| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE7677 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/4643
NABW |
| Datum
uitspraak: |
10
september 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art.
63 Abw (= 40
Wwb) |
| Trefwoorden: |
woonplaats;
domicilie; woonstede; bevoegde gemeente; beëindiging bijstand |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens het woonplaats hebben in een andere
gemeente, omdat betrokkene reeds anderhalf jaar niet of
nauwelijks gebruik maakt van zijn woning, maar bijna altijd (om
medische redenen) bij zijn ouders in een andere gemeente
verblijft, in welke situatie vooreerst geen wijziging te
verwachten is. Uit de daden van
betrokkene moet worden afgeleid dat hij zijn
woonplaats heeft verplaatst. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/4643
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Eindhoven,
appellant,
en
[gedaagde], wonende [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de
rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2000, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. J.H. Oude Wolcherink, werkzaam bij het Bureau
Rechtshulp te Breda, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 juli 2002, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij
de gemeente Eindhoven, en waar namens gedaagde mr. Oude Wolcherink is
verschenen.
II. Motivering
Bij besluit van 1 juni 1999 heeft appellant het bezwaarschrift van
gedaagde tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) met ingang van 1
februari 1999 gegrond verklaard voor zover het de ingangsdatum betreft,
de beëindigingsdatum nader vastgesteld op 1 maart 1999 en het bezwaar
voor het overige ongegrond verklaard.
Appellant heeft tot de beëindiging van de bijstand besloten op de grond
dat gedaagde ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw,
ingaande 1 maart 1999 geen recht op bijstand jegens hem heeft, aangezien
gedaagde niet langer in de gemeente Eindhoven woonplaats
heeft. Daaraan
ligt ten grondslag dat gedaagde, die vanaf 1992 op kamers in Eindhoven
woonde en na afronding van zijn opleiding met ingang van 1 september
1997 een bijstandsuitkering van appellant ontving, sedert medio 1997
feitelijk bij zijn ouders in [woonplaats] verblijft. Het feit dat er
voor dat verblijf medische redenen zijn, doet er, aldus appellant, niet
aan af dat gedaagde geen woonplaats meer heeft in de gemeente Eindhoven.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 juni 1999 gegrond
verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of gedaagde
woonplaats heeft in Eindhoven ingevolge het bepaalde in artikel
63,
eerste lid, van de Abw
moet worden
beantwoord aan de hand van de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank is, met verwijzing naar
artikel 11, eerste lid, Boek 1 BW, van oordeel dat op grond van de
voorhanden gegevens niet kan worden gezegd dat gedaagde zijn woonstede
heeft verloren door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te
geven.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt
zich op het standpunt dat het feit dat gedaagde niet of nauwelijks
gebruik maakt van de kamer in Eindhoven en de lange duur van gedaagdes
verblijf in de gemeente [woongemeente] ten tijde in geding reeds meer dan
anderhalf jaar bedraagt, terwijl een mogelijke terugkeer naar Eindhoven ongewis
is, de conclusie rechtvaardigt dat gedaagde geen woonplaats meer heeft
in de gemeente Eindhoven. De enkele verklaring van gedaagde dat hij
voornemens is terug te keren naar zijn kamer in Eindhoven is volgens
appellant niet voldoende om daarmee zijn woonplaats in Eindhoven te
behouden.
Van de kant van gedaagde is naar voren gebracht dat hij door ziekte
vanaf half 1997 in een overmachtsituatie beland is, waardoor hij
noodgedwongen bij zijn ouders verblijft en door hen verzorgd wordt. Hij
heeft echter zijn kamer in Eindhoven aangehouden en daarvoor een huur
van ƒ150,- per maand betaald. Hij verbleef daar een paar dagen per
maand, althans hij probeerde dit, maar was telkens gedwongen naar zijn
ouders terug te keren. Uit niets blijkt dat hij de wil had om zijn kamer
in Eindhoven prijs te geven. Daardoor kan niet gezegd worden dat
gedaagde ten tijde van de beëindiging van de bijstandsuitkering door
appellant zijn woonstede in Eindhoven had verloren. Ter zitting is
meegedeeld dat gedaagde uiteindelijk met ingang van 1 juni 2002 de huur
heeft opgezegd en nog steeds bij zijn ouders in [woonplaats] woont.
