|
Uitspraak
00/6563 NABW en 00/6566 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op
8 november 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 25 februari 2003, waar
appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Kram, werkzaam
bij voornoemd Buro voor Rechtshulp, en mevrouw Meinema, zijn moeder, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra,
werkzaam bij de gemeente Dongeradeel.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende uit de stukken
en het verhandelde ter zitting gebleken feiten en omstandigheden,
waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden.
Appellant, geboren [in] 1974, heeft een MEAO-opleiding gevolgd die hij
in 1996 zonder diploma heeft afgesloten. Aansluitend is hem met ingang
van 5 juli 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 12
december 1996 is de uitkering van appellant verlaagd met 10% gedurende
één maand op de grond dat hij in onvoldoende mate heeft getracht
arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Daaraan is ten grondslag
gelegd dat appellant slechts één sollicitatie had verricht en dat hij
zich alleen maar op administratief werk richtte. Na heronderzoek in
april 1997 is de uitkering van appellant bij besluit van 18 april 1997
gedurende twee maanden met 10% verlaagd omdat hij zich onvoldoende coöperatief
opstelde bij de bemiddeling naar werk. Appellant is vervolgens in 1997 -
met steun van gedaagde en het arbeidsbureau - een opleiding tot
medewerker beheer informatiesystemen gaan volgen welke hij in juli 1998
heeft afgesloten. Appellant heeft in 1998 in juli/augustus (driemaal),
september (driemaal), oktober (eenmaal) en november (eenmaal)
vruchteloos op vacatures gesolliciteerd. Blijkens rapportages van het
arbeidsbureau had die instantie twijfels over de inzet van appellant bij
het vinden van arbeid. Afspraken om appellant tot meer medewerking te
bewegen zijn volgens het arbeidsbureau onvoldoende nagekomen. Op grond
van appellants houding in gesprekken met medewerkers van het
arbeidsbureau, alsook de weigering van appellant op 4 november 1998 om
een lijst te maken van bedrijven waar mogelijk werk is voor een
systeembeheerder, deze bedrijven telefonisch te benaderen en op 11
november 1998 verslag te doen van zijn bevindingen, heeft het
arbeidsbureau geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een
negatieve houding en een gebrek aan motivatie en is vervolgens besloten
dat appellant geen kandidaat is voor jobhunting.
Gedaagde heeft in de gedragingen van appellant in de periode van
juli/augustus 1998 tot 19 november 1998 aanleiding gevonden om bij
besluit van 19 november 1998 de uitkering van appellant met ingang van 1
november 1998 te verlagen met 20% gedurende 3 maanden. Gedaagde heeft
het bezwaar tegen dit besluit bij het bestreden besluit van 16 februari
1999 (besluit 1) ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het
standpunt dat appellant onvoldoende heeft getracht arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen en door zijn gedrag de inschakeling in de
arbeid heeft belemmerd. Gedaagde is bij het vaststellen van deze
maatregel afgeweken van de standaardmaatregelen opgenomen in het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Maatregelenbesluit) omdat aan
appellant in het verleden twee maal eerder een maatregel is opgelegd en
hij meerdere malen is gewezen op zijn verplichtingen.
Het arbeidsbureau heeft bij kennisgeving van 29 januari 1999 bericht dat
appellant zich zodanig opstelt dat de arbeidsinschakeling ernstig wordt
bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt, dat hij onvoldoende actief is bij het
solliciteren en dat hij niet acceptabel heeft gereageerd op vacatures
waarop hij attent is gemaakt. Appellant had volgens opgave van het
arbeidsbureau slechts eenmaal gesolliciteerd, zich niet aangemeld bij
het millenniumplatform en zich naar aard en plaats van de in aanmerking
komende arbeid onvoldoende breed opgesteld. In een onderhoud met de
bijstandsmaatschappelijk werker op 8 februari 1998 heeft appellant
daarvoor volgens gedaagde geen bevredigende verklaring gegeven. Tevens
zou hij hebben geweigerd zich positiever op te stellen in zijn contacten
met derden.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 18 februari
1999 de uitkering van appellant met ingang van 1 februari 1999 te
verlagen met 100% voor de duur van twee maanden.
