|
Uitspraak
00/4270 NABW en 00/4272 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], ingeschreven in de gemeente [naam gemeente], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden, op de in een aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Leeuwarden op 23 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 2003, waar
appellante, met bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door drs. E.C. Acda, werkzaam bij de gemeente
Sneek.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 15 augustus 1997 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandwet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op
het aanvraagformulier vermeldde appellante dat zij woonachtig is op het
adres [adres] te [naam gemeente].
Namens gedaagde is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld
naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering, zulks
naar aanleiding van een melding van een leerplichtambtenaar dat de zoon
van appellante niet in [naam gemeente] naar school zou gaan maar in
Gauw, gemeente Wymbritseradiel, en bij zijn vader in Gauw zou wonen. In
het kader van dit onderzoek zijn observaties verricht, getuigen gehoord,
gegevens verzameld van onder meer het water- en energieverbruik, is een
huisbezoek afgelegd en heeft appellante een verklaring afgelegd.
De bevindingen van dit onderzoek waren voor gedaagde aanleiding om bij
besluit van 14 oktober 1998 het recht op bijstand van appellante met
ingang van 15 augustus 1997 onder toepassing van artikel 69, derde lid,
onder a, van de Abw in te trekken en de verleende bijstand, een bedrag
groot f 33.099,65, op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van
appellante terug te vorderen.
Bij brief van 19 november 1998 is namens appellante verzocht haar met
ingang van 31 oktober 1998 weer bijstand te verlenen. Bij besluit van 8
december 1998 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 23 februari 1998 (besluit A) heeft gedaagde
het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 1998 ongegrond verklaard.
Onder verwijzing naar artikel 63 van de Abw heeft gedaagde - kort
weergegeven - overwogen dat uit het onderzoek van de sociale recherche
naar voren is gekomen dat appellante gedurende de periode in geding, 15
augustus 1997 tot en met 30 oktober 1998, niet in [naam gemeente]
woonachtig was.
Bij besluit van eveneens 23 februari 1999 (besluit B) heeft gedaagde het
bezwaar tegen het besluit van 8 december 1998 ongegrond verklaard.
Gedaagde is van oordeel, zo begrijpt de Raad dit besluit, dat de
woonsituatie van appellante op de datum met ingang waarvan zij weer voor
bijstandsverlening in aanmerking wenst te komen niet wezenlijk is
gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die was voor die datum.
De rechtbank heeft het namens appellante tegen de besluiten A en B
ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Appellante heeft als grief aangevoerd dat bij gedaagde sprake is geweest
van vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene wet
bestuursrecht op grond waarvan de beide bestreden besluiten dienen te
worden vernietigd. Van vooringenomenheid is sprake omdat naar haar
mening de sociaal rechercheur, die het onderzoeksrapport heeft opgesteld
waarop gedaagde zijn besluiten heeft gebaseerd, deel uitmaakte van de
bezwaarschriftencommissie zodat gedaagde, aldus appellante, niet een
onafhankelijk oordeel heeft kunnen geven.
De Raad overweegt hieromtrent dat de Commissie voor de Bezwaarschriften
van de gemeente Sneek blijkens de gedingstukken bestaat uit een lid van
het college van burgemeester en wethouder, de gemeentesecretaris alsmede
de juridisch medewerker van de stafafdeling sociale zaken als ambtelijk
secretaris. De door appellante bedoelde sociaal rechercheur is derhalve
geen lid van die commissie.Wel is deze functionaris aanwezig geweest bij
de behandeling van de bezwaarschriften tijdens de hoorzitting, doch op
grond hiervan kan niet worden geoordeeld dat bij gedaagde sprake is
geweest van vooringenomenheid.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand
jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende
woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 (tot
1 januari 1998: titel 3) van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn
woonplaats heeft te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke
omstandigheden.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende op
verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
van invloed zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het
recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het
bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, waaronder
met name de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, is de Raad
met de rechtbank van oordeel dat gedaagde er terecht vanuit is gegaan
dat appellante gedurende de periode waarop besluit A ziet, 15 augustus
1997 tot en met 30 oktober 1998, niet in de gemeente [naam gemeente]
woonachtig was. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank
dienaangaande heeft overwogen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep
op dit punt nog is aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
De Raad verwijst kortheidshalve naar hetgeen namens gedaagde in zijn
verweerschrift hieromtrent is vermeld en waarmee de Raad zich kan
verenigen.
Gedaagde heeft derhalve terecht met toepassing van artikel 69, derde
lid, onder a, van de Abw de bijstand ingetrokken. Van dringende redenen
als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om geheel of
gedeeltelijk van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.
Hiermee is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor
terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet
gebleken.
Inzake het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voorzover besluit
B aan de orde is, overweegt de Raad het volgende.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, ligt het in een geval als
het onderhavige waarin een nieuwe aanvraag na een eerdere beëindiging
van bijstandsverlening voorligt, in het algemeen op de weg van de
aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die beëindiging een relevante
wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat hij
thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstandsverlening in
aanmerking te komen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat
gedaagde voldoende grond had om ervan uit te gaan dat appellante op 31
oktober 1998, de datum met ingang waarvan zij weer bijstand had
aangevraagd, nog steeds niet in [naam gemeente] haar woonplaats had.
Appellante heeft bij die aanvraag weliswaar aangegeven dat haar zoon
niet meer bij haar in [naam gemeente] woonde maar bij zijn vader in
Gauw, doch zulks kan niet worden aangemerkt als een relevante wijziging
in de omstandigheden nu een en ander ook al het geval was in de
voorafgaande periode. Voorts zijn namens gedaagde in de periode van 9
oktober 1998 tot en met januari 1999 wederom observaties verricht en uit
deze waarnemingen komt hetzelfde beeld naar voren als uit de eerder
verrichte observaties. Gedaagde heeft dan ook terecht de aanvraag om
bijstand van appellante afgewezen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 6 mei 2003.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|