| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE8637 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
01/916
NABW-VV en 00/1046 NABW |
| Datum
uitspraak: |
27
maart 2001 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt. 17 en 39
Abw
(= 15 en 35
Wwb) |
| Trefwoorden: |
bijzondere bijstand; tandartskosten; twaalfdelige brug;
voorliggende voorziening; onderzoek naar noodzaak; zeer
dringende redenen |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van een
twaalfdelige brug, omdat de Zfw als een toereikende en passende
voorliggende voorziening is aan te merken. B&W kan niet
worden tegengeworpen dat zij niet zelf een onderzoek hebben doen
instellen naar de noodzakelijkheid van de kosten, daar niet is
gebleken van zeer dringende redenen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 01/916
NABW-VV en 00/1046 NABW
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van
artikel 8:81
van die wet in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding
tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam,
gedaagde.
I. Inleiding
Gedaagde heeft op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam op 25 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens verzoekster heeft mr. M.M.A. van Hooff, advocaat te Amsterdam,
een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
De Raad heeft een tweetal namens verzoekster ingediende verzoeken om
versnelde behandeling afgewezen.
Bij brief van 1 februari 2001 heeft mr. Van Hooff voornoemd namens
verzoekster verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting op 20 maart 2001, waar verzoekster
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hooff, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren,
werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21
van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:81
van de Awb kan, indien tegen een
uitspraak van de rechtbank of van de
president van de rechtbank als omschreven in
artikel 18 van de Beroepswet hoger
beroep is ingesteld, de president van de Raad
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,
gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet
in verbinding met
artikel
8:86 van de Awb houdt met betrekking
tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij
van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan
doen in de hoofdzaak.
De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak
onmiddellijk uitspraak te doen.
Voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten verwijst de president naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat
hier met het volgende.
Bij besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde een aanvraag van
verzoekster van 1 december 1997 om bijzondere bijstand in de kosten van
het plaatsen van een door haar tandarts J.N. Jesse geadviseerde
twaalfdelige brug aan haar kaak afgewezen.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond
verklaard bij besluit van 4 augustus 1998 op grond van het bepaalde in
artikel 17 van de Algemene
bijstandswet (Abw), zoals deze bepaling sedert 1 juli 1997 luidt.
De rechtbank heeft het tegen het
besluit van 4 augustus 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, het
besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen en
beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit onzorgvuldig
voorbereid en genomen, omdat gedaagde zelf een onderzoek had moeten
(doen) instellen naar de noodzakelijkheid van de door verzoekster
gevraagde voorziening.
Gedaagde heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De president stelt eerst met partijen vast dat voor de in geding zijnde
kosten van belang is het bepaalde in artikel 17
van de
Abw, zoals dat artikel luidt sedert 1 juli
1997.
Met de huidige tekst van dat artikel is beoogd te verduidelijken wat
voordien ook al gold; de wetsgeschiedenis van deze bepaling biedt naar
het oordeel van de president geen aanknopingspunten om het standpunt van
gedaagde zoals neergelegd in het bestreden besluit voor onjuist te
houden.
Dit betekent dat ook hier heeft te gelden dat de Ziekenfondswet
voor de kosten van tandheelkundige hulp als een aan de Abw
voorliggende, toereikende en passende voorziening is aan te merken,
gelet op aanspraken op de tandheelkundige hulp voor verzekerden als
verzoekster omschreven in de Regeling tandheelkundige hulp
ziekenfondsverzekering, en dat artikel 17,
eerste lid, van de Abw
in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in
de weg staat.
Het derde lid van artikel 17 van de Abw
biedt de mogelijkheid om in afwijking van de voorgaande leden in
bedoelde kosten bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle
omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens
de memorie van toelichting dient daarbij te worden gedacht aan
noodsituaties. De gedingstukken bieden geen enkel aanknopingspunt om te
oordelen dat in het geval van verzoekster van een noodsituatie in de zin
van het derde lid van artikel
17 van de Abw sprake was. Dat
betekent dat gedaagde naar het oordeel van de president niet de
bevoegdheid toekwam om verzoekster bijzondere bijstand toe te kennen
voor de hier besproken kosten. In dit licht bezien kan gedaagde naar het
oordeel van de president niet worden tegengeworpen dat hij niet zelf een
onderzoek heeft doen instellen naar de noodzakelijkheid van de kosten
van de twaalfdelige brug, zoals de
rechtbank heeft gedaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven. De president zal, doende hetgeen de rechtbank
had behoren te doen, het inleidend beroep ongegrond verklaren.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei
voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb
acht de president ten slotte geen termen aanwezig.
III.
Beslissing
De president van de Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep ongegrond;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 27 maart 2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE8643 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/3257
NABW en 00/3302 NABW-VV |
| Datum
uitspraak: |
8
augustus 2000 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
33, 38 en 81
Abw (= 25,
30 en 58
Wwb) |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; terugvordering; kostendeling; fictieve
inkomsten; niet-aangevraagde aanvullende bijstand inwonend
meerderjarig kind; gemeentelijke verordening |
| Essentie: |
Onterechte
verlaging en terugvordering van de gemeentelijke toeslag wegens
fictief inkomen van een inwonend meerderjarig kind, omdat
overeenkomstig de gemeentelijke verordening de feitelijke en
niet de fictieve inkomsten (het ontvangen loon vermeerderd met
niet-aangevraagde aanvullende bijstand) van dat kind in
aanmerking hadden moeten worden genomen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 00/3257
NABW en 00/3302 NABW-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van
artikel 8:81
van die wet in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Eindhoven, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Inleiding
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank
te 's-Hertogenbosch op 28 april 2000 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij het beroepschrift heeft verzoeker tevens verzocht om
toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verzoeker heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting op 1 augustus 2000, waar voor
verzoeker is verschenen H.L.P.M. van Helden, werkzaam bij de
gemeente Eindhoven, terwijl gedaagde niet is verschenen.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en
artikel 21 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de
Awb kan, indien
tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de
rechtbank als omschreven in artikel 18 van de
Beroepswet hoger
beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met
artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep
voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is
dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak
kan doen in de hoofdzaak.