In dit geding dient de Raad ten gronde de vraag te beantwoorden of het
besluit van 1 juni 1999 in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw
bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de
artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het BW. Uit de
geschiedenis van de totstandkoming van artikel 63 Abw
blijkt dat de wetgever door aansluiting te zoeken bij het
woonplaatsbegrip in het BW heeft beoogd het aantal domiciliebepalingen
in de Abw te verminderen en dat in
verband met artikel 1:10, eerste lid, van het BW als hoofdregel is
aangehouden dat als gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar
belanghebbende zijn woonstede heeft, en bij gebreke van een woonstede,
de plaats van zijn werkelijk verblijf.
In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk
persoon zijn woonstede verliest door daden waaruit zijn wil blijkt om
haar prijs te geven. Naar het oordeel van de Raad sluit dit niet uit dat
een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht
kan worden te zijn opgebroken. De Raad vindt hiervoor mede steun in de
wetsgeschiedenis van artikel 1:11, eerste lid, van het BW. De vraag waar
iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63 van de Abw
dient naar het oordeel van de Raad dan ook beantwoord te worden aan de
hand van de feitelijke omstandigheden.
In het onderwerpelijke geval staat vast dat gedaagde ten tijde in dit
geding van belang
- 1 maart 1999 - reeds anderhalf jaar vrijwel onafgebroken feitelijk in
[woonplaats] verbleef. Vanuit [woonplaats] werd zijn administratie
gevoerd en alle post werd naar het adres van zijn ouders in [woonplaats]
doorgestuurd.
Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van de Raad niet meer
worden gesproken van een tijdelijk verblijf elders dat niet tot
wijziging van de woonplaats in de zin van artikel 63 van de Abw
leidt. Uit de daden van gedaagde moet worden afgeleid dat hij zijn
woonplaats heeft verplaatst van Eindhoven naar [woonplaats]. Daaraan kan
niet afdoen dat hij steeds te kennen heeft gegeven naar Eindhoven te
willen terugkeren zodra zijn gezondheidstoestand dat mogelijk zou maken,
te meer omdat daarop op 1 maart 1999 geen reëel uitzicht bestond.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant bij het bestreden besluit van 1
juni 1999 op goede gronden heeft geconcludeerd dat gedaagde met ingang
van 1 maart 1999 niet langer woonplaats heeft in de gemeente Eindhoven
en dus terecht heeft bepaald dat gedaagde vanaf die datum niet langer
recht heeft op bijstand jegens appellant. Ten onrechte is dat besluit
door de rechtbank vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling.
Beslist wordt daarom als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. M.A. Hoogeveen en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 10 september 2002.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE8099 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Hertogenbosch |
| Zaaknummer: |
AWB
02/1487 NABW-VV |
| Datum
uitspraak: |
5
juli 2002 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en 17
Abw
(= 11 en 15
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd; realisering
huisvesting buiten AZC; toekenning bijstand; Rva 1997;
voorliggende voorziening; asielzoeker |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijstand wegens voorliggende voorziening (de Rva
1997), omdat de verstrekkingen van de Rva 1997 eindigen
indien het een vreemdeling zoals betrokkene betreft op wiens
asielaanvraag een vergunning tot
verblijf voor bepaalde tijd is verleend, op de dag waarop naar het
oordeel van het COA passende huisvesting buiten een asielzoekerscentrum kan
worden gerealiseerd, zoals betrokkene is gelukt in verweerders
gemeente. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
's-Hertogenbosch AWB 02/1487 NABW-VV
U I T S P R A A K
ingevolge artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. M.F. Kiers,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente B,
verweerder,
in dezen vertegenwoordigd door drs. R.A.J. Wilbers.
I. Procesverloop
Verzoeker, afkomstig uit Sierra Leone, heeft op 18 juni 2001 een
vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd gekregen. Hij
heeft vanaf 14 februari 2002 in het asielzoekerscentrum te
Leeuwarden verbleven. Op 2 mei 2002 heeft verzoeker zich in
verweerders gemeente gevestigd op het adres [...]straat 33a te B.
Op 14 mei 2002 heeft verzoeker een aanvraag om een uitkering
ingevolge de Algemene
bijstandswet
ingediend.
Bij besluit van 13 juni 2002 heeft verweerder deze aanvraag
afgewezen om reden dat het COA (Centraal Orgaan opvang
Asielzoekers) hem niet heeft gemeld in het kader van de zogeheten taakstelling reguliere huisvesting. Voorts is verweerder van
mening dat, nu verzoeker zelf huisvesting heeft gezocht, hij kan
terugkeren in het azielzoekerscentrum (AZC) en aanspraak kan
blijven maken op een uitkering ingevolge de Regeling
verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen
1997 (Stcrt. 1997, 246) (hierna: Rva), hetgeen als een toereikende
voorliggende voorziening wordt aangemerkt.
