|
Uitspraak
00/5055 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 9
augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. M.P.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, een
verweerschrift ingediend.
Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingediend en enkele vragen
van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 februari 2003, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij
de gemeente Maastricht, terwijl gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. Hogervorst.
II. MOTIVERING
Gedaagde is in verband met een echtscheidingsprocedure eind 1993 met
haar dochter ingetrokken bij haar moeder. Bij besluit van 28 maart 1994
is aan gedaagde met ingang van 6 december 1993 een uitkering ingevolge
de Algemene Bijstandswet
(ABW) toegekend naar de norm voor een eenoudergezin, verminderd met een
woningdelerskorting. Met ingang van 16 februari 1996 is deze uitkering
beëindigd omdat gedaagde inkomsten genoot boven de bijstandsnorm.
Bij brief van 8 augustus 1997 heeft appellant gedaagde verzocht om
informatie over de afwikkeling van de boedelverdeling. Uit de door
gedaagde verstrekte inlichtingen blijkt dat de boedelscheiding op 29
maart 1996 tot stand is gekomen. Daarbij is aan gedaagde het pand
[adres] te [woonplaats] toebedeeld, dat toen nog verhuurd was en waarop
geen hypotheek rustte. Gedaagde heeft deze woning op 27 mei 1997
betrokken en medio 2000 verkocht voor f 275.000,--.
Bij besluit van 2 oktober 1997 heeft appellant de over de periode van 6
december 1993 tot en met 15 februari 1996 gemaakte kosten van bijstand
tot een bedrag van f 51.780,91 van gedaagde teruggevorderd op grond van
artikel 82, aanhef en onder a, van de Algemene
bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van
bezwaren van gedaagde heeft appellant bij besluit van 23 januari 1998
het bedrag van de terugvordering verlaagd tot f 21.950,--.
De door gedaagde tegen de besluiten van 2 oktober 1997 en 23 januari
1998 gemaakte bezwaren zijn door appellant bij besluit van 15 december
1998 in zoverre gegrond verklaard dat - met herroeping van de besluiten
van 2 oktober 1997 en 23 januari 1998 - van gedaagde een bedrag van f
21.950,-- wordt teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, van
de ABW respectievelijk artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van
belang, - met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en
griffierecht - het door gedaagde tegen het besluit van 15 december 1998
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit en het besluit van 23
januari 1998 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op
bezwaar te nemen.
De vernietiging van het besluit van 15 december 1998 houdt onder meer
verband met het oordeel van de rechtbank dat het bestuursorgaan in het
kader van de redelijkheid en de billijkheid is gehouden om in een geval
als het onderhavige, nadat de boedelscheiding heeft plaatsgevonden zowel
de mogelijkheid van terugvordering op grond van artikel 58 van de ABW
als de mogelijkheid van verhaal op grond van artikel 63 op de
ex-echtgenoot te onderzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft
appellant ten onrechte nagelaten deze laatste mogelijkheid na de
boedelverdeling in 1996 te onderzoeken, zodat het besluit van 15
december 1998 in strijd is met het in artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in
artikel 7:12, eerste lid, van de Awb verwoorde motiveringsbeginsel.
In hoger beroep heeft appellant uitsluitend het hiervoor vermelde
oordeel van de rechtbank bestreden.
De Raad stelt vast dat de terugvordering gelet op de hoogte van het
teruggevorderde bedrag uitsluitend ziet op (een deel van de) kosten van
bijstand, welke ingevolge de ABW aan gedaagde is verleend in de periode
van 6 december 1993 tot en met 15 februari 1996, zodat - zoals de
rechtbank reeds heeft vastgesteld - artikel 58, tweede lid, van de ABW
(tekst vanaf 1 augustus 1992) in dit geschil het wettelijk
toetsingskader vormt.