De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek
ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan
de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de
hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.
Aan de aangevallen uitspraak - waarin verzoeker als verweerder en
gedaagde als eiseres is aangeduid - ontleent de president de
volgende feiten en omstandigheden:
"Eiseres was sinds 1987 gescheiden van haar toenmalige
echtgenoot. Zij had een inwonende dochter, geboren 31 maart 1977.
Met ingang van 19 juli 1993 ontving eiseres bijstandsuitkering,
sedert 1 december 1996 onder vigeur van de (nieuwe) Algemene
bijstandswet (Abw). Die bijstandsuitkering bestond sedert 1
december 1996 uit het normbedrag voor een alleenstaande,
vermeerderd met een toeslag van 20% van de in artikel
30, onderdeel c,
van de Abw genoemde norm, kennelijk omdat haar inwonende dochter
een inkomen had dat lager was dan 70% van het normbedrag voor een
alleenstaande (artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de in verweerders
gemeente geldende Verordening toelagen en verlagingen Abw, verder
te noemen: de verordening). Daarnaast ontving eiseres tevens - op
grond van door verweerder in het kader van de bijzondere bijstand
gevoerd beleid - een "toeslag voormalig alleenstaande ouder"
(hierna te noemen: TVAO). De TVAO wordt toegekend (kort gezegd)
indien het totaal van de inkomsten van de alleenstaande en zijn of
haar laatste kind lager is dan gehuwdennorm - en wel ter hoogte
van het verschil tussen het totaal van die inkomens en die norm -
en wordt beëindigd onder meer indien dat kind 21 jaar wordt.
De TVAO is kennelijk met ingang van 31 maart 1998 - toen
eiseresses dochter 21 jaar werd - beëindigd. Volgens verweerder
had met ingang van diezelfde datum tevens de toeslag van 20%
verlaagd moeten worden naar 5% van de gehuwdennorm omdat de
dochter ingaande die datum geacht moest worden een inkomen te
(kunnen) hebben ter hoogte van (ten minste) de norm voor een
alleenstaande van 21 jaar of ouder, zodat eiseres uit dien hoofde
zowel de woonkosten als de overige woonkosten met haar dochter kon
delen (artikel 3, zesde lid, aanhef en onder c, van de verordening).
Verweerder heeft de toeslag van 20% echter ook na 30 maart 1998
aan eiseres doorbetaald.
Bij besluit van 11 februari 1999 heeft verweerder eiseresses
bijstandsuitkering herzien in deze zin dat de TVAO over februari
1998 werd verlaagd en over maart 1998 werd ingetrokken, terwijl de
toeslag over de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 werd
verlaagd van 20% naar 5% van de gehuwdennorm. Tevens werd de
volgens verweerder aldus te veel ontvangen bijstandsuitkering ter
hoogte van ƒ5354,57 van
eiseres teruggevorderd.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij verweerders besluit
van 25 mei 1999 ongegrond verklaard."
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit op het
bezwaarschrift te nemen en een beslissing gegeven inzake
vergoeding van griffierecht. Zij heeft daartoe overwogen:
"In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders in
bezwaar gehandhaafde besluit om eiseresses bijstandsuitkering over
de periode van 1 februari 1998 tot 1 februari 1999 te herzien en
het volgens verweerder te veel betaalde bedrag terug te vorderen,
in rechte kan worden gehandhaafd.
Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder de
TVAO terecht heeft verlaagd respectievelijk ingetrokken in verband
met inkomsten van eiseresses dochter en vanwege het feit dat zij
de 21-jarige leeftijd bereikte.
Met de verlaging van de toeslag per 31 maart 1998 kan de rechtbank
zich niet verenigen.
Ingevolge artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de verordening wordt de
toeslag voor de alleenstaande in wiens woning uitsluitend
inwonende kinderen verblijven, bepaald op het in artikel
33, tweede
lid, van de Abw genoemde maximumbedrag (dat is: 20% van de
gehuwdennorm) indien de inwonende kinderen elk een inkomen hebben
dat lager ligt dan 70% van het normbedrag zoals genoemd in artikel
30, onderdeel a, van de Abw (dat is: het normbedrag voor een
alleenstaande van 21 jaar of ouder).
Eiseresses dochter was ook op en na 31 maart 1998 (haar 21ste
verjaardag) een inwonend kind als bedoeld in de zojuist genoemde
bepaling, terwijl op geen enkele manier gebleken is dat haar
inkomen in (alle maanden van) de periode van 31 maart 1998 tot 1
februari 1999 gelijk was aan of hoger dan 70% van het normbedrag
voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder. Verweerders argument
dat dat inkomen die hoogte had kunnen bereiken indien de dochter
op of na 31 maart 1998 bijstandsuitkering naar de norm voor een
alleenstaande van 21 jaar of ouder had aangevraagd, kan niet
slagen. Het gaat te ver om artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de
verordening zo ver uit te rekken dat daarbij in gevallen als het
onderhavige ook rekening zou moeten worden gehouden met een
fictief inkomen van het inwonende kind.
