|
Uitspraak
00/493 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [vestigingsplaats], appellant,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Mr. M.Ph. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, heeft op bij een
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 4 januari 2000 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld op de zitting van 1 oktober 2002, waar voor
appellant is verschenen mr. De Witte, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente
's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Aan appellant is ingaande 31 januari 1992 een uitkering toegekend
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), berekend
naar de norm voor een echtpaar.
Met ingang van 1 mei 1993 is appellant als bedrijfsleider gaan werken
bij [naam bedrijf], eigenaar van [naam café] te [vestigingsplaats].
Volgens zijn opgave aan gedaagde werkte hij een dag per week tegen een
salaris van f 435,-- netto per maand.
Aan de herhaalde verzoeken van gedaagde om loonstroken in te leveren
heeft appellant eerst in december 1994 voldaan. Hij heeft toen
salarisspecificaties overgelegd vanaf augustus 1994. Ter verklaring van
het feit dat die specificaties een hoger salaris laten zien dan hij aan
gedaagde heeft opgegeven, heeft appellant medegedeeld dat hij per
augustus 1994 zijn werkzaamheden heeft uitgebreid.
In februari en maart 1995 heeft gedaagde van de belastingdienst en van
de accountant van de werkgever van appellant informatie ontvangen
waaruit naar voren komt dat appellant in de periode van 1 mei 1993 tot 1
augustus 1994 meer inkomsten heeft ontvangen dan hij aan gedaagde heeft
opgegeven.
De uitkering ingevolge de Rww van appellant is met ingang van 1 maart
1996 beëindigd op de grond dat zijn inkomsten per maand hoger zijn dan
het voor hem geldende normbedrag.
Bij besluit van 27 april 1998 heeft gedaagde de over de periode van 1
mei 1993 tot en met 31 juli 1994 verstrekte uitkering ten bedrage van f
26.199,97 van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant de op
hem rustende informatieplicht heeft geschonden waardoor hem ten onrechte
uitkering is verstrekt.
Het tegen het besluit van 27 april 1998 gemaakte bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 4 december 1998 ongegrond verklaard, daarbij toepassing
gevend aan artikel 57, aanhef en onder d, van de Algemene Bijstandswet
(ABW) in verbinding met artikel 30, tweede lid, van die wet.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover van belang -
het beroep tegen het besluit van 4 december 1998 ongegrond verklaard,
voorzover daarbij de bezwaren tegen het besluit van 27 april 1998
ongegrond waren verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is
appellant - kort gezegd - de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de
ABW op hem rustende informatieplicht niet nagekomen zodat gedaagde de
gemaakte kosten van bijstand van appellant dient terug te vorderen.
Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de voormelde
ongegrondverklaring van zijn beroep door de rechtbank. Hetgeen appellant
heeft aangevoerd heeft de Raad echter niet tot een ander oordeel
gebracht dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is
gekomen.
Vast staat dat de door de fiscus en de accountant van appellants
(voormalige) werkgever verstrekte informatie aangeeft dat appellant in
de periode van 1 mei 1993 tot 1 augustus 1994 hogere inkomsten heeft
genoten dan hij aan gedaagde heeft opgegeven. Appellant heeft over de
vermelde periode geen objectieve gegevens, bij voorbeeld loonstroken of
jaaropgaves, overgelegd waaruit blijkt dat de door de fiscus en de
accountant verstrekte gegevens onjuist zijn.
Ook zijn stelling, dat de belastingdienst en de accountant zijn gegevens
hebben verwisseld met die van zijn zoon die ten tijde van belang bij
dezelfde werkgever werkte, heeft appellant op geen enkele wijze
aannemelijk gemaakt. Dat klemt te meer omdat die zoon een andere
leeftijd, een ander adres, een andere functie en een ander sofi-nummer
dan appellant heeft, zodat een persoonsverwisseling niet voor de hand
ligt. Voorts was de accountant op de hoogte van het feit dat appellant
en diens zoon beiden bij werkgever [naam werkgever] in dienst waren,
terwijl het niet waarschijnlijk is dat de accountant vanaf augustus 1994
wél de juiste gegevens vermeldt maar over de daaraan voorafgaande
periode niet.
De Raad is dan ook met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat
appellant ten tijde van belang de verplichting bedoeld in artikel 30,
tweede lid, van de ABW niet behoorlijk is nagekomen. Hetgeen appellant
in dit verband nog naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een
ander oordeel kunnen brengen. De Raad tekent daarbij nog aan dat
gedaagde appellant vanaf mei 1993 om loonspecificaties heeft verzocht
zodat het voor risico van appellant komt dat het voor hem door het
tijdsverloop onmogelijk is geworden om zijn gelijk te bewijzen. Voorts
faalt het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel omdat de
aantekening op 13 april 1995 in zijn dossier, inhoudende dat zijn
inkomsten reeds verrekend zijn en er geen actie meer nodig is, een
interne mededeling betreft. Aan een dergelijke mededeling kan appellant
niet het vertrouwen ontlenen dat niet tot terugvordering zal worden
overgegaan.
Gezien het vorenoverwogene was gedaagde gehouden de gemaakte kosten van
bijstand van appellant terug te vorderen, nu van dringende redenen als
bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW niet is gebleken.
De aangevallen uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden
bevestigd.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig voor een veroordeling in
de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar
op 12 november 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get). P.C. de Wit.
|
|