Namens verzoeker is hiertegen op 17 juni 2002 bezwaar gemaakt,
terwijl bij schrijven van dezelfde datum de voorzieningenrechter
tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen
inhoudende dat verzoeker onverwijld bijstand wordt verstrekt.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 juli 2002, waar
verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn
gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
II. Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb
kan, onder meer indien tegen een
besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de
rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen
slechts aanleiding bestaan indien het in de bodemprocedure
bestreden besluit naar voorlopig oordeel onrechtmatig is te achten
en om die reden zal worden vernietigd, terwijl tevens voldoende
spoedeisend belang aanwezig is. Bij twijfel omtrent de
rechtmatigheid van het in het geding zijnde besluit zal dienen te
worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond
bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het
belang van verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt
getroffen te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke
uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze
toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt
beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat
niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Aangezien tegen verweerders besluit van 13 juni 2002 tijdig
bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure
bevoegd zal zijn en ook overigens geen belemmeringen bestaan, kan
verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.
Ten aanzien van de vraag of in dit geval een voorlopige
voorziening moet worden getroffen, overweegt de
voorzieningenrechter het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker een vreemdeling
is in de zin van artikel 7, tweede lid, van de Abw.
Ter zitting heeft de gemachtigde het standpunt van verweerder
nader toegelicht. Daarbij is gewezen op de toelichting op artikel
2 van de Rva waarin staat dat deze regeling kan worden aangemerkt
als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van de Abw. Voorts is aangevoerd dat verzoeker, ook al is hij in het
bezit gesteld van een verblijfsvergunning, in het AZC Leeuwarden
had dienen te blijven totdat het COA hem passende woonruimte zou
hebben aangeboden. Verzoeker kan terugkeren naar het AZC en weer
in aanmerking komen voor een Rva-uitkering.
Namens verzoeker is dit standpunt van verweerder bestreden.
Daartoe is onder meer aangevoerd dat de Rva slechts van toepassing
is op asielzoekers. Nu verzoeker in het bezit is gesteld van een
vergunning voor bepaalde tijd asiel is de Rva mitsdien niet op hem
van toepassing en kan dientengevolge van een voorliggende
voorziening geen sprake zijn. Namens verzoeker is voorts
aangevoerd dat de verstrekkingen in het kader van de Rva ingevolge
artikel 8 van deze regeling eindigen indien passende woonruimte
buiten het opvangcentrum kan worden gerealiseerd. Verzoeker heeft
zelf woonruimte in verweerders gemeente gevonden, hetgeen betekent
dat de Rva op dat moment niet meer op hem van toepassing is. Van
een voorliggende voorziening, voor zover daar al sprake van zou
zijn geweest, is volgens verzoeker ook om die reden geen sprake.
De voorzieningenrechter kan verweerder in zijn standpunt niet
volgen. Met verzoeker is zij van oordeel dat de Rva bedoeld is
voor asielzoekers die verblijven in de centrale opvang (zoals het
AZC). Voor die asielzoeker wordt inderdaad deze regeling een
toereikende voorliggende voorziening geacht, zoals bedoeld in
artikel 17 van de Abw. De
achterliggende gedachte daarbij is dat
daarmee wordt voorkomen dat iedere in een AZC verblijvende
asielzoeker tevens aanspraak op een bijstandsuitkering kan maken.
Hiermee wordt gelijkgesteld degene die een vergunning tot verblijf
is verleend en in de centrale opvang verblijft in afwachting van
het betrekken van woonruimte in een gemeente, zie hiervoor artikel
1, vierde lid, Rva.
Blijkens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, Rva eindigen de
verstrekkingen, bedoeld in artikel 5 (waaronder een wekelijkse
financiële toelage), indien het een vreemdeling betreft op wiens
asielaanvraag - voor zover hier van belang - een vergunning tot
verblijf voor bepaalde tijd is verleend, op de dag waarop naar het
oordeel van het COA passende huisvesting buiten een centrum kan
worden gerealiseerd.