Gezien het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte over
(maanden van) de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 het
zesde lid, aanhef en onder c, van artikel 3 van de verordening op eiseresses
situatie toegepast in plaats van het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel.
De in het bestreden besluit vervatte herziening en terugvordering
kan derhalve niet in stand worden gelaten."
Verzoeker bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank
met betrekking tot de herziening van de toeslag per 31 maart 1998.
Naar zijn oordeel stelt de rechtbank zich ten onrechte op het
standpunt dat geen rekening kan worden gehouden met een fictief
inkomen van het inwonende kind. Verwezen is onder meer naar 's Raads jurisprudentie met betrekking tot het vaststellen van
inkomen bij het verrichten van productieve arbeid.
De president overweegt het volgende.
De vigerende Verordening toeslagen en verlagingen Algemene
bijstandswet (hierna: de verordening) bevat geen afzonderlijke
bepaling ter vaststelling van inkomen. De toelichting op artikel 1
vermeldt wel dat de begrippen die in de verordening worden
gebruikt een gelijkluidende betekenis hebben als de omschrijving
in de Algemene
bijstandswet (Abw), behoudens één (hier niet
relevante) afwijking.
In artikel 3, vierde lid, van de verordening is onder meer
gemarkeerd dat de alleenstaande in wiens woning uitsluitend
inwonende kinderen verblijven met een eigen inkomen minder dan 70%
van het in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Abw
genoemde normbedrag, een maximale toeslag ontvangt; in de
toelichting wordt opgemerkt dat het niet redelijk zou zijn, gezien
het lage inkomen van het kind, te veronderstellen dat de kosten
van het bestaan dan gedeeld zouden kunnen worden.
Indien ten minste één kind een inkomen heeft tussen de 70% en
100% van dat normbedrag, wordt de toeslag op 14% van de norm,
genoemd in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder
c, van de Abw bepaald.
Heeft één kind een inkomen ter hoogte van minimaal de
alleenstaandennorm, dan is het zesde lid van artikel 3 van de
verordening van toepassing; het door verzoeker toegepaste
onderdeel c van dat artikellid bepaalt de toeslag dan op 5% van de
norm, genoemd in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder
c, van de Abw, indien zowel de woonkosten als de overige kosten kunnen
worden gedeeld.
Vaststaat dat gedaagdes dochter in de hier van belang zijnde
periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 met onderbrekingen
wisselende inkomsten had uit arbeid. Uit de desgevraagd alsnog
overgelegde bankafschriften blijkt welke bedragen die dochter
netto ontvangen heeft en op welke perioden deze betrekking hebben.
Onder vigeur van de Algemene Bijstandswet heeft de Raad beslist
dat bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in
beginsel uitgegaan moet worden van de feitelijk verrichte
werkzaamheden en de inkomsten die daaruit daadwerkelijk worden
verworven casu quo kunnen worden verworven. Voor het in aanmerking
nemen van een fictief inkomen zou ruimte kunnen zijn indien
vaststaat dat de betrokkene aanspraak kan doen gelden op een
bepaalde honorering, bijvoorbeeld ingevolge een geldende
collectieve arbeidsovereenkomst of op basis van de Wet
minimumloon- en minimumvakantiebijslag, en hij die ten onrechte niet
ontvangt, als de hoogte van de ontvangen inkomsten niet kan worden
vastgesteld of als tegenover het verrichten van arbeid geen dan
wel zo'n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die
arbeid geen sprake is (zie onder meer 's Raads uitspraak van 6
september 1994, ABW 1994/26, onder meer gepubliceerd in RSV
1995/94). Onder de werking van de Algemene
bijstandswet (Abw)
heeft deze jurisprudentie bij de vaststelling van in aanmerking te
nemen inkomen uit arbeid zijn betekenis niet verloren.
Het vorenstaande houdt in dat, waar niet gebleken is dat één van
de zojuist in genoemde uitspraak bedoelde uitzonderingsgevallen
zich hier voordoet, in lijn met deze jurisprudentie de feitelijke
arbeidsinkomsten van gedaagdes dochter, voor zover deze betrekking
hebben op de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999, hier
in beschouwing genomen hadden moeten worden.
In hetgeen overigens in het beroepschrift is aangevoerd, ziet de
president evenmin gronden om tot een ander oordeel te komen. De
verwijzing in het beroepschrift naar de Beschikking
bijstandverlening werkloze werknemers met een studerende partner
treft geen doel, reeds omdat daarin een geheel andere situatie is
geregeld waarin het in aanmerking te nemen inkomen uit
studiefinanciering van de studerende partner is gefixeerd op een
in die beschikking genoemd bedrag.
In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, biedt ook de
omstandigheid dat gedaagdes dochter, zijnde een niet in de
onderhavige bijstand begrepen persoon, zelf (aanvullende) bijstand
had kunnen aanvragen naar het oordeel van de president geen grond
om het bepaalde in het zesde lid, onderdeel c, van artikel 3 van de
verordening gedurende de gehele in geding zijnde periode zonder
meer op gedaagde van toepassing te achten.
Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen
uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om
enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek
afgewezen.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb acht de president geen
termen aanwezig, nu hem van voor vergoeding in aanmerking komende
kosten niet is gebleken.
III.
