|
Uitspraak
02/1322 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 10 januari
2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Namens gedaagde heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding geregistreerd onder nr. 02/4882
NABW, behandeld ter zitting van 27 mei 2003. Daar heeft appellant zich
laten vertegenwoordigen door M.J.W. Bruijnzeels, werkzaam bij de
gemeente Maastricht, en gedaagde door mr. Bovenkamp.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In beide gedingen wordt - heden - afzonderlijk uitspraak
gedaan.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1944, ontvangt sedert 1981 een bijstandsuitkering,
met ingang van maart 1997 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), naar
de norm voor een alleenstaande. Gedaagde heeft op 28 november 2000 om
bijzondere bijstand verzocht - voorzover hier van belang - voor de
kosten van aanschaf van een koelkast en een wasmachine.
Bij besluit van 4 januari 2001 heeft appellant dit verzoek afgewezen.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij
besluit van 11 april 2001 op grond van onder meer de volgende
overwegingen:
"Bijzondere bijstand kan worden verleend in de vorm van een
geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet
(artikel 21, lid 1). In de toelichting hierop is vermeld dat de
aanschaf, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam
karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het
bestaan behoren. Indien men tenminste beschikt over een inkomen op
bijstandsniveau wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen
aanwezig geacht om hiervoor te reserveren. Indien men nog niet voldoende
heeft gereserveerd wordt de eventueel te verstrekken bijzondere bijstand
in de vorm van een geldlening verstrekt. Dit nadat is komen vast te
staan dat de benodigde geldlening niet via de normale kredietverlenende
instanties kan worden verkregen.
In de gemeente Maastricht geldt daarnaast het beleid dat in bepaalde
situaties bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen verstrekt
kan worden aan minima die gedurende minimaal drie jaar de zorg voor
minderjarige kinderen hebben en aan personen van 65 jaar en ouder die
gedurende drie jaar een minimaal inkomen hebben.
Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat u niet behoort tot deze
doelgroepen zodat de gevraagde bijstand niet op grond van dit beleid kan
worden verleend.
Uw aanvraag dient derhalve aan de hand van de wet zelf te worden
beoordeeld.
Uw inkomen is gelijk aan de voor u van toepassing zijnde bijstandsnorm,
zodat u de betreffende kosten uit eigen middelen kunt opbrengen.
Verder blijkt dat, zoals u ook zelf heeft aangegeven, er geen sprake is
van schulden. Dit betekent dat u een lening zou kunnen afsluiten.
Dat dit tegen uw gevoel indruist maakt niet dat er sprake is van
bijzondere omstandigheden als waarop artikel 39 van de wet doelt.
Ook hetgeen u verder aanvoert leidt burgemeester en wethouders niet tot
de conclusie dat er sprake is van bijzondere omstandigheden."
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 11 april 2001 ingestelde
beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, appellant opgedragen
een nieuw besluit op bezwaar te nemen, het verzoek om appellant te
veroordelen tot schadevergoeding afgewezen en beslissingen gegeven
inzake proceskosten en griffierecht. Naar haar oordeel heeft appellant
ten onrechte gedaagde niet tot de doelgroepen gerekend van het door
appellant gevoerde beleid met betrekking tot duurzame gebruiksgoederen,
nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in dat beleid wordt gemaakt
ten opzichte van personen van 65 jaar of ouder die gedurende ten minste
drie jaar een minimum inkomen hebben, niet op redelijke en objectieve
gronden berust.
Appellant heeft dit oordeel gemotiveerd bestreden.
De Raad stelt eerst vast dat met het in het besluit van 11 april 2001
vermelde beleid van appellant tot verstrekking van bijstand voor
duurzame gebruiksgoederen aan (onder andere) personen van 65 jaar en
ouder die gedurende drie jaar een minimum inkomen hebben, invulling is
gegeven aan de bevoegdheid tot categoriale bijstandsverlening, die
sedert 1 juli 1997 is opgenomen in artikel 39, tweede lid, van de Abw.
Ingevolge deze bepaling kan, in afwijking van artikel 6, onderdeel b,
van de Abw, bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een
bepaalde categorie, worden verleend, zonder dat behoeft te worden
nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook
daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van
de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in
bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke
kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de
aanwezige draagkracht te boven gaan.
Uit de stukken komt naar voren dat personen die voldoen aan de door de
gemeente Maastricht geformuleerde criteria voor categoriale
bijstandsverlening, niet worden doorverwezen naar de Gemeentelijke
Kredietbank (GKB). Zij ontvangen bijstand om niet tot een maximum bedrag
van (ten tijde hier in geding) f 1.200,-- in een periode van drie jaar
voor duurzame gebruiksgoederen vermeld op de door appellant overgelegde
"Lijst van evident noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen voor
aanvragen bijzondere bijstand (zonder individuele toets qua
noodzakelijkheid)". Op die lijst staan onder meer vermeld
"koelkast" en "wasmachine (niet bij alleenstaande)".
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant toegelicht
dat met dit laatste niet is gezegd dat de alleenstaande die tot een van
de omschreven categorieën behoort, niet voor bijzondere bijstand voor
een wasmachine in aanmerking komt, doch dat in een dergelijk geval
steeds de noodzaak van de kosten dient te worden onderzocht.
