| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6817 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
02/3031
NABW-VV |
| Datum
uitspraak: |
30
juli 2002 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
58, 70 (oud) en 71a (oud) ABW (= 82,
–
en –
Abw)
(= 58, – en – Wwb)
/ 3:2
Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
schade-uitkering na verkeersongeval; verlies aan
arbeidsvermogen; letselschade; smartengeld; terugvordering;
verjaring; vijfjarenvervaltermijn; toerekening schadevergoeding |
| Essentie: |
Onterechte
terugvordering van bijstand, voor zover die is verleend vóór 1
augustus 1992 (schrapping verjaringsbepaling ABW), wegens
ontvangen schade-uitkering ad ƒ636.991,40,
omdat de vordering is verjaard nu niet
is voldaan aan de voorwaarde dat in het
toekenningsbesluit duidelijk is gemarkeerd dat de bijstand is verleend als voorschot op een eventuele
schade-uitkering door een derde, waaruit
de bijstand later moet worden terugbetaald. Terechte terugvordering
vanaf 1 augustus 1992, daar de toegekende schadevergoeding ter zake van verlies
aan arbeidsvermogen terecht is toegerekend aan de periode vanaf de datum
van het ongeval (30 mei 1982). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 02/3031
NABW-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Eindhoven,
verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Inleiding
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift van 3 juni 2002 vervatte
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
's-Hertogenbosch op 23 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak reg.
nr. 00/7618 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
In dezelfde brief is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Namens gedaagde heeft mr. E. Driessen, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 juli 2002, waar verzoeker
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij
de gemeente Eindhoven, en namens gedaagde is verschenen mr. L.B.
Sauerwein, advocaat te Amsterdam.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de
Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb
kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure
wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een
voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die
procedure.
Aan de aangevallen uitspraak - waarin verzoeker als verweerder is
aangeduid en gedaagde als eiser - ontleent de voorzieningenrechter de
volgende feiten en omstandigheden:
"Eiser is geboren in 1955 en heeft na de HAVO een opleiding gevolgd
als industrieel ontwerper. Medio 1981 vond hij een baan als ontwerper
van kunststof producten, maar het dienstverband is na afloop van de
proeftijd met wederzijds goedvinden ontbonden. Op 30 mei 1982 was eiser
bij een verkeersongeval betrokken, waaraan hij blijvend letsel heeft
overgehouden.
Met ingang van 30 mei 1982 is aan eiser een bijstandsuitkering verleend
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm
voor een alleenstaande. Bij besluit van 25 september 1986 is eisers
uitkering ingevolge de Rww per 1 september 1986 beëindigd en is aan hem
per dezelfde datum een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene
Bijstandswet (ABW) toegekend. Met ingang van 1 augustus 1996 is deze
uitkering omgezet naar een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw).
De veroorzaker van het verkeersongeval op 30 mei 1982 had het risico van
haar aansprakelijkheid verzekerd bij (de rechtsvoorganger van) Unigarant
NV, welke verzekeraar het op zich heeft genomen de aan het ongeval toe
te rekenen schade van eiser te vergoeden.
In augustus 1997 heeft eiser met Unigarant een vaststellingsovereenkomst
gesloten. Daarin is bepaald dat aan eiser een schadevergoeding van ƒ636.991,40 wordt toegekend. De schadevergoeding is als volgt
gespecificeerd: materiële schade ƒ15.000,-, smartengeld ƒ60.000,-,
toekomstige medische kosten ƒ25.000,-, toekomstig verlies aan
arbeidsvermogen ƒ500.000,- en rente ƒ36.991,40. Op 22 september 1997
is aan eiser een bedrag van ƒ550.000,- uitgekeerd. Aan eiser was reeds
een bedrag van ƒ86.991,40 bij wijze van voorschot betaald. Eiser heeft
de ontvangst van de schadevergoeding gemeld op een door verweerder op 3
oktober 1997 ontvangen inlichtingenformulier. Vervolgens heeft
verweerder eisers uitkering met ingang van 1 oktober 1997 beëindigd.
Bij besluit van 4 mei 2000 heeft verweerder aangegeven dat de aan eiser
over de periode 30 mei 1982 tot en met 30 september 1997 verstrekte
bijstand geheel verhaalbaar is en dat de aan eiser over de periodes van
1 september 1986 tot en met 31 juli 1996 en 1 augustus 1996 tot en met
30 september 1997 verstrekte bijstand ingevolge de ABW, respectievelijk
de Abw wordt teruggevorderd. Eisers bezwaar tegen het besluit van 4 mei
2000 heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond
verklaard."
De rechtbank heeft - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten
- het tegen het besluit van 14 november 2000 ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw
besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Kort samengevat
komt die uitspraak in hoofdzaak hierop neer dat verzoeker bij zijn
nadere besluitvorming op bezwaar de volgende punten in acht moet nemen:
a. de ten behoeve van gedaagde gemaakte kosten van bijstand over de
periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992 kunnen op grond van
artikel 70 (oud) van de ABW niet meer van gedaagde worden
teruggevorderd;
b. de aan gedaagde toegekende schadevergoeding ter zake van verlies aan arbeidsvermogen is terecht toegerekend aan de periode vanaf de datum
van het ongeval;
c. aan het besluit tot terugvordering over de periode van 1 augustus
1992 tot en met 31 juli 1996 had niet artikel 58, eerste lid, maar
artikel 58, tweede lid, ABW ten grondslag moeten worden gelegd;
d. het besluit tot terugvordering is terecht gebaseerd op artikel
82,
aanhef en onder a, van de Abw voor
zover dat ziet op de periode van 1
augustus 1996 tot en met 30 september 1997;
e. door een te lange termijn te laten verstrijken alvorens tot afgifte
van het terugvorderingsbesluit van 4 mei 2000 over te gaan, is artikel
3:2 van de Awb geschonden. Die schending kan niet zonder gevolgen
blijven voor de terugvordering. Voor de beantwoording van de vraag of in
overeenstemming met artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot
bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gehandeld,
moet worden gerekend vanaf het tijdstip dat het vermoeden is gerezen dat
ten onrechte uitkering is betaald.