Beslissing
De president van de Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
bepaalt dat van de gemeente Eindhoven een recht van ƒ675,- wordt
geheven;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 8 augustus 2000.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE9538 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Leeuwarden |
| Zaaknummer: |
02/834
ABW |
| Datum
uitspraak: |
25
oktober 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
51, 54, 65,
69 en 81 Abw
(= 34, 34,
17, 54
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vermogen;
sieraden; oververmogen; afwijzing bijstand; schending
inlichtingenverplichting; terugvordering; taxatie; verklaring
sociaal rechercheur |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing en terugvordering bijstand wegens oververmogen, omdat
de geschatte waarde ad ƒ50.000,-
van de sieraden van
betrokkenen het vrij te laten bescheiden vermogen ruimschoots
overschrijdt. De door de sociaal rechercheur onder ambtsbelofte
afgelegde verklaring dat het aantal door hem
waargenomen sieraden niet overeenkomt met het aantal sieraden dat
betrokkenen hebben laten taxeren, doet de rechtbank niet
twijfelen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Leeuwarden 02/834 ABW
U I T S P R A A K
ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake het geding tussen:
[eiser] en [eiseres], beiden thans wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. A. Atema, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp
in Leeuwarden,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Heerenveen,
verweerder,
gemachtigde: D. de Grave, werkzaam bij verweerders
gemeente.
1. Procesverloop
Op 7 juni 2002 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van
besluiten op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Tegen deze besluiten is namens eisers beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige
kamer, op 16 oktober 2002. Eisers zijn in persoon verschenen,
bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij
gemachtigde.
2.
Motivering
Eisers hebben over de periode van 26 augustus 2000 tot en met 24
juli 2001 van verweerder een Abw-uitkering ontvangen. Zij waren in
die periode met elkaar gehuwd. Nadat de relatie vanaf 15 juni 2001
was verbroken, heeft eiser op 26 juni 2001 voor zichzelf een
aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend. Op zijn
aanvraagformulier heeft eiser op de desbetreffende vraag onder
meer aangegeven dat hij sieraden bezit met een geschatte waarde
van ƒ50.000,-.
Naar aanleiding van deze laatste opgave heeft de sociaal
rechercheur K. Hoekstra een onderzoek ingesteld, dat is uitgemond
in een rapport van 1 augustus 2001. Op grond van dit rapport heeft
verweerder besloten de Abw-uitkering van eisers met ingang van 26
augustus 2000 te herzien, omdat zij op dat moment konden
beschikken over een vermogen van in totaal ƒ70.000,-. Het te veel
betaalde bedrag ad ƒ10.136,37 netto wordt van hen teruggevorderd.
Dit heeft verweerder eisers meegedeeld bij besluit van 11
september 2001. Voorts heeft verweerder besloten om de aanvraag
van eiser af te wijzen, omdat hij over sieraden beschikt ter
waarde van ƒ50.000,. Dit heeft verweerder eiser meegedeeld bij
besluit van eveneens 11 september 2001. Bij de bestreden besluiten
zijn de tegen die besluiten gerichte bezwaren ongegrond verklaard.
In beroep is namens eisers - onder meer en samengevat - aangevoerd
dat eiser een vergissing heeft gegaan toen hij opgave deed van de
waarde van de sieraden. Hij bedoelde de waarde in Surinaamse
guldens aan te geven, maar per abuis heeft hij Nederlandse guldens
vermeld. Eisers hebben noch samen, noch ieder voor zich sieraden
bezeten met een waarde van ƒ50.000,. Voorts zijn de conclusies
van Hoekstra waarop verweerder zijn standpunt baseert te vaag.
In dit geding moet de rechtbank beoordelen of de bestreden
besluiten terecht en op goede gronden zijn genomen. Zij overweegt
daartoe als volgt.
In artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a,
Abw is bepaald dat onder
vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de
alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.
In artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b,
Abw
is voorts bepaald dat niet
als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de
bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54.
In artikel 54 Abw
is ten slotte (voor zover hier van belang) bepaald
dat de in artikel 52, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde
vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: ƒ10.000,- per 1 januari 2000 en ƒ10.300,- per 1 januari 2001;
b. (...)
c. voor de gehuwden tezamen: ƒ20.000,- per 1 januari 2000 en
ƒ20.600,- per 1 januari 2001.
Voor het feit dat eiser bij vergissing op zijn aanvraagformulier
heeft opgegeven dat de sieraden 50.000 Nederlandse guldens waard
zijn, terwijl hij Surinaamse guldens bedoelde, heeft hij geen
overtuigende verklaring gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank
ligt het niet voor de hand om de in het aanvraagformulier
opgenomen vraag naar het bezit van sieraden anders te beantwoorden dan met een opgave in Nederlandse guldens. Niet valt
in te zien waarom deze eenvoudige vraag eiser tot een vergissing
zou kunnen brengen. Ook uit de verklaring die eiser op 26 juli
2001 tegenover Hoekstra heeft afgelegd, blijkt dat hij opnieuw,
tot tweemaal toe, een bedrag van ƒ50.000,- noemt, zonder daarbij
aan te geven dat het om Surinaamse guldens zou gaan. Eiser heeft
zowel de aanvraag als zijn verklaring tegenover Hoekstra
ondertekend. Eerst nadat hij bekend was geraakt met de besluiten
van 11 september 2001, heeft hij verklaard dat hij geen
Nederlandse, maar Surinaamse guldens bedoelde.
Voorts blijkt uit eisers verklaring tegenover Hoekstra dat hij
deze sieraden al vijf jaar in bezit heeft en dat hij ze nooit eerder
aan verweerders Sociale Dienst heeft opgegeven, omdat hij niet
wist dat dat moest. Ook blijkt uit de verklaring dat eiser
Hoekstra heel veel sieraden heeft getoond: diverse kettingen,
ringen en armbanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het
licht van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden
toegekend aan de latere taxatierapporten van juwelier Popma
respectievelijk van Schaap en Citroen. Het komt de rechtbank voor
dat deze taxateurs aanmerkelijk minder sieraden onder ogen hebben
gehad dan Hoekstra. De rechtbank ziet in dat verband geen
aanleiding om te twijfelen aan de op 7 maart 2002 door Hoekstra
onder ambtsbelofte afgelegde verklaring dat het aantal door hem
waargenomen sieraden niet overeenkomt met het aantal sieraden dat
eisers hebben laten taxeren.