De Raad stelt in dit verband voorop dat met betrekking tot een
alleenstaande een dergelijk onderzoek naar de noodzaak van die kosten
zich niet verdraagt met artikel 39, tweede lid, van de Abw. Ingevolge
deze bepaling behoeft immers niet te worden nagegaan of bedoelde kosten
ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn, indien de belanghebbende behoort
tot de categorie waarvan aannemelijk is dat die zich bevindt in
bijzondere omstandigheden als bedoeld in die bepaling.
Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank
terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een ongeoorloofd onderscheid
naar leeftijd. Namens appellant is, ook in hoger beroep, aangevoerd dat
het in zijn beleid opgenomen leeftijdscriterium niet in strijd is met
artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld is het ingevolge artikel 1 van de
Grondwet en artikel 26 van het IVBPR niet alleen op de in die artikelen
uitdrukkelijk genoemde gronden, maar op welke grond dan ook, verboden
onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, tenzij dit
gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden.
Appellant heeft met betrekking tot de keuze van de categorie van
personen van 65 jaar en ouder die gedurende ten minste drie jaar een
minimum inkomen hebben, aangevoerd dat deze groep meestal meer kosten
maakt op terreinen die in beginsel uit de (bijstands)uitkering moeten
worden voldaan, zoals kosten van verwarming, kosten in verband met
ziekte en attenties voor kleinkinderen. Dit houdt naar de mening van
appellant in dat er voor deze groep over het algemeen minder ruimte is
om te reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen.
Daarnaast hebben deze personen over het algemeen weinig uitzicht (en
invloed) op verbetering van hun inkomenspositie. Verder zijn de
kredietmogelijkheden gezien hun leeftijd beperkter.
Namens gedaagde is aangevoerd dat zij in vergelijkbare omstandigheden
verkeert als bedoelde groep van personen van 65 jaar en ouder. Zij
ontvangt sinds 1981 bijstand en heeft gedurende die periode de zorg voor
haar kinderen gehad. Als gevolg hiervan heeft het haar aan
reserveringsruimte ontbroken. Ook heeft zij hoge energielasten en maakt
zij kosten voor attenties aan haar kleinkinderen. Voorts is zij met
ingang van maart 1998 om medische redenen ontheven van de verplichtingen
op grond van artikel 113, eerste lid, van de Abw, zodat zij gelet op
haar arbeidsongeschiktheid niet in staat is om door middel van betaalde
arbeid haar financiële positie te verbeteren. Mede gelet op haar
leeftijd valt ook niet te verwachten dat dit in de toekomst anders zal
zijn.
De Raad is van oordeel dat de motieven die ten grondslag liggen aan de
keuze van appellant om categoriale bijstand te verstrekken voor duurzame
gebruiksgoederen aan personen van 65 jaar en ouder die gedurende drie
jaar een minimum inkomen hebben, niet uitsluitend voor deze groep
gelden. Ook bij jongere personen die gedurende ten minste drie jaar een
minimum inkomen hebben, valt niet bij voorbaat uit te sluiten dat zij
ten gevolge van in of bij die personen gelegen omstandigheden
veroorzaakte hoge kosten van verwarming en kosten in verband met ziekte,
niet of minder in staat zijn te reserveren voor vervanging van duurzame
gebruiksgoederen. Ook personen die jonger zijn dan 65 jaar en om
medische redenen ontheven zijn van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste lid, van de Abw, hebben over het algemeen weinig uitzicht op
verbetering van hun inkomenspositie. Beide groepen verkeren ook met
betrekking tot hun invloed hierop in vergelijkbare omstandigheden.
In de aan dit beleid ten grondslag liggende stukken en in de van de
zijde van appellant daarop gegeven toelichting heeft de Raad geen
argumenten aangetroffen ter rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid
naar leeftijd met betrekking tot het aanvragen en verlenen van
bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen. De Raad
laat dan nog daar dat de bijstandsnorm voor personen van 65 jaar of
ouder gelijk is aan de netto - AOW - uitkering en dus meer bedraagt dan
de norm voor bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar. Voorts is namens
appellant ter zitting bevestigd dat problemen met het afsluiten van een
lening door personen van 65 jaar en ouder door de gemeente Maastricht
kunnen worden opgelost door middel van de bij de gemeente bestaande
mogelijkheid tot borgstelling bij de desbetreffende kredietinstelling.
Het voorgaande in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat, indien
de aanvrager niet behoort tot de groep van personen van 65 jaar en ouder
die gedurende ten minste drie jaar een minimum inkomen hebben, doch
jonger is dan 65 jaar en in vergelijkbare omstandigheden verkeert, het
gemaakte onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd wordt door objectieve
en redelijke gronden. Anders dan namens appellant is betoogd, houdt dit
naar het oordeel van de Raad overigens niet in dat een ieder met een
meerjarig minimuminkomen zonder meer voor bijzondere bijstand voor
duurzame gebruiksgoederen in aanmerking dient te worden gebracht.
Het in het beleid gemaakte onderscheid naar leeftijd dient daarom ook
naar het oordeel van de Raad, te meer nu appellant de gronden voor dit
specifieke onderscheid ontoereikend heeft onderbouwd, in het geval van
gedaagde wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van
het IVBPR buiten toepassing te worden gelaten. Het daarop gebaseerde
besluit van 11 april 2001 kan derhalve geen stand houden.
Gelet hierop heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht dat
besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op
het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 4 januari 2001. De
aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 644,--, te betalen door de gemeente Maastricht;
Bepaalt dat van de gemeente Maastricht een recht van € 348,-- wordt
geheven.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2003.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|