Verzoeker heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen hetgeen de rechtbank
heeft beslist met betrekking tot de punten a, b, c en e en verzocht om
een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de uitvoering van
de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Met betrekking tot de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli
1992
Aangezien het volledige van gedaagde teruggevorderde bedrag reeds aan
verzoeker is betaald, zou onmiddellijke uitvoering van de aangevallen
uitspraak in elk geval betekenen dat terugbetaling dient plaats te
vinden van het gedeelte van het teruggevorderde bedrag dat ziet op de
periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992. De rechtbank heeft
ter zake het volgende overwogen:
"Voor wat betreft het met betrekking tot de periode van 1 september
1986 tot en met 31 juli 1992 aangevoerde beroep op verjaring ingevolge
artikel 70 ABW, waarin is bepaald dat de rechtsvordering tot verhaal
vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten zijn gemaakt, oordeelt
de rechtbank als volgt.
In een uitspraak van 11 mei 1984, gepubliceerd in JABW 1984/176, heeft
de Hoge Raad (HR) bepaald dat wanneer in een besluit waarbij de in
artikel 59, tweede lid, ABW bedoelde bijstand is verleend, duidelijk tot
uitdrukking is gebracht dat deze later moet worden terugbetaald, deze
bijstand in zoverre overeenstemt met bijstand in de vorm van geldlening,
dat ook deze de strekking heeft een tijdelijk gebrek aan middelen op te
heffen. Volgens artikel 71a, eerste lid, ABW is artikel 70 niet van
toepassing ten aanzien van terugvordering van kosten van bijstand
voortvloeiende uit geldlening of borgtocht. Tegen deze achtergrond
brengt een redelijke uitleg van artikel 70 mee dat in een geval als
bovenomschreven de verjaringstermijn van dat artikel buiten toepassing
moet blijven.
Volgens verweerder dient de bijstandsuitkering van eiser te worden
beschouwd als leenbijstand omdat deze bij besluit van 25 september 1986
verhaalbaar is gesteld. Die verhaalbaarstelling blijkt volgens
verweerder uit de volgende zinsnede op de pagina achter dat besluit
onder het kopje "Algemene bepalingen inzake de bijstand" onder
punt 4: "Kosten van bijstand verleend over een bepaalde periode
kunnen worden verhaald tot het bedrag van de inkomsten welke u met
betrekking tot die periode later blijkt te genieten (artikel 59 ABW)".
In aanmerking genomen de hiervoor aangegeven jurisprudentie van de HR is
verweerder van opvatting dat aan eiser met deze passage duidelijk is
gemaakt dat de bijstand later moet worden terugbetaald en dat de
verjaringstermijn van artikel 70 ABW niet geldt.
De rechtbank kan verweerder niet volgen in deze opvatting. Anders dan
verweerder is de rechtbank van oordeel dat met de hiervoor geciteerde
zinsnede in de algemene bepalingen achter het besluit van 25 september
1986 niet duidelijk tot uitdrukking is gebracht dat de bijstand later
moet worden terugbetaald. Dit geldt te meer nu bij die algemene
bepalingen uitsluitend het eerste lid van artikel 59 ABW is geciteerd
en niet het juist in dit geval voor de hand liggende tweede lid van dat
artikel.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval geen
sprake kan zijn van een situatie waarbij de verjaringstermijn buiten
toepassing moet blijven. Hieruit volgt dat de aan eiser verstrekte
kosten van bijstand over de periode van 1 september 1986 tot en met 31
juli 1992 niet meer van eiser kunnen worden teruggevorderd, nu de
rechtsvordering tot verhaal ingevolge het bepaalde in artikel 70 ABW is
vervallen doordat vijf jaar zijn verlopen nadat de kosten zijn
gemaakt."
De voorzieningenrechter kan zich met deze overwegingen verenigen. Hij
voegt daar aan toe dat de vóór 1 augustus 1992 geldende materiële
bepalingen ter zake van verhaal van kosten van bijstand hier van
toepassing zijn voor zover het gaat om kosten van vóór 1 augustus 1992
verleende bijstand. Anders dan in de door de Hoge Raad berechte casus
uit bovenvermelde uitspraak is in het geval van gedaagde niet voldaan
aan de in die uitspraak gestelde voorwaarde dat in het
toekenningsbesluit duidelijk is gemarkeerd dat de uitkering is gedaan
als voorschot op een eventuele schade-uitkering door een derde, waaruit
de bijstand later moet worden terugbetaald (vgl. ook de uitspraak van
de Hoge Raad van 17 november 1989, nr. 7531, gepubliceerd in JABW
1990/46). De stelling van verzoekers gemachtigde dat artikel 70 (oud)
van de ABW niet van toepassing is op grond van artikel 71a (oud) van de
ABW is onjuist, omdat de onderhavige kosten van bijstand niet geacht
kunnen worden te zijn voortgevloeid uit geldlening of borgtocht.
Met betrekking tot de periode van 1 augustus 1992 tot en met 30
september 1997
De vervaltermijn van vijf jaar geldt niet indien, zoals in dit geval,
over de periode na 31 juli 1992 achtereenvolgens artikel 58 van de ABW
(tekst vanaf 1 augustus 1992) en artikel 82 van de
Abw is toegepast. Dit
volgt voor de ABW uit artikel 61d, eerste lid (vanaf 1 augustus 1992), en
voor de Abw uit artikel
87, eerste lid (oud), en de wijziging van dat
artikel per 1 juli 1997 bij de Wet van 25 april 1996,
Stb. 1996, 248.
Zowel in bezwaar als in beroep is primair gesteld dat hetgeen aan
gedaagde per september 1997 betaalbaar is gesteld ter zake van schade
van verlies van arbeidsvermogen uitsluitend betrekking had op de dan
toekomende periode en dus niet over de periode waarover bijstand is
verleend. Blijkens het verhandelde ter zitting kan gedaagde zich niet
verenigen met hetgeen de rechtbank omtrent dit punt heeft overwogen.