Ten slotte is niet met concrete gegevens aangetoond dat de
sieraden niet aan eiser toebehoren of aan anderen zouden toekomen.
Op grond van het rapport van Hoekstra ziet de rechtbank, alles
overziend, voldoende aanleiding om te concluderen dat met een
bezit van sieraden tot een bedrag van f 50.000,- over de periode
van 26 augustus 2000 tot en met 24 juli 2001, alsmede ter zake van
eisers aanvraag van 26 juni 2001, de respectievelijke
vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 54
Abw
worden overschreden.
Eisers hebben verzuimd hiervan eerder dan 26 juni 2001 mededeling
te doen aan verweerder. Terecht en op goede gronden heeft
verweerder derhalve besloten om de Abw-uitkering van
eisers over
de periode van 26 augustus 2000 tot en met 24 juli 2001 te herzien
en het te veel betaalde bedrag van hen terug te vorderen en om
eiser naar aanleiding van zijn aanvraag van 26 juni 2001 geen
Abw-uitkering toe te kennen. De rechtbank is niet gebleken van
dringende redenen op grond waarvan verweerder van voormelde
terugvordering had moeten afzien.
Het beroep van eisers zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank
ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te
spreken.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het
openbaar uitgesproken op
25 oktober 2002, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als
griffier.
R.J. van der Veen
P.G.
Wijtsma
Afschrift verzonden op: 25 oktober 2002.
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger
beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere
belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto
6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken
na de dag van verzending van de uitspraak een brief
(beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden
aan
de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist
vindt.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Gw |
x
LJN: |
x
AE9790 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
AWB
01/1334 NABW Z |
| Datum
uitspraak: |
4
oktober 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 Abw (= 35
Wwb) / 1
Gw |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten stofzuiger, gasfornuis en televisie;
categoriale bijzondere bijstand; gemeentelijke beleidsregel;
gelijkheidsbeginsel |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing (categoriale) bijzondere bijstand voor kosten van een
stofzuiger, gasfornuis en televisie, omdat betrokkenen ten
onrechte niet tot de doelgroepen van de gemeentelijke
beleidsregel zijn gerekend nu het onderscheid naar leeftijd
zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op redelijke
en objectieve gronden berust. Zo zijn betrokkenen evenals de
wél tot de doelgroepen behorende 65-plussers ontheven van de
sollicitatieverplichting, waardoor zij niet door middel van
betaalde arbeid een hoger inkomen zullen kunnen verwerven. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht AWB 01/1334 NABW Z
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [woonplaats], eisers,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht - Dienst Sociale en Economische Zaken - gevestigd te
Maastricht, verweerder.
Datum bestreden besluit: 18 september 2001.
Kenmerk: 0067.42.13.
Behandeling ter zitting: 2 mei 2002.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef genoemde besluit van 18 september 2001 heeft
verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift ongegrond
verklaard.
Tegen dit besluit is namens eisers door mr. D. Koeleman, advocaat
te Maastricht, bij schrijven van 3 oktober 2001 beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende stukken en het verweerschrift
zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 2
mei 2002, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan
door mr. Koeleman, en waar verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door de heer M. Bruijnzeels.
II. Overwegingen
1. De feiten
Eisers ontvangen vanwege verweerders gemeente
een uitkering op grond van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Op 27 april 2001 hebben eisers een aanvraag om bijzondere bijstand
ingediend voor de kosten van de aanschaf van een stofzuiger, een
gasfornuis en een televisie.
Verweerder heeft bij besluit van 6 juli 2001 de aanvraag van eisers
afgewezen.
Tegen dat besluit is namens eisers bij schrijven van 25 juli 2001 een
bezwaarschrift ingediend.
In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft op 6 september 2001
een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze zitting is een verslag
opgemaakt.
2. Het bestreden besluit
Bij het thans bestreden besluit van 18 september 2001, verzonden 19
september 2001, heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de
aanschafkosten van een televisie, een stofzuiger en een fornuis,
behoudens bijzondere omstandigheden, tot de algemene noodzakelijke
kosten van het bestaan worden gerekend, welke uit de algemene bijstandsnorm
dan wel een inkomen op bijstandsniveau gedragen dienen te worden.
Verweerder heeft hierbij tevens overwogen dat in bijzondere
omstandigheden hiervan kan worden afgeweken, doch dat van zulke
bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken. Ook het
gemeentelijk beleid biedt geen soelaas nu eisers niet tot de doelgroepen
behoren.
Voorts is niet aangetoond dat eisers geen lening meer kunnen krijgen bij
de Kredietbank Limburg.
3. Het beroep
Blijkens het beroepschrift kunnen eisers zich met laatstgenoemd besluit
niet verenigen. Daartoe is namens eisers - samengevat - aangevoerd dat
de zoon van eiseres tot het gezin behoort en zij wettelijk verplicht
zijn om gedurende diens minderjarigheid voor zijn levensonderhoud te
zorgen. De betreffende zoon kan zich niet bij het gezin voegen omdat
zijn aanvraag voor een visum om samen met zijn moeder in Nederland te
komen wonen, werd afgewezen, zodat zijn afwezigheid uit Nederland door
de Nederlandse overheid is afgedwongen en geheel buiten de schuld van
eiseres en haar zoon is ontstaan. Tegen bovengenoemde afwijzing is
beroep ingesteld.
