|
Uitspraak
00/4848 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Mierlo,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 4 juli
2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. J.J.J.M. van Ruth, advocaat te Asten, een
verweerschrift ingediend en desgevraagd een stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 maart 2003, waar appellant,
zoals aangekondigd, zich niet heeft doen vertegenwoordigen, en waar
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ruth.
II. MOTIVERING
Nadat gedaagde gescheiden van haar toenmalige echtgenoot was gaan leven,
heeft appellant haar met ingang van 26 juli 1996 een uitkering ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een
alleenstaande ouder.
In november 1998 heeft gedaagde uit de verdeling van de ontbonden
huwelijksgemeenschap een bedrag van f 37.788,68 ontvangen.
Bij besluit van 2 maart 1999 heeft appellant van gedaagde met toepassing
van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw een bedrag van f 17.770,13
teruggevorderd.
Bij besluit van 20 april 1999 heeft appellant het tegen het besluit van
2 maart 1999 gemaakte bezwaar in die zin gegrond verklaard dat het
bedrag van de terugvordering is beperkt tot f 11.188,68.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 20 april
1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant
een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van
hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe in haar
uitspraak, waarin gedaagde als eiseres en appellant als verweerder is
aangeduid, het volgende overwogen:
"Ingevolge het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a van de Abw
worden de kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voor
zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is
verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.
De rechtbank stelt voorop dat verweerders berekeningswijze van het terug
te vorderen bedrag onjuist moet worden geacht. Artikel 82 van de Abw
bepaalt immers dat kosten van bijstand worden teruggevorderd. Verweerder
daarentegen is uitgegaan van het vermogen en heeft daarop een aantal
bedragen in mindering gebracht.
Gelet op het in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw bepaalde dient
te worden bezien of aan eiseres, zo zij ten tijde van de aanvraag over
middelen had beschikt die haar feitelijk eerst in 1998 zijn toegevallen,
bijstand zou zijn toegekend en zo niet, met ingang van welke datum wel
daartoe zou zijn overgegaan. Dat betekent - de rechtbank onderschrijft
in zoverre het standpunt van de gemachtigde van eiseres - dat er
rekening mee moet worden gehouden dat eiseres in dat geval op haar
middelen had mogen interen met een bedrag per maand dat gelijk is aan
anderhalf maal de voor haar geldende bijstandsnorm. Gelet op het
bepaalde in artikel 51 van de Abw kan evenwel geen rekening worden
gehouden met de eerst na 26 juli 1996 ontstane schulden. Bezien zal dus
moeten worden welke schulden in juli 1996 reeds bestonden. Terzake is
van belang dat eiseres op het aanvraagformulier heeft ingevuld dat
sedert augustus 1995 een schuld aan de Rabobank bestond. Indien op
vorenstaande wijze is berekend ingaande welke datum eiseres voor
bijstandsverlening in aanmerking komt, is ook duidelijk over welke
periode ten onrechte bijstand is verstrekt. De over die periode
verstrekte bijstand dient te worden teruggevorderd."
Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Hij
stelt zich op het standpunt dat er bij de terugvordering van bijstand op
grond van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw geen ruimte is voor
de door de rechtbank gehanteerde interingsnorm. Voorts is appellant van
mening dat hij bij de berekening van het van gedaagde terug te vorderen
bedrag geen rekening hoeft te houden met de schuld aan de Rabobank die
gedaagde op het aanvraagformulier om bijstand heeft vermeld omdat niet
is gebleken dat gedaagde die schuld aflost of moet aflossen.
De Raad stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17
september 1993, NJ 1993/737, vast dat voor het hanteren van de
zogenoemde interingsnorm, inhoudende - kort gezegd - dat op het vermogen
wordt ingeteerd met een bedrag per maand dat overeenstemt met anderhalf
maal de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm, bij de toepassing van
artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw geen plaats is.
Er bestaat een relevant verschil tussen de uitkeringsgerechtigden die
eerst hun beschikbare middelen tot de vermogensgrens bedoeld in artikel
54 van de Abw moeten aanspreken alvorens voor bijstand in aanmerking te
komen, en de uitkeringsgerechtigden die aanstonds voor hun
levensonderhoud afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. Dit
verschil is hierin gelegen dat het bij de eerstgenoemde categorie gaat
om het vaststellen van de ingangsdatum van de bijstandsverlening.
Daarbij dient de bijstand ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Abw
te worden afgestemd op het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in het bestaan, in welk kader de door de rechtbank in
aanmerking genomen interingsnorm is ontwikkeld. Een zodanige afstemming
is echter niet aan de orde wanneer het gaat om toekenning van een
bijstandsuitkering aan uitkeringsgerechtigden die terstond voor hun
levensonderhoud zijn aangewezen op bijstand en pas later over middelen
komen te beschikken. Weliswaar verkeren de laatst bedoelden in een
minder gunstige situatie doordat zij op een eerder tijdstip op
bijstandsniveau moeten gaan leven, maar dit uit het verschil in de
feitelijke toestand - het al dan niet aanstonds beschikken over middelen
- voortvloeiende onderscheid levert geen rechtvaardiging op voor een
afwijking van de duidelijke bewoordingen van artikel 82, aanhef en onder
a, van de Abw in die zin dat na het beschikbaar komen van middelen
daarmee niet overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw
rekening wordt gehouden.
De Raad is voorts, eveneens anders dan de rechtbank, van oordeel dat
appellant bij het vaststellen van het bedrag aan bijstand dat van
gedaagde wordt teruggevorderd terecht geen rekening heeft gehouden met
de schuld aan de Rabobank die gedaagde op het aanvraagformulier om
bijstand heeft vermeld. Daargelaten of die schuld niet is meegenomen bij
de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, bestaat er immers
bij de vaststelling van het vermogen van een uitkeringsgerechtigde
slechts dan aanleiding om rekening te houden met schulden, indien
daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.
Aangezien gedaagde, naar zij ter zitting van de Raad heeft bevestigd, de
onderhavige schuld niet aflost of hoeft af te lossen, is met die schuld
terecht geen rekening gehouden.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep van
appellant. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 6 mei 2003.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|