VV |
| Datum
uitspraak: |
25
juni 2002 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en hoger beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
23
en 83 Abw
(= 7 IWwb
en 58 Wwb)
/
1:3 en 8:3 Awb |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
inkomstenverrekening; bijstand om niet; geldlening;
terugvordering; publiekrechtelijke rechtshandeling;
ontvankelijkheid bezwaar |
| Essentie: |
Onterechte
niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen terugvordering van als
zelfstandige te veel ontvangen bijstand, omdat een beslissing van een bestuursorgaan tot eerder in het
kader van zijn bestuursrechtelijke taken en bevoegdheden gedane
financiële verstrekking (i.c. een geldlening) dient te worden aangemerkt als een
besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb en niet als een besluit ter voorbereiding
van een privaatrechtelijke rechtshandeling. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 02/2118
NABW en 02/2156 NABW-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van
artikel 8:81 van die wet in samenhang met
artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Inleiding
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift van 2 april 2002
vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Maastricht op 26 februari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
In dezelfde brief is verzocht om toepassing van het bepaalde in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Namens gedaagde heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te
Valkenburg aan de Geul, een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar
verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts,
werkzaam bij de gemeente
Maastricht, terwijl voor gedaagde is
verschenen mr. Kreutzkamp voornoemd.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en
artikel 21 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de
Awb kan, indien
tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18
van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met
artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep
voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van
oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet
kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk
uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van
het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig
om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.
De voorzieningenrechter gaat op grond van de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Aan gedaagde is bij besluiten van achtereenvolgens 4 maart 1996, 6
februari 1997, 15 juli 1997 en 20 februari 1998, voor zover hier
van belang, telkens gedurende zes maanden bijstand ter voorziening
in de kosten van levensonderhoud toegekend ingevolge het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). In deze besluiten is onder
meer meegedeeld dat de bijstand verstrekt wordt onder toepassing
van artikel 23 van de Abw
en artikel 10 van het Bbz in de vorm van
een lening en pas definitief wordt vastgesteld na ontvangst van de
desbetreffende jaarstukken.
Bij besluit van 17 januari 2000 (lees: 2001) heeft verzoeker, voor
zover hier van belang, de bijstand over de jaren 1997 en 1998
definitief vastgesteld. Daarbij zijn de in die jaren verstrekte
leningen, die in totaal ƒ33.724,62 hebben bedragen, tot een
bedrag van ƒ27.205,00 omgezet in een bedrag om niet en is
gedaagde verzocht het resterende bedrag van ƒ6519,62 binnen 30
dagen terug te betalen.
Bij besluit van 11 april 2001 heeft verzoeker de door gedaagde
tegen het besluit van 17 januari 2001 ingediende bezwaren, welke
gericht zijn tegen de vaststelling dat het hiervoor vermelde
bedrag moet worden terugbetaald, niet-ontvankelijk verklaard.
Daartoe heeft verzoeker overwogen dat het besluit tot
terugvordering is aan te merken als een besluit ter voorbereiding
op een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel
8:3 van de Awb.
De rechtbank heeft het beroep dat namens gedaagde tegen het
besluit van 11 april 2001 is ingesteld gegrond verklaard, dit
besluit vernietigd, verzoeker opgedragen een nieuw besluit te
nemen op het bezwaarschrift van 23 februari 2001 en beslissingen
gegeven inzake de vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen
(waarbij verzoeker als verweerder en gedaagde als eiser is
aangeduid):
"Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de
Abw worden kosten
van bijstand verleend in de vorm van geldlening ingevolge deze
paragraaf van de belanghebbende teruggevorderd indien hij de
hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk
nakomt.
Nu de onderhavige geldlening, weliswaar bij publiekrechtelijk
toekenningsbesluit, doch (mede) op grond van een
privaatrechtelijke overeenkomst (leenovereenkomst) is verstrekt,
ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of de beoordeling
van de onderhavige terugvordering bestuursrechtelijk dan wel
civielrechtelijk dient te geschieden.
Indien de bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt,
doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor
waarop specifieke regels die betrekking hebben op een dergelijke
lening, in casu de Algemene bijstandswet
(Abw) en de Bbz, alsmede
de eventueel in het toekenningsbesluit vermelde verplichtingen en
de in de overeenkomst van geldlening opgenomen verplichtingen, bij
voorrang op de algemene regels omtrent geldleningen, van
toepassing moeten worden geacht.