Voorts wordt aangevoerd dat eisers wel behoren tot de doelgroep als
bedoeld in het gemeentelijk beleid omdat eisers maandelijks van hun Abw-uitkering
een bedrag van ƒ250,- zenden aan het pleeggezin waarbij de 16-jarige
zoon van eiseres in huis is, zodat hij aldaar onderwijs kan volgen.
Daarenboven wordt een bedrag van ƒ100,- per maand ingehouden ter
aflossing van een schuld in het verleden. Genoemde bedragen zijn
derhalve niet ter beschikking van eisers waardoor zij niet het
norminkomen hebben en van het overgeblevene niet kunnen reserveren.
Eisers stellen ten aanzien van een mogelijke lening dat verweerder ook
wist, casu quo had moeten weten, dat een echtpaar dat ƒ350,- per maand
minder te verteren heeft dan het bestaansminimum niet (meer) gerechtigd
zijn om een (nieuwe) lening af te sluiten.
Eiser ontkent dat de schulden waarop wordt afgelost huwelijkskosten
zijn. Het betreffen normale vakantiekosten.
De kosten zijn noch in noch ten behoeve van het buitenland gemaakt, nu
het in Nederland betaalde reiskosten betroffen alsook de vaste lasten
van de woning van eiser in Nederland. Tevens zijn ook de kosten van
levensonderhoud van eiser gedurende zijn ziekte in Turkije door eiseres
betaald, toen eisers vakantiegeld door het verlengde verblijf op was
gegaan. Eisers achten dit niet in strijd met het
territorialiteitsbeginsel.
Eiser stelt dat de bezwaarschriftbeslissing Abw/2232 van 27 april 1999
geen betrekking heeft op de in deze procedure aangevoerde lening.
Door genoemde beslissing staat vast dat eiser voor een periode van vier
maanden verstoken was van enig inkomen waardoor hij geen lening kon
krijgen bij een bank. Vaststaat ook dat eiser zich niet met betreffende
beslissing heeft kunnen verenigen ondanks dat hij hiertegen geen beroep
heeft ingesteld. Hij was de wanhoop nabij en had geen middelen om maar
iets te ondernemen. Door hulp van familie heeft hij het kunnen redden.
Het alsnog rekening houden met bedoelde lening zou het schrijnend tekort
aan bestaansmiddelen kunnen helpen redresseren.
Eisers verzoeken alsnog in aanmerking te worden gebracht voor de
gevraagde bijzondere bijstand voor de aanschaf van een stofzuiger, een
fornuis en een televisie.
4. Het verweerschrift
Verweerder heeft betoogd dat de betreffende zoon niet feitelijk tot het
gezin behoort. Hij verblijft permanent in het buitenland.
Bijstandverlening is beperkt tot degene die hier te lande verblijft. In
de zich voordoende situatie kan met de aangevoerde kosten voor bedoelde
zoon geen rekening gehouden worden. Betreffende zoon maakt geen
daadwerkelijk deel uit van het gezin. Er zijn per saldo geen
minderjarige kinderen inwonend, zodat het specifieke beleid niet van
toepassing is.
Verweerder stelt onder verwijzing naar de overwegingen in de bestreden
beslissing dat geen rekening gehouden kan worden met
aflossingen/schulden.
Voorts voert verweerder aan dat uit de ten grondslag liggende rapportage
blijkt dat de heer Van Loo van de Kredietbank
Limburg
heeft aangegeven dat betrokkene een lening van ƒ2700,- kan afsluiten.
Blijkens het bezwaarschrift werd de eerdere lening afgesloten om in het
huwelijk te kunnen treden.
Ten slotte voegt verweerder toe dat uit de jurisprudentie blijkt dat de
gevolgen van een langer verblijf in het buitenland voor rekening van de
betrokkene blijven, ongeacht de reden van het langere verblijf.
Betrokkene had zich tegen de gevolgen van het langere verblijf kunnen
verzekeren. Feitelijk is geen beroep ingesteld zodat de betreffende
bezwaarschriftbeslissing onherroepelijk is.
Verweerder verzoekt het beroep ongegrond te verklaren en het eventuele
verzoek om kostenveroordeling en wettelijke rente af te wijzen.
5. De beoordeling
In geding is of het besluit van 18 september 2001 in rechte kan worden
gehandhaafd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of
verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot afwijzing van
de gevraagde bijzondere bijstand.
Dienaangaande wordt overwogen als volgt.
Ingevolge artikel 1 van de Grondwet
worden allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk
behandeld. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel is discriminatie
wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras,
geslacht of op welke grond dan ook, niet toegestaan. Gelijk de rechtbank
ook in haar eerdere uitspraken van 13 januari 2000, JABW 2000/43, en 10
januari 2002 (niet gepubliceerd), welke uitspraken aan verweerder als
destijds verwerende partij bekend zijn, heeft overwogen, moet
discriminatie op grond van leeftijd worden aangemerkt als discriminatie
"op welke grond ook" als bedoeld in artikel 1
van de Grondwet. De rechtbank heeft in de
eerstgenoemde uitspraak echter tevens overwogen dat niet ieder
onderscheid naar leeftijd discriminatie oplevert in de zin van deze
bepaling. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan, is
het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd.
Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en
hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de
wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en
garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen
discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal,
godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
Artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw
bepaalt dat onder
bijzondere bijstand wordt verstaan: de bijstand die wordt
verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele
geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de
algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te
boven gaan.
Artikel 39, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat onverminderd hoofdstuk II de
alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover
deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en
deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen
worden voldaan uit de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3,
en de aanwezige draagkracht.