Blijkens de toelichting op laatstgenoemd artikellid betreft de in
onderdeel a beschreven omstandigheid het beschikbaar zijn van
huisvesting voor de betrokkene buiten een centrum, nadat hij een
status heeft gekregen. Nadat een asielzoeker in kennis is gesteld
van de beschikking waarin de status hem is meegedeeld, wordt de
opvang beëindigd op de dag waarop passende huisvesting buiten het
centrum daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Daarvan is in ieder
geval sprake enkele dagen (bedoeld om verhuizing mogelijk te
maken) nadat aan een statushouder een woning is aangeboden of als
betrokkene ervan afziet om in te gaan op het aanbod, dan wel als
betrokkene er zelf in slaagt in huisvesting te voorzien.
Uit het voorgaande kan naar voorlopig oordeel van de
voorzieningenrechter geen andere conclusie volgen dan dat, ook
ingeval een asielzoeker met een status er zelf in slaagt
woonruimte te vinden, de Rva-verstrekkingen worden beëindigd.
De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden,
en ook de gemachtigde van verweerder is daarin niet geslaagd,
waaruit moet worden afgeleid dat de asielzoeker moet afwachten (in
het AZC) totdat aan hem door het COA passende woonruimte wordt
aangeboden.
Gemeenten in Nederland hebben een taak in het kader van het
huisvesten van statushouders in het kader van de taakstelling
huisvesting statushouders. In dat verband zijn er afspraken
gemaakt welke aantallen statushouders door de verschillende
gemeenten worden gehuisvest. Dat mogelijk door verzoekers eigen
initiatief in het vinden van huisvesting de afspraken tussen
verweerders gemeente en het COA in het kader van de taakstelling
huisvesting asielzoekers worden doorkruist, kan geen reden zijn
voor verweerder om het verzoek om bijstand te weigeren.
Nu uit de stukken is gebleken dat verzoeker op 1 mei 2002 een
kamer heeft gehuurd van de woning aan de [...]straat 33a te B
staat daarmee vast dat verzoeker zich heeft gevestigd in
verweerders gemeente. Gelet op artikel 8 Rva zal verzoeker
derhalve vanaf de voornoemde datum geen aanspraak meer kunnen
maken op deze regeling.
Gezien het vorenstaande zal verweerders besluit tot afwijzing van
verzoekers aanvraag om bijstand naar het voorlopig oordeel van de
voorzieningenrechter in bezwaar geen stand kunnen houden.
Nu voorts voldoende aannemelijk is dat verzoeker in een financiële
noodsituatie verkeert, zal de voorzieningenrechter bij wijze van
voorlopige voorziening bepalen dat met ingang van 17 juni 2002
bijstandsuitkering aan verzoeker wordt verstrekt.
De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te
veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze
kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht
en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal
€|644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand:
- 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;
- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
- waarde per punt
€|322,-;
- wegingsfactor 1.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de door verzoeker
gemaakte reiskosten tot een bedrag van
€|10,78, berekend op basis
van kosten van het openbaar vervoer.
Het verzoek verweerder te veroordelen tot het betalen van
schadevergoeding zal worden afgewezen, daargelaten wat er van dat
verzoek zij, omdat de aard van deze procedure zich niet leent voor de
beoordeling van schade de vorm van wettelijke rente.
De voorzieningenrechter zal wel bepalen dat door verweerder aan
verzoeker het door hem gestorte griffierecht dient te worden
vergoed.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige
voorziening toe in dier voege dat verzoeker met ingang van 17 juni
2002 bijstand naar de voor hem geldende norm wordt verstrekt, tot
zes weken nadat een beslissing op bezwaar is genomen;
- gelast verweerder aan verzoeker te vergoeden het door
hem gestorte griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte
proceskosten vastgesteld op
€|644,- voor door
een derde verleende
rechtsbijstand en
€|10,78 voor door verzoeker gemaakte
reiskosten;
- wijst verweerder aan als de rechtspersoon die de
proceskosten dient te vergoeden;
- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan
de griffier.
Aldus gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries in tegenwoordigheid
van de griffier, mr. I.K. Hahn, en uitgesproken in het openbaar op
5 juli 2002.