De rechtbank stelt vast dat voor de terugvordering van
leenbijstand een specifiek artikel in de terugvorderingsparagraaf
van de Abw is opgenomen, te weten artikel 83 van de
Abw. De
rechtbank stelt voorts vast dat de gelden zijn verstrekt op grond
van een daartoe strekkend toekenningsbesluit in de zin van artikel
1:3 van de Awb en tevens zijn teruggevorderd middels een besluit
in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Op grond van het vorenstaande is de onderhavige terugvordering een
bestuursrechtelijke aangelegenheid en was verweerder derhalve wel
bevoegd om van de terugvordering van bijstand die is verstrekt in
de vorm van een geldlening kennis te nemen. Verweerder dient dan
ook alsnog inhoudelijk op het bezwaarschrift van eiser te
beslissen.
Op grond van bovenstaande concludeert de rechtbank
dat verweerder
ten onrechte is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring.
Dit betekent dat het beroep voor gegrond gehouden moet worden
onder een gelijktijdige vernietiging van het bestreden besluit.
Hetgeen verder is aangevoerd, heeft de rechtbank niet tot een ander
oordeel geleid."
Verzoeker heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep
gemotiveerd bestreden.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Indien aan een zelfstandige bijstand wordt verstrekt in de kosten
van levensonderhoud, heeft de bijstand gelet op het bepaalde in
artikel 23, eerste en tweede lid, van de Abw
voorlopig de vorm van
een renteloze geldlening. Zodra het inkomen bekend is over het
boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is
verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld
en vindt, voor zover de zelfstandige geen in aanmerking te nemen
vermogen heeft, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om
niet.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het
Bbz nemen burgemeester
en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de
verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van
de wet,
nadat zij het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep
definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder
c, van het Bbz
wordt, indien de verleende bijstand vermeerderd met het in het
desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen meer is dan de
jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd
en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet
in een bedrag om niet. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling
blijkt dat, indien op jaarbasis te veel bijstand is verstrekt, de
resterende lening dient te worden terugbetaald.
Het primaire besluit van 17 januari 2001 houdt in de definitieve
vaststelling van het recht op bijstand als bedoeld in artikel
10 van het Bbz over 1997 en 1998, de omzetting van een deel van de in
die jaren voorlopig verstrekte bijstand in de vorm van een
geldlening in een uitkering om niet en - als uitvloeisel daarvan -
de vaststelling dat het resterende deel, te weten een bedrag van
ƒ6519,62, binnen 30 dagen moet worden terugbetaald.
De voorzieningenrechter leidt uit het besluit op bezwaar af dat
verzoeker met deze laatste vaststelling in feite een beslissing
heeft genomen tot terugvordering van de aan gedaagde toegekende
leenbijstand tot een bedrag van ƒ6519,62. Naar vaste rechtspraak
dient een beslissing van een bestuursorgaan tot eerder in het
kader van zijn bestuursrechtelijke taken en bevoegdheden gedane
financiële verstrekking te worden aangemerkt als een beslissing
als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de
Awb. Hierin ligt
tevens besloten dat, anders dan verzoeker heeft aangenomen, geen
sprake is van een besluit ter voorbereiding van een
privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat het besluit betrekking
heeft op terugvordering van in de vorm van een geldlening
verstrekte bijstand leidt niet tot een ander oordeel. In dit
verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat het arrest van de
Hoge Raad van 26 maart 1999, nr. R 98/082 HR, onder meer
gepubliceerd in JVB 1999/222, waarnaar verzoeker ter ondersteuning
van zijn beroep heeft verwezen, slechts ziet op de vraag welke
verjaringstermijn van toepassing is op de vordering tot
terugbetaling van bij wijze van geldlening verstrekte bijstand
voor bedrijfskapitaal.
Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter evenals de rechtbank
tot het oordeel dat verzoeker de bezwaren tegen het besluit van 17
januari 2001 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het is nu aan verzoeker om alsnog inhoudelijk op de bezwaren van
gedaagde te beslissen. Met het oog daarop overweegt de
voorzieningenrechter nog het volgende.
Voor terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening is
- behoudens bij wijze van geldlening verstrekte voorschotten als
bedoeld in artikel 25 van de Abw
- slechts plaats op basis van
artikel 83, eerste lid, van de Abw. Deze bepaling verplicht de
gemeente tot terugvordering van de belanghebbende van kosten van
bijstand verleend in de vorm van een geldlening indien hij de
hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk
nakomt.
Hieruit volgt dat verzoeker in het kader van de heroverweging van
het besluit van 17 januari 2001 eerst zal moeten vaststellen of
gedaagde niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de omtrent
de terugbetaling van de geldlening vastgestelde verplichtingen. Is
dat het geval, dan zal de vaststelling in het primaire besluit ter
zake van de terugbetalingsverplichting met toepassing van artikel
83, eerste lid, van de Abw in stand kunnen worden gelaten, tenzij
er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel
78,
derde lid, van de Abw.
Met inachtneming van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is geen grond om enigerlei
voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb acht de
voorzieningenrechter geen termen aanwezig.
III.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|