Zijn gemachtigde heeft in verband met de gehele vernietiging van het
bestreden besluit tegen die overwegingen geen hoger beroep ingesteld in
afwachting van het nieuw te nemen besluit op bezwaar en wenst het
standpunt ter zake in de bodemprocedure nog nader toe te lichten. Naar
het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan dit niet instellen
van (partieel) hoger beroep gedaagde niet worden tegengeworpen (vgl. ook
de uitspraak van de Raad van 16 december 1999, gepubliceerd in TAR
00/29). Met het door verzoeker ingestelde hoger beroep ligt het
bestreden besluit tot terugvordering thans ter beoordeling voor aan de
Raad. Dat betekent onder meer dat met betrekking tot de terugvordering
over de periode van 1 augustus 1992 tot en met 30 september 1997 moet
worden bezien of aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 58
van de ABW onderscheidenlijk 82, aanhef en onder
a, van de Abw wordt
voldaan. Voor de beantwoording van die vraag is cruciaal of het
hierboven onder punt b samengevatte oordeel van de rechtbank juist is.
Gesteld dat ondanks de bezwaren van gedaagde het antwoord op deze
laatste vraag in de bodemprocedure met de rechtbank positief zou moeten
worden beantwoord, dan kan de voorzieningenrechter de rechtbank niet
volgen voor zover in haar uitspraak schending van artikel 3:2 van de
Awb is vastgesteld, dit onder verwijzing naar een uitspraak van de
Raad van
7 juni 2000, gepubliceerd in USZ 2000/202. Die uitspraak moet immers
worden geplaatst in het kader van de rechterlijke toetsing van de wijze
waarop bestuursorganen als het (voormalige) Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de Sociale Verzekeringsbank over tijdvakken tot 1
augustus 1996 van een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering
gebruik maakten (vgl. ook de uitspraak van de Raad van 25 september
2001, gepubliceerd in RSV 2001/270). Datzelfde geldt ook voor de door de
gemachtigde van gedaagde genoemde uitspraak van de Raad van 25 oktober
2000, gepubliceerd in RSV 2001/23. Van hantering van een discretionaire
bevoegdheid tot terugvordering is in dit geval geen sprake. Sedert 1
augustus 1992 zijn bestuursorganen als verzoeker - behoudens voor zover
verval- of verjaringstermijnen van toepassing zijn - verplicht tot
terugvordering van kosten van onverschuldigd betaalde bijstand over na
31 juli 1992 gelegen perioden in de gevallen en naar de regels
aangegeven in de ABW en de Abw.
Zowel in bezwaar als in beroep is schending van artikel 6, eerste lid,
van het EVRM als grief naar voren gebracht. Ook over dit punt blijven
partijen in hoger beroep van mening verschillen. Naar aanleiding van
hetgeen partijen en de rechtbank ter zake naar voren hebben gebracht,
overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat in maart
1997 bij verzoeker het vermoeden was gerezen dat mogelijkerwijs
onverschuldigd bijstand zou zijn betaald en verzoeker in de periode
tussen de ontvangst van de melding van de uitbetaling van de
schadevergoeding op 3 oktober 1997 en 4 mei 2000 - de datum van het
primaire besluit - nog geen standpunt ter zake van terugvordering had
ingenomen, zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter
niet mede bepalend voor de vraag of de redelijke termijn van
geschilbeslechting in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.
In de hierboven reeds vermelde uitspraak van 7 juni 2000 heeft de Raad
immers overwogen dat er sprake dient te zijn van een geschil, dat wil
zeggen dat - ten minste - een standpunt van het bestuursorgaan kenbaar
is, ter zake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat
de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil
verzetten. In dit licht bezien, acht de voorzieningenrechter niet juist
de in de aangevallen uitspraak neergelegde opvatting dat in het kader
van de toetsing van het "redelijketermijnvereiste" uit deze
verdragsbepaling zou moeten worden gerekend vanaf het tijdstip dat het
vermoeden is gerezen dat ten onrechte uitkering is betaald.
Gelet op hetgeen tot nu toe is overwogen, ziet de voorzieningenrechter
geen aanleiding voor opschorting van de werking van de aangevallen
uitspraak, voor zover verzoeker op grond daarvan gehouden is een nieuw
besluit op bezwaar te nemen inzake terugvordering van voor gedaagde
gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 1986 tot en
met 31 juli 1992.
Er bestaat echter een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de
aangevallen uitspraak niet op de daarin aangegeven gronden in stand kan
worden gelaten voor zover daarbij is geoordeeld en beslist over de
terugvordering van kosten van bijstand over de periode van 1 augustus
1992 tot met 30 september 1997. Nu het teruggevorderde bedrag reeds
geheel is voldaan en niet is gesteld of gebleken dat gedaagde in geval
van (gedeeltelijke) schorsing van de aangevallen uitspraak in financiële
moeilijkheden zal geraken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er
op grond van het bovenstaande voldoende aanleiding is om het verzoek in
zoverre wel in te willigen. Het uitvoering geven aan de aangevallen
uitspraak hangende de beslissing van de Raad op het hoger beroep dient
dus beperkt te blijven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar
met betrekking tot de terugvordering over de periode van 1 september
1986 tot en met 31 juli 1992.
De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om verzoeker te
veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze worden begroot op
€|644,- voor verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van
Beroep:
schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 23 april 2002, reg.nr. 00/7618 NABW, voor zover
verzoeker op grond van die uitspraak gehouden is een nieuw besluit op
bezwaar te nemen inzake terugvordering van voor gedaagde gemaakte kosten
van bijstand over de periode van 1 augustus 1992 tot en met 30 september
1997;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€|644,-, te betalen door de gemeente
Eindhoven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli
2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6820 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/5913
NABW |
| Datum
uitspraak: |
16
juli 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42,
69 en 81 Abw
(= 31, 54
en 58 Wwb) /
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
bijstand van Nederland uitgezette inwonende ouder; schending
inlichtingenverplichting; terugvordering |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van betrokkene en zijn echtgenote van aan zijn
inwonende moeder doorbetaalde bijstand terwijl zij, zonder dat
betrokkene dat heeft gemeld, door de vreemdelingendienst
Nederland was uitgezet, omdat betrokkene door geldopnames van
zijn moeders bankrekening daadwerkelijk over die middelen heeft
beschikt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/5913
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen,
op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
25 november 1999, reg.nr. 99/7 NABW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 juni 2002. Appellant is
in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Skála, advocaat
te Haren. Gedaagde heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet
laten vertegenwoordigen.
