|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Rotterdam Abw 02/354-NIFT
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Capelle aan den IJssel, verweerder.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 1 juni 2001 (verzonden op 8 juni 2001) heeft verweerder
eiser met ingang van 20 maart 2001 een uitkering op grond van de Algemene
bijstandswet (hierna: Abw) voor de noodzakelijke kosten van het
bestaan naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar,
vermeerderd met een toeslag van 20%, toegekend.
Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 10 juli
2001 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 januari 2002 heeft verweerder, onder intrekking van
de beslissing op bezwaar van 14 januari 2002, en gelet op het advies dat
de Sociale Kamer van de commissie bezwaar- en beroepschriften heeft
uitgebracht, het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief
van 5 februari 2002 beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 9 april 2002 een verweerschrift
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2002.
Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz-Pierik.
2. Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Eiser is bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie
van 7 september 2000 als vluchteling tot Nederland toegelaten. De
vergunning tot verblijf is op grond van artikel 29b van de
Vreemdelingenwet afgegeven en geldt voor bepaalde tijd vanaf 1 november
2000 tot 1 november 2005. Op de achterzijde van de vergunning staat
vermeld dat de vergunning tevens geldig is voor inwonende kinderen
jonger dan 12 jaar.
Op 10 mei 2001 is eiser gehuwd met [mevrouw X], geboren [...] 1976.
Beiden zijn in 1998 vanuit het voormalige Joegoslavië in Nederland
aangekomen, waar zij asiel hebben aangevraagd. Uit deze relatie zijn
twee kinderen geboren: [kind Y], geboren [...] 1998 te Capelle aan den
IJssel en [kind Z], geboren [...] 2001 te Capelle aan den IJssel. Beide
kinderen zijn op 10 oktober 2000, de jongste derhalve vóór zijn
geboorte, erkend door eiser. Eiser ontvangt sinds 20 november 2000 een
bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65
jaar. Hij woont dan, met zijn gezin, in bij zijn schoonmoeder.
Eiser heeft met ingang van 20 maart 2001 zelfstandige woonruimte aan de
[straatnaam] te Capelle aan den IJssel gekregen en hij verhuist
diezelfde dag met zijn partner en de beide kinderen naar de
[straatnaam].
Verweerder heeft naar aanleiding van deze verhuizing aan eiser met
ingang van 20 maart 2001 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm
van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, vermeerderd met een toeslag
van 20% omdat hij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet meer met
een ander kan delen. Voorts heeft verweerder eiser medegedeeld dat, nu
het door hem overgelegde verblijfsdocument niet in overeenstemming is
met de verblijfcodes van de kinderen in de gemeentelijke
basisadministratie (hierna: GBA) hierover uitsluitsel dient te worden
gegeven door de vreemdelingendienst. Dat is in dit geval ook gebeurd.
Informatie van de vreemdelingendienst heeft uitgewezen dat het niet
juist is dat beide kinderen op het pasje van eiser staan vermeld.
Uitgangspunt van de wet is dat er geen
bijstand wordt verleend aan een persoon die niet over een geldig
verblijfsdocument beschikt. Dit is ook het oogmerk van de Koppelingswet.
Dit is nog steeds onverkort van kracht. Het vorenstaande geldt tevens
voor opname in de gezinsbijstand van (een) kind(eren). Aan de betekenis
van code 31, geen recht op bijstand, dient dan ook toepassing te worden
gegeven.