In de Bijdrageregeling duurzame gebruiksgoederen van de gemeente
is geregeld dat bijzondere bijstand om niet kan worden verstrekt voor de
noodzakelijke kosten van vervanging of aanschaf van duurzame
gebruiksgoederen aan minima met de zorg voor kinderen, die reeds drie
jaren of langer onafgebroken afhankelijk zijn van een minimuminkomen en
voor zover men in drie jaren voorafgaand nog geen bijzondere bijstand om
niet voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen heeft ontvangen. Deze
termijn wordt als onafgebroken beschouwd als deze niet langer dan drie
maanden aaneengeschakeld is onderbroken. Hetzelfde geldt voor personen
van 65 jaar of ouder die gedurende minimaal drie jaar een minimaal
inkomen hebben.
Met dit beleid maakt verweerder naast de meerjarige minima met de zorg
voor kinderen ook onderscheid naar personen van 65 jaar of ouder, die
gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben, en daarmee een
onderscheid naar leeftijd ten aanzien van de voorwaarden met betrekking
tot de aanspraken op bijzondere bijstand in de kosten van de aanschaf
van duurzame gebruiksgoederen.
In de discussie over de uitbreiding van de doelgroep met de meerjarige
minima zonder kinderen heeft verweerder destijds overwogen dit niet te
ondersteunen. Ter motivering werd daartoe aangevoerd dat het enerzijds
ging om een verruiming van het beleid, specifiek gericht op de meest
kwetsbare groep, namelijk de minima met de zorg voor kinderen.
Uitbreiding naar alle minima zou inhouden dat de achterstand van de
aanvankelijk beoogde doelgroep onverkort in stand blijft.
Anderzijds zou uitbreiding van de doelgroep een veel te hoog bedrag (ƒ4,2
miljoen) aan extra middelen vereisen.
Niet in geschil is dat eisers beiden jonger zijn dan 65 jaar en langer
dan drie jaar een minimaal inkomen hebben. Eisers verkeren derhalve in
een gelijke situatie als een persoon van 65 jaar of ouder die gedurende
ten minste drie jaar een minimaal inkomen heeft en een aanvraag om
toekenning van bijzondere bijstand heeft ingediend in de kosten van de
aanschaf van duurzame gebruiksgoederen.
In het licht van de onderhavige procedure stelt de rechtbank
voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien in het licht
van het doel van de hiervoor geformuleerde beleidsregel voor het
gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging
ontbreekt.
Het doel van de onderhavige beleidsregel is een vereenvoudigde afdoening
van aanvragen om toekenning van bijzondere bijstand aan bepaalde groepen
bijstandsgerechtigden. Het feit dat de belanghebbenden reeds sedert
minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben, leidt ertoe dat de
bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 39,
eerste lid, van de Abw
zijn gegeven. Indien tevens sprake is van noodzakelijke kosten van het
bestaan, waartoe verweerder de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen
als een televisie, stofzuiger en gasfornuis rekent, dan is het recht op
bijzondere bijstand gegeven.
Ten opzichte van de belanghebbende die 65 jaar of ouder en
bijstandsgerechtigd is, verkeren eisers als bijstandsgerechtigd gezin in
een andere positie in die zin dat hen een andere bijstandsnorm
toekomt dan de bijstandsgerechtigde oudere.
Ten aanzien van dit aspect merkt de rechtbank
op dat zowel de op eisers toepasselijke bijstandsnorm als de op de
oudere bijstandsgerechtigde toepasselijke norm binnen de grenzen van het
door verweerder gehanteerde begrip "minimaal inkomen" blijven.
Voorts constateert de rechtbank dat beide eisers net als de 65-jarige
oudere ontheven zijn van de sollicitatieverplichting als bedoeld in artikel 113
van de Abw. Dit betekent dat ervan uitgegaan
mag worden dat eisers niet door middel van betaalde arbeid een hoger
inkomen zullen kunnen verwerven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank
van oordeel dat verweerder ten onrechte eisers niet tot de doelgroepen
van de hiervoor genoemde beleidsregel heeft gerekend nu het onderscheid
naar leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op
redelijke en objectieve gronden berust.
Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor gegrond worden gehouden
en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.
Gelet op deze gegrondverklaring behoeft hetgeen overigens namens eisers
is aangevoerd geen bespreking.
Voorts acht de rechtbank termen
aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75
van de Awb
te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van
het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt
vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 2 punten met een waarde van
€|322,- per punt
toe voor de indiening van het beroepschrift en het bijwonen van de
zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de
inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te
vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2
x
€|322,- x 1 =
€|644,-
Nu aan eisers ter zake van het beroep een toevoeging
is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van
de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede
lid, van de
Awb te worden betaald aan de
griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74
en
8:75
van de Awb wordt als volgt beslist.
III.
Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op
het bezwaarschrift van 25 juli 2001 met inachtneming van deze
uitspraak;
3. bepaalt dat aan eisers het door hen betaalde
griffierecht ten bedrage van
€|27,23 wordt vergoed door de
gemeente Maastricht;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de
beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot
op
€|644,-,
zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de
arrondissementsrechtbank te Maastricht.
Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr.
M.J.G.E. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4
oktober 2002 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van
voornoemde griffier.
w.g. M. Wolters
w.g. F.A.G.M. Vluggen
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 4 oktober 2002.
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak
het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad
van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor
het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een
spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het
bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid
om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een
voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
[NB: Deze uitspraak is bevestigd door de Centrale
Raad van Beroep bij uitspraak van 25 januari 2005, LJN
AQ6681, red.]
