|
Uitspraak
99/4118 NABW en 02/1089 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
's-Gravenhage, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 13 juli
1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar voor appellant
is verschenen mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage,
en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft bij besluit van 23 april 1998 de aanvraag van gedaagde
om bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van een
nazorgcontract voor het onderhoud van een gehoortoestel afgewezen. Bij
besluit van 28 augustus 1998 heeft appellant het bezwaar gericht tegen
het besluit van 23 april 1998 ongegrond verklaard, onder de overweging
dat de kosten van het nazorgcontract op grond van artikel 16, aanhef en
onder d, van de Algemene bijstandswet
(Abw) niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend.
De rechtbank heeft het besluit van 28 augustus 1998 bij de uitspraak van
13 juli 1999 vernietigd omdat het naar haar oordeel berust op een
onjuiste wettelijke grondslag, en appellant opgedragen een nieuw besluit
te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 5 november 1999 heeft appellant de aanvraag van gedaagde
om bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van het
nazorgcontract opnieuw afgewezen onder de overweging dat de onderhavige
kosten niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten van het bestaan.
Appellant heeft tegen de uitspraak van 13 juli 1999 hoger beroep
ingesteld. De Raad zal, ambtshalve, eerst onderzoeken of het hoger
beroep ontvankelijk is.
Appellant heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen de overweging
van de rechtbank dat het haar niet zonder meer duidelijk is op welke
grond de kosten van afzonderlijke consulten wel als noodzakelijk kunnen
worden aangemerkt en de kosten van het nazorgcontract niet, terwijl de
kosten van afzonderlijke consulten met een aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid de kosten van het nazorgcontract zullen
overschrijden. De Raad is van oordeel dat de rechtbank met deze
overweging geen uitspraak heeft gedaan waaraan appellant zich bij het
nemen van een nieuw besluit naar objectieve maatstaven gebonden kan
achten. Blijkens de inhoud van het ter uitvoering van de uitspraak van
13 juli 1999 nieuw genomen besluit van 5 november 1999 heeft appellant
zich daaraan feitelijk ook niet gebonden geacht. Appellant heeft
derhalve geen procesbelang bij zijn hoger beroep zodat dit
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep staat er in het
onderhavige geval niet aan in de weg het besluit van 5 november 1999 aan
te merken als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19
in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
mede in de beoordeling moet worden betrokken.
De Raad stelt in dat verband eerst vast dat appellant onder meer artikel
7 van de Abw ten grondslag heeft gelegd aan het besluit van 5 november
1999, terwijl bij een aanvraag om bijzondere bijstand de artikelen 6,
aanhef en onder b, en 39 van de Abw het toetsingskader vormen. De Raad
is derhalve van oordeel dat het besluit van 5 november 1999 op onjuiste
wettelijke basis berust. Het beroep dient daarom gegrond te worden
verklaard en het besluit van 5 november 1999 dient te worden vernietigd.
De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met
toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Abw de rechtsgevolgen van
het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad
bevestigend.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw heeft de
alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover deze
niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en
deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen
worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld, in afdeling 1, paragraaf 2
en 3, en de aanwezige draagkracht.
De Raad kan zich verenigen met het standpunt van gedaagde dat de vraag
of aan de voorwaarden van artikel 39 van de Abw wordt voldaan eerst kan
worden beoordeeld indien de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt
gevraagd zich voordoen. Aangezien het nazorgcontract betrekking heeft op
in de toekomst benodigd onderhoud van het gehoortoestel van gedaagde en
bij het sluiten van dit contract niet is vast te stellen of gedaagde op
dat moment voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, kunnen de kosten
hiervan niet voor bijstandverlening in aanmerking komen. De
omstandigheid dat de kosten van het nazorgcontract uiteindelijk lager
kunnen blijken te zijn dan die van de afzonderlijke consulten doet
hieraan niet af.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75
van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht wordt mede te zijn gericht
tegen het besluit van 5 november 1999, gegrond en vernietigt dit
besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 322,--, te betalen door de gemeente 's-Gravenhage;
Bepaalt dat van de gemeente 's-Gravenhage een recht van € 327,-- wordt
geheven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 25 juni 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Heijink.
|
|