|
Uitspraak
02/5988 NABW [lees: 02/5988 NIOAW, red.]
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sittard-Geleen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op de in
het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een
door de rechtbank Maastricht op 21 november 2002 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 mei
2003, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw) van appellant over de periode van 25 november
1996 tot en met 16 maart 2000 ingetrokken, de Ioaw-uitkeringen
over augustus 2000 en over de periode van maart 2001 tot en met mei 2001
herzien en de ten onrechte ontvangen Ioaw-uitkeringen
tot een bedrag van f 80.463,67 van hem teruggevorderd. Bij dat besluit
heeft gedaagde tevens de door appellant ten onrechte genoten bijzondere
bijstand over de periode van 26 november 1996 tot en met 30 juni 1997
tot een bedrag van f 1.397,50 van hem teruggevorderd.
Gedaagde heeft de tegen het besluit van 16 oktober 2001 gemaakte
bezwaren bij besluit van 17 juni 2002 ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 30 juli 2002 heeft appellant bij de rechtbank
beroep ingesteld tegen het besluit van 17 juni 2002. Het beroepschrift
bevat niet de gronden van het beroep.
Bij brief van 5 augustus 2002 heeft de griffier namens de rechtbank,
onder verwijzing naar artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) en artikel 2 van de Procesregeling bestuursrecht, appellant
verzocht de gronden van het beroep zo spoedig mogelijk doch uiterlijk
binnen vier weken na de dagtekening van de brief in te dienen. Daarbij
is erop gewezen dat indien niet aan het verzoek wordt voldaan, het
beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Bij schrijven van 9 september 2002 heeft mr. Grégoire zich tot de
rechtbank gewend met de mededeling dat appellant hem heeft verzocht
appellant in de procedure als gemachtigde bij te staan.
Bij uitspraak van 12 september 2002 heeft de rechtbank met toepassing
van artikel 8:54 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door de gemachtigde
namens appellant overeenkomstig artikel 8:55 van de Awb tegen de
uitspraak van 12 september 2002 gedane verzet ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen deze uitspraak. Hij
heeft daarbij naar voren gebracht dat het zonder meer niet-ontvankelijk
verklaren van een op nader aan te voeren gronden ingesteld beroep niet
gepast is en dat de rechtbank jegens bestuursorganen coulanter pleegt te
zijn dan tegen justitiabelen.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet
kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de
rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De
aangevallen uitspraak betreft een dergelijke uitspraak en is derhalve
volgens het toepasselijke procesrecht niet vatbaar voor hoger beroep.
Voor kennisneming van een appèl in weerwil van deze bepaling kan naar
vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een
evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van
fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen
sprake is.
De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier niet voordoet.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bevat
het beroepschrift de gronden van het beroep.
In artikel 6:6 van de Awb is - voorzover hier van belang - bepaald dat
indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij
de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep,
dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de
gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe
gestelde termijn.
Vaststaat dat appellant de gronden van het beroep niet bij de rechtbank
heeft ingediend en dat hij op kenbare en genoegzame wijze in de
gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen. Gelet hierop kan niet
worden gezegd dat appellant - in strijd met artikel 6, eerste lid, van
het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden - een eerlijk proces is onthouden. De Raad ziet
dan ook geen grond om in dit geval aan het appèlverbod voorbij te gaan,
zodat hij zich onbevoegd dient te verklaren.
Hetgeen namens appellant nog is aangevoerd omtrent de in zijn ogen
coulantere behandeling van bestuursorganen door de rechtbank doet
daaraan geen afbreuk. Nog daargelaten dat deze stelling niet feitelijk
is onderbouwd, betreft het hier immers een uitdrukkelijk in de wet met
niet-ontvankelijkheid bedreigd voorschrift, zodat reeds hierom niet van
een vergelijkbare situatie kan worden gesproken.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2003.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|