|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/4641 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Amsterdam op 14 juli 2000 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 december 2000 heeft drs. F.W. King, rechtskundig
adviseur te Leiden, zich als gemachtigde van appellant gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2002, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door drs. King, voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer,
werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende feiten en omstandigheden.
Appellant ontving vanaf 16 januari 1998 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande,
verhoogd met een toeslag van 10%. Bij besluit van 17 juni 1998 is aan
appellant bijstand verleend voor woonkosten tot een bedrag van f 171,--
per maand over de periode van 16 januari 1998 tot en met 30 juni 1998.
Na onderzoek naar de inschrijving van de heer [E.] op het adres van
appellant is appellants bijstandsuitkering bij besluit van 29 juli 1998
verhoogd met een toeslag van 20% in plaats van 10%.
Bij besluit van 30 november 1998 is de aan appellant verstrekte
huursubsidie met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 beëindigd en
teruggevorderd, omdat volgens de gemeentelijke basisadministratie op 1
juli 1998 meer personen op appellants adres woonden dan door appellant
bij aanvraag was opgegeven.
Op 22 juni 1999 heeft appellant bijstand in verband met (huur)schuld
gevraagd. Bij besluit van 4 augustus 1999 heeft gedaagde deze aanvraag
buiten behandeling gesteld omdat appellant, na daartoe in de gelegenheid
te zijn gesteld, de gevraagde gegevens of bewijsstukken niet heeft
overgelegd. Appellant heeft op 10 augustus 1999 wederom verzocht om
bijstand in verband met (huursubsidie)schuld. Gedaagde heeft dit verzoek
bij besluit van 12 oktober 1999 afgewezen.
Bij besluit van 26 november 1999 heeft gedaagde het namens appellant
gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 26 november 1999 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd
bestreden.
Ter beoordeling staat de vraag of gedaagde op goede gronden geweigerd
heeft aan gedaagde bijstand te verlenen ter betaling van de
desbetreffende schuld.
De weigering berust blijkens het bestreden besluit en het verhandelde
ter zitting op het bepaalde in artikel 15 van de Abw. In dit verband
heeft gedaagde onder meer overwogen dat geen sprake is van een situatie
als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw nu
van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet bij Crediam
geen sprake is geweest. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 15,
tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw is geen sprake omdat de schuld
niet bedreigend is.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Abw wordt degene die
bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een
schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan
wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht te
verkeren in bijstandsbehoeftige omstandigheden als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Abw.
Vaststaat dat appellant ten tijde van het ontstaan van de schuld een
Abw-uitkering ontving. Hij beschikte toen over de middelen om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Artikel 15, eerste
lid, van de Abw staat daarom aan bijstandsverlening voor de
desbetreffende schuld in de weg.
Op grond van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Abw
is gedaagde in afwijking van het eerste lid bevoegd:
a. bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van borgtocht, indien het
verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is
afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de
borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te
doen vinden (...);
b. bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen
bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt
(...).
Van een situatie als bedoeld in onderdeel a is geen sprake. Blijkens de
gedingstukken is aan appellant op 10 augustus 1999 verzocht bij het
intakegesprek op 14 september 1999 een brief van Crediam kredietbank
Amsterdam mee te nemen. De Raad stelt vast dat er - ondanks dit verzoek
aan appellant - geen afwijzing tot verlening van een saneringskrediet
ligt. Gedaagde is daarom niet bevoegd bijzondere bijstand te verlenen op
grond van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw.
Volgens vaste jurisprudentie en ook blijkens de wetsgeschiedenis kan het
bestaan van een grote schuldenlast in beginsel niet worden aangemerkt
als een zeer dringende reden. Een zeer dringende reden kan in dit geval
ook niet gelegen zijn in hetgeen ter zitting van de Raad over de
verblijfsstatus van appellant naar voren is gebracht en ten tijde hier
van belang (nog) niet ter discussie stond. Uit hetgeen appellant
overigens heeft aangevoerd is de Raad evenmin gebleken van zeer
dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid zou toekomen
om bijzondere bijstand te verlenen.
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak in stand kan
worden gelaten.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari
2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|