Afschrift verzonden:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE8232 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/5827
NABW en 02/1565 NABW |
| Datum
uitspraak: |
10
september 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
21, 32
en 39 Abw
(= 51, 24
en 35 Wwb)
/ 6:18,
6:19 en 7:11
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; geldlening; hoogte aflossingsbedrag; verbod van
reformatio in peius; beslagvrije voet |
| Essentie: |
Onterechte
verhoging in bezwaar van het aflossingsbedrag van bijzondere
bijstand in de vorm van een geldlening, omdat daarmee het verbod
van reformatio in peius is geschonden. Voor de vaststelling van
de beslagvrije voet is echter niet de toepasselijke
bijstandsnorm (i.c. de alleenstaandeoudernorm), maar de leefvorm
(i.c. samenwonende echtgenoten) bepalend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/5827
NABW en 02/1565 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Drimmelen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. M.C. Schmidt, verbonden aan het Buro
voor Rechtshulp te Delft, op bij het beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda
op 15 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij faxbericht van 2 maart 2002 heeft gedaagde desverzocht het
ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 15 november
1999 genomen nadere besluit op bezwaar aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 juni 2002. Daar is
appellante verschenen bij haar gemachtigde mr. S.B. de Jong,
verbonden aan het Bureau Rechtshulp
Gouda, terwijl gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Suijkerbuijk, werkzaam bij
de gemeente Drimmelen.
II. Motivering
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de
Raad de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw), berekend naar
de norm voor een alleenstaande ouder. De aanvraag van haar
echtgenoot [naam echtgenoot] om met behoud van uitkering het
voorbereidend jaar aan de universiteit te volgen, is afgewezen.
Bij besluit van 22 december 1998 is aan appellante en haar
echtgenoot bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening
toegekend tot een bedrag van ƒ9983,33. Bij besluit van dezelfde
datum is het aflossingsbedrag ingaande 1 januari 1999 bepaald op
ƒ124,15 per maand.
Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het ten
aanzien van appellante genomen bestreden besluit van 4 februari
1999 voor de berekening van het aflossingsbedrag aansluiting
gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475ƒ,
eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) en het af te lossen bedrag nader vastgesteld
op ƒ189,80 per maand. [Naam echtgenoot] wordt wegens het
ontbreken van inkomsten niet tot aflossing in staat geacht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit van 4 februari 1999 gegrond verklaard
en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat, nu appellante door het aantekenen van bezwaar in
een minder gunstige positie is komen te verkeren dan vóór het
aanwenden van dit rechtsmiddel, sprake is van strijd met het
verbod van reformatio in peius, terwijl zich in onderhavig geding
niet een zodanig uitzonderlijke situatie voordoet dat gedaagde
bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van
belanghebbende te wijzigen. Met betrekking tot de grief van
appellante omtrent de gehanteerde beslagvrije voet merkt de
rechtbank nog op dat gedaagde bij de vaststelling van het
aflossingsbedrag is uitgegaan van de juiste beslagvrije voet, te
weten 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die
uitspraak gekeerd.
Gedaagde heeft bij het besluit van 15 november 1999 het met ingang
van 1 januari 1999 maandelijks af te lossen bedrag nader
vastgesteld op ƒ124,15.
De Raad merkt het besluit van 15 november 1999 aan als een besluit
in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Nu bij dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de
bezwaren van appellante wordt ingevolge artikel 6:19 in verbinding
met artikel 6:24 van de Awb
het hoger beroep geacht mede te zijn
gericht tegen het besluit van 15 november 1999.
Partijen houdt verdeeld de vraag of het aflossingsbedrag gezien
naar 1 januari 1999 op de juiste hoogte is vastgesteld.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde bij de
bepaling van het door appellante af te lossen bedrag als
uitgangspunt heeft genomen dat zij de beschikking dient te houden
over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv.
Ingevolge artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedraagt de beslagvrije voet voor
schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3
van de Abw
die beiden 21 jaar of ouder zijn: 90 procent van
de bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel
c,
respectievelijk artikel 30, tweede lid, onderdeel
c en d, van die wet;
b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in
artikel 4, onderdeel a en
b, van de Abw
die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn, voor zover hier van belang,
ten minste 90 procent van de
bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel
a en b
van de Abw,
en ten hoogste 90 procent van die bijstandsnorm nadat
deze eerst is verhoogd met het bedrag, genoemd in artikel
33,
tweede lid, van die wet.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde ten onrechte
toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 475d, eerste lid,
aanhef en onder b, Rv in plaats van aan het bepaalde in artikel
474d, eerste lid, aanhef en onder a, Rv als vorenaangehaald
gegeven. Daartoe overweegt hij het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten echtgenoten zijn in de
zin van artikel 3 van de Abw. Naar de gemachtigde van gedaagde bij
de behandeling van het geding ter zitting heeft toegelicht, is
voor de bepaling van de hoogte van het aflossingsbedrag niettemin
aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel
475d, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rv, omdat appellante
met toepassing van artikel 32 van de Abw
een uitkering is verleend
naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Raad kan gedaagde
hierin niet volgen, aangezien ingevolge artikel 475d Rv niet de
bijstandsnorm,
maar de leefvorm bepalend is voor de hoogte van de
beslagvrije voet.