Ingevolge deze bepaling worden de kosten van bijstand verleend over een
periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn
waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene teruggevorderd
tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt
beschikt of kan worden beschikt. Voorzover die middelen overeenkomstig
artikel 7 van de ABW buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien zij
reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking van de betrokkene
zouden hebben gestaan, blijft terugvordering achterwege.
Op grond van artikel 58, tweede lid, van de ABW was appellant verplicht
tot terugvordering over te gaan, zodra gedaagde krachtens de bij de
aanvang van de bijstand bestaande aanspraak op haar aandeel in de boedel
over middelen beschikt of kan beschikken. Naar het oordeel van de Raad
is noch in de tekst van de wet, noch in de wetsgeschiedenis een
aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat bij samenloop van de
verplichting tot terugvordering van de verleende bijstand van de
bijstandsgerechtigde en de verplichting tot verhaal op de
onderhoudsplichtige gewezen echtgenoot, het verhaal op de
onderhoudsplichtige gewezen echtgenoot voorrang heeft. Het staat de
gemeente in dat geval vrij te beslissen welke weg zij wenst te
bewandelen om de terugbetaling van de verleende bijstand te realiseren.
Hieruit vloeit voort dat de mogelijkheid om met toepassing van artikel
63 van de ABW verhaal te zoeken op de ex-echtgenoot van een
belanghebbende geen grond kan vormen om af te zien van terugvordering en
dat de gemeente dus ook niet gehouden is die mogelijkheid te
onderzoeken, alvorens over te gaan tot terugvordering van de kosten van
bijstand op de belanghebbende zelf.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het oordeel van de
rechtbank berust op een onjuiste rechtsopvatting. De aangevallen
uitspraak dient daarom, voorzover aangevochten, te worden vernietigd.
Appellant zal met inachtneming van de uitspraak van de Raad opnieuw op
het bezwaar van gedaagde moeten beslissen. Met het oog daarop overweegt
de Raad het volgende.
Gedaagde had bij de aanvang van de bijstandsverlening op 6 december 1993
een vermogensrecht in de vorm van een aanspraak op de helft van de
onverdeelde huwelijksgemeenschap. Toen zij bij de boedelscheiding op 29
maart 1996 de beschikking kreeg over het pand [adres], dat toen nog
verhuurd was aan derden, was er voor haar redelijkerwijs geen beletsel
het in dit pand aanwezige vermogen te gelde te maken. Op dat moment was
dan ook sprake van middelen in de zin van artikel 58, tweede lid, van de
ABW, zodat appellant in beginsel gehouden was, met inachtneming van een
redelijke termijn om de middelen liquide te maken, tot terugvordering
over te gaan. Het feit dat de omstandigheden van gedaagde ten tijde van
het primaire terugvorderingsbesluit van 2 oktober 1997 waren gewijzigd
in die zin dat zij de woning aan de [adres] inmiddels zelf bewoonde doet
naar het oordeel van de Raad geen afbreuk aan het oordeel dat met het
realiseren van de bij de aanvang van de bijstandsverlening bestaande
aanspraak op middelen voldaan is aan de voorwaarden voor terugvordering
met toepassing van artikel 58, tweede lid, van de ABW.
De Raad merkt voorts op dat hij gedaagde niet kan volgen in haar betoog
dat appellant onzorgvuldig heeft gehandeld door tot terugvordering over
te gaan, aangezien in het toekenningsbesluit van 28 maart 1994 niet op
de mogelijkheid van terugvordering is gewezen. Voor de toepassing van
artikel 58, tweede lid, van de ABW is immers niet vereist dat de
belanghebbende met de inhoud van deze bepaling bekend moet zijn geweest.
Met betrekking tot de door appellant vastgestelde hoogte van het terug
te vorderen bedrag - f 21.950,-- - merkt de Raad nog op, dat daarop nog
de kosten welke voor gedaagde verbonden zijn aan de verkoop van het pand
[adres] in mindering dienen te worden gebracht.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om appellant te veroordelen in
de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van €
644,--, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Maastricht.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J.
van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 1 april 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|