II. Motivering
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten
en voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar
de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 20 januari 1988 een
uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een echtpaar. Met ingang van 20 oktober
1992 woonde de moeder van appellant bij hem en zijn echtgenote in.
In verband daarmee werd op de Rww-uitkering van appellant en zijn
echtgenote een zogeheten woningdelerskorting toegepast. De moeder
van appellant ontving zelf ook een Rww-uitkering, waarop eveneens
de woningdelerskorting werd toegepast. Per 17 juli 1993 werd de Rww-uitkering van appellant en zijn echtgenote beëindigd wegens
de aanvang van werkzaamheden als zelfstandige. Nadat het bedrijf
was gestaakt, ontvingen appellant en zijn echtgenote per 1 oktober
1993 opnieuw een Rww-uitkering. Op 1 maart 1996 is appellant te
[vestigingsplaats] een cafetaria begonnen. Gedurende de periode
van 1 maart 1996 tot en met 31 augustus 1996 ontvingen appellant
en zijn echtgenote een uitkering op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw) in samenhang met het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz). Vervolgens is aan appellant en zijn
echtgenote een Bbz-uitkering toegekend waarop de inkomsten uit
arbeid in mindering werden gebracht. Per 1 juni 1997 is deze
uitkering beëindigd.
Op 25 mei 1993 is de moeder van appellant door de vreemdelingendienst Nederland uitgezet. Haar
Rww-uitkering is
nadien echter doorbetaald. Vaststaat dat appellant en zijn
echtgenote de enige gemachtigden waren met betrekking tot de
bankrekening van de moeder van appellant, dat appellant in de
periode van 25 mei 1993 tot en met 12 augustus 1996 ook
daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de bankrekening van zijn
moeder en dat appellant en zijn echtgenote van één en ander geen
mededeling hebben gedaan aan gedaagde.
Bij besluit van 27 augustus 1998, in bezwaar gehandhaafd bij
besluit van 16 december 1998, heeft gedaagde de uitkeringen van
appellant en zijn echtgenote over de periode van 25 mei 1993 tot
en met 12 augustus 1996 wegens schending van de wettelijke
inlichtingenplicht herzien en voorts een bedrag van ƒ58.712,72
(bruto) van hen teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen
het besluit van 16 december 1998 ongegrond verklaard. Appellant
kan zich daarmee niet verenigen.
In het aanvullend beroepschrift is aangevoerd dat gedaagde
onrechtmatig heeft gehandeld door niet de uitkering van de moeder
van appellant in te trekken en de ten onrechte betaalde uitkering
van haar terug te vorderen, maar in plaats daarvan de uitkeringen
van appellant en diens echtgenote te herzien en een bedrag van hen
terug te vorderen.
Ter zitting is nog aangevoerd dat appellant de vanaf 25 mei 1993
ten name van zijn moeder gestorte uitkering telkens contant aan
haar heeft doorbetaald uit de gelden van zijn bedrijf en
vervolgens met gebruikmaking van de bankpas van zijn moeder
inkopen ten behoeve van het bedrijf heeft gedaan ter hoogte van de
door hem aan zijn moeder doorbetaalde bedragen. Als gevolg daarvan
heeft appellant feitelijk niet ten eigen bate gebruik gemaakt van
die bedragen en heeft hij dus niet de beschikking gehad over die
middelen, zodat ter zake ook geen mededeling aan gedaagde behoefde
te worden gedaan.
De Raad overweegt als volgt.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het besluit van 16
december 1998 op een onjuiste wettelijke grondslag berust, nu
gedaagde daaraan ten grondslag heeft gelegd de artikelen
69, derde
lid, en 81, eerste lid, van de Abw
zoals deze luiden vanaf 1 juli
1997. De rechtbank heeft er echter ten onrechte van afgezien het
beroep om die reden gegrond te verklaren en het bestreden besluit
te vernietigen. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak, zulks alsnog doen.
Vervolgens is aan de orde of er aanleiding is de rechtsgevolgen
van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel
8:72,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
in stand te laten.
Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.
De Raad kan zich verenigen met het inhoudelijke oordeel van de
rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.
Voor de toepassing van artikel 9 van het Bijstandsbesluit
landelijke normering en artikel 42 van de
Abw is niet relevant
waaraan of met welk doel de betrokken middelen zijn besteed.
Bepalend is - slechts - of de belanghebbende daadwerkelijk over
die middelen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Aan dat
vereiste is in het onderhavige geval ten aanzien van de
uitbetaalde bedragen van de vanaf 25 mei 1993 aan de moeder van
appellant verstrekte uitkering voldaan. Ten onrechte is daarvan
echter geen melding gemaakt aan gedaagde.
Geen rechtsregel valt aan te wijzen op grond waarvan gedaagde
gehouden zou zijn in een geval als het onderhavige af te zien van
herziening en terugvordering jegens degene die daadwerkelijk over
de betrokken middelen heeft beschikt. Gedaagde heeft dan ook,
zulks ten materiële in overeenstemming met de wettelijke
terugvorderingsbepalingen, op de in de wet voorziene wijze
teruggevorderd hetgeen tot een te hoog bedrag aan uitkeringen aan
appellant en zijn echtgenote is verleend.