De Raad stelt ten slotte vast dat artikel 475d Rv niet een
afwijkende regeling bevat voor het geval dat zich de situatie van
artikel 32 van de Abw
voordoet, zodat het bestreden besluit op dit
punt in strijd met de wet is genomen.
In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten dat de aangevallen
uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking
komt. Ook het besluit van 15 november 1999 dient wegens strijd met
de wet te worden vernietigd.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel
8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellante. Deze kosten worden begroot op €|644,- in hoger
beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4
februari 1999;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van
appellante in hoger beroep tot een bedrag groot
€|644,-, te
betalen door de gemeente Drimmelen;
bepaalt dat de gemeente Drimmelen aan appellante het betaalde
griffierecht van
€|77,14 (ƒ170,-) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de
Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 september
2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE8634 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4599
NABW-VV en 99/4560 NABW |
| Datum
uitspraak: |
11
november 1999 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en hoger beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9 (oud)
en
17
Abw
(= – en
15
Wwb) /
7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
opleiding; studie; extraneus; toekenning bijstand; voorliggende
voorziening; studiefinanciering; voltijdopleiding;
voltijdonderwijs; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijstand wegens voorliggende voorziening
(studiefinanciering ingevolge de WSF), omdat betrokkene als
extraneus geen volledig hoger onderwijs volgt en derhalve geen
aanspraak kan maken op studiefinanciering. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 99/4599
NABW-VV en 99/4560 NABW
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van
artikel 8:81 van die wet in samenhang met
artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Inleiding
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak
van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 5 augustus 1999,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
In zijn beroepschrift heeft verzoeker eveneens verzocht om
toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 november 1999, waar
verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Visser,
werkzaam bij de gemeente Groningen. Gedaagde is daar niet
verschenen.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en
21 van de Beroepswet
in verbinding met artikel 8:81 van de
Awb kan, indien tegen een
uitspraak van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de
Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet
in verbinding met
artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep
voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is
dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak
kan doen in de hoofdzaak.
De president is in dit geval van oordeel dat na de zitting nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van
de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk
uitspraak te doen.
Bij zijn oordeelsvorming gaat de president uit van de volgende
feiten en omstandigheden.
Gedaagde, geboren in 1973, volgde vanaf 1 september 1991 een
dagopleiding economie aan de Rijksuniversiteit te Groningen (RUG)
en ontving in verband hiermee studiefinanciering ingevolge de Wet
op de studiefinanciering (WSF).
In oktober 1997 heeft gedaagde besloten om de voltijdopleiding af
te breken en zich te gaan richten op het vinden van werk op de
arbeidsmarkt, omdat hij naar verwachting nog geruime tijd
verwijderd was van de voltooiing van de opleiding economie en hij
zijn studieschuld niet verder wilde laten oplopen. Per 1 november
1997 heeft hij zich uitgeschreven als voltijdstudent bij de RUG en
zich aansluitend in laten schrijven als extraneus.
Bij besluit van 26 november 1997 heeft verzoeker een aanvraag van
gedaagde om hem met ingang van 1 november 1997 een uitkering
ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) toe te kennen, afgewezen.
Verzoeker heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift
ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 2 juni 1998.
Daarbij heeft verzoeker onder meer overwogen dat gedaagde door
zich aansluitend aan zijn uitschrijving als voltijdstudent in te
schrijven als extraneus is aan te merken als studerend en dat hij
op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Abw
geen recht op algemene bijstand heeft. Tevens heeft verzoeker als
motivering gegeven dat gedaagde een beroep had kunnen doen op een
passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat hij,
indien hij zich gedurende het gehele studiejaar 1997-1998 als
voltijdstudent had ingeschreven, recht gehad zou hebben op studiefinanciering
ingevolge de WSF in de vorm van een
rentedragende lening.