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wik / Wwik / Awb |
x
LJN: |
x
AF0759 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/6032
NABW, 99/6033 NABW en 02/1563 NABW |
| Datum
uitspraak: |
25
juni 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14
en 113 Abw
(= 18 en 9
Wwb) /
6:18 en
6:19 Awb |
| Trefwoorden: |
maatregel;
sanctie; schending sollicitatieverplichting; aankomend
Wik-gerechtigde |
| Essentie: |
Terechte
oplegging maatregelen van 20% gedurende twee maanden, omdat
betrokkene zich
telkens onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten
haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Dat zij in afwachting was van de inwerkingtreding van de Wik
om als kunstenares van die voorziening gebruik te maken, doet
daaraan niet af. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/6032
NABW, 99/6033 NABW en 02/1563 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Voorst,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zutphen van 19 oktober 1999, reg.nrs. 98/494 ABW en 98/1358
ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellante heeft mr.
H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, de gronden van het hoger
beroep aangevoerd.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar
appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van Steijn
en gedaagde door G.J. Singel, werkzaam bij de gemeente
Voorst.
II. Motivering
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde
feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante, vormgeefster/ontwerpster, ontving een uitkering
ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw). Bij besluit op bezwaar
van 9 april 1998 heeft verweerder aan appellante een maatregel
opgelegd, bestaande uit een verlaging van de uitkering met 20%
gedurende vier maanden, ingaande 1 november 1997. Bij besluit op
bezwaar van 1 december 1998 heeft gedaagde een ingaande 1 augustus
1998 aan appellante opgelegde maatregel, bestaande uit een
verlaging van de uitkering met 40% gedurende twee maanden,
gehandhaafd. Aan beide besluiten ligt ten grondslag dat
appellante, in strijd met de ingevolge artikel
113, eerste lid,
aanhef en onder a en d, van de Abw
op haar rustende
verplichtingen, zich onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten
haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen
omtrent het griffierecht en de proceskosten - de namens appellante
tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de
besluiten gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat gedaagde in
zoverre opnieuw op de bezwaren van appellante dient te beslissen.
De rechtbank heeft - kort weergegeven en voor zover thans van
belang - overwogen dat aan appellante inderdaad kan worden
verweten dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen en daarmee inschakeling in de
arbeid heeft belemmerd, maar dat er ten aanzien van beide
betrokken perioden geen grond is om een zwaardere maatregel op te
leggen dan ter zake is voorzien in het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit), te weten een verlaging van
telkens 20% gedurende twee maanden.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij
besluit van 17 november 1999 dienovereenkomstig beslist.
Met het hoger beroep beoogt appellante te bewerkstelligen dat,
anders dan uit de aangevallen uitspraak voortvloeit, de aan haar
opgelegde maatregelen volledig ongedaan worden gemaakt. Appellante
is van mening dat haar ter zake geen enkel verwijt treft. Zij heeft
daartoe aangevoerd dat gedaagde bekend was met haar, mede door
haar gezinsomstandigheden ingegeven, wens om met behoud van de Abw-uitkering als kunstenares werkzaam te blijven en dat zij
meermalen aan gedaagde heeft kenbaar gemaakt in de toekomst graag
gebruik te willen maken van de mogelijkheden die de - toen nog in
voorbereiding zijnde - Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik)
zou gaan bieden. In verband daarmee had gedaagde, aldus
appellante, dienen te handelen overeenkomstig de circulaire "Toepassing Abw ten aanzien van
kunstenaars" van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 1997, die heeft
gegolden tot de inwerkingtreding van de Wik. In die circulaire
heeft de minister aan de gemeenten kenbaar gemaakt dat in
afwachting van de inwerkingtreding van de Wik een terughoudend
rijkstoezicht zal worden uitgeoefend met betrekking tot
kunstenaars in de bijstand.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de
Abw weigeren burgemeester
en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk indien
de belanghebbende onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen
van arbeid in dienstbetrekking. Op grond van artikel
14, tweede
lid, van de Abw wordt een dergelijke maatregel afgestemd op de
ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert, en wordt van het opleggen van een maatregel in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, van de
Abw zijn in het Maatregelenbesluit
nadere regels gesteld met betrekking tot de
hoogte van de maatregelen.
Uit de gedingstukken blijkt, en tussen partijen is zulks ook niet
wezenlijk in geschil, dat appellante in de betrokken perioden haar
sollicitatieactiviteiten vrijwel volledig heeft beperkt tot haar
eigen vakgebied. Daarmee is gegeven dat appellante heeft gehandeld
in strijd met artikel 113, eerste lid, aanhef en onder
a en d, van
de Abw. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, is geen grond
gelegen voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de
Abw was
gedaagde dan ook gehouden telkens een maatregel op te leggen. Dat
de minister in de hiervoor bedoelde circulaire heeft laten weten
dat niet zal worden opgetreden tegen gemeenten die, in afwachting
van de inwerkingtreding van de Wik, kunstenaars met een
Abw-uitkering niet (meer) onverkort houden aan de verplichtingen
van artikel 113 van de Abw, kan aan die gehoudenheid van gedaagde
niet afdoen.
Nu voorts de door de rechtbank rechtens aanvaardbaar geoordeelde
hoogte van de maatregelen in hoger beroep als zodanig niet is
betwist, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen
uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit
van 17 november 1999, welk besluit ingevolge de artikelen 6:18 en
6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de
Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling van het hoger beroep wordt
betrokken, ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de
Raad ten slotte geen aanleiding.
III.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn
gericht tegen het besluit van 17 november 1999 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als
leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Heijink.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|