Gedaagde heeft bij een heronderzoek in april 1999 geconcludeerd dat
appellant zich onvoldoende breed heeft opgesteld bij het zoeken naar
werk, geweigerd heeft om te solliciteren buiten de regio en voorts geen
gehoor heeft gegeven aan adviezen van de arbeidsvoorziening om aan zijn
presentatie te werken. Hij heeft dit laten uitmonden in een besluit van
9 april 1999 inhoudende dat de uitkering van appellant met ingang van 13
april 1999 met 100% wordt verlaagd gedurende drie maanden.
Gedaagde heeft het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 1999 bij
het bestreden besluit van 7 september 1999 (besluit 2) in zoverre
gegrond verklaard dat de ingangsdatum van de opgelegde maatregel wordt
gesteld op 20 februari 1999. Hij heeft het bezwaar tegen de besluiten
van 18 februari 1999 en 9 april 1999 voor het overige ongegrond
verklaard. Gedaagde heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat
onvoldoende is getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en
voorts dat gedragingen zijn verricht die de inschakeling in de arbeid
belemmeren.
De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 en besluit 2 bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe met
betrekking tot besluit 1 overwogen dat appellant bij het arbeidsbureau
enkel stond ingeschreven als administratief medewerker en niet als
medewerker automatisering, wat zijn kansen op de arbeidsmarkt
aanzienlijk zou verkleinen, en dat hij in de periode in geding slechts
een beperkt aantal sollicitaties heeft verricht. Voor zover besluit 2
betrekking heeft op het besluit van 18 februari 1999 heeft zij verwezen
naar het oordeel aangaande besluit 1 en daaraan toegevoegd dat de in het
verleden opgelegde maatregelen er niet toe hebben geleid dat appellant
zijn gedrag heeft gewijzigd. Zij heeft zich - in aanmerking genomen
artikel 14, tweede lid, van de Abw - kunnen verenigen met de hoogte en
duur van de opgelegde maatregelen.
De rechtbank heeft besluit 2 voor zover het betrekking heeft op het
besluit van 9 april 1999 niet in haar beoordeling betrokken.
In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden.
Aangevoerd is dat appellant voldoende heeft gesolliciteerd, dat hij
gezien zijn leeftijd en beperkingen niet in staat is om productiewerk te
doen, dat hij behalve naar administratief werk en verkoopfuncties ook
heeft gesolliciteerd naar functies op het gebied van de automatisering
en dat functies in de Randstad voor hem niet bereikbaar zijn. Voorts
heeft hij gesteld dat de cumulatie van maatregelen in het onderhavige
geval neerkomt op een blijvende algehele weigering van de uitkering
welke de Abw in een geval als het onderhavige niet kent en dat deze
maatregelen disproportioneel zijn. Tenslotte heeft appellant gesteld dat
ten onrechte geen verslag is gemaakt van de hoorzitting in de
bezwaarfase.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in de bestreden besluiten
neergelegde standpunten.
De Raad overweegt het volgende.
Vastgesteld moet worden dat de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan in
het beroep tegen besluit 2 voor zover daarbij het bezwaar tegen het
besluit van 9 april 1999 ongegrond is verklaard. De Raad is van oordeel
dat de rechtbank dusdoende het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inhoudende dat uitspraak wordt
gedaan op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken,
het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting,
heeft miskend. De aangevallen uitspraak dient mitsdien in zoverre wegens
strijd met de wet te worden vernietigd. De Raad acht in het onderhavige
geval termen aanwezig om de zaak in zoverre onder toepassing van artikel
26, tweede lid, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank
Leeuwarden.