De in het aanvullend beroepschrift verder nog betrokken stelling
dat ten onrechte de terugvordering niet is beperkt tot het bedrag
van de ten onrechte aan de moeder van appellant verstrekte
uitkering, mist feitelijke grondslag. Gedaagde heeft immers in het
verweerschrift onweersproken gesteld - en uit de gedingstukken
blijkt niet van het tegendeel - dat slechts is teruggevorderd het
verschil tussen het bedrag van de aan appellant en zijn echtgenote
over de periode hier in geding verstrekte uitkeringen en het
bedrag van de ten onrechte ten name van de moeder van appellant
over dat tijdvak betaalde uitkering.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding gedaagde
te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. De Raad begroot die kosten op
€|644,- voor
verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een
veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad
niet gebleken.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep:
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 1998
gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en
in hoger beroep tot een bedrag van in totaal
€|644,-, te
betalen door de gemeente Groningen;
bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het door hem in
beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
€|102,10 (ƒ225,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE6822 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
99/5115
NABW, 02/1688 NABW en 02/1689 NABW |
| Datum
uitspraak: |
23
juli 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65,
69, 81 en 90
Abw (= 17,
54, 58
en 58 Wwb) /
6:18,
6:19, 7:11
en
8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
schending inlichtingenverplichting; terugvordering; verbod van
reformatio in peius |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering bijstand wegens onvolledige en onjuiste opgave
van inkomsten uit arbeid. Het verbod van reformatio in peius is
niet geschonden, omdat de verhoging bij besluit op bezwaar van
het terugvorderingsbedrag is gegrond op eerst in bezwaar
overgelegde gegevens. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/5115
NABW, 02/1688 NABW en 02/1689 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft G.C.W. Leenders, belastingadviseur te
Valkenburg, op bij het hoger beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op
11 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en tevens een aan
appellant gericht besluit van 29 november 1999 ingezonden. Mr.
Leenders heeft hierop bij brief van 6 januari 2000 gereageerd.
Vervolgens heeft gedaagde de Raad een aan appellant gericht
besluit van 19 januari 2000 toegezonden
Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2002, waar
appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.G.M.
Olislagers, werkzaam bij de gemeente
Maastricht.
II.
Motivering
Aan appellant is bij besluit van 8 oktober 1996 met ingang van 1
september 1996 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. In dit
besluit is appellant erop gewezen dat hij op de
inkomstenverklaringen een exacte opgaaf dient te verstrekken van
de gewerkte uren en de ontvangen inkomsten en dat de variabele
inkomsten uit deeltijdwerk per kalendermaand worden verrekend en
achteraf eventueel worden herberekend. Per 1 december 1996 is de
uitkering van appellant beëindigd in verband met zijn inkomsten
uit arbeid vanaf 1 november 1996.
Bij besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde een bedrag van ƒ2351,25 van appellant teruggevorderd, op de grond dat hij in de
maand november 1996 geen recht had op bijstand en hem over de
maanden september en oktober 1996 respectievelijk ƒ669,02 en ƒ792,31 te veel bijstand is verstrekt. De gemachtigde van appellant
heeft tegen het besluit van 18 juli 1997 bezwaar gemaakt en nadien
op verzoek van gedaagde ontbrekende loongegevens overgelegd over
het tijdvak van 1 tot 8 september 1996.
Bij brief van 4 oktober 1997 heeft appellant beroep ingesteld bij
de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het
bezwaar.
Gedaagde heeft bij besluit van 9 oktober 1997 op basis van de in
bezwaar verstrekte gegevens het terug te vorderen bedrag alsnog op
ƒ2579,54 gesteld en de namens appellant tegen het besluit van 18
juli 1997 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen
het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 13
augustus 1997 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het
besluit van 9 oktober 1997 ongegrond verklaard. Zij heeft voorts
een beslissing gegeven inzake de vergoeding van het in beroep
betaalde griffierecht en gedaagde veroordeeld tot vergoeding van
proceskosten tot een bedrag van
€|355,- wegens kosten van
rechtsbijstand.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd,
voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 oktober 1997
ongegrond is verklaard en voor zover zijn proceskosten zijn
vastgesteld op
€|355,-.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het
bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag, nu
de terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende
bijstand is gebaseerd op artikel 81 van de
Abw
zoals deze bepaling
met ingang van 1 juli 1997 luidt, terwijl de terugvordering ziet
op kosten van bijstand verleend over een geheel vóór 1 juli 1997
gelegen periode. Het bestreden besluit dient om die reden wegens
strijd met de wet te worden vernietigd. Hierin ligt besloten dat
de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit ondanks dit gebrek
in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt, voor
zover daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is
verklaard.
Met betrekking tot de besluiten van 29 november 1999 en 19 januari
2000, welke de Raad aanmerkt als besluiten die op de voet van de
artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met
artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) mede in de beoordeling dienen te
worden betrokken, overweegt de Raad het volgende.
Het besluit van 29 november 1999 strekt tot verlaging van het
bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd tot ƒ2459,08,
zulks in verband met de mogelijkheid om het werkgeversgedeelte van
de ziekenfondspremie van ƒ120,46 alsnog te verrekenen met het
Landelijk instituut sociale verzekeringen. Dit besluit is in
strijd met artikel 90 van de Abw, nu blijkens het nadien op 19
januari 2002 genomen besluit ook het werknemersgedeelte van de
ziekenfondspremie kon worden verrekend.
Nu in beide besluiten de gebreken in de grondslag van de
terugvordering niet zijn hersteld, dienen ook deze besluiten
wegens strijd met de wet te worden vernietigd.
Een opdracht aan gedaagde tot het nemen van een nieuw besluit op
bezwaar acht de Raad in dit geval niet aangewezen. Daartoe
overweegt de Raad het volgende.
Voor de Raad is op grond van de gedingstukken genoegzaam komen
vast te staan dat appellant op de inkomstenverklaringen met
betrekking tot de maanden september, oktober, november en december
1996 geen volledige en correcte opgave heeft gedaan van zijn
inkomsten uit arbeid bij [bedrijfsnaam] en daarmee de ingevolge
artikel 65, eerste lid, (oud) van de Abw
op hem rustende
inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg hiervan is hem in
de maanden september en oktober 1996 te veel en over de maand
november 1996 ten onrechte bijstand verstrekt.