In zijn beroepschrift heeft gedaagde, evenals in bezwaar,
aangegeven dat hij zich als extraneus heeft ingeschreven om de
mogelijkheid open te houden om wellicht in de toekomst zijn studie
of enige vakken af te ronden. Hij zou zich echter na het afbreken
van zijn studie gericht hebben op het vinden van werk en dit met
bewijzen hebben onderbouwd, hetgeen geresulteerd heeft in
werkaanvaarding met ingang van 6 mei 1998.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen
het besluit van 2 juni 1998 gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd.
Verzoeker heeft in hoger beroep betoogd dat in het geval van
gedaagde, die als extraneus stond ingeschreven en om die reden
geen aanspraak had op studiefinanciering, wel degelijk sprake was
van een voorliggende voorziening die aan bijstandverlening in de
weg stond. Verzoeker stelt namelijk dat gedaagde, indien hij
gebruik gemaakt had van de mogelijkheid om zich als voltijdstudent
in te schrijven, wel aanspraak had kunnen maken op
studiefinanciering krachtens de WSF. Aangezien deze financiering
als een voorliggende voorziening in de zin als bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Abw
moet worden aangemerkt, had gedaagde,
voor wie deze mogelijkheid openstond, volgens verzoeker geen recht
op een bijstandsuitkering.
Daarnaast stelt verzoeker zich op het standpunt dat artikel
9,
tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw ruim uitgelegd dient te
worden in die zin dat ook de persoon die zich als extraneus heeft
ingeschreven in aansluiting op een inschrijving als voltijdstudent
aan te merken is als studerend in de zin van dat artikel en op die
grond geen recht heeft op algemene bijstand.
De president oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw
bestaat geen recht op
bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Vaststaat dat gedaagde als extraneus stond ingeschreven bij de
RUG. Daardoor had hij geen recht op deelname aan het onderwijs,
maar was hij alleen gerechtigd om tentamens en examens af te
leggen. Evenmin kon hij als extraneus aanspraak maken op
studiefinanciering krachtens de WSF omdat één van de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor studiefinanciering op grond van
hoofdstuk II van de WSF is dat de studerende volledig hoger
onderwijs volgt.
In de onderhavige situatie kon studiefinanciering krachtens de WSF
dan ook niet als een voorliggende voorziening in de zin van
artikel 17, eerste lid, van de Abw
worden aangemerkt omdat
gedaagde per 1 november 1997 niet meer daadwerkelijk een beroep op
de WSF kon doen.
Evenmin kan de president verzoeker volgen in zijn stelling dat
afwijzing van de bijstand op grond van artikel
9, tweede lid,
aanhef en onder b, van de Abw
gerechtvaardigd is. Het gegeven dat
gedaagde op en na 1 november 1997 geen onderwijs volgde als
bedoeld in hoofdstuk II van de WSF staat daaraan in de weg (zie
ook de uitspraak van de Raad van 25 mei 1999, onder meer
gepubliceerd in RSV 1999/233 en JABW 1999/113). Gelet op de
duidelijke bewoordingen van het zojuist genoemde voorschrift ziet
de president voor de door verzoeker bepleite ruime uitleg van deze
bepaling geen plaats. De verwijzing naar de onder de werking van
de Algemene Bijstandswet gevormde jurisprudentie - waarvan de
kernoverweging is dat in geval van inschrijving als extraneus als
vervolg op een beëindigde inschrijving als dagstudent er in
beginsel van mag worden uitgegaan dat de betrokkene een zwaarder
gewicht aan zijn studie toekent dan aan het verrichten van arbeid
in dienstbetrekking - treft geen doel. Deze jurisprudentie is
immers uitsluitend van belang voor de beoordeling van de vraag of
een extraneus al dan niet behoort tot de personenkring van de - in
een geval als het onderhavige tot 1 januari 1996 gevigeerd
hebbende - Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Die vraag is
in dit geding niet aan de orde.
Gelet op het vorenstaande komt de president evenals de rechtbank
tot de conclusie dat het bestreden besluit op een niet deugdelijke
motivering berust, zodat dit besluit wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan worden gelaten.
Daarin ligt tevens besloten dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met
inachtneming van hetgeen de president in deze uitspraak heeft
overwogen.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak zijn er geen redenen
voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek
moet worden afgewezen.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb acht de president ten
slotte geen termen aanwezig.
III.