Met betrekking tot de grief van appellant dat in strijd met artikel 7:7
van de Awb geen verslag is gemaakt van de hoorzitting in bezwaar merkt
de Raad op dat deze grief berust op een onjuiste lezing van de
dossierstukken. Het op de hoorzitting verwoorde standpunt van appellant
is naar het oordeel van de Raad genoegzaam weergegeven in de op schrift
gestelde rapportage van de bijstandsambtenaar aan gedaagde.
Met betrekking tot de zaak ten gronde wordt het volgende overwogen.
Besluit 1
Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden die hebben
plaatsgevonden in de periode juli/augustus 1998 tot 19 november 1998 is
de Raad van oordeel dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen om
arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, alsook dat hij zich bij de
begeleiding door de arbeidsvoorziening zodanig heeft gedragen dat zijn
inschakeling in de arbeid werd belemmerd. De Raad acht een aantal van
acht sollicitaties in de periode in geding een te beperkt aantal en is
verder van oordeel dat appellant zich te beperkt heeft opgesteld door
alleen te solliciteren naar functies in de administratieve sfeer en de
automatiseringssector. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat
appellant een schoolverlater is als bedoeld in artikel 1, aanhef en
onder a, van het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici en
dat in artikel 4 van dit Besluit bepaald is dat voor een schoolverlater,
voor wat betreft de aard van de arbeid en het ervoor benodigde
opleidingsniveau, alle arbeid als passend wordt aangemerkt, tenzij het
loon minder bedraagt dan het wettelijke toegestane minimum. Het
standpunt van appellant dat hij gezien zijn leeftijd en lichamelijke
beperkingen niet in staat is tot het verrichten van productiewerk acht
de Raad, wat van dat standpunt overigens moge zijn, niet aannemelijk
gemaakt. Tevens is de Raad van oordeel dat appellant zijn inschakeling
in de arbeid heeft belemmerd door op 4 november 1998 geen medewerking te
verlenen aan de uitnodiging van medewerkers van de arbeidsvoorziening om
op 11 november 1998 verslag te doen van zijn bevindingen bij een aantal
open sollicitaties. Gezien het vorenstaande is appellant de in artikel
113, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Abw neergelegde
verplichtingen niet naar behoren nagekomen. Dit betekent dat gedaagde op
grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Abw en het
Maatregelenbesluit gehouden was ten aanzien van appellant een maatregel
te nemen. De betreffende gedragingen zijn aan te merken als gedragingen
van de tweede en derde categorie van artikel 3 van dit Besluit. Hierbij
past ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van dit Besluit
de maatregel van verlaging van de uitkering met 20% gedurende een maand.
Uit 's Raads vaste jurisprudentie, gewezen wordt op de uitspraak van 12
maart 2002, gepubliceerd in RSV 2002/123, vloeit voort dat de bepalingen
van het Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde
in artikel 14, tweede lid, van de Abw kan worden afgeweken van de in dat
besluit opgenomen standaardmaatregelen. Burgemeester en wethouders
blijven bevoegd tot afstemming op de individuele omstandigheden van de
belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Dit kan er in specifieke
situaties toe leiden dat een zwaardere dan wel lichtere maatregel dan de
standaardmaatregel is aangewezen, met dien verstande dat de afwijking
van de standaardmaatregel betrekking kan hebben op de hoogte en/of de
duur van de maatregel.
Met betrekking tot de vraag of gedaagde op goede gronden heeft besloten
af te wijken van de standaardmaatregel van verlaging van de uitkering
met 20% gedurende één maand is de Raad van oordeel dat van zodanige
gronden in het onderhavige geval niet is gebleken. De omstandigheid dat
tweemaal eerder maatregelen zijn opgelegd voor vergelijkbare gedragingen
acht de Raad in dat verband ontoereikend. Hij heeft daarbij in
aanmerking genomen dat deze maatregelen meer dan een jaar eerder waren
genomen en dat artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit in
geval van recidive binnen twaalf maanden voorziet in verdubbeling van de
duur van de maatregel. De uit het dossier blijkende gegevens met
betrekking tot de gedragingen van appellant zijn, mede gezien de
tussentijds met steun en goedvinden van gedaagde gevolgde opleiding,
door de Raad onvoldoende zwaarwegend geoordeeld om afwijking van de
standaardmaatregel te kunnen rechtvaardigen.