Verweerder heeft in het bestreden besluit de door eiser ingediende
bezwaren tegen het besluit van 1 juni 2001 ongegrond verklaard. Daarbij
vormen de overwegingen in het advies van de Sociale Kamer van de
commissie voor de bezwaar- en beroepschriften de motivering van het
besluit. Deze commissie heeft, blijkens het bijgevoegde advies,
overwogen dat de kinderen van eiser in de GBA zijn opgenomen onder
vermelding van de code 31. Code 31 betekent dat men niet over een
geldige verblijfstitel beschikt, zodat men ingevolge artikel 7,
tweede lid, van de
Abw geen recht op bijstand heeft. Nadere
informatie van de vreemdelingendienst heeft uitgewezen dat het niet
juist is dat de kinderen op het pasje van eiser staan vermeld. Volgens
de vreemdelingendienst wordt het oudste kind bij de procedure van de
moeder betrokken en is voor het jongste kind een afzonderlijke aanvraag
om toelating ingediend. De commissie stelt vast dat, nu er sprake is van
discrepantie tussen de door eiser overgelegde bescheiden en de gegevens
in de GBA, de vreemdelingendienst uitsluitsel dient te geven over de
verblijfstitel. Het is ook aan de vreemdelingendienst deze gegevens met
elkaar in overeenstemming te brengen. In die zin vervult de gemeente
een lijdelijke rol. De gemeente heeft in formele zin een correct besluit
genomen door de bijstandsnorm
van eiser, gelet op code 31 bij de kinderen in de GBA, te handhaven op
de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar. Uitgangspunt van de Abw
is dat geen bijstand wordt verleend aan een persoon die niet over een
geldige verblijfstitel beschikt. Dit geldt ook voor opname in de
gezinsbijstand van de kinderen. Daarnaast is het niet mogelijk om wegens
zeer dringende redenen de bijstandsnorm van eiser ten behoeve van de
kinderen te verhogen omdat artikel 11, tweede
lid, van de
Abw dit uitsluit. Voorts heeft de Sociale
Kamer geconstateerd dat er bij een andere overheidsinstantie een fout is
gemaakt waardoor het verblijfsdocument van eiser niet in overeenstemming
is met de verblijfcodes van de kinderen in de GBA. De Sociale Kamer
heeft de aanbeveling gedaan om te bevorderen dat over deze discrepantie
duidelijkheid komt, ofwel door tussenkomst van het Rijksconsulentschap
van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
dan wel door rechtstreeks contact met de Immigratie- en
Naturalisatiedienst of de vreemdelingendienst.
Verweerder heeft besloten deze aanbeveling niet over te nemen.
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte
stand kan houden.
In beroep heeft de gemachtigde van eiser het volgende aangevoerd.
In de eerste plaats heeft de gemachtigde gewezen op de hierboven
genoemde aanbeveling van de Sociale Kamer van de commissie voor bezwaar-
en beroepschriften. Verweerder heeft deze aanbeveling in het bestreden
besluit geheel terzijde gelegd en weigert hieraan te voldoen. Dat is in
strijd met het vertrouwen dat een burger in de overheid mag stellen. De
Sociale Kamer en verweerder constateren dat de vreemdelingendienst ten
aanzien van eiser een foutieve code in de GBA heeft opgegeven, aldus
eiser. Verweerder dient, alvorens een zo nadelige beslissing te nemen,
de zaak op te helderen. Ook heeft verweerder onredelijk en in strijd met
de rechtszekerheid gehandeld. Verweerder kent de feitelijke situatie van
eiser en toch behandelt verweerder eiser als een alleenstaande.
Wettelijk kader
Per 1 juli 1998 is in werking getreden de Wet van 26 maart 1998 tot
wijzigingen van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten
teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op
verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen
te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland
(hierna: de Koppelingswet).
Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in
onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen.
Artikel 7 van de Abw luidt sindsdien
(tot 1 april 2001, de datum van de inwerkingtreding van de
Vreemdelingenwet 2000) als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om
in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op
bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld
de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende
vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en
onder a, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet
met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de
vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden
in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft
aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld
tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die
aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Artikel 1 van het Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz
- zijnde de op het derde lid van artikel 7
van de
Abw gebaseerde algemene maatregel van
bestuur - luidde (tot 1 april 2001) als volgt:
-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet
(...) wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na
rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 1b, aanhef onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of
33c van de Vreemdelingenwet, of buiten die termijn, ingeval artikel 6:11
van de
Algemene wet bestuursrecht toepassing
heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen
intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. De gelijkstelling eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is
beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
In het per 1 juli 1998 in werking getreden artikel 1b van de
Vreemdelingenwet (oud) is bepaald dat vreemdelingen in Nederland slechts
rechtmatig verblijf genieten:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van
toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf
houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet
dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van
een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven
totdat op de aanvraag is besloten;
4. binnen de termijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits
voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij
beschikking ingevolge deze wet.
Artikel 9 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het aan vreemdelingen die
houder zijn van een vergunning tot verblijf is toegestaan in Nederland
te verblijven tot het tijdstip waarop die vergunning haar geldigheid
verliest.