Hiermee is gegeven dat met betrekking tot het tijdvak van 1
september 1996 tot en met 30 november 1996 is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, (oud) van
de Abw. Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in
artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan aan gedaagde
de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
Wat de hoogte van het terug te vorderen bedrag betreft, overweegt
de Raad in de eerste plaats dat gedaagde op grond van artikel
81,
eerste lid, (oud) van de Abw verplicht was om tot terugvordering
tot een hoger bedrag over te gaan, nadat op grond van de eerst in
bezwaar door appellant overgelegde informatie was gebleken dat het
bedrag van de ten onrechte verleende bijstand hoger was dan bij
het nemen van het primaire besluit werd aangenomen. Naar het
oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat gedaagde
door in het besluit op bezwaar op die grond het bedrag van de
terugvordering in voor appellant nadelige zin aan te passen het
in artikel 7:11 van de Awb
neergelegde verbod van reformatio in
peius heeft geschonden.
De Raad overweegt voorts dat appellant geen belang heeft bij de
beoordeling van zijn grief ter zake van de
pseudo-overhevelingstoeslag aangezien deze component in de door
gedaagde gehanteerde berekening eerst is afgetrokken, vervolgens
is bijgeteld en dus per saldo niet van invloed is geweest op de
hoogte van de teruggevorderde kosten van bijstand. Ook de grief
van appellant dat de rechtbank zijn bezwaren tegen het meenemen
van de premie Ziekenfondswet bij de brutering ten onrechte buiten
behandeling heeft gelaten, behoeft geen bespreking meer.
Met inachtneming van het vorenstaande dient het bedrag van de
terugvordering te worden vastgesteld op
€|1099,01, zijnde (ƒ2579,54 -
(ƒ120,46 + ƒ37,18) =) ƒ2421,90. De Raad acht termen
aanwezig om met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
De Raad stelt ten slotte vast dat gedaagde de
proceskostenveroordeling in beroep, die beperkt is gebleven tot de
kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift tegen
het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar, niet
heeft bestreden. In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten
dat de rechtbank ook het beroepschrift tegen het besluit op
bezwaar in de begroting van de te vergoeden proceskosten had
moeten betrekken. De aangevallen uitspraak komt ook op dit
onderdeel voor vernietiging in aanmerking. De Raad acht termen
aanwezig om de proceskostenveroordeling in beroep te verhogen tot
€|483,-. Voorts dient gedaagde te worden veroordeeld in de
proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden eveneens begroot
op
€|483,-, wegens verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 9 oktober 1997;
verklaart het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn
gericht tegen de besluiten van 29 november 1999 en 19 januari 2000
gegrond en vernietigt deze besluiten;
stelt het bedrag dat van appellant over de periode van 1 september
1996 tot en met 30 november 1996 wordt teruggevorderd vast op
€|1099,01;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een
bedrag van
€|966,-, te betalen door de gemeente
Maastricht;
bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in hoger
beroep betaalde griffierecht van
€|77,14 (ƒ170,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE7159 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6249
NABW |
| Datum
uitspraak: |
27
augustus 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42,
51, 52, 54,
69,
78 en 81 Abw
(= 31, 34,
34, 34, 54,
58 en 58
Wwb) / 7:11
Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
aandelen; waardevermeerdering; verkoopkosten;
oververmogen; terugvordering; spaargeld; verbod van reformatio in peius
|
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens oververmogen, omdat de
waardevermeerdering van beursgenoteerde aandelen, na aftrek van
de verkoopkosten, leidt tot vermeerdering van het in aanmerking
te nemen vermogen en niet kan worden beschouwd als spaargeld.
Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar mag het verbod van
reformatio in peius niet worden geschonden door de
terugvordering op een hoger bedrag te stellen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/6249
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Voorburg [zie gemeente
Leidschendam-Voorburg, red.], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. J. Biemond, advocaat te Den Haag,
op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 8
november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog
nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 juli 2002, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Biemond,
en waar gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. Motivering
Appellant ontving sedert 2 mei 1994 een uitkering ingevolge de Algemene
Bijstandswet naar de norm voor
een alleenstaande. Deze uitkering is bij besluit van 17 juli 1996
met ingang van 1 augustus 1996 omgezet in een uitkering ingevolge
de
Algemene bijstandswet (Abw) naar dezelfde norm. Zijn vermogen, onder meer bestaande uit
een pakket aandelen, is daarbij per 1 augustus 1996 vastgesteld op
ƒ7860,11. In dit besluit heeft appellant berust.
In het kader van een heronderzoek op 15 december 1997 is gebleken
dat appellant op 14 februari 1997 150 aandelen Baan Company heeft
gekocht voor ƒ97,50 per stuk en hiervan op 17 juli 1997 35
aandelen heeft verkocht voor ƒ167,- per stuk. Na aftrek van de
kosten heeft hij op 22 juli een bedrag van ƒ5783,01 ontvangen.
Deze laatste transactie heeft appellant vermeld op zijn
rechtmatigheidsformulier over de maand juli 1997. Naar aanleiding
hiervan is zijn vermogenspositie opnieuw beoordeeld.
Bij besluit van 16 december 1997 heeft gedaagde een bedrag van ƒ2796,58 met toepassing van artikel 81, tweede lid, van de
Abw van
appellant teruggevorderd, op de grond dat hij, gelet op de hoogte
van zijn vermogen, op 22 juli 1997 over de periode van 22 juli
1997 tot en met 21 september 1997 geen recht op bijstand heeft.
Bij besluit van 9 september 1998 heeft gedaagde het door appellant
tegen het besluit van 16 december 1997 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
Daarbij heeft gedaagde het vermogen van appellant op 22 juli 1997
als volgt vastgesteld:
|
"renterekening Spaarbeleg
|
ƒ112,50+ |
|
aandelen Baan Company
|
ƒ25
050,00+
|
|
ƒ25
162,50+ |
|
negatief saldo ING-bankrekening
|
ƒ996,83+ |
|
doorlopend krediet Aetran IDM
|
ƒ9
404,62– |
|
ƒ14
761,05" |
De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 9
september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellant
gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt allereerst, met verwijzing naar zijn uitspraak
van 20 augustus 2002 (reg.nr. 99/6318 NABW), het volgende.