De Raad voegt hier nog aan toe dat de opgelegde maatregel ingaat op 1
november 1998 terwijl de verweten gedraging bij het arbeidsbureau heeft
plaatsgevonden op 4 november 1998. De Raad heeft reeds eerder
geoordeeld, verwezen wordt naar bovengenoemde uitspraak van 12 maart
2002, dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een maatregel niet eerder
kan ingaan dan op de datum waarop de verweten gedraging zich heeft
voorgedaan.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep tegen besluit 1 wegens
ondeugdelijke motivering niet in stand kan blijven en dat dit besluit
dient te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor de aangevallen
uitspraak in zoverre daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is
verklaard. Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar
van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
Besluit 2 voor zover dit betrekking heeft op het besluit van 18 februari
1999
Voor zover besluit 2 betrekking heeft op het primaire besluit van 18
februari 1999 overweegt de Raad het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in de periode van 19 november
1998 tot 18 februari 1999 vijfmaal heeft gesolliciteerd naar
administratieve functies en functies in de automatisering. Gelet hierop
is de Raad van oordeel dat appellant zich te beperkt heeft opgesteld bij
het zoeken naar werk nu voor hem, als schoolverlater, alle arbeid
passend moet worden geacht. De Raad verwijst naar hetgeen hiervoor is
overwogen. Tevens is de Raad van oordeel dat appellant zich in deze
periode bij de begeleiding door de arbeidsvoorziening onvoldoende coöperatief
heeft opgesteld. Uit de rapportage van het arbeidsbureau blijkt
genoegzaam dat zijn gedrag heeft geleid tot zijn verwijdering uit het
voorrangsbemiddelingsbestand.
Gezien het vorenstaande heeft appellant ook in deze periode de in
artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Abw neergelegde
verplichtingen verzaakt. Dit betekent dat gedaagde op grond van het
bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Abw en het Maatregelenbesluit
gehouden was ten aanzien van appellant een maatregel te nemen. Aangezien
de betreffende gedragingen zijn aan te merken als gedragingen van de
tweede en derde categorie van artikel 3 van dit Besluit dient de duur
van de ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van dit
Besluit op te leggen maatregel van verlaging van de uitkering met 20%
gedurende één maand, wegens recidive op grond van artikel 5, tweede
lid, van het Maatregelenbesluit te worden verdubbeld tot twee maanden.
De Raad ziet in het gegeven dat aan appellant, voorafgaande aan zijn in
1997 aangevangen scholing, eerder twee maatregelen zijn opgelegd, alsook
in de overige uit het dossier blijkende gegevens die als motivering aan
het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, onvoldoende basis om op
grond van artikel 14, tweede lid, van de Abw af te wijken van de
ingevolge het Maatregelenbesluit geldende standaardmaatregel bij
recidive.
Hieruit volgt dat het beroep tegen besluit 2, voor zover dit betrekking
heeft op het besluit van 18 februari 1998, gegrond is en dat dit besluit
in zoverre dient te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor de
aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit 2
ongegrond is verklaard. Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar
van appellant moeten nemen met inachtneming van hetgeen door de Raad is
overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde onder toepassing van artikel
8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Deze
worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en
€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op besluit
1, alsmede op besluit 2 in zoverre dit betrekking heeft op het besluit
van 18 februari 1998;
Vernietigt deze besluiten in zoverre;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen deze
besluiten met inachtneming van deze uitspraak;
Wijst het beroep tegen het besluit 2 voor zover dit betrekking heeft op
het besluit van 9 april 1999 terug naar de rechtbank Leeuwarden;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellant
tot een bedrag groot € 1288,--, te betalen door de gemeente
Dongeradeel;
Bepaalt dat de gemeente Dongeradeel aan appellant het door hem in eerste
aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 104,37 (f
230,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 8 april 2003.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|