Beslissing
De president van de Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
bepaalt dat verzoeker een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
gedaagde met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht af;
bepaalt dat van de gemeente Groningen een recht van ƒ675,- wordt
geheven.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in
tegenwoordigheid van mr. N.A. de Regt als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 15 november 1999.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) N.A. de Regt.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE8636 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/5104
NABW |
| Datum
uitspraak: |
15
mei 2001 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
17 en 39 Abw
(= 15 en 35
Wwb) / 7:12
en
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten behandeling tandheelkundige stoorvelden;
medische noodzaak; voorliggende voorziening; motivering |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van (een voorgenomen)
behandeling van tandheelkundige stoorvelden, niet wegens een
voorliggende voorziening (welke niet aanwezig is), maar omdat op
grond van medisch onderzoek de noodzaak van de behandeling niet
is komen vast te staan. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/5104
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellante heeft op in het beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te
Maastricht op 16 september 1999 ten aanzien van partijen gewezen
uitspraak, genummerd 98/1914 NABW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Hierna heeft appellante zich nog enige malen schriftelijk tot de
Raad gewend.
Het geding is - gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd
99/750 NABW en 99/753 NABW - behandeld ter zitting van 20 februari
2001. Daar is appellante in persoon verschenen en heeft gedaagde
zich niet doen vertegenwoordigen.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak
gedaan.
II. Motivering
Appellante heeft zich op 31 juli 1998 tot gedaagde gewend met het
verzoek haar bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van (een
voorgenomen) behandeling van tandheelkundige stoorvelden.
Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 15
september 1998, welk besluit - na gemaakt bezwaar - is gehandhaafd
bij besluit van 14 december 1998. In het bijzonder is overwogen
dat met betrekking tot het behandelen van stoorvelden in beginsel
een voorliggende voorziening in de zin van artikel
17, eerste lid,
van de Algemene
bijstandswet (Abw) voor handen is in de vorm van
de Ziekenfondswet (Zfw).
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat
appellante heeft ingesteld tegen het besluit van 14 december 1998
ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank de motivering van
het bestreden besluit omarmd.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen die uitspraak gekeerd.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Voor de kosten die verband houden met een medische of paramedische
behandeling zijn de Zfw en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) in beginsel aan te merken als aan de Abw
voorliggende, toereikende en passende voorzieningen.
In casu staat vast dat appellante voor de kosten van de
behandeling van stoorvelden geen beroep kan doen op de Zfw of de
AWBZ en dat hier ook van een situatie als bedoeld in artikel
17,
tweede lid, geen sprake is.
Aangezien niet is gesteld of gebleken dat er overigens voor de
onderwerpelijke behandeling een voorliggende voorziening als
bedoeld in artikel 17 van de Abw
is aan te wijzen, is tevens
gegeven dat de op dit voorschrift steunende motivering van het
bestreden besluit als onjuist moet worden aangemerkt.
Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit wegens strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
dient te worden vernietigd.
De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er
aanleiding is om met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van
de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand
te laten. Hij beantwoordt deze vraag op grond van de volgende
overwegingen bevestigend.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw
heeft de
alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover
deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de
aanwezige draagkracht.
Gedaagde heeft naar aanleiding van de aanvraag van appellante de
Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Oostelijk Zuid-Limburg
verzocht appellante te onderzoeken en een advies uit te brengen.
Dit heeft geleid tot een rapport van 3 september 1998 van F.C.W.
Klaassen, sociaal-geneeskundige van deze dienst, in welk rapport
de tandarts M. Dautzenberg verslag doet van zijn bevindingen van
het bij appellante ingestelde onderzoek. De conclusie van dit
rapport is dat vooralsnog de gevraagde "hulp" medisch
niet noodzakelijk is.
De Raad is van oordeel dat op grond van dat rapport in het geval
van appellante de noodzaak van de door haar bedoelde behandelingen
niet is komen vast te staan. Dat appellante ter zitting heeft
verklaard dat de inmiddels plaatsgevonden hebbende behandelingen
een voor haar gunstig resultaat hebben gehad, maakt dit niet
anders. Ook overigens heeft appellante naar het oordeel van de
Raad geen argumenten naar voren gebracht die de Raad tot een ander
oordeel zouden kunnen brengen.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van
appellante in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op ƒ16,75 en ƒ70,- (totaal ƒ86,75)
voor reiskosten.
Beslist wordt als volgt.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van ƒ86,75, te betalen door de gemeente Nuth;
gelast de gemeente Nuth aan appellante het gestorte recht van ƒ55,- in beroep en
ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) te
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de
Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|