Artikel 81 van de Abw luidt:
-1. Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt
teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had
kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats
indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór
de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
Blijkens de memorie van toelichting is artikel
81, eerste lid, van
de Abw geschreven voor de gevallen waarin een wijziging van de
omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen
tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening
van bijstand. In een dergelijk geval dient het betrokken
bestuursorgaan - behoudens toepassing van artikel
69, vijfde lid,
van de Abw - eerst een besluit als bedoeld in de
artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de
Abw te nemen. Indien een besluit
als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de
Abw is genomen, is het bestuursorgaan vervolgens op grond van
artikel 81, eerste lid, van de Abw
gehouden over te gaan tot
terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verleende bijstand, tenzij toepassing dient te worden gegeven aan
artikel 78, derde lid, van de Abw.
Artikel 81, tweede lid, van de Abw
is daarentegen - uitsluitend - geschreven voor de gevallen
waarin geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verleende bijstand, maar waarin - bijvoorbeeld als gevolg van een
administratieve vergissing van het bestuursorgaan - meer aan
bijstand is betaald dan waarop de belanghebbende volgens het
toekenningsbesluit recht heeft. In een dergelijk geval is deze
bepaling de juridische grondslag voor terugvordering van het
onverschuldigd betaalde bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat
de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onnodig
of te veel is uitgekeerd en - op grond van artikel
81, derde lid,
van de Abw - als beperking een termijn van twee jaar na het maken
van de desbetreffende kosten waarbinnen deze terugvorderingsgrond
kan worden gehanteerd. Mede gelet op artikel
78, eerste lid, van
de Abw is het bestuursorgaan niet vrij om
artikel 81, tweede lid,
van de Abw ook toe te passen in de gevallen waarop
artikel 81,
eerste lid, van de Abw ziet.
In het onderhavige geval berust de terugvordering op het standpunt
van gedaagde dat appellant over de periode van 22 juli 1997 tot en
met 21 september 1997 gezien zijn vermogen geen recht had op
bijstand. Gedaagde had dan ook, met toepassing van artikel
69,
derde lid, aanhef en onder b, van de Abw, het recht op bijstand
moeten intrekken en vervolgens, met toepassing van artikel
81,
eerste lid, van de Abw, de ten onrechte betaalde bijstand van
appellant moeten terugvorderen.
Gedaagde heeft derhalve ten onrechte artikel
81, tweede lid, van
de Abw aan de terugvordering ten grondslag gelegd.
Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd is met de
wet. De Raad zal om die reden, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit
vernietigen.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Met het
oog daarop overweegt de Raad met betrekking tot de vraag of
appellant op de in dit geding van belang zijnde datum - 22 juli
1997 - beschikte over middelen welke aan bijstandverlening in de
weg stonden, het volgende.
De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat de aandelen die
appellant op 22 juli 1997 in zijn bezit had, zijn aan te merken
als vermogensbestanddelen waarover hij redelijkerwijs kan
beschikken en die derhalve ingevolge artikel 42 van de
Abw worden
gerekend tot diens middelen. Het gaat hier immers om
beursgenoteerde aandelen, die appellant te allen tijde te gelde
kan maken.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder
b, van de Abw wordt onder vermogen - naast het in
artikel 51, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Abw bedoelde aanvangsvermogen - tevens verstaan
de op grond van paragraaf 1 van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de
Abw in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de
periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze
geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 van de
Abw.
Van tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen als bedoeld in
artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw
is naar het
oordeel van de Raad niet alleen sprake indien nieuwe
vermogensbestanddelen worden verworven, maar ook indien tijdens de
bijstand ontvangen vermogensbestanddelen - in dit geval aandelen -
in waarde stijgen. Ook in dit laatste geval is immers sprake van
een toename van de middelen waarover de betrokkene kan beschikken.
Dit brengt mee dat de actuele waarde van de in het bezit van de
betrokkene zijnde aandelen, verminderd met de aan verkoop daarvan
verbonden kosten, als vermogen in de zin van artikel 51 van de
Abw moet worden aangemerkt.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 mei 2000, onder meer
gepubliceerd in RSV 2000/158, overweegt de Raad voorts dat artikel
51, eerste lid, van de Abw er niet aan in de weg staat om in geval
van een herbeoordeling van het recht op uitkering tijdens de
periode van bijstandverlening naast de ontvangen positieve
vermogensbestanddelen ook de negatieve ontwikkelingen in het
vermogen in aanmerking te nemen.
Het voorgaande brengt mee dat bij de beoordeling van het recht op
bijstand van appellant per 22 juli 1997 aan de hand van zijn
vermogenspositie op dat moment, moet worden bezien of zijn
middelen aan bijstandverlening in de weg stonden.
Bij die beoordeling zal niet alleen acht moeten worden geslagen op
de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de
Abw,
maar ook op hetgeen is bepaald in artikel 52, eerste lid, aanhef
en onder b en c, van de Abw. Als een in rechte vaststaand
uitgangspunt voor de toepassing van onderdeel b van dat artikellid
heeft ten aanzien van appellant te gelden dat zijn bij aanvang van
de bijstandverlening ingevolge de Abw
aanwezige vermogen ƒ7860,11 bedroeg. Voorts dient op grond van onderdeel c van dat
artikellid de waardevermindering van zijn tegoed op de
renterekening buiten beschouwing te blijven. De Raad ziet echter,
anders dan namens appellant is betoogd, geen grond om het bedrag
van de waardevermeerdering van zijn aandelen te beschouwen als
spaargeld dat is opgebouwd tijdens de periode waarover bijstand
wordt ontvangen, als gevolg waarvan dat bedrag met toepassing van
artikel 52, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw
niet in
aanmerking zou dienen te worden genomen. Blijkens de
wetsgeschiedenis van deze bepaling is daarmee beoogd het uit de
algemene bijstand opgebouwde spaartegoed buiten aanmerking te
laten, omdat het onbillijk werd geacht om bijstandsontvangers
niet de mogelijkheid te geven om vanuit hun inkomen besparingen te
verrichten voor een grotere aanschaf, ook als daarmee de grens van
het bescheiden vermogen tijdelijk zou worden overschreden. Van een
spaartegoed als hier bedoeld is in het geval van appellant geen
sprake, voor zover het gaat om de waarde van de aandelen.
