|
Uitspraak
98/5953
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbracht,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 22
juni 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 september 2000,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door G.G.J. Maat,
werkzaam bij de gemeente Maasbracht, en gedaagde en haar gemachtigde, mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, zoals aangekondigd niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving sedert 6 december 1994 een uitkering ingevolge de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Deze uitkering is met ingang
van 1 juni 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 29 november 1996 heeft appellant, voorzover hier van
belang, de uitkering van gedaagde met ingang van 1 oktober 1996 beëindigd in verband met het feit dat zij werkzaam is in
het bedrijf van haar ouders en zij derhalve niet kan worden aangemerkt
als zijnde werkloos.
Bij besluit van 11 juli 1997 heeft appellant de door gedaagde tegen het
primaire besluit ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit
besluit ligt de overweging ten grondslag dat gedaagde de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende informatieplicht
heeft geschonden.
De rechtbank heeft het door gedaagde tegen het besluit van 11 juli 1997
ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat
appellant een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt en beslissingen
gegeven met betrekking tot de vergoeding van proceskosten en
griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd
dat gedaagde door het verrichten van werkzaamheden in de zaak van haar
ouders sedert 1 oktober 1996 heeft kunnen voorzien in de kosten van het
bestaan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde in de periode
hier in geding (de maand oktober 1996) niet de beschikking heeft gehad
over enig inkomen.
Appellant heeft in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank bestreden.
Daartoe is onder meer aangevoerd dat de rechtbank, gelet op het
complementariteitsbeginsel, ten onrechte geen gewicht toekent aan het
gegeven dat het gelet op de aard, de omvang en de duur van de
werkzaamheden die zij in het bedrijf van haar ouders verrichtte, op de
weg van gedaagde had gelegen om voor haar werkzaamheden loon te
bedingen, zodat zij niet langer kon worden geacht te verkeren in de
omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van de Abw.
Naar het oordeel van de Raad treft deze grief doel. Hij overweegt ter
zake het volgende.
Allereerst wijst de Raad erop dat bij een besluit tot beëindiging van
een uitkering ingevolge de Abw met inachtneming van het bepaalde in
artikel 27 van de Abw beoordeeld moet worden of op de datum waarop de beëindiging
ingaat, aanspraak bestaat op voortzetting van de bijstandsverlening. De
rechtbank heeft dan ook ten onrechte als in geding zijnde periode de
maand oktober 1996 aangehouden.
De Raad stelt voorts, evenals de rechtbank vast dat niet is gebleken dat
gedaagde voor haar werkzaamheden loon heeft ontvangen. Anders dan de
rechtbank heeft aangenomen, leidt deze vaststelling evenwel niet zonder
meer tot de conclusie dat gedaagde ook na 1 oktober 1996 in
omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van de Abw verkeerde.
Onder de vigeur van de ABW heeft de Raad beslist dat bij de vaststelling
van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel uitgegaan moet worden
van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit
daadwerkelijk worden verworven c.q. kunnen worden verworven. Voor het in
aanmerking nemen van een fictief inkomen is ruimte indien vaststaat dat
de betrokkene aanspraak kan doen gelden op een bepaalde honorering, of
als tegenover het verrichten van arbeid niet dan wel zo'n lage beloning
staat dat van reële betaling voor die arbeid geen sprake is (zie 's
Raads uitspraken van 6 september 1994, onder meer gepubliceerd in RSV
1995/94, en 9 september 1997, onder meer gepubliceerd in JABW 1997/176).
Gelet op de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van de artikelen 7 en 42
van de Abw, waaruit onder meer blijkt dat bij de beoordeling van de
inkomenspositie niet alleen het feitelijk ontvangen inkomen in
beschouwing wordt genomen, maar ook het inkomen waarover de
belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken, heeft deze jurisprudentie onder de werking van de Abw bij de vaststelling van in aanmerking te
nemen inkomsten uit arbeid haar betekenis niet verloren.
Naar het oordeel van de Raad bestond in het geval van gedaagde voldoende
grond om bij de beoordeling van de vraag of zij ingaande 1 oktober 1996
over middelen beschikte, een fictief inkomen in aanmerking te nemen.
Blijkens de bevindingen van het door appellant ingestelde onderzoek is
gedaagde vanaf april 1996, zonder daarvan mededeling te doen aan
appellant, gedurende de volledige werkweek werkzaam geweest in de
tegelhandel van haar ouders. Deze situatie was mede gezien het
inkomstenformulier over de maand oktober 1996 op 1 oktober 1996
ongewijzigd. Gelet op de aard en de omvang van deze werkzaamheden is
sprake van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een
economische waarde vertegenwoordigt, welke als regel kan worden gesteld
op het geldende minimumloon. Gedaagde had dan ook voor haar
werkzaamheden een loon kunnen bedingen van ten minste het voor haar
geldende normbedrag, bestaande uit de alleenstaandennorm en 20% toeslag,
tezamen 70% van het minimumloon.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde op 1 oktober
1996 niet langer verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, oud, van de Abw.
Aangezien de in het bestreden besluit aan de beëindiging van de
bijstandsuitkering ten grondslag gelegde schending van de
inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw
daartoe op zichzelf een ontoereikende grondslag biedt, komt dit besluit
voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Awb.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de Raad tevens bepalen dat de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75
van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep, welke kosten de Raad begroot op f 710,-- als kosten van
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is
beslist omtrent de vergoeding van griffierecht;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit van 11 juli 1997;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep,
groot f 710,-- te betalen door de gemeente Maasbracht.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en
mr. drs. N.J. van Vulpen Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
I.J.M.
Peereboom Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17
oktober 2000.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|