Artikel 11 van de Abw luidt als
volgt:
-1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kunnen
burgemeester en wethouders, gelet op alle omstandigheden, in afwijking
van paragraaf 1 bijstand verlenen indien
zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan
die, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.
Beoordeling
Niet in geding is dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft en dat hem
op grond van het bepaalde in artikel 7, tweede
lid, van de
Abw bijstand is verleend.
Waar het in deze zaak om gaat, is of aan eiser over de periode van 20
maart 2001 tot 1 september 2001 een bijstandsuitkering naar de norm van
een alleenstaande dan wel een bijstandsuitkering naar de norm van een
alleenstaande ouder dient te worden toegekend.
Zoals blijkt uit de hierboven weergegeven standpunten is verweerder van
oordeel dat eiser slechts recht heeft op bijstand naar de norm van een
alleenstaande nu de GBA-code ten aanzien van de kinderen inhoudt dat zij
geen verblijfsstatus hebben. Eiser stelt, kortweg, dat de
vreemdelingendienst een fout heeft gemaakt, waardoor de verkeerde code
in het GBA is vermeld en dat eiser door deze fout niet benadeeld mag
worden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog benadrukt dat de
feitelijke situatie is dat beide kinderen ten laste van eiser komen en
dat de bijstand, ook gelet op het bepaalde in artikel 13
van de
Abw, afgestemd dient te worden op de
mogelijkheden en middelen van het gezin. De status van de kinderen is
dan niet relevant.
De rechtbank stelt vast dat partijen
niet van mening verschillen omtrent het feit dat de code die in de GBA
bij de kinderen staat vermeld bepalend is voor de status van de
kinderen. In deze zaak staat bij de kinderen code 31 vermeld, hetgeen
betekent dat zij niet over een geldige verblijfstitel beschikken. Dit is
in tegenspraak met het verblijfsdocument van eiser. Verweerder heeft
daarop, conform het in de circulaire "Bijstandverlening aan
vreemdelingen" gestelde, informatie ingewonnen bij de
vreemdelingendienst.
In deze circulaire staat voorts vermeld dat de vreemdelingendienst de
instantie is die de wijzigingen in de verblijfstitel, en daarmee de
wijziging in de code, aan de GBA doorgeeft. Bij wijzigingen in de
uitkering dient verweerder de verblijfsstatus van de vreemdeling te
onderzoeken aan de hand van het door de vreemdeling te overleggen
verblijfsdocument. Deze gegevens dienen gecontroleerd te worden aan de
hand van de gegevens in de GBA en indien de situatie hiertoe aanleiding
geeft, dient verweerder informatie in te winnen bij de
vreemdelingendienst.
De rechtbank is, gelet op deze gang
van zaken, van oordeel dat verweerder een zorgvuldig onderzoek heeft
verricht naar de verblijfsstatus van de kinderen van eiser. Verweerder
heeft informatie ingewonnen bij de vreemdelingendienst en de mededeling
van de vreemdelingendienst is dat de kinderen geen verblijfsstatus
hebben en ten onrechte op de verblijfsvergunning van eiser staan
vermeld. Indien eiser het met deze uitkomst niet eens is, dient hij zich
tot de vreemdelingendienst te wenden. Verweerder kan hierin, zoals
blijkt uit het bovenstaande, voor het overige geen actieve rol spelen.
Dat desalniettemin naar code 31 van de minderjarige kinderen door de
vreemdelingendienst dan wel de Immigratie- en Naturalisatiedienst nog
een onderzoek gaande is, maakt de beoordeling van dit geschil niet
anders. Het is naar het oordeel van de rechtbank immers zeer wel
denkbaar dat de kinderen de status van de moeder in plaats van de vader
volgen.
De Abw is een vangnet en nu niet is
gebleken van de onjuistheid van code 31 heeft verweerder naar het
oordeel van de rechtbank terecht de
norm alleenstaande gehanteerd. De rechtbank kan eiser derhalve niet
volgen in diens grief dat verweerder hem, los van de status van de
kinderen, gelet op de feitelijke situatie bijstand dient te verlenen als
alleenstaande ouder.
Nu de rechtbank ook niet is gebleken
van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 11
van de Abw
is het bestreden besluit rechtens houdbaar en dient het beroep ongegrond
te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank
geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zondervan als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 11 november 2002.
De
griffier,
De rechter,
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en
verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn
voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan
met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is
verzonden.
|
|