De Raad wijst er voorts nog op dat gedaagde, ter voorkoming van
schending van het verbod van reformatio in peius, bij het nemen
van het nieuwe besluit op bezwaar de intrekking van het recht op
bijstand dient te beperken tot de periode van 22 juli 1997 tot en
met 21 september 1997 en tevens het van appellant terug te
vorderen bedrag daarbij niet op een hoger bedrag mag stellen dan
in het primaire besluit van 16 december 1997.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen
in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op
€|644,- in beroep en op
€|644,- in hoger beroep, wegens
verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9
september 1998;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een
bedrag van
€|1288,-, te betalen door de
gemeente
Voorburg;
bepaalt dat de gemeente Voorburg aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal
€|104,37 (ƒ230,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE7242 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6318
NABW |
| Datum
uitspraak: |
20
augustus 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
69,
78 en 81 Abw
(= 54, 58
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
terugvordering;
te veel betaalde leenstand; wettelijke grondslag |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van te veel betaalde leenbijstand, doch
vernietiging van aangevallen uitspraak en bestreden besluit
wegens onjuiste wetstoepassing. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/6318
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maasbree, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo,
op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de
rechtbank Roermond van 9 november 1999, reg.nrs. 99/950 en 99/951
NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 juli 2002, waar
appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.
Verblackt, kantoorgenoot van haar gemachtigde, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. D. van Dijck,
werkzaam bij de gemeente Helden.
II. Motivering
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Gelet op de omvang
van het geding in hoger beroep volstaat hij hier met het volgende.
Bij - primair - besluit van 3 mei 1999 heeft gedaagde een tot
appellante gericht besluit van 22 juni 1998 met toepassing van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de
Algemene bijstandswet (Abw) herzien, in
die zin dat aan haar bijzondere bijstand in de vorm van
leenbijstand voor herinrichtingskosten wordt toegekend tot een
bedrag van ƒ943,52. Voorts is daarbij, met toepassing van artikel
81, tweede lid, van de Abw, een bedrag van
ƒ2000,- aan te veel
betaalde leenbijstand van haar teruggevorderd. Bij besluit op
bezwaar van 6 september 1999 heeft gedaagde, voor zover hier van
belang, de terugvordering beperkt tot een bedrag van ƒ1171,20
(het bestreden besluit).
Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat
gedaagde het onverschuldigd betaalde bedrag van ƒ1171,20 ten
onrechte van haar heeft teruggevorderd, aangezien zij
redelijkerwijs niet had kunnen begrijpen dat sprake was van
onverschuldigd betaalde bijstand.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank -
voor zover hier van belang - het beroep ongegrond verklaard,
waarmee appellante zich niet kan verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 81 van de Abw luidt:
-1. Bijstand die als gevolg van een besluit als
bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt
teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had
kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats
indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór
de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
Blijkens de memorie van toelichting is artikel
81, eerste lid, van
de Abw geschreven voor de gevallen waarin een wijziging van de
omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen
tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening
van bijstand. In een dergelijk geval dient het betrokken
bestuursorgaan - behoudens toepassing van artikel
69, vijfde lid,
van de Abw - allereerst een besluit als bedoeld in de
artikelen 14
of 69, derde of vierde lid, van de Abw
te nemen. Indien een
besluit als bedoeld in de artikelen 14 of
69, derde of vierde lid,
van de Abw is genomen, is het bestuursorgaan vervolgens op grond
van artikel 81, eerste lid, van de Abw
gehouden over te gaan tot
terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verleende bijstand, tenzij toepassing dient te worden gegeven aan
artikel 78, derde lid, van de Abw.
Artikel 81, tweede lid, van de Abw
is daarentegen - uitsluitend - geschreven voor de gevallen
waarin geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verleende bijstand, maar waarin - bijvoorbeeld als gevolg van een
administratieve vergissing van het bestuursorgaan - meer aan
bijstand is betaald dan waarop de belanghebbende volgens het
toekenningsbesluit recht heeft. In een dergelijk geval is deze
bepaling de juridische grondslag voor terugvordering van het
onverschuldigd betaalde bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat
de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onnodig
of te veel is uitgekeerd en - op grond van artikel
81, derde lid,
van de Abw - als beperking een termijn van twee jaar na het maken
van de desbetreffende kosten waarbinnen deze terugvorderingsgrond
kan worden gehanteerd. Mede gelet op artikel
78, eerste lid, van
de Abw is het bestuursorgaan niet vrij om
artikel 81, tweede lid,
van de Abw toe te passen in de gevallen waarop
artikel 81, eerste
lid, van de Abw ziet.
In het onderhavige geval staat vast dat sprake is van tot een te
hoog bedrag verleende bijstand als gevolg van een besluit als
bedoeld in artikel 69, derde lid, aanhef en onder
b, van de Abw.
Gedaagde had dan ook met toepassing van artikel
81, eerste lid,
van de Abw, het onverschuldigd betaalde bedrag van appellante
moeten terugvorderen.
Gedaagde heeft derhalve ten onrechte artikel
81, tweede lid, van
de Abw aan de terugvordering ten grondslag gelegd.
Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd is met de
wet. De Raad zal om die reden, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak voor zover aangevochten, het beroep gegrond verklaren en
het bestreden besluit vernietigen.
Nu van dringende redenen als bedoeld in artikel
78, derde lid, van
de Abw niet is gebleken, kan toepassing door gedaagde van de
juiste bepalingen niet leiden tot een andere uitkomst dan in het
bestreden besluit reeds is neergelegd. Om die reden ziet de Raad
aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen
besluit in stand blijven.
Hetgeen door appellante is aangevoerd kan gelet op het voorgaande
buiten bespreking blijven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad
begroot die kosten op
€|1288,- voor verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van in totaal
€|1288,-, te betalen door de gemeente Maasbree aan de griffier
van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Maasbree aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal
€|104,37 (ƒ230,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op
20 augustus 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|